HOOFDSTUK 48
HET HART
VAN HET HEELAL. DE WEG NAAR VREDE, GELUK EN BEGRIP LIGT IN ONS. HET
GROTE AVONTUUR KEN UZELF HET HELE GEHEIM VAN INWIJDING. ONZE VERANTWOORDELIJKHEID:
ETHISCHE WAARDEN EN DE WETTEN VAN HET HEELAL; HARMONIE.
|
Zie de waarheid vóór u: een rein leven, een onbevooroordeelde
geest, een zuiver hart, een weetgierig intellect, een ongesluierde
geestelijke visie, een broederlijke genegenheid voor de medediscipel,
de bereidheid om raad en onderricht te geven en te ontvangen,
een trouw plichtsgevoel tegenover de leraar, een bereidwillige
gehoorzaamheid aan de geboden van de WAARHEID,
als we eenmaal ons vertrouwen daarin hebben gesteld en geloven
dat de leraar deze bezit; een moedig dragen van persoonlijk onrecht,
een kordaat uitkomen voor beginselen, een dappere verdediging
van hen die onrechtvaardig worden aangevallen, een blik die voortdurend
is gericht op het ideaal van de menselijke vooruitgang en volmaking
zoals de geheime wetenschap (gupta vidyâ) die schildert
– dat zijn de gouden treden van de ladder waarop de leerling naar
de tempel van goddelijke wijsheid kan klimmen.
|
|
– Uit het Boek van discipline in de scholen van
Dzyan,
geciteerd door H.P. Blavatsky
|
Het oude smalle pad dat zich ver uitstrekt,
Is door mij bereikt, is door mij gevonden.
Daarlangs gaan de wijzen, de kenners van
Brahma, omhoog
Naar de hemelse wereld, bevrijd. |
|
– Brihad-âranyaka
Upanishad, 4, 4, 8 (naar vert. Hume)
|
De weg naar uiteindelijke vrijheid ligt
in uw ZELF.
Die weg begint en eindigt buiten het Zelf. |
|
– De Stem van de Stilte, Fragment II
|
Het grote geheim is sympathie voor de
zielen van de mensen, het verlangen te streven naar dat wat waar
is. |
|
– Katherine Tingley
|
In plaats van de draad van ons betoog weer op te vatten
op het punt waar we waren gebleven, is mijn verzoek aan u, aan ons allen
tezamen om ons in gedachte en in de geest, te verplaatsen naar een sfeer
van magische schoonheid, een atmosfeer waarin de wortels van ons wezen
leven, waaruit de geestelijke en verstandelijke krachten voortkomen,
waarin de tussennatuur van de mens en ook de mens zoals hij in het dagelijks
leven is, zijn voedsel, zijn leiding en alle edele dingen vindt die
de mens tot mens maken.
In deze geestelijke en mentale atmosfeer wijs
ik om te beginnen op enkele elementaire stellingen van de oude wijsheid,
waarvan de eerste is dat alle mensen in hun innerlijkste geestelijke
essentie niet alleen aan elkaar verwant zijn, maar een volmaakte en
onafscheidelijke eenheid vormen. Dat betekent niet dat de menigten monaden
die het geestelijke deel van de mensen vormen, één monade voor ieder
mens, slechts één monade zijn; maar het betekent, zoals u allen moet
weten, dat de monaden zelf ook een geestelijke kant hebben en dat die
geestelijke kant of natuur van elk van hen haar wortels, haar uiteindelijke
bron van het zijn, in het transcendente goddelijke heeft waarin we leven,
bewegen en ons bestaan hebben.
Vandaar dat zich door iedere monade, als wij
dit willen, een stroom van intellectuele alwetendheid beweegt, en die
stroom wordt zelfs door de verduisterende sluiers van de tussennatuur
heen naar ons over gebracht; want wij ontlenen zowel dat geestelijke
leven als die intellectuele alwetendheid – met andere woorden, gelukzaligheid
en zuiver bewustzijn en zuiver begrip – aan het goddelijke dat in het
hart of de kern van iedere man of iedere vrouw is; ja, en ook in het
hart en de kern van de wezens die lager staan dan wij, hoewel zij nog
niet een ontvan kelijk voertuig hebben ontwikkeld dat deze verheven
en bovenaardse mysteriën in begrijpelijke gedachtevormen kan omzetten,
omdat het noodzakelijke denkorgaan ontbreekt dat in hen nog niet als
een zelfbewust vermogen tot uitdrukking is gekomen.
De mensen boven ons, ik bedoel hen die de chela’s
van de leraren zijn, en de leraren zelf, en de leraren van de leraren,
zijn alle respectievelijk een stadium dichter bij dat goddelijke dan
de voorgaande groep, een graad of een stap hoger in de buddhische hiërarchie,
in de hiërarchie van mededogen.
Laten we niet vergeten dat wij de buitenste
rij of kring van die buddhische hiërarchie van mededogen vormen en het
hangt van elk van ons af, niet alleen van het leven dat we leiden, maar
ook van de denkbeelden die we in hart en ziel als iets heiligs bewaren,
in welke mate wij betrouwbare overbrengers en vertolkers van de goddelijke
stroom uit die bovenaardse bron kunnen worden. Wanneer we hem in zijn
oorspronkelijke kristallijne zuiverheid kunnen doorgeven, wanneer onze
geestelijke ziel zo’n zuiver instrument wordt, zulke hoge aspiraties
koestert en onbedorven van aard is, dat wij deze levengevende stroom,
de stroom van begrip uit de bron van het universele leven, bewust kunnen
ontvangen en doorgeven, dan zijn we inderdaad verlossers van de mens,
verlossers van onze medemensen; en dat is de taak waartoe de leraren
ons oproepen.
Want is dat per slot van rekening niet het
doel waarvan de leraren ons hebben gezegd dat het hun eigen levenstaak
is, en op het ogenblik ook onze levenstaak zou moeten zijn? Zo is het.
In sommige landen spreekt men van een christus; in andere landen spreekt
men van een boeddha; elders spreekt men van iemand die de weg, het pad,
heeft gevonden, die tao heeft gevonden. In al die gevallen wordt gedoeld
op iemand die zijn individualiteit zo volledig aan het heelal ondergeschikt
heeft gemaakt, dat hij een betrouwbare overbrenger van het geestelijke
leven wordt.
Al die verschillende namen en titels doelen
op hetzelfde. Wat is dat? Het wil zeggen dat de geest en het hart, het
begrip en het bewustzijn, en daarom het voorbeeld en het leven alle
één zijn, alle als een eenheid langs hetzelfde pad werken dat naar het
verheven doel leidt waarop wij hebben gezinspeeld; en een leven dat
zo wordt geleid brengt niet alleen in het hart van elk van ons een vrede
en vreugde die het menselijke begrip te boven gaan, maar het stelt ons
tevens in staat die vrede en vreugde aan anderen te schenken.
Door de lessen die we in ons dagelijks leven
leren, krijgen we de kans onze voeten op dit pad te zetten. Zoals wij
allen weten is het edelste doel dat we kunnen hebben, onszelf voor deze
levenstaak geschikt te maken. Hoe kan men dat doen? Gebeurt dat door
alleen uit te zien naar mysteriën en naar vreemdsoortige beproevingen
die moeten worden ondergaan? Wat voor beproeving of toetsing zou dat
moeten zijn, op een moment dat men zich in een toestand van vervoering
en hoog gespannen verwachting heeft gebracht, zodat men in zekere zin
tijdelijk abnormaal is en daardoor tijdelijk de abnormale kracht bezit
om zulke beproevingen te doorstaan. Het zouden nauwelijks beproevingen
zijn en daarom weinig nut en weinig waarde hebben. Beproevingen komen
in de dingen van het leven waarmee we dagelijks te maken hebben, in
de plichten die we trouw of misschien niet trouw vervullen, in het nooit
verzaken van onze taak terwille van persoonlijke of zelf zuchtige overwegingen;
want zo worden wij in alle delen van ons wezen beproefd, op ieder moment,
en op de meest onverwachte en onvoorziene plaatsen, en op de meest onverwachte
en onvoorziene ogenblikken.
Onze vreugde gaat ons gewone begrip ver te
boven wanneer iemand, door langdurig en trouw te dienen en door een
onwankel bare toewijding die tot innerlijke ontwikkeling leidt en hem
ver doet vor deren op zijn weg, dat stille smalle pad volgt dat naar
het hart van het heelal voert; want we beseffen, dat wat hij dan bereikt
wij ook kunnen bereiken en moeten bereiken en tenslotte zullen bereiken
als we han delen zoals hij; er is reden tot vreugde voor allen wanneer
dit gebeurt.
Ik heb zojuist gesproken over het pad dat naar
het hart van het heelal voert. Wat is dat hart? Is het ‘God’? Kunnen
we ons een god voorstellen die meer is dan de hoogste schepping van
onze verbeelding? Zo’n god is tenslotte slechts een naam, een ademtocht
en meer niet, want hij is een voorstelling die haar oorsprong in ons
eigen denken heeft. Wij bedoelen met de uitdrukking ‘het hart van het
heelal’ niet een of ander goddelijk wezen, dat welbeschouwd slechts
een aggregaat, een verzameling, een samengestelde eenheid is van de
verschillende individuen van de hiërarchie waarvan het het toeziend
hoofd is. Dat bedoelen we niet want wat is de zin daarvan, want deze
hiërarchische hoofden zijn talrijker dan de zandkorrels aan de kust
van de oneindige oceaan, want hun aantal is oneindig; en hoe zou één
hiervan het hart van het heelal kunnen zijn? Nee, dat is niet onze bedoeling.
Wij bedoelen met het hart van het heelal dat bewustzijn, dat licht,
dat begrip, die natuur waarvan de essentie het hoogste geluk is, dat
het leven van het heelal is – niet een persoonlijk leven maar een onpersoonlijk
leven, waaruit en waardoor het heelal de krachten ontvangt die het vervullen
en deze krachten zijn de goden, de geestelijke wezens; de werking van
hun vitaliteit voelen we zelfs in de uiterlijke fysieke wereld en we
ontlenen daaraan de ons zo vertrouwde uitdrukking ‘de krachten die in
de stof werken’.
Dit bewustzijn, dit licht, dit begrip, deze
natuur waarvan de essentie het hoogste geluk is, vormen samen wat wij
bedoelen met het hart van het heelal, een hart dat zich nergens in het
bijzonder bevindt, omdat het overal is; het wordt het ‘hart’ genoemd,
omdat het de geheime kern is in elk van ons, het hart van ons wezen,
dat niet alleen de bron is maar ook de weg of het kanaal, of de bedding
waardoor deze bovenaardse krachten van het goddelijke tot ons komen;
en in laatste instantie, zijn wij deze krachten zelf, en zijn zij ons,
want al deze dingen vormen de verborgen en geheime bronnen van ons wezen.
U kent de leer van de oude oosterse filosofie,
de Vedânta van Hindoestan, die in dit opzicht ook de leer van het noordelijke
boeddhisme is, en ook de onze, en die als volgt luidt: het heelal is
één enorm groot organisme, een organisme dat uit kleinere, geringere
organismen bestaat, die niet een bepaalde plaats innemen maar door de
ruimte verspreid zijn, onbegrensd en in alle richtingen, zowel naar
binnen als naar buiten, in de innerlijke werelden zowel als de uiterlijke
werelden. En deze zijn vol met nog kleinere, nog geringere organismen,
die alle tezamen het enorme organisme van de kosmos vormen.
Ik denk dat het welbeschouwd slechts beeldspraak
is om over het heelal te spreken als over één reusachtig organisme,
omdat strikt logisch redenerend elk organisme een beperkte entiteit
moet zijn, en de gedachte waaraan wij uitdrukking proberen te geven
heeft te maken met Dat wat in alle opzichten onbeperkt is. Vandaar
dat de uitdrukking ‘enorm organisme’ een metafoor, een troop, een zegswijze
is om een gedachte onder woorden te brengen die bijna te subtiel en
te verheven is om in gewone taal weer te geven.
Het is dus eigenlijk alleen een filosofische
vrijheid om dit grote organisme van de kosmos een organisme te noemen.
Het is een organisme in de zin waarin de mensheid een organisme is,
dat uit individuen bestaat, uit mensen, mensen die kleinere organismen
zijn van het samengestelde lichaam dat wij de mensheid noemen, uit mensen
van wie het lichaam ook weer uit entiteiten bestaat die nog kleiner
zijn; en deze nog kleinere wezens zijn weer samengesteld uit entiteiten
nog kleiner dan zij, en zo steeds verder.
Laten we in gedachte in tegenovergestelde richting
gaan naar de macrokosmische sferen, en ook daar vinden we dezelfde wet
van eenheid in verscheidenheid die overal heerst. We kunnen in onze
verbeelding een laatste punt bereiken en zeggen dit is het heelal; maar
met wat meer inspanning en door voorbij dat punt te zien, worden we
ons niet alleen bewust dat er nog verder verwijderde heelallen moeten
zijn, maar zegt ons instinct en onze intuïtie ons ook dat evenals door
ons eigen heelal ook door deze verder verwijderde aggregaten, de goddelijke
krachten spelen die wij kennen, dezelfde goddelijke energieën, dezelfde
drang tot vooruitgang, dezelfde roep om hogerop te komen, omdat door
deze, hun broederheelallen of, zo u wilt, zusterheelallen, dezelfde
krachten werken. Het aantal van deze heelallen is onbeperkt, een ontelbare
menigte, zichtbaar en onzichtbaar, innerlijk en uiterlijk. Als we dus
de uitdrukking ‘het heelal is één geweldig groot organisme’ gebruiken,
willen we slechts dat ons denken steeds verder reikt en bedoelen we
de grenzeloze ruimte, zonder beperkingen, zonder grenzen, zonder eindpunten.
Bedenk bovendien dat elk van deze organismen
alleen gedurende de perioden van zijn eigen manvantara bestaat; want
manvantara is een woord dat wij op analoge wijze zowel voor het grote
als voor het kleine kunnen gebruiken. Er kan zowel sprake zijn van een
manvantara van een heelal als van een manvantara van een samenstel van
heelallen; ook is het niet noodzakelijk dat een dergelijk heelal, of
samenstel van heelallen, een manvantaraperiode of pralayaperiode heeft
die samenvalt met die van alle andere samengestelde lichamen.
Laten we hiermee voorzichtig zijn. Wanneer
we van een ‘universeel manvantara’ spreken, bedoelen we het manvantara
van ons eigen kosmische aggregaat; maar een ander heelal kan in pralaya
verkeren, terwijl wij in manvantara zijn; veel andere heelallen kunnen
in pralaya of in manvantara zijn, terwijl wij omgekeerd in manvantara
of in pralaya kunnen zijn.
Laten we waken over onze gedachten en ons denken
nauwlettend in het oog houden, want daardoor maken we het onmogelijk
dat ons denken verstart en zich steeds uit in een aaneenschakeling van
frasen waardoor de gedachte een dogma wordt. We leren veel door zo op
onszelf te letten, onszelf te bestuderen, en verder door te dringen
tot onze eigen innerlijke geestelijke natuur, geleid door de leer die
de meesters ons hebben gegeven; en de essentie van al deze leringen
of de grondtoon, om het zo te noemen, is dat de weg naar het licht en
naar het leven, en naar vrede, geluk en begrip in onszelf ligt; en we
verkrijgen deze schitterende dingen door dieper en dieper in te keren
tot onszelf, door ons daar op te richten. Want hoe dieper we bij wijze
van spreken inkeren tot onszelf, hoe verder we dat pad volgen dat naar
binnen voert, hoe meer we ons bewust worden van nog grotere dingen,
nog ruimere visies, en het aldus gevolgde pad wordt de ruimte zelf.
Is dit pad een ander pad dan dat wat steeds
verder en verder naar buiten voert, steeds verder naar buiten naar de
ruimten en kosmossen, waarvan wij intuïtief aanvoelen dat ze buiten
de grenzen van ons eigen heelal bestaan? Nee, het is hetzelfde pad,
precies hetzelfde pad; het is alleen ons aan de stof gebonden denken,
waarmee we in de huidige periode van evolutie noodzakelijkerwijs moeten
werken, dat zich de mysteriën van het bewustzijn zo voorstelt dat ze
ruimte innemen, of zich in een bepaalde richting uitbreiden. Al deze
dingen bestaan in ons bewustzijn, maar niet in enige stoffelijke richting;
het is het bewustzijn dat begrijpt, en bewustzijn is vóór noch achter,
rechts noch links, boven noch beneden, maar het is. Het is alle
dingen in alle tijden, en omdat het overal is, is het niet ergens in
het bijzonder.
Waar zetelt dit bewustzijn dat in ieder van
ons is? Het is binnenin ons, men vindt het door tot zichzelf in te keren;
dat is de grote zoektocht, de grote ontdekkingsreis; het is het zoeken
naar en ook het vinden van het licht; het is het zoeken naar en ook
het vinden van het leven. Om dit bewustzijn te vinden moet men zich
dus naar binnen wenden; maar als we zeggen dat het pad naar binnen leidt,
is ook dat maar beeldspraak; het is een manier om door middel van woorden
een gedachte over te brengen, en we moeten onze geest niet laten verstarren
om wat niet meer dan een beeld is.
Herinnert u zich dat toen we een vorige keer
spraken over de aard van de oude inwijdingen, wij de aandacht vestigden
op de diepzinnige waarheid dat er geen inwijdingen zouden kunnen bestaan
tenzij het bewustzijn van de kandidaat of neofiet was ontwaakt? Wat
is inwijding? Het woord betekent feitelijk een begin, de eerste schreden
van een beginneling, en er zijn vele soorten van begin. We kennen het
begin voor de man van de wereld; het begin voor de ware chela; het begin
voor de mahâtma; het begin voor zijn leraar, enz. Het is de eerste aanzet
tot de ontwikkelingsgang van een beginneling, en degene die zijn eerste
schreden begeleidt, zal dit met dezelfde zorg en aandacht doen als een
moeder die helpt en toeziet bij de eerste schreden van haar kindje.
Er is een oud oosters gezegde, en het is een
heel mooi gezegde, dat de inwijder zowel vader als moeder voor zijn
discipel is, en zelfs meer dan dat: want terwijl de vader en de moeder
het leven van het stoffelijk lichaam schenken en dat lichaam zelf ten
behoeve van de binnenkomende ziel, en ook de liefde en de zorg en de
aandacht die nodig zijn om het kind tegen gevaar en dreiging in onze
stoffelijke wereld te beschermen, schenkt de inwijder u in feite uw
ziel, omdat hij haar voor u doet ontwaken, u met uzelf bekend maakt,
de poorten van uw begrip opent, u op weg helpt om het ons omringende
heelal en de mysteriën die het bevat te onderzoeken en te begrijpen.
Kortom, de leraar, de inwijder, leidt u binnenwaarts, zodat u uzelf
kunt leren kennen – met andere woorden, zoals al werd aangegeven, hij
waakt over en ziet toe op de groei en ontwikkeling van uw zich uitbreidende
bewustzijn.
Gnw'qi seautovn, zeiden de Grieken: ‘Ken uzelf’,
een gebod dat boven de tempel van Apollo in Delphi stond gegrift; deze
opdracht bevat in twee woorden het hele geheim van inwijding en van
de inwijdingen, omdat dit het pad omvat dat het zich uitbreidende bewustzijn
in zijn groei volgt: ken uzelf.
Uzelf – wat is dat? Het is bewustzijn; het
is ook het hart van het heelal. Uzelf, het zelf dat hetzelfde is in
u en in mij en in alle anderen, dat tussen ons onderling niet verschilt.
Het is het uiteindelijke zelf, de geestelijke overziel; en daarom is
het het ene zelf, het hart van het heelal. Het is het bewustzijn in
u dat eenvoudig zegt ‘ik ben’, en datzelfde bewustzijn is in mij en
in alle anderen: in de leraar, in de chela’s van de leraren, in de leraren
van de leraren, in de stille wachter van onze bovenaardse sfeer – dat
overzelf is hetzelfde in alle entiteiten waaruit een hiërarchie bestaat.
Maar hoewel dat overzelf hetzelfde is in u
en in mij en in al wat bestaat, en nergens verschilt van wat het elders
is, omvat het toch niet alles wat wij psychologisch gesproken zijn.
Er is iets anders in ons, dat niet verschilt van de overziel maar bij
wijze van spreken een straal is van die overziel, en dit andere in elk
van ons is het individuele ego: dat deel van ons dat niet alleen zegt
‘ik ben’, maar ‘ik ben ik’, en niet u. Denk na over dit psychologische
mysterie, een mysterie voor hen die niet goed op de hoogte zijn van
de oude wijsheid; want een van de verbazingwekkendste geheimen van de
oude wijsheid, van de esoterie, ligt in een juist begrip van dit psychologische
mysterie.
Om mijn bedoeling duidelijker te maken, herinner
ik u eraan dat, al is het volkomen juist te zeggen dat de innerlijke
natuur van de mens het zaad van zijn individuele bewustzijn is, dat
bewustzijn als het ware niet meer is dan een afspiegeling van het universele
bewustzijn dat in alle andere entiteiten woont, waar zij zich ook mogen
bevinden. Het is juist dat wij tot dit universele bewustzijn doordringen
en aan de universaliteit daarvan deelhebben als we het pad volgen dat
naar binnen voert; maar dat is niet een werking van het bewustzijn;
en het denken moet niet verstarren rond de gedachte dat het om alleen
een ruimtelijke uitbreiding gaat.
Iemand die ’s nachts de sterrenhemel boven
zich bekijkt, kan even gemakkelijk het pad naar binnen volgen als iemand
anders die in een hoek zit en zich concentreert op zijn navel of op
de punt van zijn neus zoals sommige zogenaamde exoterische yogi’s doen.
Het betekent in feite dat het bewustzijn zich verheft tot het niveau
waarop het zichzelf begrijpt en zich ontwikkelt naar het universele.
Wanneer u eenmaal aan die taak begint en dat
pad begint te volgen, zult u ervaren dat ‘ruimtelijke uitbreiding alleen’
niet meer dan woorden zijn. Het bewustzijn zelf zal u de betekenis van
deze dingen leren en die betekenis staat altijd los van de ruimtelijke
beperkingen of eigenaardigheden van de stoffelijke wereld. Het is in
feite eerder een groei van bewustzijn dan het volgen van een zogenaamd
pad in een bepaalde richting. Naarmate het bewustzijn van een mens zich
uitbreidt, beseft hij dat hij groeit; maar hij zal waarschijnlijk glimlachen
als hij iemand, van wie het bewustzijn zich niet in gelijke mate heeft
uitgebreid, hoort spreken over een bepaalde richting in de ruimte die
het pad naar het licht zou volgen.
Dit relatieve ik, dit ego-zelf, dit individuele
ik in elk van ons, is niet het hart van het heelal; maar het is geworteld
in het hart van het heelal, en dus geworteld in het universele leven,
in het universele bewustzijn, want het is een straal ervan. Het is dat
deel van ons dat door de magie van de evolutie, door de wonderlijke
magie die de goden met hun goddelijke krachten beoefenen en waarmee
ze de kosmos tot een prachtig web van leven maken en vormen – het is
dat deel van ons, zeg ik, dat uitgroeit van niet-zelfbewustzijn tot
zelfbegrip, tot zelfbewustzijn.
In de onmetelijke schoot van vervlogen eeuwigheden
begon het zijn loopbaan als een niet-zelfbewuste godsvonk; en het is
zijn bestemming te zijner tijd te ontluiken tot een zelfbewuste god,
door de mogelijkheden te ontwikkelen of te ontplooien of te evolueren
die als een vonk van het heelal latent of inherent in zijn natuur liggen
besloten. Dat is geestelijke evolutie, en kan worden gezien als de vorming
van een god uit de krachten en vermogens die in zijn eigen zelf aanwezig
zijn, het naar buiten treden van de latente of sluimerende energieën
die hem innerlijk toebehoren; inderdaad, een zelfbewuste god, wat het
tenslotte zal worden, vervuld van en door het hart van het heelal, dat
het heelal zelf is. Het is de vorming van een god door middel van het
ego-zelf, dat zijn periodieke spiegel of weerkaatsing is.
Katherine Tingley bracht het als volgt onder
woorden in haar prachtige invocatie:
O, mijn godheid! gij verenigt
u met de aarde en bouwt voor uzelf tempels van enorme kracht.
O, mijn godheid! gij leeft in het hartenleven
van alle dingen, en straalt een gouden licht uit dat eeuwig schijnt
en zelfs de donkerste hoeken van de aarde verlicht.
O, mijn godheid! doordring mij, opdat ik
van vergankelijk onvergankelijk mag worden; opdat ik van onvolmaakt
volmaakt mag worden; opdat ik uit het duister mag voortgaan in het
licht.
Het universele zelf is het hart
van het heelal, want beide uitdrukkingen zijn slechts twee manieren
om hetzelfde te zeggen; het is de bron van ons zijn; het is ook het
doel waarheen wij allen op weg zijn, wij en de hiërarchieën boven ons
en de hiërarchieën en entiteiten lager dan wij die deze samenstellen.
Alle komen voort uit dezelfde onuitsprekelijke bron, het hart van het
zijn, het universele zelf, gaan in een bepaalde periode van hun evolutie
door het menselijke stadium, verkrijgen daardoor zelfbewustzijn of het
ego-zelf, het ‘ik ben ik’, en ervaren dat het zich, naarmate zij op
het pad van evolutie vorderen, geleidelijk tot universeel bewustzijn
uitbreidt – een uitbreiding waaraan nooit een einde komt, omdat het
universele bewustzijn eindeloos, onbeperkt, grenzeloos is.
Het is allemaal inderdaad een wonderbaarlijk
mysterie, om het woord ‘mysterie’ hier in zijn Griekse betekenis te
gebruiken van iets dat geheim en verwonderlijk is. Wij verlaten onze
goddelijke bron als niet-zelfbewuste godsvonken, en zijn bestemd zelfbewuste
goden te worden, om daarna rechtstreeks deel te nemen aan het immense
kosmische werk.
Maar hebben we daarmee het uiterste bereikt,
en gaan we daarna niet verder? Bereiken we zo de grenzen van de bewustzijnsruimte,
waarna we niets meer vinden of ontdekken dat nog verhevener of grootser
is om te leren kennen en te worden? Volstrekt niet, de waarheid is precies
het tegenovergestelde. Het bewustzijn breidt zich geleidelijk uit, en
hoe meer het zich uitbreidt des te meer leert het, en die uitbreiding
is tijdeloos, ligt buiten ruimte en tijd. Het breidt zich eeuwig uit.
We hebben gesproken over de hiërarchieën boven
ons, dat wil zeggen over de menigten hiërarchieën die door het menselijke
stadium zijn heengegaan en hun weg vervolgen op hun eigen evolutiepad
naar een nog grootsere bestemming; maar laten we niet vergeten dat er
lager dan wij andere menigten hiërarchieën zijn die uit ontelbare levens
bestaan, talloze menigten, die ons volgen en bewust of onbewust naar
ons opzien zoals wij opzien naar hen die ons zijn voorgegaan, op dezelfde
manier als wij, in vroegere manvantara’s, hen volgden die nu boven ons
staan en tot wie wij opzien als goden of geestelijke wezens, of om een
term te gebruiken die aan het boeddhisme is ontleend, dhyân- chohans.
Van de menigten van deze kleine en lagere entiteiten
die ons volgen, behoort één deel tot de menigte kleine, zelfs oneindig
kleine, levens die ons lichaam samenstellen: dat wil zeggen het stoffelijk
lichaam, het astrale lichaam, het mentale lichaam, het lichaam van het
intellect en het geestelijke lichaam; en al deze menigten, die deze
verschillende lichamen vormen, verschillen in graad of in stadium van
evolutie, en elk van die menigten is bovendien nauw verbonden met elke
andere en met alle andere, en ook met de verschillende hiërarchieën
van de wereld om ons heen – alle hiërarchieën, waaruit deze verschillende
lichamen van de zevenvoudige constitutie van de mens bestaan, vormen
met elkaar de samengestelde eenheid waardoor het diepste zelf van de
mens werkt, omdat, in een andere betekenis dan die bedoeld door Paulus
van de christenen, wij daarin leven, bewegen en ons lagere bestaan hebben.
Wat is dit diepste zelf? Ik heb al vele keren
gezegd wat het is. Het is dat deel van ons waardoor wij verenigd zijn
met het hart van het heelal – in werkelijkheid is het het hart
van het heelal, slechts beperkt door de geïndividualiseerde uiting van
onze geestelijke natuur; en deze geeste lijke natuur zelf is de bron
van ons ego.
Laten we nog eens kort proberen de bouw, of
misschien beter gezegd de constitutie, van onze innerlijke natuur te
schetsen, en ik kies ons mensen als voorbeeld, omdat wij ons hebben
ontwikkeld tot het punt waarop het zelfbewustzijn zich begint te manifesteren,
en daardoor kunnen wij duidelijker en gemakkelijker aantonen hoe de
evolutie in zijn werk gaat.
Het eerst komt het universele zelf, het hart
van het zijn, dat in ons allen hetzelfde is. Dit universele zelf stort
zijn energieën uit door wat het hoogste is in de menselijke constitutie,
en dat is in elk van ons de monade, onze innerlijke geestelijke god.
De monade, die in de verschillende sferen werkt, bouwt de tussennatuur
van de mens op, die het ego-zelf is; en, naarmate zijn bewustzijn zich
uitbreidt van het persoonlijke met zijn beperkingen naar het universele,
treedt dat ego-zelf spontaan grotere en steeds grotere sferen van leven
en activiteit binnen, totdat dit ego op zijn beurt een volledig zelfbewuste
uiting van zijn bezielende monade wordt, wat slechts een andere manier
is om te zeggen dat het weer die monade zelf wordt, plus de ervaringen
die het ego heeft opgedaan door het aroma van de verschillende levens
die het heeft gehad in zich op te nemen.
Wanneer het ego aldus opnieuw monadisch is
geworden, met andere woorden zelf een monade is geworden – terwijl zijn
eigen bezielende monade intussen is gevorderd naar sferen van leven
en activiteit die nog verhevener zijn dan die ze vroeger heeft doorlopen
– dan wordt de ego-monade kosmisch van aard, en ontwikkelt op haar beurt
een tussenliggend zelf of tussenliggende zelven, dat werkt of die werken
door onze lagere natuur, waardoor de levens die lager staan dan wij
en waarin wij, zoals ik eerder zei, leven, bewegen en ons lagere bestaan
hebben, worden geholpen. Door deze lagere levens, die onze tussenliggende
of lagere natuur vormen, vindt het ego-zelf zijn terrein van zelfexpressie;
en wanneer het tenslotte een egoïsche monade wordt, wordt het voor de
menigten levens op deze tussenliggende en lagere sferen hun goddelijke
overziel, de hiërarch van hun hiërarchie.
Laten we als laatste gedachte ons bewust zijn
van de verantwoor delijkheid die wij dragen, geestelijk, mentaal, psychisch,
emotioneel, astraal en fysiek. En wanneer ik ‘wij’ zeg, bedoel ik wij
als zelfbewuste wezens, ego’s. We zijn in hoge mate verantwoordelijk
voor wat deze tussenliggende en lagere levens ondergaan; we beseffen
dat zoals wij ons stempel op hen drukken, zo zullen zij zichzelf tot
uitdrukking brengen, totdat zij op hun beurt zelfbewustzijn hebben bereikt;
wij beseffen dat wij hen de eerste impuls geven tot evolutionaire ontplooiing,
en dat zij het pad zullen bewandelen zoals wij hen bij wijze van spreken
hebben toegerust.
We beseffen tenslotte, dat wat in het menselijk
leven, en in de verbanden waarop ik zojuist heb gezinspeeld, de ethische
waarden zijn, in de kosmos de wetten van het heelal zijn. Beide betekenen
harmonie; beide duiden op actieve samenhang; beide duiden op een identieke
bron; en beide wijzen op het feit dat wij zowel als zij, deze lagere
entiteiten, bezig zijn het pad te bewandelen dat zij die ons zijn voorgegaan
hebben bewandeld. Dit bewandelen van het pad betekent groei van het
bewustzijn, het is een uitbreiding van wat we bewust kunnen begrijpen;
en dat is de reden dat deze entiteiten die ons vooruit zijn, zijn waar
zij zijn, want zij hebben dat pad bewandeld en zijn daardoor tot inzicht
gekomen.
De boeddhisten hebben een prachtige uitdrukking
als toelichting van dit feit van de gemeenschappelijke aard van hen
die ons zijn voorgegaan en die na ons komen. Zij spreken van een boeddha
als van iemand die een tathâgata is, een uitdrukking uit het
Sanskriet die uit twee woorden bestaat en de betekenis heeft van ‘aldus
gekomen’ of ‘aldus gegaan’, want het Sanskriet laat beide vertalingen
toe; maar de betekenis is dezelfde en doelt op iemand die de innerlijke
weg heeft gevolgd, het innerlijke pad, het stille smalle pad dat als
het ware uit het universele zelf afdaalt, door de menselijke constitutie
heengaat totdat het opnieuw verdwijnt in het hart van het zijn waaruit
wij voort kwamen.
U allen bent dat pad. Ik bedoel dat ieder van
u, mannen en vrouwen, voor uzelf dat pad bent; er is geen ander pad
voor u, want u bent het zelf die dat pad van begrijpend bewustzijn bewandelt
en tenslotte het evolutionaire doel ervan bereikt, wanneer u een god
wordt.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 605-17
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|