HOOFDSTUK 7

HIËRARCHIEËN: EEN VAN DE VERLOREN SLEUTELS VAN DE ESOTERISCHE FILOSOFIE. DE HEILIGE TETRAKTIS VAN PYTHAGORAS. DE LEVENSLADDER: DE LEGENDE VAN PADMAPÂNI

    De theofilosofie ontwikkelt zich over een breder front. Vanaf het begin van de tijd – in de tijd en in de ruimte van onze Ronde en bol – werden de geheimen van de Natuur (in ieder geval die waarvan onze rassen kennis mogen nemen) in meetkundige figuren en symbolen opgetekend door de leerlingen van diezelfde nu onzichtbare ‘hemelse mensen’. De sleutels daartoe zijn van de ene generatie van ‘wijze mannen’ op de volgende overgegaan. Enkele van de symbolen die zo van het oosten naar het westen kwamen, werden meegebracht door Pythagoras, die niet de uitvinder van zijn bekende ‘driehoek’ was. Laatstgenoemde figuur, samen met het vlak, de kubus en de cirkel vormen een welsprekender en wetenschappelijker beschrijving van de orde van de evolutie in het Heelal, zowel geestelijk en psychisch als stoffelijk, dan boekdelen vol beschrijvende kosmogonieën en geopenbaarde ‘Geneses’. De tien punten, beschreven binnen die ‘driehoek van Pythagoras’, zijn van evenveel waarde als alle leringen over de afstamming van de goden en engelen die ooit uit een theologisch brein zijn voortgekomen. Want wie ze interpreteert – zoals ze daar staan in de gegeven volgorde – zal in die zeventien punten (de zeven wiskundige punten zijn verborgen) de ononderbroken reeks van genealogieën vinden van de eerste hemelse tot de aardse mens. En terwijl ze de volgorde van de wezens aangeven, onthullen ze ook de volgorde waarin de Kosmos, onze aarde en de oorspronkelijke elementen die de aarde voortbrachten, zijn ontwikkeld. Omdat de aarde werd verwekt in de onzichtbare diepten en in de schoot van dezelfde ‘moeder’ als haar mede-planeten, zal degene die de geheimen van onze aarde doorgrondt die van alle andere planeten ook doorgronden. – De Geheime Leer, 1: 678


    ‘Het is dat LICHT dat zich verdicht tot de vormen van de ‘Heren van het Zijn’ waarvan de eersten en de hoogsten gezamenlijk JIVÂTMA of pratyagâtma zijn (figuurlijk gesproken, voortkomend uit paramâtma). Het is de logos van de Griekse filosofen, die verschijnt aan het begin van ieder nieuw manvantara. Hieruit afdalend – gevormd uit de zich steeds verder verdichtende golven van dat licht, dat op het objectieve gebied grove materie wordt – komen de talloze hiërarchieën van de scheppende krachten voort, sommige vormloos, andere met hun eigen kenmerkende vorm en weer andere, de laagste (elementalen), die geen eigen vorm hebben maar die, al naar gelang van de hen omringende omstandigheden, een passende vorm aannemen.’ – Op. cit., 2:36

    We lezen vanavond uit De Geheime Leer (1:301-2):

    De hele kosmos wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die – of we ze nu de ene of de andere naam geven en ze Dhyân-Chohans of engelen noemen – ‘boodschappers’ zijn, maar alleen in die zin dat ze werktuigen zijn van de karmische en kosmische wetten. Ze variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn en intelligentie, en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’, geeft men zich slechts over aan dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is òf een mens geweest, òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere of komende cyclus (manvantara).

    Toen we vorige week de bijeenkomst beëindigden, lieten we een aantal belangrijke zaken onvermeld, waar we vanavond op in moeten gaan. Eerst nog enkele woorden over de nevelvlektheorie of -hypothese en de daarvan afgeleide planeettheorie gezien vanuit een theosofisch standpunt, en dus een nadere verklaring of liever uiteenzetting van de leer van de hiërarchieën, die ons tot de studie zal voeren die we ons ten doel hebben gesteld, namelijk de beschouwing van de kosmogonie of het ontstaan van werelden zoals dit in het joodse boek Genesis, of wording, is geschetst.
     Ongeveer honderd jaar geleden stierven binnen enkele jaren drie opmerkelijke figuren, namelijk Kant, misschien de grootste filosoof die Europa ooit heeft voortgebracht; Sir William Herschel, de sterrenkundige; en de markies De Laplace; de eerste een Duitser, de tweede een Engelsman van Duitse afkomst, en de derde een Fransman. Alle drie waren tot op zekere hoogte verantwoordelijk voor de ontwikkeling en de verbreiding van de theorie over het ontstaan van de wereld, die leidde tot de nevelvlekhypothese van Laplace. Het is ook interessant op te merken dat ze alle drie van eenvoudige afkomst waren en door hun intelligentie en karakter uitzonderlijke figuren werden. Kant was, geloof ik, de zoon van een zadelmaker; Sir William Herschel was ook van eenvoudige afkomst en was in zijn jeugd hoboïst bij de gardetroepen van Hannover; en Pierre Simon Laplace was de zoon van een boer. Laplace werd in de adelstand verheven en kreeg de adellijke titel van markies.
     De nevelvlektheorie is eigenlijk afkomstig van Kant; hij legde de grondslag, het fundament als het ware, waarop de theorie later wiskundig door Laplace werd ontwikkeld. Het werk en de geschriften van Kant vielen samen met de sterrenkundige arbeid van Herschel in Engeland, en die twee mannen waren de grondleggers van de nevelvlektheorie. Nadat ze deze min of meer in grote lijnen hadden vastgesteld, vatte Laplace de studie ervan op en ontwikkelde hij haar tot wat de nevelvlekhypothese of -theorie van Laplace wordt genoemd. En omdat ze het mechanisme van het heelal, dat wil zeggen van het zonnestelsel en de planeten met hun satellieten in wiskundige vorm verklaart, werd ze een ‘bijzonder gedurfde’ hypothese genoemd. Laplace werkte de theorie verder uit dan Kant en Herschel en maakte haar in zekere zin materialistischer. Als de nevelvlektheorie was blijven staan op het punt waarop Kant en Herschel ermee stopten, hadden de theosofische schrijvers en denkers, volgens H.P. Blavatsky, niet veel meer hoeven doen dan haar te ontwikkelen en te verklaren in overeenstemming met de esoterische filosofie.
     Het is interessant te zien dat een ander groot man, Swedenborg in Zweden, aan dezelfde theorie werkte, en kennelijk over het ontstaan van kosmische stelsels uit een nevelvlek praktisch dezelfde denkbeelden had als Kant en Herschel. Aan de theorie die de twee laatstgenoemden verkondigden, lag een geestelijke gedachte ten grondslag, en het feit dat Laplace deze geestelijke gedachte prijs gaf en door een mechanisch-mathematische theorie verving, was er de oorzaak van dat de nevelvlekhypothese ging afwijken van de lijn, het denken en de leringen zoals die in de esoterische filosofie zijn neergelegd en door de leraren in de oudheid zijn onderwezen.
     De nevelvlekhypothese is sinds de tijd van Laplace in sommige opzichten veel veranderd; wetenschappers hebben er meer over nagedacht, wat ook in 1887 en 1888 al het geval was toen H.P. Blavatsky De Geheime Leer schreef. Door latere sterrenkundigen uit onze tijd, Sir Norman Lockyer en de Amerikaanse sterrenkundige en wiskundige See, is geprobeerd het ontstaan van kosmische lichamen uit een nevelvlek te vervangen, althans ten dele, door wat een planetesimale hypothese of een planetesimale oorsprong wordt genoemd – dat wil zeggen, dat de lichamen van het zonnestelsel zijn opgebouwd uit en door kosmisch stof en kleine planeten, die door de zwaartekracht zijn bijeengebracht. Deze theorie staat, filosofisch gesproken, onmetelijk veraf van de leringen van de esoterische filosofie, al erkent en leert deze filosofie dat in een later stadium in de evolutie van kosmische lichamen het vergaren en verdichten van stellair stof inderdaad een van de fasen in de ontwikkeling van werelden is.
     De theosofie erkent dat door een planeet of een zonnestelsel tijdens de vorming inderdaad in de ruimte verspreid sterrenstof en zwervende lichamen worden aangetrokken, maar deze factor in hun ontwikkeling is niet hun oorsprong. De oorsprong van een zon, van een zonnestelsel en de planeten daarin en dus van het gehele heelal binnen de gordel van de melkweg, heeft een geestelijke achtergrond; er staan geestelijke essenties of goden achter, die zo’n stelsel vormen en besturen en die er de ontwerpers en onderhouders van zijn. Hun werk volgt (min of meer) in grote lijnen de nevelvlektheorie zoals die door Kant en Herschel werd verkondigd; dat wil zeggen, de ruimte is eeuwig vol materie in een bepaalde toestand van zijn, en wanneer deze stof, zoals Kant en Herschel zouden hebben gezegd, de goddelijke impuls ontvangt, verdicht ze zich en wordt ze lichtgevend. Deze verdichting neemt verder (en later) toe doordat ze uit de onmetelijke ruimte waarin ze zich bevindt, materie tot zich trekt in de vorm van sterrenstof en grotere lichamen.
     Wanneer we opkijken naar de hemel zien we stoffelijke lichamen, lichamen van het vierde gebied die we met onze ogen van het vierde gebied waarnemen, maar achter deze lichamen van het vierde gebied staan geestelijke intelligenties, die in de esoterische filosofie dhyân-chohans of ‘heren van meditatie’ worden genoemd. Elk hemellichaam is, zoals de Ouden het uitdrukten, een ‘animal’, een Latijns woord dat een levend schepsel betekent. Men spreekt gewoonlijk [in de Engelse taal] van ‘animals’ [dieren], wanneer men ‘beasts’ of ‘brutes’ [beesten of redeloze wezens] zou moeten zeggen; een ‘brute’ is een wezen dat nog niet het peil van een zelfbewuste entiteit heeft bereikt; het is ‘brute’ in de oorspronkelijke Latijnse betekenis van ‘zwaar’, ‘grof’ en dus redeloos en onvolledig; het is nog niet compleet. Maar een ‘animal’ betekent in werkelijkheid een levend wezen en in die zin is het woord van toepassing op mensen.
     Volgens de Ouden is het woord ook van toepassing op stellaire, solaire en planetaire lichamen – het zijn ‘animals’ in de betekenis van levende wezens, met een stoffelijk corpus of lichaam, maar niettemin levend of bezield; in de mystieke leringen van de esoterische filosofie zijn ze bezield, zoals elk atoom, elk klein heelal of elke kleine kosmos is bezield.
     Deze bezieling vindt plaats door (of is het werk van) wat gewoonlijk hiërarchieën worden genoemd. Voor ieder individueel wezen in de kosmos, of dit een atoom, een dier, een mens, een god, een planeet of een zon is, bestaat er niet een als het ware op zichzelf staande ziel, die is voortgekomen uit de universele wereldziel, en die niets – geen verbindende schakels – boven en onder zich heeft; zeker niet. Er zijn in de stoffelijke, astrale, of geestelijke natuur geen echt lege ruimten; er zijn geen vacua. Alles is met al het andere verbonden door letterlijk ontelbare banden, wat nog een sleutel is tot de leringen van de esoterische filosofie. Evenals in de mens, manifesteert het universele leven zich in elke andere bestaanseenheid, in elke andere entiteit, door middel van een hiërarchie; de vele en verschillende eigenschappen van wezens zijn slechts de levensstralen van een hiërarchie, dat wil zeggen, graden of stadia van bewustzijn en stof, opklimmend van beneden naar boven, of zo u wilt, van boven af omlaaggaand. En het centrum van bewustzijn – noem het voor het ogenblik ziel of ego – moet in zijn evolutie naar het goddelijke door alle heengaan.
     Deze leer van hiërarchieën is fundamenteel. Ze is een van de in onze tijd ‘verloren sleutels’ van de esoterische filosofie. Zonder een helder inzicht daarin kan niets goed worden begrepen. Zoals de mens in onze gewone psychologie wordt beschouwd als een triade of drievoudige entiteit – lichaam, ziel en geest – zo kan hij vanuit een ander gezichtspunt worden gezien als een viervoudige entiteit, of als een vijfvoudige, een zesvoudige, een zevenvoudige of (het meest esoterische standpunt) als een tienvoudige entiteit. Waarom tien? Omdat tien het sleutelgetal is dat de samengestelde bouw van het heelal verklaart. Het heelal wordt opgebouwd volgens een tientallig stelsel, dat wil zeggen, een stelsel dat in tientallen telt. We zullen hieronder de filosofische betekenis van zeven en tien in grote lijnen aangeven. We merken vast op dat de mens volgens ons alleen daarom zevenvoudig is, omdat we twee elementen van zijn wezen als beginselen meetellen, die strikt genomen geen menselijke beginselen zijn: het ene is het stoffelijk lichaam, dat in werkelijkheid helemaal geen beginsel is; het is niet meer dan een huis, in een ander opzicht zijn ‘voertuig’ dat net zomin deel uitmaakt van de mens – al heeft hij het uit zichzelf afgescheiden, afgeworpen – als het huis waarin zijn lichaam woont. Ook zonder dit lichaam is hij een compleet mens.
     Het tweede, strikt genomen niet-menselijke beginsel, is het hoogste van alle zeven, het hogere zelf, de âtman, het zevende – niet-menselijk omdat het universeel is. Het zelf behoort evenmin aan mij als aan u of iemand anders. Het zelfgevoel is hetzelfde in alle wezens. Maar boven de âtman is de paramâtman, die we al kort hebben bestudeerd, het hoogste zelf. De âtman is als het ware de ster waaruit wijzelf zijn voortgekomen, de wortel van ons zelfgevoel, het punt waar we ons als het ware vastklemmen aan het hoogste. Als we ons bij wijze van spreken een oceaan van supergeestelijke ether kunnen voorstellen en in die oceaan – noem hem bewustzijn – een maalstroom, een layacentrum, een punt, een oorspronkelijk punt, waaruit de zes beginselen daaronder voortvloeien en tot stoffelijke manifestatie komen via zijn voertuigen – de zielen of ego’s – dan krijgen we een ruw beeld van de wortel van ons wezen. Het is de âtman, het kanaal of het geestelijke punt waar het supergeestelijke op zijn weg omlaag naar het geïndividualiseerde leven als het ware een barrière doorbreekt. Dit proces zullen we later uitvoeriger toelichten en dan zullen we het met een tekening illustreren.
     Dit onderwerp van de hiërarchieën wordt in de verschillende wereldreligies op praktisch dezelfde manier behandeld, maar met verschillende benamingen en met telkens andere schematische voorstellingen. Zo kan men zich bijvoorbeeld indenken dat de tien delen of graden of stadia van een hiërarchie onder elkaar liggen, zoals de verdiepingen in een huis of een flatgebouw, wat weliswaar een heel grove vergelijking is, maar het voordeel heeft dat ze een beeld oproept van stadia of gebieden, en van hoog en laag. We kunnen ons een hiërarchie ook op een andere, subtielere, manier voorstellen en wel zo dat ze uit triaden van sferen of levende centra bestaat, waarbij drie triaden aan het tiende of hoogste punt hangen. Dat hoogste centrum is, zoals al werd uiteengezet, het punt waarboven ons denken en onze verbeelding niet kunnen uitstijgen; we zeggen dan eenvoudig dat dit centrum het hoogste is dat door het menselijke intellect kan worden bereikt. Maar we weten dat zich boven dit tiende, dat ons hoogste is, het laagste centrum of gebied van een andere nog hogere hiërarchie bevindt, waaraan onze hiërarchie als een pendant hangt; en zo eindeloos door. Over de oneindigheid kunnen we niet zeggen dat ze hier begint en daar eindigt: als dit zo was, zou ze niet oneindig, niet grenzeloos zijn. Onze leer van het universele leven, van het universele bewustzijn, van de ene universele ‘wet’ die overal werkt, houdt in dat die ‘wet’ zich in ieder atoom, in elk deel van het universele zijn, in alle richtingen, en altijd en overal op dezelfde manier manifesteert, omdat ze zich niet op volkomen verschillende manieren kan manifesteren; was dat wel het geval, dan zou er sprake zijn van vele fundamentele ‘wetten’ en niet van één ‘wet’.
     Op de vorige bijeenkomst hebben we bijvoorbeeld aandacht besteed aan de hiërarchie van de neoplatonische filosofie, die in de vorm die Plato eraan gaf, in feite de esoterische leer van het oude Griekenland is. Daarin waren negen stadia, negen graden, die als het ware aan de bovenste, de geestelijke of centrale zon hingen. We kunnen ons deze hiërarchieën voorstellen als zeven concentrische cirkels om en vanuit een centraal punt, de hoogste triade, dat we het oneindige of het oorspronkelijke punt kunnen noemen. We kunnen ditoorspronkelijke punt ook de âtman of het zelf noemen van de denkende entiteit, de mens, en dan vertegenwoordigen de andere levenssferen of -kringen daaromheen zijn zes andere beginselen, ongeveer als volgt:     
     Dit is één manier om de hiërarchie van een mens voor te stellen, waarbij de zes verschillende sferen of concentrische cirkels alle aan het centrum of het zevende element, het zelf, ontspringen. Alle hiërarchieën worden in zevenen, negenen of tienen verdeeld. De reden hiervoor is een zaak waar we later op in moeten gaan.Het is niet nodig al deze methoden of schematische voorstellingen af te beelden, omdat de grondgedachte in alle dezelfde is.Een andere manier om een hiërarchie voor te stellen is door middel van gelijksoortige lijnen, in totaal tien en wel als volgt;
of door de negen stadia of sferen als drie triaden op drie gebieden en het tiende op zijn eigen vierde gebied af te beelden:

     We hebben het stelsel van de neoplatonische hiërarchieën in het kort bestudeerd; als we tijd hebben, zullen we ons vanavond met twee andere schematische voorstellingen bezighouden waarin hiërarchieën op verschillende manieren worden afgebeeld. Laten we voor we verdergaan bijzondere aandacht vragen voor het belangrijke feit dat deze schema’s, deze afbeeldingen in een plat vlak niet betekenen dat de graden of trappen of gebieden van het zijn platte vlakken zijn of op in elkaar passende dozen lijken; het enige wat ze laten zien door analogie en door aanduidingen, zijn de onderlinge betrekkingen en functies van de stadia.
     Het zal ieder mens die nadenkt duidelijk zijn dat de levenshiërarchieën niet boven elkaar liggen, als verdiepingen van een huis. Het is misschien waar dat ze over de hele wereld door verschillende stelsels op die manier worden voorgesteld, maar dat gebeurt alleen om aan te tonen dat er een hoog en een laag is, een reeks toestanden van geest en stof. Zoals wij kinderen onderwijzen, zo hebben de leraren van de oudheid ons onderricht, op een eenvoudige manier. We moeten ons ook niet voorstellen dat de hiërarchieën zich in werkelijkheid ergens in de ruimte uitstrekken in de vorm van driehoeken of cirkels. We geven ze op die manier weer om hun onderlinge relatie en verstrengeling te laten zien. Maar waarom verdelen we de graden in triaden? Omdat sommige graden of gebieden nauwer aan elkaar verwant zijn, gemakkelijker met elkaar samengaan en gemakkelijker samen functioneren, doordat de omstandigheden en toestanden waarin ze verkeren grotere overeenkomst vertonen. (1) De eerste triade, de hoogste; (2) de tussenliggende triade; (3) de laagste triade; deze overschaduwen alle het corpus, het stoffelijk lichaam. We kunnen ook een ander schema nemen, waarin de drie laagste centra de onderste triade vormen, de drie tussenliggende centra de volgende, en de drie hoogste de bovenste, terwijl alle drie triaden aan een punt hangen, het oorspronkelijke punt, ‘God’, zo u wilt.
     Laten we nu ingaan op de volgende vraag: Kennen de christenen in hun theologie een hiërarchie? Inderdaad; en hiermee bedoel ik dat de christenen er kennelijk vanaf het allereerste begin een hadden, totdat de natuurlijke veerkracht van de menselijke geest zich begon te doen gelden en in opstand kwam tegen het dogmatisme en de vermaterialisering van de christelijke leer. Dit bereikte zijn hoogtepunt in de periode die aan de renaissance van het denken voorafging, toen de ontdekkingen van de wetenschap de menselijke geest uit de boeien van het dogmatisme bevrijdden. Niettemin maakte deze leer van de hiërarchieën die levende wezens omvatten, tot die tijd opgang in de christelijke kerk, en zoals we op onze vorige bijeenkomst hebben opgemerkt, kreeg ze haar toenmalige vorm in de geschriften van Dionysius de Areopagiet. Een van zijn verhandelingen was getiteld Over de hemelse hiërarchie; ze liet zien hoe het gehele geestelijke bestaan in een hiërarchie van tien graden of stadia was verdeeld, waarin de tiende of hoogste God was. Deze mystieke schrijver liet op deze verhandeling een andere volgen met als titel Over de kerkelijke hiërarchie. Als goed christen of om zijn goede christelijke vrienden een genoegen te doen, beweerde hij dat de hemelse hiërarchie zich op aarde manifesteerde of weerspiegelde of herhaalde in een kerkelijke hiërarchie, die de christelijke kerk was, met Jezus aan het hoofd als haar hoogste vertegenwoordiger en als de ‘logos van God’. Er is alle reden om te geloven dat hij het hiërarchische stelsel overnam van de neoplatonische filosofie, die natuurlijk zuiver heidens was.
     Welke namen gaf Dionysius aan de graden of stadia van zijn hiërarchie? Ten eerste God, als het hoogste, de goddelijke geest; daarna kwamen de serafijnen, dan de cherubijnen en dan de tronen, die de eerste triade vormen. Vervolgens heerschappijen, krachten en machten, de tweede triade. Dan vorsten, aartsengelen en engelen, de derde triade, naar beneden geteld.
     Het is interessant op te merken dat deze hiërarchie syncretistisch is, dat wil zeggen, samengesteld, aan verschillende bronnen ontleend en tot een eenheid opgebouwd. Serafijnen en cherubijnen stammen uit het Hebreeuws. Het woord serafijnen komt van een Hebreeuwse wortel met de betekenis van ‘branden van vuur’ en daarom, in liefde ontstoken zijn. Cherubijnen is een merkwaardig woord; geleerden denken over het algemeen dat het ‘vormen’ betekent. Mystiek gezien gelooft men dat de serafijnen rood van kleur zijn en de cherubijnen donkerblauw. De tronen, heerschappijen, krachten, machten en vorsten zijn alle ontleend aan de christelijke leringen van Paulus in de brief aan de Efeziërs, 1:21 en in die aan de Colossenzen, 1:16, en zijn beslist mystiek. De laatste twee, de aartsengelen en de engelen, zijn van oorsprong helemaal niet christelijk, maar stammen indirect via allerlei omwegen uit het oude Griekse en Aziatische – vooral Oud-Perzische – gedachtestelsel, dat tussen de mens en de geestelijke wereld boodschappers of gezanten of overbrengers kende; het Griekse woord angelos (engel) betekende oorspronkelijk ‘boodschapper’ en de hoogsten onder hen werden aartsengelen of engelen van de hoogste graad genoemd.
     De fout, of liever de tekortkoming, van dit christelijke stelsel is dat het hoogste punt ervan niet hoger reikte dan de eerder genoemde God, een aan de Griekse smaak aangepaste joodse Jehova, en niet verder omlaagging dan de mens zelf. Aan het onuitsprekelijke, het ondenkbare enerzijds, en de onmetelijke gebieden met wezens lager dan de mens anderzijds, werd voorbijgegaan. Het was niet meer dan een hoofdstuk dat uit het boek van de oude wijsheid was gescheurd en door het christendom was overgenomen; maar hoe klein en onvolmaakt het ook was, het verschafte het christendom alle mystiek en vergeestelijkend denken die het gedurende de middeleeuwen voor een volslagen materialisme in de godsdienst hebben behoed.
     Laten we nu een andere hiërarchie nemen, het joodse stelsel uit de kabbala. U ziet daarin negen graden, negen stadia die alle aan het hoogste zelf of God hangen. De joodse kabbalistische hiërarchie of hiërarchieën, of het stelsel van hiërarchieën, is een uitvloeisel van de leringen en de gedachten van de joodse leraren of rabbi’s uit een ver verleden en is in feite een afspiegeling van esoterische Babylonische leringen.
     Zoals het boek Genesis (althans de eerste paar hoofdstukken eruit) grotendeels van de Babyloniërs is overgenomen, zo hebben de joden hun engelenleer, of stelsel of hiërarchieën van engelen, aan diezelfde bron ontleend. Deze leer kwam op schitterende manier tot uitdrukking in de joodse theosofie, de kabbala (dit woord betekent, zoals eerder is opgemerkt, ‘ontvangen’ – dat wil zeggen dat de traditionele leer van leraar op leraar werd overgedragen). De leer van de hiërarchieën in de kabbala is fundamenteel, want het hele stelsel berust erop; het betekent de onderlinge verwevenheid en uitwisseling van alle leven en alle wezens van hoog tot laag. Daarom is de kabbala wat dat betreft een getrouwe afspiegeling van de esoterische filosofie. De kabbala zoals ze is geschetst in het boek Zohar, een woord dat ‘schittering’ betekent – dit boek wordt vaak de bijbel van de kabbalisten genoemd – is theosofisch gezien grotendeels exoterisch, omdat al onze leringen over bepaalde zaken in de Zohar voorkomen, maar deze bevat niet alle verklaringen, en dit feit maakt het boek exoterisch, voorzover de sleutels ontbreken.
     De leer in de kabbala over de hiërarchieën en de levensladder houdt in dat van het grenzeloze, of eyn sôph, naar omlaag tot in het oneindige, de levensladder uit treden bestaat, uit stadia of graden van bewustzijn of bewustzijnen, uit leven en levens, en dat er een voortdurende uitwisseling, een onderlinge communicatie tussen deze ontelbare graden van de verschillende hiërarchieën of werelden gaande is. Precies onze leer – natuurlijk. De kabbalistische hiërarchie bestaat uit, of nauwkeuriger, wordt gekenmerkt door negen graden of gebieden of sferen die aan een tiende (of een eerste, zo u wilt) hangen, en die samen tien zijn. Ze droegen de volgende namen. De eerste wordt de kroon genoemd, het oorspronkelijke punt, de eerste en hoogste van de sephîrôth (soms sefîrôth gespeld) of graden, treden, gebieden of sferen, waarover eerder werd gesproken. De volgende sephîra heet wijsheid. (We hebben nu geen tijd om hier de Hebreeuwse woorden te geven; ze zijn in elk boek over de kabbala te vinden.) (zie voetnoot) De volgende, de derde, wordt begripsvermogen genoemd of, misschien beter, intelligentie. Deze vormen het hoofd en beide schouders van âdåm kadmôn, de archetypische of ideale mens. Omdat er volgens de kabbalisten een nauw en bijzonder verband bestaat tussen deze hiërarchieën en bepaalde respectieve delen van het menselijk lichaam, is er ook voor deze drie waarover we juist spraken een respectieve band: bepaalde delen rond de kruin van het hoofd, of in of van het hoofd of behorende tot het hoofd, met de eerste sephîra; de rechterschouder met wijsheid; de linker met begripsvermogen. De rechterarm wordt grootsheid genoemd, of soms liefde; de linkerarm wordt kracht genoemd, of soms gerechtigheid en wordt als een vrouwelijke eigenschap beschouwd; de borst of de streek van de borstkas wordt schoonheid genoemd. Het rechterbeen (bedenk dat ik in het algemeen spreek over de archetypische mens) heet subtiliteit; het linkerbeen wordt majesteit genoemd en als een vrouwelijke eigenschap beschouwd. De geslachtsorganen worden grondslag genoemd.
     Dit zijn er negen. Van elk van deze graden wordt aangenomen dat deze uit de daarboven liggende emaneert. Eerst de kroon; uit de kroon, wijsheid; uit de kroon en wijsheid, begripsvermogen; uit deze drie – kroon, wijsheid en begripsvermogen – komt de vierde; uit de vier tezamen komt de vijfde; uit de vijf tezamen de zesde, en zo verder omlaag tot de negende; en de negende, met alle krachten en eigenschappen van de andere daarachter brengt dit ronde wezen voort, een eivormig omhulsel, ‘drager’ of voertuig, een aurisch ei; en dit aurisch ei wordt, als de tiende, koninkrijk genoemd, of soms verblijfplaats, omdat het de uitkomst, het resultaat, de emanatie, of het werkterrein is van alle andere die zich door deze verschillende bestaansgebieden heen manifesteren.
     Waarom stelt men het aantal hiërarchieën nu eens op zeven en dan weer op tien? Omdat tien het heilige grondtal in het occultisme is. Op dit getal is het heelal gebouwd. De structuur van het bestaan is gevormd overeenkomstig de decade of de tien. De pythagoreeërs, aanhangers van een van de meest mystieke oude Griekse gedachtestelsels, kenden wat zij de heilige tetraktis noemden, een woord dat betrekking heeft op het getal vier. Hoe stelden ze de tetraktis voor? Als volgt: eerst bovenaan een enkele punt, de monade; dan eronder twee punten, of de dyade; vervolgens daaronder drie punten of de triade; en tenslotte daaronder vier punten, of de tetrade – bij elkaar tien punten. Ze hadden een eed die ze als de heiligste bezweringsformule van de pythagorische school beschouwden en die ze uitspraken wanneer ze bij de heilige tetraktis zwoeren. Hoe luidt deze eed? Hij is de moeite van het onthouden waard: ‘Voorwaar bij de tetraktis, die onze ziel de bron heeft verschaft die de wortels van de altijd vloeiende natuur bevat’. Hij is vol diepzinnige gedachten. Tenslotte verzinnebeeldde de tetraktis (onder andere) de voortgang van de wezens die zich manifesteren. Eerst het oorspronkelijke punt, dan de lijn, dan het vlak en dan de kubus: 1 + 2 + 3 + 4 = 10.
     Wat is tenslotte het verschil tussen het stelsel van zeven en dat van tien? Zeven is het grondtal van het gemanifesteerde heelal; maar boven de zeven zweeft eeuwig de oneindige en onsterfelijke triade, het ongemanifesteerde. Dat is de sleutel. Sommige religies houden zich in het bijzonder bezig met de zeven, maar ze hebben alle in hun verschillende numerieke stelsels ook de tien.
     Zoals H.P. Blavatsky zegt, is het getal tien het geheime of sephirische beginsel van het heelal, omdat dit tientallig stelsel ten grondslag ligt aan de vorming van het heelal. De mens (als een geheel) is tienvoudig, het heelal (als een geheel) is tienvoudig, maar beide zijn in hun manifestatie zevenvoudig. Elk atoom, elk levend wezen en elk heelal is een volledige hiërarchie van tien graden: de hoogste drie worden beschouwd als de wortel, en de zeven lagere als het actief gemanifesteerde. Deze wortel, of hoogste triade, is een mysterieleer, waarover zelfs in de literatuur uit de oudheid heel weinig openlijke verklaringen zijn te vinden.
     In De Geheime Leer (1:129) noemt H.P. Blavatsky eerst bepaalde dingen die in de daarin afgedrukte stanza voorkomen, te weten: ‘De stem van het woord, svabhavat, de getallen, want hij is een en negen’, waaraan ze in een voetnoot het volgende toevoegt:

    En dit is tien of het volmaakte getal, toegepast op de ‘Schepper’, de naam die wordt gegeven aan de gezamenlijke scheppers die door de monotheïsten tot Eén worden samengevoegd, want de ‘Elohim’, Adam Kadmon of sephira – de Kroon – zijn de androgyne synthese van de 10 sephiroth die in de gepopulariseerde Kabbala het symbool van het gemanifesteerde Heelal vormen. De esoterische kabbalisten echter volgen de oosterse occultisten en scheiden de bovenste driehoek van de sephiroth (of sephira, chochmah en binah [d.w.z., de kroon, wijsheid en begripsvermogen]) van de rest, waardoor er zeven sephiroth overblijven. . . .

    Dan zegt ze op blz. 394 in verband met andere zaken: ‘Omdat 10 het heilige getal van het heelal was, was het geheim en eesoterisch . . . ’; en op blz. 395 ‘. . . het hele astronomische en meetkundige gedeelte van de geheime priestertaal berustte op het getal 10, . . .’
     Het is misschien interessant en de moeite waard er hier op te wijzen dat deze aanhalingen de reden aangeven waarom onderzoekers met een wiskundige inslag nog geen bevredigende oplossing hebben gevonden voor de numerieke berekeningen in de esoterische filosofie. Ze volharden er namelijk in met alleen het getal zeven te werken, ondanks het feit dat Mw. Blavatsky daar duidelijk tegenin gaat, want ze zegt openlijk dat het getal zeven in berekeningen moet worden gebruikt op een manier die aan westerse wiskundigen tot dusver onbekend is. Deze aanwijzing moet op zichzelf voldoende zijn, want als grondslag voor berekeningen is de zeven een heel moeilijk te hanteren en lastig getal. Op dit onderwerp wordt in haar esoterische Instructies, nummer 1 (blz. 9 van het Engelse origineel), in gesluierde vorm gezinspeeld als ze over Padmapâ.ni of ‘hij die een lotus in de hand houdt’ spreekt – een van de namen in de Tibetaanse mystiek van de bodhisattva Avalokites´vara. H.P. Blavatsky vertelt over deze figuur een legende en zegt:

    Hij zwoer de daad te zullen volbrengen voor het einde van de kalpa en voegde eraan toe dat, als hij daarin niet zou slagen, hij wenste dat zijn hoofd in ontelbare stukjes zou splijten. De kalpa eindigt: maar de mensheid voelde hem niet in haar koude, slechte hart. Toen spleet het hoofd van Padmapâ.ni en viel in duizend stukjes uiteen. Door mededogen bewogen, vormde de godheid de stukjes weer tot tien hoofden, drie witte en zeven met verschillende kleuren. Sindsdien is de mens een volmaakt getal geworden, of tien.
     In deze allegorie wordt de invloed van geluid, kleur en getal zo ingenieus verwerkt, dat de werkelijke esoterische betekenis wordt versluierd. Voor de buitenstaander klinkt het als een van de vele onbetekenende sprookjes over de schepping; maar er schuilt een diepe geestelijke en goddelijke, stoffelijke en magische betekenis in. Uit Amitâbha – geen kleur of de witte glorie – komen de zeven gedifferentieerde kleuren van het prisma voort. Deze zenden elk een corresponderend geluid uit, waardoor de zeven van de toonladder ontstaan. Omdat van de mathematische wetenschappen de geometrie in het bijzonder verband houdt met de architectuur en ook, om op universele begrippen over te gaan, met de kosmogonie, moest, daar de tien jods van de pythagorische tetrade of tetraktis het symbool zijn geworden van de macrokosmos, ook de microkosmos of de mens, het evenbeeld ervan, in tien punten worden verdeeld. Zoals zal blijken heeft de natuur zelf hierin voorzien.

    Nog een citaat om het onderwerp te besluiten. Op blz. 15 schrijft H.P. Blavatsky in het kort als volgt:

    Als het heelal, de macrokosmos en de microkosmos tienvoudig zijn, waarom zouden we de mens dan in zeven ‘beginselen’ verdelen? De reden dat het volmaakte getal tien in tweeën wordt verdeeld, een reden die niet in het openbaar moet worden bekendgemaakt, is de volgende: In totaal, dat wil zeggen, supergeestelijk en stoffelijk, zijn er tien krachten, te weten, drie op het subjectieve gebied waarvan men zich geen voorstelling kan maken en zeven op het objectieve gebied. Denk er aan dat ik u nu de beschrijving geef van de twee tegengestelde polen: (a) de oorspronkelijke driehoek die, zodra hij zich in de ‘hemelse mens’, de hoogste van de lagere zeven, heeft weerspiegeld – verdwijnt en naar ‘stilte en duisternis’ terugkeert; en (b) de astrale paradigmatische mens, van wie de monade (âtman) eveneens door een driehoek wordt voorgesteld, omdat ze in bewuste devachanische intermezzo’s een triade moet worden.

Voetnoot:

Zie Isis Ontsluierd, 2:253-4; en Occulte Woordentolk [terug naar de tekst]


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 77-90

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag