|
HOOFDSTUK 8
SPOREN
VAN DE ESOTERISCHE FILOSOFIE IN GENESIS
De oudste wereldreligies – exoterisch,
want de esoterische wortel of grondslag is één – zijn de Indiase, de
Mazdeďsche en de Egyptische. Dan komt de Chaldeeuwse, die uit deze is
voortgekomen en nu geheel voor de wereld is verloren, behalve in haar
misvormde sabaeďsme zoals dat tegenwoordig door de archeologen wordt
weergegeven; dan, als wij een aantal religies overslaan die later zullen
worden genoemd, komt de joodse, die esoterisch – zoals in de Kabbala
– het spoor volgt van het geloof van de Babylonische magiërs; en exoterisch,
zoals in Genesis en de Pentateuch, een verzameling allegorische legenden
vormt. Gelezen in het licht van de Zohar, zijn de eerste vier hoofdstukken
van Genesis een gedeelte van een heel filosofische bladzijde in de kosmogonie
van de wereld. –De Geheime Leer, 1:40
De eerste les van de esoterische
filosofie leert dat de onbekende Oorzaak geen evolutie teweegbrengt,
hetzij bewust of onbewust, maar dat zij slechts periodiek verschillende
aspecten van zichzelf laat zien, die door eindige denkvermogens
kunnen worden waargenomen. Het collectieve denkvermogen – het universele
– dat is samengesteld uit verschillende en talloze menigten van scheppende
machten, hoe oneindig ook in de gemanifesteerde tijd, is toch eindig,
wanneer het wordt gesteld tegenover de ongeboren en onvergankelijke
Ruimte in haar hoogste essentiële aspect. Wat eindig is, kan niet volmaakt
zijn. . . .
De Hebreeuwse Elohim, die in de vertalingen
‘God’ worden genoemd, die ‘licht’ scheppen, komen overeen met de Arische
[Indo-Iraanse] Asura’s. Zij staan ook bekend als de ‘zonen van de duisternis’,
als een filosofische en logische tegenstelling tot het onveranderlijke
en eeuwige licht . . . De zoroastrische Amshaspends scheppen de wereld
ook in zes dagen of tijdperken en rusten op de zevende, terwijl echter
in de esoterische filosofie die zevende het eerste tijdperk
of de eerste ‘dag’ is (eerste schepping in de Arische kosmogonie).
Dat tussenliggende tijdperk is de proloog van de schepping en
bevindt zich in het grensgebied tussen de ongeschapen eeuwige oorzakelijkheid
en de voortgebrachte eindige gevolgen. Hier heerst een toestand van
werkzaamheid en energie in wording, als het eerste aspect van
de eeuwige onveranderlijke rust. In Genesis, waaraan geen metafysische
energie is besteed, maar alleen een buitengewone scherpzinnigheid en
vindingrijkheid om de esoterische waarheid te versluieren, begint de
‘schepping’ bij het derde stadium van manifestatie. ‘God’ of de Elohim
zijn de ‘zeven bestuurders’ van Pymander. Ze komen overeen met alle
andere scheppers. – Op. cit., 2:553-4
We lezen vanavond het volgende
fragment uit De Geheime Leer (1:252):
De mensheid in haar eerste vage
oervorm is het nageslacht van de Elohim van het Leven (of pitri’s).
In haar kwalitatieve en stoffelijke aspect bestaat zij uit de rechtstreekse
afstammelingen van de ‘voorvaderen’, de laagste Dhyani’s of Aardgeesten.
Haar morele, psychische en geestelijke aard dankt zij aan een groep
goddelijke wezens, waarvan de naam en de eigenschappen in Deel 2 worden
gegeven. Als geheel zijn de mensen het handwerk van menigten verschillende
geesten; afzonderlijk zijn ze de tabernakels van die menigten; nu en
dan en in alleenstaande gevallen zijn ze de voertuigen van enkele van
die geesten.
En op blz. 253:
De mens is niet het volledige
product van de ‘Here God’ en zou dit ook nooit kunnen zijn, maar hij
is wel het kind van de Elohim, de term die zo willekeurig in
het mannelijke enkelvoud werd veranderd. De eerste Dhyani’s, aan wie
was opgedragen de mens naar hun beeld te ‘scheppen’, konden slechts
hun schaduwen afwerpen als een ragfijn model, waarnaar de stoffelijke
Natuurgeesten konden werken. (Zie Deel 2.) De mens is zonder enige twijfel
fysiek uit het stof van de aarde gevormd, maar hij had veel scheppers
en vormgevers.
Het lijkt raadzaam eerst over twee
dingen te spreken, het ene van minder, het andere van meer belang. Laten
we eerst het minder belangrijke nemen. Vanaf het begin hebben we op al
onze bijeenkomsten aandacht gevraagd voor leringen uit de grote wereldreligies,
voornamelijk uit het ver leden, die overeenkomst vertonen of identiek
zijn met de onze. Dat hebben we gedaan om verbanden te leggen tussen al
deze leringen, zoals die in de oude religies worden gevonden, en de leringen
die H.P. Blavatsky heeft gebracht: de theosofie. Hieruit blijkt de universaliteit
van het denken in de religies, en het brengt een geest van welwillendheid
en broederschap teweeg en leidt tot versterking van het morele besef dat
tegenwoordig bij de meeste westerse geleerden in hun vergelijkende studie
van de leringen van de voornaamste oude religies zozeer ontbreekt. Het
maakt in één klap een einde aan de zelfzuchtige opvatting dat ‘wij volmaakter
en moreel beter zijn dan zij’, aan de gedachte dat wij westerlingen een
superieur volk zijn en aan het denkbeeld dat een bepaald ras en een bepaalde
religie bij goddelijke beschikking het uitverkoren lichaam of voertuig
van de enige waarheid zijn: dat alle andere religies op dwaling berusten
en dat degenen die ze in vroeger tijden verkondigden alleen maar goed
waren voor de brandstapel!
Het tweede en belangrijkste punt is dit. We hebben
voortdurend bepaalde religieuze of filosofische analogieën en bepaalde
standpunten daarover aangevoerd die ware toetsstenen voor de leringen
zijn. We beogen daarmee dat zij die deze studies lezen zullen beschikken
over en – door de gedachten die daarin tot uitdrukking zijn gebracht –
een duidelijk inzicht zullen hebben in de sleutels waarmee ze de
waarheid en realiteit van de essentiële of fundamentele leringen van deze
oude religies kunnen toetsen; want al deze leringen in die oude
religies zijn in hun kern en hun innerlijke betekenis waar.
In deze zin zijn het brahmanisme en het boeddhisme waar, evenals het confucianisme
en de leringen van Lao-Tse, die het taoďsme worden genoemd. In die zin
zijn ze alle waar.
Maar alle zijn in meerdere of mindere mate blootgesteld
aan de invloeden van bepaalde scheppingen van de menselijke verbeelding;
en voor iemand die niet is getraind in deze studie is het vaak moeilijk
de zuiver menselijke fantasieën te scheiden van de natuurgetrouwe leringen
van de oude wijsheidsreligie. Alle oude religies ontsprongen aan diezelfde
bron – theosofie, zoals ze tegenwoordig wordt genoemd. Maar het is, zoals
gezegd, soms moeilijk om te weten wat de oorspronkelijke leer is en wat
er door de mens van is gemaakt of aan toegevoegd. Deze scheppingen van
de menselijke fantasie en van niet-religieuze vrees treden heel duidelijk
aan de dag in de twee moderne monotheďstische godsdiensten die uit de
joodse leer zijn voortgekomen, namelijk het christendom en de islam. Het
is in deze twee heel duidelijk wat door menselijke fantasie is toegevoegd;
maar in beide is een hechte grondslag van mystiek denken aanwezig, die
op de oude leringen van de wijsheidsreligie is gebaseerd.
In het christendom is dat vooral het geval in
de neopythagorische en neoplatonische vormen, zoals die enigszins zijn
gekerstend en zijn neergelegd in de leringen van Dionysius, de Areopagiet
genaamd. In de latere islam blijkt dit wat minder duidelijk uit wat in
hoofdzaak aan het Griekse denken, maar ook aan andere bronnen, werd ontleend,
zoals in grote lijnen is geschetst door islamitische leraren en denkers,
zoals Ibn Sina, die in Europa gewoonlijk Avicenna wordt genoemd, een Pers
die aan het eind van de tiende eeuw leefde en werkte; door Averroës in
Córdova, Spanje, die eigenlijk Roshd heette en in de twaalfde eeuw opgang
maakte; en door nog een eminente islamitische geleerde (om deze drie uit
velen te noemen), Al Farabi, uit de tiende eeuw en van Turkse afkomst.
Onder invloed van de oude wijsheid kreeg de leer van Mohammed ook haar
heel mystieke, hoewel sterk veranderde vorm, zoals blijkt uit de leringen
van de soefi’s die voornamelijk en duidelijk van Perzische oorsprong zijn
en hun opkomst danken aan het van nature spirituele en fijnzinnige volk,
de Perzen. Deze leringen vormen een zeer welkom contrast met de strenge
en starre geloofsovertuigingen die uit het egoďsme van de ruwe Arabische
stammen uit die tijd voortkwamen.
Het voornaamste onderwerp van studie vanavond
betreft de eerste verzen van het Boek van Wording, Genesis – het eerste
boek van de joodse Wet. We zullen deze verzen eerst lezen zoals die voorkomen
in de officiële Engelse bijbelvertaling, en dan van dezelfde hoofdstukken
een eigen vertaling maken zodat u ziet in hoeverre deze van de eerstgenoemde
afwijkt. Daarna zullen we verklaren wat het verschil is en waardoor dit
is ontstaan, maar daarvoor moeten we eerst een korte uiteenzetting geven
van bepaalde bijzonderheden van de oude Hebreeuwse taal.
In de Engelse zogenaamde King James vertaling,
begint het boek Genesis als volgt [hier in het Nederlands weergegeven]:
|
1
|
In den beginne schiep God de hemel en de aarde. |
|
2
|
De aarde nu was zonder vorm en ledig; en duisternis
was op de diepte. En de Geest Gods zweefde op de wateren. |
|
3
|
En God zei: Er zij licht: en er was licht. |
|
4
|
En God zag het licht, dat het goed was: en God scheidde
het licht van de duisternis. |
|
5
|
En God noemde het licht Dag, en de duisternis noemde
hij Nacht. En de avond en de ochtend waren de eerste dag. |
|
6
|
En God zei: Daar zij een uitspansel in het midden van
de wateren, en laat dit de wateren scheiden van de wateren. |
|
7
|
En God maakte het uitspansel en scheidde de wateren
die onder het uitspansel waren van de wateren die boven het uitspansel
waren: en het was alzo. |
|
8
|
En God noemde het uitspansel Hemel. En de avond en de
ochtend waren de tweede dag. |
|
9
|
En God zei: Dat de wateren onder de hemel op een plaats
samenvloeien en het droge land tevoorschijn kome: en het was alzo. |
|
10
|
En God noemde het droge land Aarde; en de samengevloeide
wateren noemde hij Zeeën. En God zag dat het goed was. |
|
26
|
En God zei: Laat ons mensen maken naar ons beeld, naar
onze gelijkenis; en laat hen heersen over de vissen van de zee, en
over het gevogelte van de hemel en over het vee, en over de hele aarde,
en over alle kruipende wezens op de aarde. |
|
27
|
En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld
schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. |
Eerst dit: Het Hebreeuws is een Semitische
taal en maakt deel uit van de groep talen waartoe ook het Arabisch, het
Ethiopisch, het Aramees, het Foenicisch en het Assyrisch behoren. Het
Hebreeuws waarin de bijbel is geschreven heet het bijbelse Hebreeuws.
Het is oud Hebreeuws. De taal die in Palestina werd gesproken in de tijd
waarin Jezus op aarde zou hebben geleefd en wel in Jeruzalem en de omliggende
streek, was het Aramees en niet het Hebreeuws, dat toen als gesproken
taal niet langer in gebruik was, en als hij zich tot zijn discipelen richtte,
sprak hij natuurlijk in het Aramees.
De Hebreeuwse taal, zoals we die aantreffen in
oude manuscripten van de bijbel – die waarschijnlijk geen van alle van
voor de negende eeuw van de christelijke jaartelling dateren – wordt geschreven
met ‘punten’, die de plaats innemen van klinkers, omdat het Hebreeuwse
schrift een systeem van medeklinkers is; het alfabet bestaat geheel uit
medeklinkers. Het kent de alef of a, die niettemin als een medeklinker
wordt beschouwd en het heeft de waw of w en de yod of y,
die eveneens als medeklinkers worden aangemerkt, maar het heeft geen aparte
tekens voor klinkers.
De taal wordt dan ook zonder echte klinkers geschreven.
Boven dien worden in de oudste manuscripten – en dat was zeker het geval
in de oorspronkelijke teksten uit het voorchristelijke tijdperk – de letters
alle aan elkaar geschreven, de ene na de andere, zonder de woorden van
elkaar te scheiden. Er waren misschien wel enkele tekens waarmee werd
aangegeven dat bepaalde dingen in de tekst van bij zonder belang waren,
maar de letters volgden elkaar zonder onder breking op, zonder een scheiding
tussen de woorden en zonder klinkers. Zo ziet u dat er ruimte is voor
allerlei speculaties, zelfs voor grote kenners van het Hebreeuws, over
de vraag wat een bepaalde combinatie van letters in deze eindeloze reeks
oorspronkelijk heeft betekend. Deze manier van schrijven was in de oudheid
bijna algemeen; de oudste Griekse en Latijnse manuscripten van het Nieuwe
Testament zijn in deze vorm geschreven, waarbij eenvoudig het oude gebruik
werd gevolgd, zoals nog steeds op de ruďnes van openbare gebouwen in Griekenland
en in Rome is te zien. Het ligt voor de hand dat men vaak niet zeker was
van de interpretatie of de juiste lezing: de lezer kon over de oorspronkelijke
betekenis van een passage in een manuscript dat op deze manier was geschreven
in ernstige twijfel ver keren.
Dit kwam zo vaak voor, dat er in Palestina op
een bepaald moment – waarvan we echter weten dat het misschien teruggaat
tot omstreeks de tijd van de inneming van Jeruzalem door Titus, ongeveer
aan het begin van de christelijke jaartelling – een school van schrift
uitleggers ontstond die aan de hand van wat zij graag ‘traditie’, mâsôrâh,
dat wil zeggen, ‘traditionele’ kennis noemden, verklaarden hoe de Hebreeuwse
bijbel moet worden gelezen, hoe deze reeksen medeklinkers bij het lezen
in woorden moeten worden verdeeld en welke klinkerpunten moeten worden
geplaatst om in overeenstemming daarmee de uitspraak te bepalen. Dit stelsel
van ‘punten’ werd waarschijnlijk niet voor de zevende eeuw in de tekst
ingevoerd. Deze school werd de school van de mâsôrâh genoemd en haar vertolkers
en aanhangers de masoreten.
Deze school van de mâsôrâh bereikte haar grootste
bloei waarschijnlijk in de negende eeuw van de christelijke jaartelling.
Maar omdat deze school steunde op wat ze traditie noemde, bestaat er geen
zekerheid dat hun interpretaties van hun eigen combinaties van letters
tot woorden altijd juist waren. Ze schenen echter wel enige kennis
van de algemene oorspronkelijke betekenis te hebben gehad en aan het nageslacht
te hebben doorgegeven.
Laten we om deze kwestie te illustreren de eerste
vijf woorden uit Genesis nemen: als we alle klinkers weglaten, houden
we alleen de medeklinkers over en krijgen het volgende: ndnbgnnschpgd.
Om een betekenis te vinden zouden we hier bijna naar eigen inzicht klinkers
kunnen invullen. ‘In den beginne schiep God’, en stelt u zich dan eens
eindeloze regels van dergelijke medeklinkers voor!
Voeg daarbij het feit dat het Hebreeuwse schrift
van rechts naar links loopt. Bovendien begint het aan wat we het eind
van het boek zouden noemen en loopt dan naar voren, evenals de geschriften
in andere Semitische talen. Deze manier van schrijven was bij andere volken
in de oudheid niet ongewoon. In oude tijden volgden het Griekse en Latijnse
schrift soms dit systeem, maar later, zoals u nu als u in Griekenland
of in Rome komt, in de oude opschriften op de tempels en op andere plaatsen
kunt zien, liep het gewoonlijk van links naar rechts en doorgaans zonder
ruimte tussen de woorden. In heel oude Griekse geschriften (en ook elders)
kende men ook wat boustrophedon werd genoemd, van twee Griekse
woorden, met de betekenis van ‘het keren van de os’, ontleend aan het
pad dat de ploegende os volgt: wanneer hij met het trekken van zijn voren
begint, loopt hij, laten we zeggen, van het ene einde van een akker naar
het andere, keert dan om en gaat in de tegenovergestelde richting terug,
evenwijdig aan de andere vore. In de Hebreeuwse manuscripten van de bijbel
die wij bezitten, wordt deze methode niet gevolgd.
Wanneer we met onze vertaling van de eerste verzen
van Genesis beginnen, stuiten we al bij de eerste twee woorden op een
moeilijkheid. Deze woorden kunnen op twee of drie verschillende manieren
worden vertaald. De vertaling in de Europese bijbels en in de officiële
Engelse versie is een tamelijk juiste weergave wat de woorden betreft;
maar iedereen die zich heeft beziggehouden met vertalingen uit een vreemde
taal en in het bijzonder uit een dode, en dan vooral uit een religieuze
taal en een die kennelijk min of meer in geheimschrift is geschreven,
kan zich voorstellen hoe moeilijk het is achter de verschillende betekenissen
te komen die een bepaald woord kan hebben, en het woord te kiezen dat
als vertaling het beste is en de betekenis heeft die de bedoeling van
de schrijver het dichtst nadert. De eerste twee woorden, zoals deze doorgaans
worden gelezen, zijn be en ręshîth; en zo verdeeld
hebben ze de volgende betekenis: be betekent ‘in’, en ręshîth
betekent ‘begin’. Dit tweede woord is een vrouwelijke vorm en komt oorspronkelijk
van het mannelijke woord ręsh of rôsh, dat (naast verschillende
andere dingen) ‘hoofd, voornaamste deel, eerste deel’ betekent. Daarom
kunnen we be ręshîth vertalen met ‘in het eerste deel’ of ‘in het
hoogste deel’, enz.
Maar diezelfde combinatie van letters – brashîth
– kon ook worden vertaald (door een andere verdeling) als bôrę,
één woord, een werkwoord, en shîth, nog een woord, een zelfstandig
naamwoord: bôrę betekent ‘vormend’, en shîth, een ‘instelling,
vestiging, regeling’. De vestiging (of regeling) vormend – van wat? De
tekst zegt dan wat geregeld of gevestigd wordt – door regeling ‘vormden
de elohîm hemel en aarde’.
Verder kan het hierboven gekozen woord ręsh
of rôsh, zoals al gezegd, ook ‘hoofd’ betekenen in de zin van ‘wijsheid’
of ‘kennis’: dus ‘in wijsheid vormden de elohîm hemelen en aarde’. Bedenk
dat het geoorloofd is bijna naar verkiezing klinkers in te lassen, omdat
deze ontbreken in de oorspronkelijke tekst van het boek, in de bijbel
zelf. Er is dus meer dan één interpretatie mogelijk.
Ręsh of rôsh betekent dus ook ‘hoofd’;
het betekent tevens ‘wijsheid’; en ook ‘schare’ of ‘menigte’. Hier kunnen
we dus nog een andere – een vierde – vertaling kiezen: berŻesh,
‘in een menigte’ of ‘door een menigte’. Yithbârę zou dan het volgende
woord zijn, ‘vormden elohîm’. Hier hebben we opnieuw een opmerkelijke
verandering in de betekenis – ik maak deze opmerkingen om erop te wijzen
dat de Hebreeuwse tekst van de bijbel vele vertalingen toelaat. Stel nu
dat we de eerste veertien Hebreeuwse letters van de tekst in de volgende
woordcombinatie verdelen: be-ręsh yithbârę elohîm, dan krijgen
we (door yithbârę te gebruiken, dat een van de vormen van het Hebreeuwse
werkwoord is, namelijk de wederkerende vorm, wat betekent dat de handeling
op iemand zelf betrekking heeft) de volgende vertaling: ‘in een menigte,
door een menigte, vormden de goden zich’. Wat volgt er in de tekst? ‘tot
de hemelen en de aarde’; dat wil zeggen, ‘in een schare (menigte) vormden
(maakten) de goden zich tot de hemelen en de aarde’. Zie eens wat een
reusachtig verschil in betekenis er is met de officiële versie. Deze laatste
vertaling is volgens ons de beste; daaruit blijkt onmiddellijk dat deze
gedachten identiek zijn met die in alle andere oude kosmogonische stelsels.
‘In een menigte vormden’ (of ‘ontwikkelden’:
dit woord bârâ betekent ‘dik worden’, ‘modelleren’, ‘zwaar of grof
worden’, ‘snijden’, ‘vormen’, ‘geboren worden’, ‘ontwikkelen’) – ‘in een
menigte’ of ‘door een menigte ontwikkelden de elohîm zich tot de hemelen
en de aarde’.
Nu het vierde woord, elohîm: dit is een
eigenaardig woord. Het eerste deel ervan is el, dat ‘god’, godheid,
betekent, waarvan het tweede is afgeleid, een vrouwelijke vorm, elôh,
‘godin’; îm geeft slechts het mannelijk meervoud aan. Als we dus
elk element in dit ene woord vertalen zou het betekenen ‘god, godin, meervoud’
– en als het ware het tweeslachtige karakter van de godheden aantonen:
de twee tegengestelde polen van de hiërarchie, de essentiële dualiteit
in het leven.
Vers 2: ‘En de aarde werd etherisch’: Het tweede
woord in de Hebreeuwse tekst van het tweede vers, een werkwoord, komt
overeen met twee Latijnse werkwoorden: esse, ‘zijn’, en fieri,
‘worden’; de oorspronkelijke betekenis is echter bijna steeds fieri,
‘worden’, zoals het Griekse gignomai, dat ‘worden’ betekent, overgaan
in een nieuwe toestand van iets. ‘En de aarde werd etherisch’ of ‘ging
over in het etherische’. Van de volgende twee woorden van de tekst (tohű
en bohű), die we hier met ‘het etherische’ vertalen, is de interpretatie
heel moeilijk. Ze betekenen beide ‘leegte, woestenij, onstoffelijkheid’,
daarom ‘ontbinding’; de grondgedachte duidt op iets dat niet-substantieel,
niet grofstoffelijk is. We gaan door met onze vertaling: ‘En duisternis
op het oppervlak van de ethers. En de rűahh (de geest-ziel) van de goden
(van de elohîm) (zweefde, hing) broedend.’ Het woord dat we met ‘broedend’
vertalen, is ontleend aan en duidt op het gedrag van een kip die fladdert
en op de eieren in haar nest broedt. Wat is deze beeldspraak veelbetekenend
en suggestief!
Men vindt hier dezelfde gedachte als in praktisch
alle oude leringen: het beeld of het symbool van de kosmische ziel die
boven de wateren van de ruimte hangt en het wereldei vormt; dat van het
kosmische ei en de goddelijke vogel die het kosmische ei legt. ‘En de
geest-ziel van de elohîm broedt op het oppervlak van de wateren’, zegt
de Hebreeuwse tekst. Zoals we eerder hebben aangetoond, was ‘wateren’
een gewone uitdrukking, een algemeen symbool voor de ruimte, als het ware
het etherisch uitspansel. We vervolgen onze vertaling:
En (de) elohîm (de goden) zeiden
– licht, kom-tot-aanzijn! en het licht kwam-tot-aanzijn. En (de) goden
zagen het licht, dat (het) goed (was). En elohîm maakten een scheiding
tussen het licht en tussen de duisternis. En elohîm noemden het licht
dag en de duisternis noemden ze nacht. En (er) ontstond avond, en (er)
ontstond ochtend. De eerste dag. En elohîm zeiden, (laat er) een uitspansel
komen in (het) midden van de wateren, en laat dit de wateren en de wateren
scheiden (verdelen). En elohîm (of de goden) maakten het uitspansel,
en ze maakten een scheiding tussen de wateren die onder het uitspansel
(waren) en tussen de wateren die boven het uitspansel (waren) en zo
gebeurde (het). En elohîm (de goden) noemden het uitspansel hemelen,
en (er) ontstond avond en (er) ontstond ochtend. De tweede dag. En elohîm
(de goden) zeiden, (laten) de wateren boven de hemelen op een plaats
worden verzameld [d.i. vast worden, condenseren], en (laat) het droge
deel zichtbaar worden [het vast geworden of gemanifesteerde deel – het
woord betekent ‘droog’ in tegenstelling tot vochtigheid; vochtigheid
betekent water, dat de ruimte symboliseert, en dus de verzamelde stof
van een planeet in wording, van een zonnestelsel in wording, of van
een heelal in wording], en zo gebeurde (het). En de goden noemden het
droge deel aarde, en de verdichting (het verzamelen) van de wateren
noemden ze zeeën. En elohîm (de goden) zagen dat (het) goed (was).
Laten we nu aandacht schenken aan
Genesis (1:26, 27 en 28):
En (de goden) elohîm zeiden:
Laat ons de mensheid maken [het woord is âdâm] naar ons schaduwbeeld
[naar onze schaduw, naar onze verschijning; het woord is tselem],
overeenkomstig ons patroon (of model). En laat hen neerdalen in de vissen
van de zee en in de vliegende schepsels van de hemelen, in de [andere]
dieren, in de gehele aarde en in alle bewegende schepsels die op aarde
bewegen. En elohîm (de goden) vormden [of maakten of ontwikkelden, hetzelfde
werkwoord als hierboven, bârâ] de mens naar hun verschijning,
naar het schaduwbeeld van elohîm vormden (of ontwikkelden) zij hem.
Dan volgen twee interessante woorden,
gewoonlijk vertaald met ‘mannelijk en vrouwelijk’, twee van de betekenissen
die men respectievelijk in de woordenboeken aantreft; maar de grondbetekenis
van deze woorden is ‘denker en ontvanger’ (of vat): ‘denker en vat ontwikkelden
zij hen. En de elohîm zegenden hen en de elohîm zeiden tot hen, wees vruchtbaar,
word talrijk en vervul de aarde’, enz.
U ziet dus dat we alleen al door andere woorden
te gebruiken dan de christelijke of latere joodse vertalers gewoonlijk
kozen, maar niettemin algemeen aanvaarde woorden uit het woordenboek,
en zonder de betekenis te forceren, we hier precies dezelfde betekenis
hebben gevonden van de esoterische leringen, die ook in De Geheime
Leer bij de be handeling van deze onderwerpen zijn geschetst. In de
eerste plaats de hiërarchie en haar gemanifesteerde godheden die het heelal
of de kos mosuit zichzelf ontwikkelden, waarbij de wederkerende
vorm van het Hebree uwse werkwoord bârâ wordt gebruikt, zoals hierboven
gezegd. Verder zal een studie van het eerste vers van Genesis ons aantonen
dat de daarin behandelde evolutie niet alleen, en niet in het bijzonder,
op de schepping van deze aarde of enige andere aarde slaat. Het is een
algemene leer, die veeleer betrekking heeft op de eerste manifestatie
van stoffelijk bestaan in de etherische ruimte; de vogels in de lucht,
de vissen in de zee en de [andere] dieren waarover wordt gesproken, zijn
niet noodzakelijk de dieren (al zou dat wel kunnen) die wij onder die
namen op aarde kennen. Ze hebben ook betrekking (in overeenstemming met
een bekend feit in de oude mythologie) op de ‘dieren van de hemelen’,
waarover we op onze vorige bijeenkomst hebben gesproken, dat wil zeggen,
op elke bol aan de sterrenhemel, op elke nevelvlek en op elke komeet,
die in de oude leringen alle als een levend wezen worden beschouwd, als
een ‘animal’ met zijn stoffelijk corpus of lichaam en achter zich zijn
gids, leider, goddelijke essentie of geest.
Verder zien we dat de elohîm de mens, de mensheid,
uit zichzelf ontwikkelden en hen zeiden deze schepsels te worden,
daarin af te dalen en ze te bezielen. Deze zonen van de elohîm zijn in
onze leringen inderdaad de kinderen van het licht, de zonen van het licht,
die wijzelf zijn, maar die toch van ons verschillen, omdat ze hoger
staan; niettemin zijn ze innerlijk ons eigen diepste zelf. In werkelijkheid
werden de elohîm, of ontwikkelden ze zich tot, hun eigen nageslacht en
bleven toch in zekere zin steeds het inspirerende licht vanbinnen, of
liever erboven, overeenkomstig de interpretatie die door de uit
het woordenboek gekozen woorden wordt gesteund en waarbij geen enkele
regel van de Hebreeuwse grammatica wordt overtreden. Want als we de oude
leringen van de esoterische filosofie volgen en ons gesterkt weten door
precies dezelfde gedachten in de Babylonische religieuze leer waaruit
deze Hebreeuwse leringen oorspronkelijk voortkwamen, dan zien we dat de
elohîm zich projecteerden in de wordende vormen van de toenmalige
‘mensheid’, die vanaf die tijd ‘mensen’ waren, hoe onvolmaakt hun ontwikkeling
toen ook was.
Wat waren deze elohîm, deze godheden, deze goden?
In het hiërarchisch stelsel van de kabbala zijn ze het zesde stadium,
gerekend van boven af, van het eerste of de kroon, en zijn dus in geen
geval de hoogste. Ze waren, kosmogonisch beschouwd, de gemanifesteerde
makers of wevers van het web van het heelal. Jehova, over wie in het
tweede hoofdstuk van Genesis wordt gesproken, is de derde orde van engelen,
naar beneden geteld, vanaf de kroon – de top van de hiërarchie van de
kabbala.
In Genesis (5:1, 2) staat een interessante uitdrukking.
We vertalen:
Dit (het) boek van de geslachten
van de mensheid (âdâm). Ten dage dat elohîm (de goden) de mensheid ontwikkelden,
naar het patroon (of model) van de elohîm, maakten zij hen. Denker-en-ontvanger
schiepen ze hen en zegenden hen en gaven hen de naam mensheid (of âdâm)
ten dage dat ze gemaakt werden.
Het is duidelijk dat hier geen
sprake is van een enkel mensenpaar, van een man en een vrouw in onze betekenis,
maar van de zich ontwik kelende androgyne mensheid, en ze hadden een
naam, âdâm, en hun eigenschappen waren denker en houder (of ontvanger):
etherische wezens – kinderen van de elohîm, die zijzelf zijn – in staat
te denken en te ontvangen, te begrijpen en zich te ontplooien door de
lessen die zouden worden getrokken uit hun incarnaties in de lagere vleselijke
wezens die zijzelf ontwikkelden en die werden aangeduid met de termen
die al zijn gegeven: de ‘vogels’ in de ‘lucht’, de ‘vissen’ in de ‘zee’
en alle levende wezens die op het oppervlak van de aarde bewegen.
Deze oude geschriften kunnen in mystiek of esoterisch
opzicht op meer dan één manier worden verklaard of, zoals H.P. Blavatsky
zegt, ze hebben meer dan één sleutel. Maar nogmaals, wat of wie waren
deze elohîm? Zij waren onze monaden – zoals die term in de theosofie
wordt gebruikt. Het is, tussen haakjes, merkwaardig dat Leibniz, de grote
Slavisch-Duitse filosoof, een theorie van monadische evolutie ontwikkelde
die in sommige opzichten een opmerkelijke overeenkomst vertoont met de
onze. Voor hem was het heelal vol van zich ontplooiende entiteiten, die
hij monaden noemde, geestelijke wezens die zich door middel van hun ingeboren
krachten ontwikkelden, maar toch op elkaar inwerken en reageren – tot
op zekere hoogte een getrouwe echo van de oude wijsheidsreligie.
Wat bedoelen we wanneer we spreken over respectievelijk
emanatie, evolutie en schepping? Emanatie en evolutie hebben vrijwel dezelfde
betekenis. Emanatie komt van een Latijns woord dat ‘uitstroming’
betekent; alle oude leringen die van betekenis zijn, kennen het denkbeeld
dat de goden hun kroost of kinderen in actieve, overgankelijke zin uit
zichzelf ‘deden uitstromen.’ Evolutie is eveneens een Latijns woord
en betekent ‘ontrollen’, ‘ontvouwen’, iets dat wordt ontvouwd; en het
is dui delijk dat iets dat men ‘doet uitstromen’, als we de woorden overgankelijk
gebruiken, ook wordt ontrold of ontvouwd.
Schepping betekende oorspronkelijk in
het Latijn praktisch hetzelfde als dit Hebreeuwse woord bârâ. Het
betekende ‘het maken, vormen, beeldhouwen, uitsnijden’ – natuurlijk uit
al bestaand materiaal of bestaande stof. De christelijke theorie (min
of meer die van de joden in hun latere tijd) dat God de wereld ‘uit niets’
schiep, is zowel historisch als taalkundig belachelijk en absurd. Ze berust
op geen enkele oude leer en ze ontstond, wat in zekere zin was te verwachten,
uit de dwaze gewoonte van de monotheďsten, die van God een buitenkosmisch
wezen wilden maken, gescheiden van het heelal en erboven staande, een
zuivere geest, die niet onverbrekelijk met zijn schepselen is verbonden,
God de ‘Vader en Maker’ van hen en toch een volstrekt persoonlijke non-entiteit
– zonder ‘lichaam, leden of hartstochten’, niettemin een persoon!
Natuurlijk spreken beide begrippen elkaar tegen en sluiten ze elkaar uit
en als we er de tijd voor hadden, zouden we over deze dwaze ongerijmdheid
gemakkelijk meer kunnen zeggen.
We zien dus dat het heel moeilijk is te zeggen
welk proces van deze drie, emanatie, evolutie en schepping, het eerst
aan de beurt is. Was het emanatie, gevolgd door evolutie en daarna door
schepping; of was het evolutie, gevolgd door emanatie en dan door schepping?
Zonder twijfel komt schepping – in haar oorspronkelijke betekenis van
vormgeven – als laatste van de drie, zoals duidelijk is aangetoond. De
moeilijkheid ligt hierin dat we in elk kosmisch proces van emanatie onmiddellijk
een pro ces van evolutie of ontvouwing bespeuren; en in elk proces van
evolutie een proces van emanatie. Elke monade gaat pari passu van
het ene in het andere over, zoals de hele mensheid zich pari passu
van het ene in het andere ontwikkelde. We moeten waarschijnlijk zeggen
dat emanatie, evolutie en schepping gedurende de manifestatie gelijktijdig
en in onderling verband werken.
Maar als we de kwestie vanuit een zuiver filosofisch
standpunt bezien, is het waarschijnlijk juist en het beste om te zeggen
dat de eerste stap uit wat we het ongemanifesteerde noemen naar het gemanifesteerde,
emanatie is; de uitstroming uit zijn bron van een monade of liever een
menigte monaden die, als ze op hun beurt het patroon volgen dat door hun
bron en hun karmische verleden is aangegeven, duisterder en stoffelijker
worden naarmate ze zich van hun centrale levensbron verwijderen. En nogmaals,
terwijl ze emaneren, evolueren ze ook en brengen ze tot uitdrukking wat
ze innerlijk zijn of bezitten, en ze doen dit in overeenstemming met de
karmische lijnen of patronen die we op voorafgaande bijeenkomsten terloops
hebben aangeroerd toen we over de skandha’s spraken. Want elk proces van
emanatie en van evolutie is het begin van een nieuwe levenscyclus na de
pralaya of rustperiode van een vroegere levensperiode of manvantara. Wanneer
dan tenslotte in de cyclische voortgang van de evolutie de periode van
zelfbewustzijn is bereikt, breekt er een periode van wilsuitingen, van
bewuste keuzen aan, waarin de mens uit vrije wil begint te ‘scheppen’
of vormen; dat wil zeggen dat hij door het gebruik van zijn wil, zijn
intuďtie en zijn intellect, zijn eigen lot schept, en bovendien de wereld
om hem heen in scheppende zin beďnvloedt.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 91-103
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|