HOOFDSTUK 8

SPOREN VAN DE ESOTERISCHE FILOSOFIE IN GENESIS

    De oudste wereldreligies – exoterisch, want de esoterische wortel of grondslag is één – zijn de Indiase, de Mazdeďsche en de Egyptische. Dan komt de Chaldeeuwse, die uit deze is voortgekomen en nu geheel voor de wereld is verloren, behalve in haar misvormde sabaeďsme zoals dat tegenwoordig door de archeologen wordt weergegeven; dan, als wij een aantal religies overslaan die later zullen worden genoemd, komt de joodse, die esoterisch – zoals in de Kabbala – het spoor volgt van het geloof van de Babylonische magiërs; en exoterisch, zoals in Genesis en de Pentateuch, een verzameling allegorische legenden vormt. Gelezen in het licht van de Zohar, zijn de eerste vier hoofdstukken van Genesis een gedeelte van een heel filosofische bladzijde in de kosmogonie van de wereld.   –De Geheime Leer, 1:40

    De eerste les van de esoterische filosofie leert dat de onbekende Oorzaak geen evolutie teweegbrengt, hetzij bewust of onbewust, maar dat zij slechts periodiek verschillende aspecten van zichzelf laat zien, die door eindige denkvermogens kunnen worden waargenomen. Het collectieve denkvermogen – het universele – dat is samengesteld uit verschillende en talloze menigten van scheppende machten, hoe oneindig ook in de gemanifesteerde tijd, is toch eindig, wanneer het wordt gesteld tegenover de ongeboren en onvergankelijke Ruimte in haar hoogste essentiële aspect. Wat eindig is, kan niet volmaakt zijn. . . .
     De Hebreeuwse Elohim, die in de vertalingen ‘God’ worden genoemd, die ‘licht’ scheppen, komen overeen met de Arische [Indo-Iraanse] Asura’s. Zij staan ook bekend als de ‘zonen van de duisternis’, als een filosofische en logische tegenstelling tot het onveranderlijke en eeuwige licht . . . De zoroastrische Amshaspends scheppen de wereld ook in zes dagen of tijdperken en rusten op de zevende, terwijl echter in de esoterische filosofie die zevende het eerste tijdperk of de eerste ‘dag’ is (eerste schepping in de Arische kosmogonie). Dat tussenliggende tijdperk is de proloog van de schepping en bevindt zich in het grensgebied tussen de ongeschapen eeuwige oorzakelijkheid en de voortgebrachte eindige gevolgen. Hier heerst een toestand van werkzaamheid en energie in wording, als het eerste aspect van de eeuwige onveranderlijke rust. In Genesis, waaraan geen metafysische energie is besteed, maar alleen een buitengewone scherpzinnigheid en vindingrijkheid om de esoterische waarheid te versluieren, begint de ‘schepping’ bij het derde stadium van manifestatie. ‘God’ of de Elohim zijn de ‘zeven bestuurders’ van Pymander. Ze komen overeen met alle andere scheppers. – Op. cit., 2:553-4

    We lezen vanavond het volgende fragment uit De Geheime Leer (1:252):

    De mensheid in haar eerste vage oervorm is het nageslacht van de Elohim van het Leven (of pitri’s). In haar kwalitatieve en stoffelijke aspect bestaat zij uit de rechtstreekse afstammelingen van de ‘voorvaderen’, de laagste Dhyani’s of Aardgeesten. Haar morele, psychische en geestelijke aard dankt zij aan een groep goddelijke wezens, waarvan de naam en de eigenschappen in Deel 2 worden gegeven. Als geheel zijn de mensen het handwerk van menigten verschillende geesten; afzonderlijk zijn ze de tabernakels van die menigten; nu en dan en in alleenstaande gevallen zijn ze de voertuigen van enkele van die geesten.

    En op blz. 253:

    De mens is niet het volledige product van de ‘Here God’ en zou dit ook nooit kunnen zijn, maar hij is wel het kind van de Elohim, de term die zo willekeurig in het mannelijke enkelvoud werd veranderd. De eerste Dhyani’s, aan wie was opgedragen de mens naar hun beeld te ‘scheppen’, konden slechts hun schaduwen afwerpen als een ragfijn model, waarnaar de stoffelijke Natuurgeesten konden werken. (Zie Deel 2.) De mens is zonder enige twijfel fysiek uit het stof van de aarde gevormd, maar hij had veel scheppers en vormgevers.

    Het lijkt raadzaam eerst over twee dingen te spreken, het ene van minder, het andere van meer belang. Laten we eerst het minder belangrijke nemen. Vanaf het begin hebben we op al onze bijeenkomsten aandacht gevraagd voor leringen uit de grote wereldreligies, voornamelijk uit het ver leden, die overeenkomst vertonen of identiek zijn met de onze. Dat hebben we gedaan om verbanden te leggen tussen al deze leringen, zoals die in de oude religies worden gevonden, en de leringen die H.P. Blavatsky heeft gebracht: de theosofie. Hieruit blijkt de universaliteit van het denken in de religies, en het brengt een geest van welwillendheid en broederschap teweeg en leidt tot versterking van het morele besef dat tegenwoordig bij de meeste westerse geleerden in hun vergelijkende studie van de leringen van de voornaamste oude religies zozeer ontbreekt. Het maakt in één klap een einde aan de zelfzuchtige opvatting dat ‘wij volmaakter en moreel beter zijn dan zij’, aan de gedachte dat wij westerlingen een superieur volk zijn en aan het denkbeeld dat een bepaald ras en een bepaalde religie bij goddelijke beschikking het uitverkoren lichaam of voertuig van de enige waarheid zijn: dat alle andere religies op dwaling berusten en dat degenen die ze in vroeger tijden verkondigden alleen maar goed waren voor de brandstapel!
     Het tweede en belangrijkste punt is dit. We hebben voortdurend bepaalde religieuze of filosofische analogieën en bepaalde standpunten daarover aangevoerd die ware toetsstenen voor de leringen zijn. We beogen daarmee dat zij die deze studies lezen zullen beschikken over en – door de gedachten die daarin tot uitdrukking zijn gebracht – een duidelijk inzicht zullen hebben in de sleutels waarmee ze de waarheid en realiteit van de essentiële of fundamentele leringen van deze oude religies kunnen toetsen; want al deze leringen in die oude religies zijn in hun kern en hun innerlijke betekenis waar. In deze zin zijn het brahmanisme en het boeddhisme waar, evenals het confucianisme en de leringen van Lao-Tse, die het taoďsme worden genoemd. In die zin zijn ze alle waar.
     Maar alle zijn in meerdere of mindere mate blootgesteld aan de invloeden van bepaalde scheppingen van de menselijke verbeelding; en voor iemand die niet is getraind in deze studie is het vaak moeilijk de zuiver menselijke fantasieën te scheiden van de natuurgetrouwe leringen van de oude wijsheidsreligie. Alle oude religies ontsprongen aan diezelfde bron – theosofie, zoals ze tegenwoordig wordt genoemd. Maar het is, zoals gezegd, soms moeilijk om te weten wat de oorspronkelijke leer is en wat er door de mens van is gemaakt of aan toegevoegd. Deze scheppingen van de menselijke fantasie en van niet-religieuze vrees treden heel duidelijk aan de dag in de twee moderne monotheďstische godsdiensten die uit de joodse leer zijn voortgekomen, namelijk het christendom en de islam. Het is in deze twee heel duidelijk wat door menselijke fantasie is toegevoegd; maar in beide is een hechte grondslag van mystiek denken aanwezig, die op de oude leringen van de wijsheidsreligie is gebaseerd.
     In het christendom is dat vooral het geval in de neopythagorische en neoplatonische vormen, zoals die enigszins zijn gekerstend en zijn neergelegd in de leringen van Dionysius, de Areopagiet genaamd. In de latere islam blijkt dit wat minder duidelijk uit wat in hoofdzaak aan het Griekse denken, maar ook aan andere bronnen, werd ontleend, zoals in grote lijnen is geschetst door islamitische leraren en denkers, zoals Ibn Sina, die in Europa gewoonlijk Avicenna wordt genoemd, een Pers die aan het eind van de tiende eeuw leefde en werkte; door Averroës in Córdova, Spanje, die eigenlijk Roshd heette en in de twaalfde eeuw opgang maakte; en door nog een eminente islamitische geleerde (om deze drie uit velen te noemen), Al Farabi, uit de tiende eeuw en van Turkse afkomst. Onder invloed van de oude wijsheid kreeg de leer van Mohammed ook haar heel mystieke, hoewel sterk veranderde vorm, zoals blijkt uit de leringen van de soefi’s die voornamelijk en duidelijk van Perzische oorsprong zijn en hun opkomst danken aan het van nature spirituele en fijnzinnige volk, de Perzen. Deze leringen vormen een zeer welkom contrast met de strenge en starre geloofsovertuigingen die uit het egoďsme van de ruwe Arabische stammen uit die tijd voortkwamen.
     Het voornaamste onderwerp van studie vanavond betreft de eerste verzen van het Boek van Wording, Genesis – het eerste boek van de joodse Wet. We zullen deze verzen eerst lezen zoals die voorkomen in de officiële Engelse bijbelvertaling, en dan van dezelfde hoofdstukken een eigen vertaling maken zodat u ziet in hoeverre deze van de eerstgenoemde afwijkt. Daarna zullen we verklaren wat het verschil is en waardoor dit is ontstaan, maar daarvoor moeten we eerst een korte uiteenzetting geven van bepaalde bijzonderheden van de oude Hebreeuwse taal.
     In de Engelse zogenaamde King James vertaling, begint het boek Genesis als volgt [hier in het Nederlands weergegeven]:
1
In den beginne schiep God de hemel en de aarde.
2
De aarde nu was zonder vorm en ledig; en duisternis was op de diepte. En de Geest Gods zweefde op de wateren.
3
En God zei: Er zij licht: en er was licht.
4
En God zag het licht, dat het goed was: en God scheidde het licht van de duisternis.
5
En God noemde het licht Dag, en de duisternis noemde hij Nacht. En de avond en de ochtend waren de eerste dag.
6
En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van de wateren, en laat dit de wateren scheiden van de wateren.
7
En God maakte het uitspansel en scheidde de wateren die onder het uitspansel waren van de wateren die boven het uitspansel waren: en het was alzo.
8
En God noemde het uitspansel Hemel. En de avond en de ochtend waren de tweede dag.
9
En God zei: Dat de wateren onder de hemel op een plaats samenvloeien en het droge land tevoorschijn kome: en het was alzo.
10
En God noemde het droge land Aarde; en de samengevloeide wateren noemde hij Zeeën. En God zag dat het goed was.
26
En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en laat hen heersen over de vissen van de zee, en over het gevogelte van de hemel en over het vee, en over de hele aarde, en over alle kruipende wezens op de aarde.
27
En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.

   Eerst dit: Het Hebreeuws is een Semitische taal en maakt deel uit van de groep talen waartoe ook het Arabisch, het Ethiopisch, het Aramees, het Foenicisch en het Assyrisch behoren. Het Hebreeuws waarin de bijbel is geschreven heet het bijbelse Hebreeuws. Het is oud Hebreeuws. De taal die in Palestina werd gesproken in de tijd waarin Jezus op aarde zou hebben geleefd en wel in Jeruzalem en de omliggende streek, was het Aramees en niet het Hebreeuws, dat toen als gesproken taal niet langer in gebruik was, en als hij zich tot zijn discipelen richtte, sprak hij natuurlijk in het Aramees.
     De Hebreeuwse taal, zoals we die aantreffen in oude manuscripten van de bijbel – die waarschijnlijk geen van alle van voor de negende eeuw van de christelijke jaartelling dateren – wordt geschreven met ‘punten’, die de plaats innemen van klinkers, omdat het Hebreeuwse schrift een systeem van medeklinkers is; het alfabet bestaat geheel uit medeklinkers. Het kent de alef of a, die niettemin als een medeklinker wordt beschouwd en het heeft de waw of w en de yod of y, die eveneens als medeklinkers worden aangemerkt, maar het heeft geen aparte tekens voor klinkers.
     De taal wordt dan ook zonder echte klinkers geschreven. Boven dien worden in de oudste manuscripten – en dat was zeker het geval in de oorspronkelijke teksten uit het voorchristelijke tijdperk – de letters alle aan elkaar geschreven, de ene na de andere, zonder de woorden van elkaar te scheiden. Er waren misschien wel enkele tekens waarmee werd aangegeven dat bepaalde dingen in de tekst van bij zonder belang waren, maar de letters volgden elkaar zonder onder breking op, zonder een scheiding tussen de woorden en zonder klinkers. Zo ziet u dat er ruimte is voor allerlei speculaties, zelfs voor grote kenners van het Hebreeuws, over de vraag wat een bepaalde combinatie van letters in deze eindeloze reeks oorspronkelijk heeft betekend. Deze manier van schrijven was in de oudheid bijna algemeen; de oudste Griekse en Latijnse manuscripten van het Nieuwe Testament zijn in deze vorm geschreven, waarbij eenvoudig het oude gebruik werd gevolgd, zoals nog steeds op de ruďnes van openbare gebouwen in Griekenland en in Rome is te zien. Het ligt voor de hand dat men vaak niet zeker was van de interpretatie of de juiste lezing: de lezer kon over de oorspronkelijke betekenis van een passage in een manuscript dat op deze manier was geschreven in ernstige twijfel ver keren.
     Dit kwam zo vaak voor, dat er in Palestina op een bepaald moment – waarvan we echter weten dat het misschien teruggaat tot omstreeks de tijd van de inneming van Jeruzalem door Titus, ongeveer aan het begin van de christelijke jaartelling – een school van schrift uitleggers ontstond die aan de hand van wat zij graag ‘traditie’, mâsôrâh, dat wil zeggen, ‘traditionele’ kennis noemden, verklaarden hoe de Hebreeuwse bijbel moet worden gelezen, hoe deze reeksen medeklinkers bij het lezen in woorden moeten worden verdeeld en welke klinkerpunten moeten worden geplaatst om in overeenstemming daarmee de uitspraak te bepalen. Dit stelsel van ‘punten’ werd waarschijnlijk niet voor de zevende eeuw in de tekst ingevoerd. Deze school werd de school van de mâsôrâh genoemd en haar vertolkers en aanhangers de masoreten.
     Deze school van de mâsôrâh bereikte haar grootste bloei waarschijnlijk in de negende eeuw van de christelijke jaartelling. Maar omdat deze school steunde op wat ze traditie noemde, bestaat er geen zekerheid dat hun interpretaties van hun eigen combinaties van letters tot woorden altijd juist waren. Ze schenen echter wel enige kennis van de algemene oorspronkelijke betekenis te hebben gehad en aan het nageslacht te hebben doorgegeven.
     Laten we om deze kwestie te illustreren de eerste vijf woorden uit Genesis nemen: als we alle klinkers weglaten, houden we alleen de medeklinkers over en krijgen het volgende: ndnbgnnschpgd. Om een betekenis te vinden zouden we hier bijna naar eigen inzicht klinkers kunnen invullen. ‘In den beginne schiep God’, en stelt u zich dan eens eindeloze regels van dergelijke medeklinkers voor!
     Voeg daarbij het feit dat het Hebreeuwse schrift van rechts naar links loopt. Bovendien begint het aan wat we het eind van het boek zouden noemen en loopt dan naar voren, evenals de geschriften in andere Semitische talen. Deze manier van schrijven was bij andere volken in de oudheid niet ongewoon. In oude tijden volgden het Griekse en Latijnse schrift soms dit systeem, maar later, zoals u nu als u in Griekenland of in Rome komt, in de oude opschriften op de tempels en op andere plaatsen kunt zien, liep het gewoonlijk van links naar rechts en doorgaans zonder ruimte tussen de woorden. In heel oude Griekse geschriften (en ook elders) kende men ook wat boustrophedon werd genoemd, van twee Griekse woorden, met de betekenis van ‘het keren van de os’, ontleend aan het pad dat de ploegende os volgt: wanneer hij met het trekken van zijn voren begint, loopt hij, laten we zeggen, van het ene einde van een akker naar het andere, keert dan om en gaat in de tegenovergestelde richting terug, evenwijdig aan de andere vore. In de Hebreeuwse manuscripten van de bijbel die wij bezitten, wordt deze methode niet gevolgd.
     Wanneer we met onze vertaling van de eerste verzen van Genesis beginnen, stuiten we al bij de eerste twee woorden op een moeilijkheid. Deze woorden kunnen op twee of drie verschillende manieren worden vertaald. De vertaling in de Europese bijbels en in de officiële Engelse versie is een tamelijk juiste weergave wat de woorden betreft; maar iedereen die zich heeft beziggehouden met vertalingen uit een vreemde taal en in het bijzonder uit een dode, en dan vooral uit een religieuze taal en een die kennelijk min of meer in geheimschrift is geschreven, kan zich voorstellen hoe moeilijk het is achter de verschillende betekenissen te komen die een bepaald woord kan hebben, en het woord te kiezen dat als vertaling het beste is en de betekenis heeft die de bedoeling van de schrijver het dichtst nadert. De eerste twee woorden, zoals deze doorgaans worden gelezen, zijn be en ręshîth; en zo verdeeld hebben ze de volgende betekenis: be betekent ‘in’, en ręshîth betekent ‘begin’. Dit tweede woord is een vrouwelijke vorm en komt oorspronkelijk van het mannelijke woord ręsh of rôsh, dat (naast verschillende andere dingen) ‘hoofd, voornaamste deel, eerste deel’ betekent. Daarom kunnen we be ręshîth vertalen met ‘in het eerste deel’ of ‘in het hoogste deel’, enz.
     Maar diezelfde combinatie van letters – brashîth – kon ook worden vertaald (door een andere verdeling) als bôrę, één woord, een werkwoord, en shîth, nog een woord, een zelfstandig naamwoord: bôrę betekent ‘vormend’, en shîth, een ‘instelling, vestiging, regeling’. De vestiging (of regeling) vormend – van wat? De tekst zegt dan wat geregeld of gevestigd wordt – door regeling ‘vormden de elohîm hemel en aarde’.
     Verder kan het hierboven gekozen woord ręsh of rôsh, zoals al gezegd, ook ‘hoofd’ betekenen in de zin van ‘wijsheid’ of ‘kennis’: dus ‘in wijsheid vormden de elohîm hemelen en aarde’. Bedenk dat het geoorloofd is bijna naar verkiezing klinkers in te lassen, omdat deze ontbreken in de oorspronkelijke tekst van het boek, in de bijbel zelf. Er is dus meer dan één interpretatie mogelijk.
     Ręsh of rôsh betekent dus ook ‘hoofd’; het betekent tevens ‘wijsheid’; en ook ‘schare’ of ‘menigte’. Hier kunnen we dus nog een andere – een vierde – vertaling kiezen: berŻesh, ‘in een menigte’ of ‘door een menigte’. Yithbârę zou dan het volgende woord zijn, ‘vormden elohîm’. Hier hebben we opnieuw een opmerkelijke verandering in de betekenis – ik maak deze opmerkingen om erop te wijzen dat de Hebreeuwse tekst van de bijbel vele vertalingen toelaat. Stel nu dat we de eerste veertien Hebreeuwse letters van de tekst in de volgende woordcombinatie verdelen: be-ręsh yithbârę elohîm, dan krijgen we (door yithbârę te gebruiken, dat een van de vormen van het Hebreeuwse werkwoord is, namelijk de wederkerende vorm, wat betekent dat de handeling op iemand zelf betrekking heeft) de volgende vertaling: ‘in een menigte, door een menigte, vormden de goden zich’. Wat volgt er in de tekst? ‘tot de hemelen en de aarde’; dat wil zeggen, ‘in een schare (menigte) vormden (maakten) de goden zich tot de hemelen en de aarde’. Zie eens wat een reusachtig verschil in betekenis er is met de officiële versie. Deze laatste vertaling is volgens ons de beste; daaruit blijkt onmiddellijk dat deze gedachten identiek zijn met die in alle andere oude kosmogonische stelsels.
     ‘In een menigte vormden’ (of ‘ontwikkelden’: dit woord bârâ betekent ‘dik worden’, ‘modelleren’, ‘zwaar of grof worden’, ‘snijden’, ‘vormen’, ‘geboren worden’, ‘ontwikkelen’) – ‘in een menigte’ of ‘door een menigte ontwikkelden de elohîm zich tot de hemelen en de aarde’.
     Nu het vierde woord, elohîm: dit is een eigenaardig woord. Het eerste deel ervan is el, dat ‘god’, godheid, betekent, waarvan het tweede is afgeleid, een vrouwelijke vorm, elôh, ‘godin’; îm geeft slechts het mannelijk meervoud aan. Als we dus elk element in dit ene woord vertalen zou het betekenen ‘god, godin, meervoud’ – en als het ware het tweeslachtige karakter van de godheden aantonen: de twee tegengestelde polen van de hiërarchie, de essentiële dualiteit in het leven.
     Vers 2: ‘En de aarde werd etherisch’: Het tweede woord in de Hebreeuwse tekst van het tweede vers, een werkwoord, komt overeen met twee Latijnse werkwoorden: esse, ‘zijn’, en fieri, ‘worden’; de oorspronkelijke betekenis is echter bijna steeds fieri, ‘worden’, zoals het Griekse gignomai, dat ‘worden’ betekent, overgaan in een nieuwe toestand van iets. ‘En de aarde werd etherisch’ of ‘ging over in het etherische’. Van de volgende twee woorden van de tekst (tohű en bohű), die we hier met ‘het etherische’ vertalen, is de interpretatie heel moeilijk. Ze betekenen beide ‘leegte, woestenij, onstoffelijkheid’, daarom ‘ontbinding’; de grondgedachte duidt op iets dat niet-substantieel, niet grofstoffelijk is. We gaan door met onze vertaling: ‘En duisternis op het oppervlak van de ethers. En de rűahh (de geest-ziel) van de goden (van de elohîm) (zweefde, hing) broedend.’ Het woord dat we met ‘broedend’ vertalen, is ontleend aan en duidt op het gedrag van een kip die fladdert en op de eieren in haar nest broedt. Wat is deze beeldspraak veelbetekenend en suggestief!
     Men vindt hier dezelfde gedachte als in praktisch alle oude leringen: het beeld of het symbool van de kosmische ziel die boven de wateren van de ruimte hangt en het wereldei vormt; dat van het kosmische ei en de goddelijke vogel die het kosmische ei legt. ‘En de geest-ziel van de elohîm broedt op het oppervlak van de wateren’, zegt de Hebreeuwse tekst. Zoals we eerder hebben aangetoond, was ‘wateren’ een gewone uitdrukking, een algemeen symbool voor de ruimte, als het ware het etherisch uitspansel. We vervolgen onze vertaling:

    En (de) elohîm (de goden) zeiden – licht, kom-tot-aanzijn! en het licht kwam-tot-aanzijn. En (de) goden zagen het licht, dat (het) goed (was). En elohîm maakten een scheiding tussen het licht en tussen de duisternis. En elohîm noemden het licht dag en de duisternis noemden ze nacht. En (er) ontstond avond, en (er) ontstond ochtend. De eerste dag. En elohîm zeiden, (laat er) een uitspansel komen in (het) midden van de wateren, en laat dit de wateren en de wateren scheiden (verdelen). En elohîm (of de goden) maakten het uitspansel, en ze maakten een scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel (waren) en tussen de wateren die boven het uitspansel (waren) en zo gebeurde (het). En elohîm (de goden) noemden het uitspansel hemelen, en (er) ontstond avond en (er) ontstond ochtend. De tweede dag. En elohîm (de goden) zeiden, (laten) de wateren boven de hemelen op een plaats worden verzameld [d.i. vast worden, condenseren], en (laat) het droge deel zichtbaar worden [het vast geworden of gemanifesteerde deel – het woord betekent ‘droog’ in tegenstelling tot vochtigheid; vochtigheid betekent water, dat de ruimte symboliseert, en dus de verzamelde stof van een planeet in wording, van een zonnestelsel in wording, of van een heelal in wording], en zo gebeurde (het). En de goden noemden het droge deel aarde, en de verdichting (het verzamelen) van de wateren noemden ze zeeën. En elohîm (de goden) zagen dat (het) goed (was).

    Laten we nu aandacht schenken aan Genesis (1:26, 27 en 28):

    En (de goden) elohîm zeiden: Laat ons de mensheid maken [het woord is âdâm] naar ons schaduwbeeld [naar onze schaduw, naar onze verschijning; het woord is tselem], overeenkomstig ons patroon (of model). En laat hen neerdalen in de vissen van de zee en in de vliegende schepsels van de hemelen, in de [andere] dieren, in de gehele aarde en in alle bewegende schepsels die op aarde bewegen. En elohîm (de goden) vormden [of maakten of ontwikkelden, hetzelfde werkwoord als hierboven, bârâ] de mens naar hun verschijning, naar het schaduwbeeld van elohîm vormden (of ontwikkelden) zij hem.

    Dan volgen twee interessante woorden, gewoonlijk vertaald met ‘mannelijk en vrouwelijk’, twee van de betekenissen die men respectievelijk in de woordenboeken aantreft; maar de grondbetekenis van deze woorden is ‘denker en ontvanger’ (of vat): ‘denker en vat ontwikkelden zij hen. En de elohîm zegenden hen en de elohîm zeiden tot hen, wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde’, enz.
     U ziet dus dat we alleen al door andere woorden te gebruiken dan de christelijke of latere joodse vertalers gewoonlijk kozen, maar niettemin algemeen aanvaarde woorden uit het woordenboek, en zonder de betekenis te forceren, we hier precies dezelfde betekenis hebben gevonden van de esoterische leringen, die ook in De Geheime Leer bij de be handeling van deze onderwerpen zijn geschetst. In de eerste plaats de hiërarchie en haar gemanifesteerde godheden die het heelal of de kos mosuit zichzelf ontwikkelden, waarbij de wederkerende vorm van het Hebree uwse werkwoord bârâ wordt gebruikt, zoals hierboven gezegd. Verder zal een studie van het eerste vers van Genesis ons aantonen dat de daarin behandelde evolutie niet alleen, en niet in het bijzonder, op de schepping van deze aarde of enige andere aarde slaat. Het is een algemene leer, die veeleer betrekking heeft op de eerste manifestatie van stoffelijk bestaan in de etherische ruimte; de vogels in de lucht, de vissen in de zee en de [andere] dieren waarover wordt gesproken, zijn niet noodzakelijk de dieren (al zou dat wel kunnen) die wij onder die namen op aarde kennen. Ze hebben ook betrekking (in overeenstemming met een bekend feit in de oude mythologie) op de ‘dieren van de hemelen’, waarover we op onze vorige bijeenkomst hebben gesproken, dat wil zeggen, op elke bol aan de sterrenhemel, op elke nevelvlek en op elke komeet, die in de oude leringen alle als een levend wezen worden beschouwd, als een ‘animal’ met zijn stoffelijk corpus of lichaam en achter zich zijn gids, leider, goddelijke essentie of geest.
     Verder zien we dat de elohîm de mens, de mensheid, uit zichzelf ontwikkelden en hen zeiden deze schepsels te worden, daarin af te dalen en ze te bezielen. Deze zonen van de elohîm zijn in onze leringen inderdaad de kinderen van het licht, de zonen van het licht, die wijzelf zijn, maar die toch van ons verschillen, omdat ze hoger staan; niettemin zijn ze innerlijk ons eigen diepste zelf. In werkelijkheid werden de elohîm, of ontwikkelden ze zich tot, hun eigen nageslacht en bleven toch in zekere zin steeds het inspirerende licht vanbinnen, of liever erboven, overeenkomstig de interpretatie die door de uit het woordenboek gekozen woorden wordt gesteund en waarbij geen enkele regel van de Hebreeuwse grammatica wordt overtreden. Want als we de oude leringen van de esoterische filosofie volgen en ons gesterkt weten door precies dezelfde gedachten in de Babylonische religieuze leer waaruit deze Hebreeuwse leringen oorspronkelijk voortkwamen, dan zien we dat de elohîm zich projecteerden in de wordende vormen van de toenmalige ‘mensheid’, die vanaf die tijd ‘mensen’ waren, hoe onvolmaakt hun ontwikkeling toen ook was.
     Wat waren deze elohîm, deze godheden, deze goden? In het hiërarchisch stelsel van de kabbala zijn ze het zesde stadium, gerekend van boven af, van het eerste of de kroon, en zijn dus in geen geval de hoogste. Ze waren, kosmogonisch beschouwd, de gemanifesteerde makers of wevers van het web van het heelal. Jehova, over wie in het tweede hoofdstuk van Genesis wordt gesproken, is de derde orde van engelen, naar beneden geteld, vanaf de kroon – de top van de hiërarchie van de kabbala.
     In Genesis (5:1, 2) staat een interessante uitdrukking. We vertalen:

    Dit (het) boek van de geslachten van de mensheid (âdâm). Ten dage dat elohîm (de goden) de mensheid ontwikkelden, naar het patroon (of model) van de elohîm, maakten zij hen. Denker-en-ontvanger schiepen ze hen en zegenden hen en gaven hen de naam mensheid (of âdâm) ten dage dat ze gemaakt werden.

    Het is duidelijk dat hier geen sprake is van een enkel mensenpaar, van een man en een vrouw in onze betekenis, maar van de zich ontwik kelende androgyne mensheid, en ze hadden een naam, âdâm, en hun eigenschappen waren denker en houder (of ontvanger): etherische wezens – kinderen van de elohîm, die zijzelf zijn – in staat te denken en te ontvangen, te begrijpen en zich te ontplooien door de lessen die zouden worden getrokken uit hun incarnaties in de lagere vleselijke wezens die zijzelf ontwikkelden en die werden aangeduid met de termen die al zijn gegeven: de ‘vogels’ in de ‘lucht’, de ‘vissen’ in de ‘zee’ en alle levende wezens die op het oppervlak van de aarde bewegen.
     Deze oude geschriften kunnen in mystiek of esoterisch opzicht op meer dan één manier worden verklaard of, zoals H.P. Blavatsky zegt, ze hebben meer dan één sleutel. Maar nogmaals, wat of wie waren deze elohîm? Zij waren onze monaden – zoals die term in de theosofie wordt gebruikt. Het is, tussen haakjes, merkwaardig dat Leibniz, de grote Slavisch-Duitse filosoof, een theorie van monadische evolutie ontwikkelde die in sommige opzichten een opmerkelijke overeenkomst vertoont met de onze. Voor hem was het heelal vol van zich ontplooiende entiteiten, die hij monaden noemde, geestelijke wezens die zich door middel van hun ingeboren krachten ontwikkelden, maar toch op elkaar inwerken en reageren – tot op zekere hoogte een getrouwe echo van de oude wijsheidsreligie.
     Wat bedoelen we wanneer we spreken over respectievelijk emanatie, evolutie en schepping? Emanatie en evolutie hebben vrijwel dezelfde betekenis. Emanatie komt van een Latijns woord dat ‘uitstroming’ betekent; alle oude leringen die van betekenis zijn, kennen het denkbeeld dat de goden hun kroost of kinderen in actieve, overgankelijke zin uit zichzelf ‘deden uitstromen.’ Evolutie is eveneens een Latijns woord en betekent ‘ontrollen’, ‘ontvouwen’, iets dat wordt ontvouwd; en het is dui delijk dat iets dat men ‘doet uitstromen’, als we de woorden overgankelijk gebruiken, ook wordt ontrold of ontvouwd.
     Schepping betekende oorspronkelijk in het Latijn praktisch hetzelfde als dit Hebreeuwse woord bârâ. Het betekende ‘het maken, vormen, beeldhouwen, uitsnijden’ – natuurlijk uit al bestaand materiaal of bestaande stof. De christelijke theorie (min of meer die van de joden in hun latere tijd) dat God de wereld ‘uit niets’ schiep, is zowel historisch als taalkundig belachelijk en absurd. Ze berust op geen enkele oude leer en ze ontstond, wat in zekere zin was te verwachten, uit de dwaze gewoonte van de monotheďsten, die van God een buitenkosmisch wezen wilden maken, gescheiden van het heelal en erboven staande, een zuivere geest, die niet onverbrekelijk met zijn schepselen is verbonden, God de ‘Vader en Maker’ van hen en toch een volstrekt persoonlijke non-entiteit – zonder ‘lichaam, leden of hartstochten’, niettemin een persoon! Natuurlijk spreken beide begrippen elkaar tegen en sluiten ze elkaar uit en als we er de tijd voor hadden, zouden we over deze dwaze ongerijmdheid gemakkelijk meer kunnen zeggen.
     We zien dus dat het heel moeilijk is te zeggen welk proces van deze drie, emanatie, evolutie en schepping, het eerst aan de beurt is. Was het emanatie, gevolgd door evolutie en daarna door schepping; of was het evolutie, gevolgd door emanatie en dan door schepping? Zonder twijfel komt schepping – in haar oorspronkelijke betekenis van vormgeven – als laatste van de drie, zoals duidelijk is aangetoond. De moeilijkheid ligt hierin dat we in elk kosmisch proces van emanatie onmiddellijk een pro ces van evolutie of ontvouwing bespeuren; en in elk proces van evolutie een proces van emanatie. Elke monade gaat pari passu van het ene in het andere over, zoals de hele mensheid zich pari passu van het ene in het andere ontwikkelde. We moeten waarschijnlijk zeggen dat emanatie, evolutie en schepping gedurende de manifestatie gelijktijdig en in onderling verband werken.
     Maar als we de kwestie vanuit een zuiver filosofisch standpunt bezien, is het waarschijnlijk juist en het beste om te zeggen dat de eerste stap uit wat we het ongemanifesteerde noemen naar het gemanifesteerde, emanatie is; de uitstroming uit zijn bron van een monade of liever een menigte monaden die, als ze op hun beurt het patroon volgen dat door hun bron en hun karmische verleden is aangegeven, duisterder en stoffelijker worden naarmate ze zich van hun centrale levensbron verwijderen. En nogmaals, terwijl ze emaneren, evolueren ze ook en brengen ze tot uitdrukking wat ze innerlijk zijn of bezitten, en ze doen dit in overeenstemming met de karmische lijnen of patronen die we op voorafgaande bijeenkomsten terloops hebben aangeroerd toen we over de skandha’s spraken. Want elk proces van emanatie en van evolutie is het begin van een nieuwe levenscyclus na de pralaya of rustperiode van een vroegere levensperiode of manvantara. Wanneer dan tenslotte in de cyclische voortgang van de evolutie de periode van zelfbewustzijn is bereikt, breekt er een periode van wilsuitingen, van bewuste keuzen aan, waarin de mens uit vrije wil begint te ‘scheppen’ of vormen; dat wil zeggen dat hij door het gebruik van zijn wil, zijn intuďtie en zijn intellect, zijn eigen lot schept, en bovendien de wereld om hem heen in scheppende zin beďnvloedt.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 91-103

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag