|
HOOFDSTUK 9
SCHETS
VAN DE ESOTERISCHE KOSMOGONIE. BOLLEN, RONDEN EN RASSEN: KOSMISCHE TIJDPERKEN.
Kan men ontkennen dat Creuzer
over een groot intuïtief vermogen beschikte, toen hij, terwijl hij vrijwel
geen kennis bezat van de filosofie van de Arische hindoes, die in zijn
tijd weinig bekend was, het volgende schreef:
‘Wij moderne Europeanen zijn
verrast wanneer wij horen spreken over de geesten van de zon, maan,
enz. Maar wij herhalen dat het natuurlijke gezonde verstand en het
oprechte oordeel van de oude volkeren, aan wie onze geheel materiële
opvattingen over de beweging van de hemellichamen en over de natuurwetenschappen
volkomen vreemd waren . . . in de sterren en planeten niet alleen konden
zien wat wij erin zien, namelijk eenvoudige massa’s van licht, of donkere
lichamen die zich in kringlopen door de hemelruimte bewegen en alleen
maar de wetten van aantrekking en afstoting volgen. Maar zij zagen daarin
levende lichamen, bezield door geesten, zoals zij die in
alle natuurrijken zagen. . . . Deze leer van de geesten, die zo consequent
en in overeenstemming met de natuur is waaraan zij was ontleend,
vormde een grootse en unieke gedachte, waarin de stoffelijke, morele
en politieke aspecten alle waren verenigd . . .’ (‘Egypte’, blz. 450
tot 455.)
Alleen zo’n opvatting kan de
mens ertoe brengen een juiste conclusie te trekken over zijn oorsprong
en het ontstaan van alles in het heelal – van hemel en aarde, waartussen
hij een levende schakel vormt. Zonder zo’n psychologische schakel en
het gevoel van de aanwezigheid daarvan, kan geen wetenschap ooit vorderingen
maken en moet het gebied van de kennis beperkt blijven tot de analyse
van de stoffelijke materie.
– De Geheime Leer, 2:417
We lezen vanavond nog eens uit
De Geheime Leer (1:252):
De mensheid in haar eerste vage
oervorm is het nageslacht van de Elohim van het Leven (of pitri’s).
In haar kwalitatieve en stoffelijke aspect bestaat zij uit de rechtstreekse
afstammelingen van de ‘voorvaderen’, de laagste Dhyani’s of Aardgeesten.
Haar morele, psychische en geestelijke aard dankt zij aan een groep
goddelijke wezens, waarvan de naam en de eigenschappen in Deel 2 worden
gegeven. Samen zijn de mensen het handwerk van menigten verschillende
geesten; afzonderlijk zijn ze de tabernakels van die menigten; nu en
dan en in alleenstaande gevallen zijn ze de voertuigen van enkele van
die geesten.
En de tweede alinea op blz. 253:
De mens is niet het volledige
product van de ‘Here God’ en zou dit ook nooit kunnen zijn, maar hij
is wel het kind van de Elohim, de term die zo willekeurig in
het mannelijke enkelvoud werd veranderd. De eerste Dhyani’s, aan wie
was opgedragen de mens naar hun beeld te ‘scheppen’, konden slechts
hun schaduwen afwerpen als een ragfijn model, waarnaar de stoffelijke
Natuurgeesten konden werken. (Zie Deel 2.) De mens is zonder enige twijfel
fysiek uit het stof van de aarde gevormd, maar hij had veel scheppers
en vormgevers.
We vervolgen onze studie van de
esoterische betekenis van het eerste hoofdstuk van Genesis en wijzen erop
dat dit hoofdstuk zich niet bezighoudt met de mens zoals wij hem nu kennen.
De ‘mens’ die daarin wordt genoemd, is het geestelijke wezen dat in de
eerste ronde van dit manvantara als een geestelijk, of liever etherisch
wezen in de stof afdaalde; en als we daarom de bijzondere uitdrukking
in vers 27 hebben vertaald met ‘denker en ontvanger vormden (of ontwikkelden)
zij hen’, dan moeten we bedenken dat deze toespeling geen betrekking heeft
op de geslachtelijke man en vrouw uit onze tijd. Deze woorden, denker
en ontvanger, betreffen de geestelijke aard van de toen etherische
voertuigen van de mensheid, niet onze hedendaagse man of vrouw; het woord
ontvanger kan ook worden vertaald met vat, het voertuig of huis
van de hogere natuur. In de periode waarop dit vers 27 doelt was de mens
in algemene zin – de mensheid – tweeslachtig of androgyn; het is duidelijk
dat er toen geen ‘vrouw’ bestond. Dit eerste hoofdstuk gaat praktisch
aan de eerste, zuiver geslachtloze toestand van de etherische adam voorbij
en begint zijn beschrijving van de ‘mens’ toen deze reeds bezig was als
een half-zelfbewust etherisch androgyn wezen in het stoffelijke bestaan
af te dalen. Met andere woorden, het eerste hoofdstuk geeft geen bijzonderheden
over de scheiding van de geslachten, die veel later plaatsvond. Deze algemene
constatering wordt zelfs door de exoterische weergave van de lering duidelijk
bevestigd. Laten we echter uit een ander hoofdstuk van Genesis (2:5) lezen:
En elke plant van het veld,
voordat ze in de aarde was, en ieder kruid van het veld, voordat
het uitsproot: want de Here God had het niet op de aarde doen regenen,
en er was geen mens om de aardbodem te bewerken [cursivering
van ons].
De ‘mens’ was nog niet verschenen.
Laat ik vooruitlopen op latere verklaringen en zeggen dat dit tweede hoofdstuk
van Genesis handelt over de derde en de vierde ronde van ons manvantara
– en deze laatste, of vierde, is onze tegenwoordige ronde – en meer in
het bijzonder over het derde wortelras van onze vierde ronde; terwijl
het eerste hoofdstuk een zeer algemene en korte joodse samenvatting van
de oude kosmogonie is en eindigt met een korte toespeling op de eerste
en de tweede ronde.
In de verzen 19 tot en met 22 vinden we het volgende:
19. En uit de aardbodem gaf de
Here God vorm aan elk dier van het veld en al het gevogelte van de hemel;
en bracht hen tot Adam, om te zien hoe hij ze zou noemen: en zoals Adam
elk levend wezen noemde, zo zou het heten.
20. En Adam gaf namen aan al het vee, aan het
gevogelte van de hemel en aan elk dier van het veld; maar voor Adam
werd geen hulp gevonden die bij hem paste.
21. Toen deed de Here God een diepe slaap op
Adam vallen en hij sliep: en Hij nam een van zijn ribben en sloot in
de plaats daarvan het vlees toe.
22. En van de rib die de Here God uit de mens
genomen had, maakte hij een vrouw, en bracht haar tot de mens.
Evenals in vers 5 hierboven maak ik
gebruik van een Engelse standaardvertaling (de Authorized Version), hoewel
er in feite van deze verzen een andere en verhelderende vertaling kan
worden gemaakt. We zouden echter te ver van ons onderwerp afdwalen als
we dat nu zouden doen.
In de eerste plaats geeft dit tweede hoofdstuk
een andere methode aan dan hoofdstuk l, en een verandering in de ontwikkeling
van het etherische wezen uit de elohîm, voor wat betreft de vorming van
de stoffelijke mensheid of ‘mens’ uit het ‘stof van de aardbodem’ (vers
7). In de tweede plaats moet het woord rib uit de verzen 21 en
22 worden vertaald met ‘zijde’, omdat er wordt gezinspeeld op de scheiding
van de androgyne of tweeslachtige mensheid van het derde ras van onze
vierde ronde in mensen van verschillend geslacht, zoals die nu bestaan.
Plato doelt in zijn Gastmaal (§ 190) op
ditzelfde fysiologische feit uit de prehistorie en zegt dat (een van)
de eerste mensenrassen tweeslachtig gevormd was; dat ze grote en schrikwekkende
krachten bezaten en dat hun slechtheid en eerzucht zo groot werden, dat
Zeus over hun verdorvenheid in woede ontstak en besloot de mensen in tweeën
te snijden, zoals iemand een ei met een haar in twee helften zou verdelen.
Zeus gaf hieraan gevolg en gelastte Apollo de beide helften een betere
vorm te geven, enz. Apollo deed dat en sloot het vlees van de twee helften
toe. Sindsdien is de hele mensheid man en vrouw. Een typisch platonisch
verhaal dat werkelijke feiten uit een vergeten verleden belichaamt. Het
houdt zich bezig met het oudste deel van het vierde wortelras en meer
in het bijzonder met de middenperiode van het derde wortelras van de vierde
– of tegenwoordige – ronde op deze planeet.
Op een enkel verklarend woord na, zullen we deze
schets van de emanatie en evolutie, zoals we die in de joodse bijbel vinden,
voorlopig laten rusten; maar eerst zullen we nog een paar woorden zeggen
over de kwestie van de elohîm.
Het woord elohîm komt in de joodse bijbel herhaaldelijk
voor en is, zoals we in onze vorige lezing hebben verklaard, op zichzelf
een bewijs van de polytheïstische voorkeur, leringen en geloofsopvattingen
van het oude joodse volk. De bijbel zelf toont dat aan. Gewoonlijk moet
dit woord – een soortnaam in het meervoud – worden vertaald met ‘goden’.
Maar op de meeste plaatsen waar het woord in de Hebreeuwse tekst voorkomt,
is het in de Engelse standaardversie vertaald met ‘God’. Voor die vertaling
is geen enkele echte of deugdelijke reden; de juiste weergave is goden.
Maar de monotheïstische en christelijke voorkeur van de vertalers bracht
hen ertoe die vertaling te kiezen die zij het meest in het belang van
de christelijke kerk en hun almachtige God achtten; daarom vertaalden
ze het woord op verschillende plaatsen op een andere manier, zoals bijvoorbeeld
in Exodus 21:6, 22:8-9 en op vele andere plaatsen met rechters. [De Nederlandse
bijbelvertaling spreekt van goden.] Maar de wezenlijke, intrinsieke betekenis
is steeds goden, of wezens met een goddelijke status.
We komen nu toe aan het bestuderen van heel moeilijke
en hoogst esoterische zaken. Laten we in de eerste plaats nooit vergeten
dat de elohîm, de goden, die in de verschillende religies van de oudheid
met verschillende benamingen worden aangeduid als de scheppers of liever
voortbrengers of ouders van de mensheid, geestelijke wezens zijn –
die wijzelf zijn. De sleutel tot dit schijnbare raadsel wordt gevonden
in de leer en de uiteenzetting van de hiërarchieën van het geïndividualiseerde
leven.
Een hiërarchie kan worden beschouwd als een samengestelde
eenheid, als een collectieve entiteit, zoals een leger dat is; niettemin
bestaat een leger uit eenheden; toch is dit leger van wezens in een hiërarchie
uit een ander oogpunt in werkelijkheid meer dan alleen een collectieve
entiteit, omdat het verenigd is in zijn top, in wat in feite de bron van
die hië rarchie is. Deze bron is de hyparxis of geestelijke zon, waaruit
alle andere negen gebieden of klassen van de hiërarchie emaneren en zich
ontwikkelen, tot de laagste toe, waar een nieuwe hiërarchie begint; tegelijk
is de hyparxis van een hiërarchie de laagste klasse of het laagste gebied
van een hogere hiërarchie, en zo praktisch tot in het oneindige.
De mens is in alle opzichten en geheel en al
een geestelijk wezen. De stof zelf is slechts een manifestatie van de
geest. We leven in een heelal van geest en hoewel de stof bestaat, bestaat
ze als mâyâ, illusie; niet als een puur denkbeeldig niets, maar als iets,
als een verschijningsvorm van de geest, bij wijze van spreken. Maar naarmate
we opklimmen tot de hogere gebieden van de hiërarchie, verdwijnt de mâyâ
die over de levenssfeer van die hiërarchie ligt geleidelijk, en hoe hoger
we komen zien we de waarheid steeds duidelijker en in steeds ruimer verband.
In verband met de nederdaling of de val van de
mensheid in de stof, dat wil zeggen, de nederdaling in het gemanifesteerde
bestaan van de geestelijke entiteiten, de geestelijke hiërarchie, die
de mens in werkelijkheid is, moeten we bedenken dat we dit diepzinnige
onderwerp niet goed kunnen begrijpen als we niet een min of meer volledige
schets of overzicht geven van wat de ronden en rassen zijn; maar voordat
we dit doen, moeten we uit ons denken bepaalde wetenschappelijke opvattingen,
of liever misvattingen, bannen, die van jongs af door intensief onderricht
zijn ingeprent en die daarom deel van ons gedachteleven zijn gaan uitmaken.
Twee hoofdpijlers van onze moderne wetenschap
zijn de volgende: ten eerste, de leer van het behoud van energie, die
inhoudt dat de hoeveelheid kracht of energie in het heelal constant is
en dat daaraan niets kan worden toegevoegd of onttrokken. De tweede grote
pijler is de leer van de omzetting of onderlinge verwisselbaarheid van
krachten, die inhoudt dat elke kracht, althans in theorie, in een andere
kracht kan worden omgezet, zoals mechanische beweging in elektrische en
elektrische in mechanische, en dat geldt ook voor de andere krachten die
in de stof werken.
Deze beide theorieën of leringen van de wetenschap
naderen in bepaalde opzichten de esoterische opvatting over dat wonderlijke
element dat achter alle veranderingen in de natuur staat en er de oorzaak
van is; niettemin kan de esoterische filosofie geen van beide leerstellingen
van de wetenschap aanvaarden zoals ze naar voren worden gebracht. Allereerst
de leer van het behoud van energie: het is volkomen juist dat er geen
‘nieuwe’ kracht kan worden ‘geschapen’, en het is evenzeer volkomen juist
dat geen energie of kracht ooit volledig verloren kan gaan. Krachten
worden niet omgezet of getransformeerd, zoals deze tweede leer van
de wetenschap verklaart; het is echter mogelijk dat een kracht van het
ene bestaansgebied overgaat naar een ander – dat ze een bepaald gebied
bereikt vanuit een hoger of ook vanuit een lager gebied. Met andere woorden,
het is mogelijk dat een kracht- of energie-element dat zich buiten een
bepaald gebied bevindt, op dat gebied tot bestaan en manifestatie komt.
De materialistische leer van een heelal van dode, levenloze stof – zonder
iets erboven, erbuiten, eronder of erin – kan dus niet worden aanvaard
door hen die de esoterische filosofie bestuderen.
Met betrekking tot de omzetting of onderlinge
verwisselbaarheid van energie is het in zekere zin waar dat alle krachten
in het heelal met elkaar in verband staan. Het is een fundamenteel axioma
van de theosofie dat het heelal, ons heelal, elk heelal, een levend organisme
is en dat al zijn energieën of krachten daarom in een onderlinge betrekking
staan; maar dat betekent niet dat de ene kracht een andere
kan worden. Dit denkbeeld is onverenigbaar met de diepste kern, de werkelijke
grondslag van de esoterische leer over manifestatie, haar hiërarchieën
en individuele levens – alle voortgekomen uit het ene leven. Wat er gebeurt
is eerder dit: de ene kracht wordt niet in een andere veranderd
of omgezet, maar ze roept of wekt een kracht op die actief wordt
of zich manifesteert, een ‘kracht’ die niet ‘latent’ was – een merkwaardige
tegenstrijdigheid – maar die in evenwicht was. Wanneer een wetenschapper
nu over latente of potentiële energie spreekt, is dat voor een occultist
een volkomen ongerijmdheid, omdat het woord energie of kracht activiteit
betekent, en spreken over een ‘latente kracht’ zoiets is als spreken over
‘latente activiteit’, ‘dood leven’, een vierkante driehoek of een platte
bol. Het is onmogelijk zolang we onze opvattingen baseren op de wetenschappelijke
stellingen. Maar, let wel, een occultist zou deze uitdrukking ‘latente
kracht’ kunnen gebruiken, omdat ze in zijn mond zin en betekenis heeft.
Een geestelijke – en daarom latente of immateriële
– kracht bijvoorbeeld, wordt niet in stof ‘omgezet’; een materiële kracht
wordt niet in geest ‘omgezet’. Waarom niet? Omdat geest en stof, of kracht
en stof, niet twee, maar fundamenteel en essentieel één zijn. Gedurende
de lange manvantarische periode heeft een geleidelijke evolutie plaats
van het ene in het andere, maar deze ontwikkeling van het leven voltrekt
zich niet op de manier of volgens de methoden van de wetenschappelijke
theorieën over de leer van de omzetting van de materiële energie. Dit
laatste is een droom en bestaat niet.
Dit is een onderwerp dat we in een later stadium
van onze studie vollediger moeten behandelen. We komen nu op de kwestie
van de afdaling van de geestelijke en daarna de etherische mens in de
stof langs de tien treden van de hiërarchische ladder. Op een eerdere
bijeenkomst hebben we gezien dat deze afdaling begon met het via een layacentrum
binnentreden van geestelijke wezens die zich op lagere gebieden wilden
manifesteren, omdat voor hen de tijd was aangebroken hun grote mahâ manvantara
of de volgende wereldperiode te beginnen. Zodra de geestelijke essenties
het hoogste stadium van het laagste gebied, onze stof van het vierde gebied,
bereikten, bracht dit het speciale layacentrum daarin, waartoe ze door
karmische energie werd aangetrokken, tot overeenkomstige activiteit of
sympathetisch leven. Deze eerste manifestatie ervan, gezien vanuit hetzelfde
gebied, was de nevelvlek, een wolkachtige nevelvlek; het tweede stadium,
eonen later, was een spiraalnevel; het derde, weer eonen later, een ringvormige
nevel met een kern, als een ring met een bol in het midden, en het laatste
stadium, voordat het zich ontwikkelende lichaam als een planeet zijn plaats
in het leven innam, was een komeet, die naar dat speciale zonnestelsel
of die zon werd geleid of aangetrokken, waarmee ze in het vorige planetaire
manvantara karmisch was verbonden.
De levenscyclus of het manvantara van een planeet
bestaat objectief uit zeven ronden, of kleinere manvantara’s langs zeven
bollen; maar deze worden voorafgegaan door drie cyclussen van elementalen
– dus tien in totaal. De eerste drie stadia of cyclussen, noem ze de drie
elementalen-ronden zo u wilt, voltrekken zich op de drie archetypische
gebieden boven de zeven. In deze periode is er nog niet een werkelijk
etherische manifestatie: ze omvat de eerste afdaling van de arûpa
(of vormloze) wezens van geestelijke aard die zich op subgeestelijk gebied
manifesteren; maar wanneer het derde of laagste van de drie archetypische
gebieden is gepasseerd, heeft de levensgolf of levensessentie zich in
voldoende mate in de etherische stof geconsolideerd om een ijl lichaam
of etherische bol te vormen. Deze bol begint daarna aan de manvantarische
cyclus omlaag in de stof, een cyclus die zich in verschillende fasen voltrekt,
in feite zeven, en op en in zeven bollen, zoals al is gezegd.
Tijdens de eerste ronde op de eerste bol
moet de levensgolf een kringloop van zeven wortelrassen op die bol voltooien.
Na, of liever aan het einde van de evolutie van respectievelijk elk wortelras
wordt het surplus aan energie van dat wortelras uitgestort of overgebracht
naar het gebied eronder, waar het het eerste, tweede, derde, enz., element
van de tweede bol van de eerste ronde vormt. De levensenergie of levensgolf
moet in en op die tweede bol een kringloop van zeven wortelrassen volgen
en wanneer elk van deze wortelrassen daar zijn einde heeft bereikt, wordt
zijn surplus aan energie, precies zoals ook eerder, in een magnetisch
centrum eronder uitgestort of overgebracht en nadat alle zeven daar zijn
aan gekomen, vormen ze de derde bol, enz., totdat de zeven bollen zijn
gevormd. Dit is de eerste ronde. Te beginnen met de tweede ronde op de
zeven bollen verandert het proces op belangrijke onderdelen omdat alle
zeven bollen al als bollen zijn gevormd.
Aan het einde van de eerste ronde is er een planetaire
verduistering of rustperiode, wanneer de entiteiten de laatste bol, de
zevende, verlaten en een (lagere) nirvâ.nische periode van manvantarische
rust ingaan, die overeenkomt met de devachanische toestand of fase tussen
achtereenvolgende levens van de mens. Hetzelfde vindt plaats aan het einde
van de tweede ronde, en van de derde, waarna we onze tegenwoordige ronde,
de vierde, bereiken.
Naarmate de levensgolf in kringlopen in de stof
afdaalt, wordt ze met ieder yuga (of tijdperk) grover en stoffelijker,
tot halverwege de vierde ronde (de onze), en dan begint ze omhoog te gaan.
Elke ronde is grover dan de voorafgaande, totdat de tegenwoordige, onze
vierde, de meest stoffelijke, wordt bereikt. Deze afdaling wordt de schaduwboog
of de cyclus van duisternis genoemd. We zijn de laagste of middenperiode
van de vierde ronde al gepasseerd en zijn daarom nu begonnen aan de opgaande
of lichtende boog. We hebben nog drieëneenhalve ronde te gaan voor we
het einde van de kalpa of het planetaire manvantara bereiken, als het
grote nirvâ.na of paranirvâ.na van de hele zevenvoudige planeetketen van
zeven bollen begint.
Willen we een meetkundige voorstelling geven
van de weg die bij deze afdaling in de stof wordt gevolgd, dan kunnen
we die zien als een epicycloïde. Laat ik proberen
aan de hand van een tekening te verklaren wat hier met een epicycloïde
wordt bedoeld. Een epicycloïde ontstaat wanneer een punt op een kleine
cirkel, die langs de buitenkant van de omtrek van een grotere cirkel rondwentelt,
een kromme trekt die de omtrek van de grotere cirkel raakt aan het begin
en het einde van elke omwenteling van de kleinere cirkel daarop, zoals
bij A en B in de tekening. De kromme AB is de epicycloïde. Als voorbeeld
zijn hiernaast de twee cirkels afgebeeld: het punt op de kleinere cirkel
begint zijn kromme bij A en loopt omhoog naar links; bij B heeft het punt
op de kleinere cirkel een hele omwenteling voltooid; de kromme AB is de
epicycloïde.
Elk punt op deze kleinere cirkel zal,
als deze laatste langs de buitenkant van de omtrek van de grotere cirkel
voortrolt, een kromme beschrijven, die een epicycloïde is. Er is een meetkundige
relatie tussen de epicycloïde en de lengte van de stralen van de twee
cirkels: als bijvoorbeeld de straal van deze kleinere cirkel één
is en de straal van de grotere zeven, en de verhouding dus 1 :
7 is, zal het rondgaande punt zeven bogen beschrijven of snijpunten vormen
rond en op de omtrek van de grotere cirkel.
Elke bol van een ronde wordt hier meetkundig
afgebeeld door een van de zeven bogen. (Evenzo is het een meetkundige
voorstelling van de zeven wortelrassen op elke bol tijdens een bepaalde
ronde.) Uitgaande van het zevende of hoogste gebied, na haar derde
volledige elementalen- cyclus van en in de arûpawereld, begint de levensgolf
in de eerste ronde met de bouw van de rûpawereld of de wereld van vormen.
Terwijl, bij wijze van spreken, de kleinere cirkel langs de omtrek van
de grotere cyclus voortrolt, wordt de levensgolf (of bol) geleidelijk
stoffelijker; elk van deze bogen, die de rondwentelende kleinere cirkel
op de omtrek van de grotere doorloopt, vertegenwoordigt een bestaansgebied
en stelt meetkundig ook de levensgolf van de planeet voor. Deze
begint de evolutie van haar stoffelijke bestaan, ‘klimt omhoog’ of neemt
in stoffelijke dichtheid toe, totdat ze haar grootste stoffelijkheid heeft
bereikt, om dan ‘af te dalen’ of steeds minder stoffelijk te worden, totdat
ze weer op haar uitgangspunt, de omtrek van de grotere cirkel (of cyclus),
is aangekomen.
Het proces waardoor de geest in de stof afdaalt,
wordt in het Sanskriet pravritti genoemd (wat we in onze taal kunnen
weergeven met ‘aarde-geboorte’ of ‘aarde-dag’), praktisch hetzelfde woord
als evolutie of emanatie in onze moderne talen; en het proces van het
betreden van of het omhooggaan langs de lichtende boog, om tenslotte weer
thuis te komen in de geestelijke wereld, wordt nivritti genoemd.
Beide woorden komen van de Sanskrietwortel vrit, die ‘omwentelen’,
‘rollen’ betekent. Het voorvoegsel pra komt overeen met ons ‘voort’
of ‘vooruit’ en het voorvoegsel ni met onze woorden ‘uit’ of ‘weg
van’, en dus achterwaartse of omgekeerde werking. Pravritti wordt daarom
gebruikt om de evolutie of emanatie van de stof aan te duiden, wat gelijkstaat
met de involutie van de geest; nivritti, de evolutie van de geest – het
omgekeerde proces.
Hoe lang zijn de tijdperken waarin de levensgolf
zich in het manvantara van zeven ronden en in de zeven respectieve planeten
van elke ronde manifesteert? Zoals H.P. Blavatsky ons heeft gezegd,
zijn de leringen over de tijdsperioden sinds onheuglijke tijden als te
esoterisch be schouwd om ook maar enigszins volledig of in bijzonderheden
aan de buitenwereld bekend te maken. Maar in alle leringen die openbaar
zijn gemaakt, bevinden zich veel aanwijzingen van onschatbare waarde.
De benodigde tijd voor bijvoorbeeld een ronde – namelijk de cyclus van
bol A tot de laatste van de zeven bollen (laten we deze Z noemen), te
beginnen dus met de wortel-manu of collectieve ‘mensheid’ van bol A en
eindigend met de zaad-manu of collectieve ‘mensheid’ van bol Z – wordt
een ronde-manvantara genoemd, waarvan de duur 306.720.000 jaar is. Hij
wordt manvantara genoemd omdat hij de duur van de ‘heerschappij van één
manu’ is – laten we zeggen een mensheid van een bepaalde aard.
Het woord manvantara is Sanskriet en betekent ‘tussen manu’s’,
dat wil zeggen, tussen een wortel-manu op bol A en de zaad-manu op bol
Z voor een ronde-manvantara. Bij deze periode van 306.720.000 jaar moet
de duur van de sandhi worden opgeteld, wat ‘verbinding’ of ‘aansluiting’
of tussentijd betekent, die volgens een bepaalde berekeningsmethode nodig
is om de evolutie van de planeet voor de ronde te voltooien. Deze sandhi
heeft een duur van een kritayuga of 1.728.000 jaar, die de totale periode
van een ronde-manvantara op 308.448.000 mensenjaren brengt. Zoals
al is uiteengezet, is er aan het einde van elke ronde een verduistering,
die eveneens een bepaalde duur heeft, die we hier niet nader kunnen speci
ficeren.
Maar hoeveel tijd hebben de zeven ronden
voor hun omloop nodig? Wat is de duur van een mahâmanvantara of groot
manvantara, ook wel een kalpa genoemd, aan het eind waarvan de bollen
niet slechts een periode van verduistering of rust ingaan, maar volkomen
ophouden te bestaan? Het tijdperk van het mahâmanvantara of de kalpa wordt
ook een dag van Brahmâ genoemd en duurt 4.320.000.000 jaar; de nacht van
Brahmâ, de planetaire rustperiode, ook wel de paranirvâ.nische periode
geheten, is van gelijke duur. Zoals gezegd vormen zeven ronden een dag
van Brahmâ.
Deze getallen zijn de brahmaanse getallen en
het zijn ook de getallen van het esoterische boeddhisme (want we houden
vol dat het boeddhisme inderdaad een esoterische leer heeft). Zoals elke
onderzoeker weet, komt het basisgetal 432 ook voor in de chronologische
leringen van het oude Babylonië; en het geeft tevens de ware betekenis
weer die besloten ligt in de chronologische reeks van de pythagorische
tetraktis, 1i– 2 – 3 – 4, waarin de 432 aan de eenheid of monade ontspringt,
een onderwerp waarover we op de vorige bijeenkomst hebben gesproken.
Ons is ook gezegd dat de levensduur van een planeet,
dat wil zeggen van een planeetketen van zeven bollen, 360 goddelijke
dagen is, overeenkomende met een goddelijkjaar, en dat het leven
van Brahmâ (of het leven van het universele stelsel) honderd van die goddelijke
jaren telt – in mensenjaren uitgedrukt een getal van 15 cijfers. Een planetair
manvantara houdt ook verband met de duur van het leven van een zonnestelsel;
een planetair manvantara (of zeven ronden) is, zoals al is opgemerkt,
een dag van Brahmâ; elk van deze dagen duurt 4.320.000.000 mensenjaren,
wat in feite de levensduur van een planeet tijdens haar zeven ronden
vertegenwoordigt en met een incarnatie van een mensenleven op aarde corres
pondeert.
Hoe lang leeft Brahmâ in een van zijn gemanifesteerde
heelallen die, zoals we weten, de ‘uitademingen van het zelf-bestaande’
worden genoemd? We kunnen het uitrekenen – 4.320.000.000 maal 100 maal
360, of met andere woorden, elke planeet moet 36.000 levens leiden voordat
de prâkritika-pralaya (of de elementale pralaya) begint, het einde
van dat leven (of pravritti) van het universele stelsel.
Wat gebeurt er wanneer het einde van een zonnestelsel
nadert? Op een eerdere bijeenkomst hebben we over de ‘klokken van pralaya’
gesproken. Het was niet de bedoeling met deze woorden retorisch te zijn
of hoogdravende taal te gebruiken. Dat wilden we niet. We kozen de woorden
omdat, wanneer de grote (of mahâ-) pralaya voor de planeten van een bepaald
stelsel en hun zon aanbreekt, er volgens de leringen in de atmosfeer van
een planeet die van zo’n zonnestelsel deel uitmaakt, allerlei vreemde
geluiden worden gehoord; en deze geluiden herhalen zich als het ware op
kleine schaal, niet alleen aan het einde van het planetaire manvantara
(of de levensduur van de planeet), maar ook op nog kleinere schaal aan
het einde van elke ronde. Op deze verschijnselen wordt behalve in de Indische
ook in andere religies gezinspeeld, zoals bijvoorbeeld in de christelijke
en de joodse: in Openbaringen 6:14, en in Jesaja 34:4. De christelijke
schrijvers spreken over de tijd, 2 Petrus 3:10, 12-13, waarin de ‘elementen
in vuur zullen wegsmelten’, en ‘de hemelen met gedruis zullen voorbijgaan’,
maar zij ‘verwachten nieuwe hemelen en een nieuwe aarde’ – of een nieuw
planetair manvantara – en doelen op pralaya als de tijd waarin ‘de hemel
terugweek als een boekrol die wordt opgerold’, enz. Deze toespelingen
op de pralayische ontbinding zijn tot op zekere hoogte zinnebeeldig, maar
ze vertonen voldoende trekken van het oude oosterse denken om ons duidelijk
te maken wat hun herkomst is – de oude wijsheidsreligie (theosofie) van
het oosten. Ons is gezegd dat er tegen het einde van het prâkritika-manvantara
en voor het begin van de kosmische of prâkritika-pralaya vreemde geluiden
te horen zijn; sommige zijn als een vreemd hol gedreun, vreemd geknetter
als van geweervuur en vreemde galmende geluiden alsof er reusachtige metalen
banden knappen.
De zon is zowel het hart als het brein van ons
zonnestelsel en hij zendt zevenvoudig leven in elk atoom van zijn heelal,
het zonneheelal, waarvan wij en onze planeet Terra deel uitmaken. De zon
zelf is in sommige opzichten een vampier, maar hij is ook bij uitstek
en in essentie een leven sschenker. Hij is, kosmogonisch gezien, onze
oudere broeder en helemaal niet onze stoffelijke ouder zoals wetenschappers
tegenwoordig denken te weten. Hij is in wezen ook onze vader-moeder, omdat
uit hogere gebieden dan het onze, uit werelden (stelsels) boven die van
ons, levensstromen door hem heen omlaag vloeien. Toch ontvangt ook onze
planeet, zoals alle andere planeten, in zekere mate deze levensstromen,
zoals ieder individueel atoom en ieder mens, in de kleinste weerspiegeling
daarvan, deze individueel uit zijn diepste innerlijk ontvangt. Zoals u
zich zult herinneren is op voorgaande bijeenkomsten uiteengezet dat dit
hetzelfde geestelijke leven is; maar kosmisch, dat wil zeggen met
betrekking tot het heelal, is de zon het brein en het hart van ons stelsel
en schenkt hij leven en bezieling aan de talloze menigten wezens die in
zijn stelsel onder zijn invloed staan.
De (ware) zon zien we niet. De zon brandt of
gloeit niet. Er is warmte om de zon, maar die ontstaat niet door brandende
gassen of gloeiing. We zien wel de uiterlijke bekleding van de zon of
zijn weerspiegeling, maar de zon zelf zien we niet. In werkelijkheid is
het een geestelijk wezen. Wij denken dat we onze hele toevoer van warmte
en licht van de zon ontvangen, omdat de krachten die ervan uitgaan,
samenwerken met en reageren op de krachten op onze eigen aarde – krachten
die in de universele natuur om ons heen werken. Al danken we het grootste
deel van ons licht aan de zon, voor 75 procent van de warmte
die we ontvangen geldt dat niet; die is – grotendeels – afkomstig
van onze eigen bol en zijn krachten, en vooral van de ontzaglijk dikke
wolken kosmisch stof die de hele ruimte vullen. De elektromagnetische
krachten die werkzaam zijn tussen dit kosmisch stof en onze aarde, leveren
het grootste deel van de warmte op aarde.
Voordat we eindigen, wil ik vanavond nog uw aandacht
vestigen op het feit dat wanneer de ingewijde astronomen uit de oudheid
over de zeven heilige sferen van ons heelal spraken – de zeven of negen
waarin de lichamen van het zonnestelsel en de sterren hun plaats hadden,
en waarachter zich het empyreum of de vurige sfeer bevindt – zij een bepaalde
kennis wilden overdragen die nu voor de grote massa is verloren gegaan.
Ook hun geocentrische leringen hadden een diepe en veelomvattende
betekenis. Ze wisten evengoed als wij (daar hebben we de bewijzen van)
dat de aarde en de andere planeten in elliptische banen om de zon draaien,
maar ze hadden er hun reden voor in het openbaar de geocentrische leringen
te onderrichten en later zullen we deze bewering moeten uitwerken en bewijzen.
Laten we de bijeenkomst besluiten door erop te
wijzen dat de theosofie een leer van hoop is, een geestelijke leer, een
leer die de mens loutert en verheft; ze is een leer waarvan de nederigsten
iets kunnen begrijpen en die de meest verlichten en verstgevorderden en
de meest spirituelen onder ons de kans biedt hun voet te zetten op de
laagste sport van die geestelijke ladder, waarlangs we van hiërarchie
tot hiërarchie tot de allerhoogste kunnen opklimmen. Niet alleen op onze
eigen planeet, samen met de grote boeddha’s uit vroegere en toekomstige
tijden, maar voorbij onze planeet en voorbij ons eigen zonnestelsel naar
die onbegrensde geestelijke sferen waarin het zonnestelsel zijn bestaan
heeft en waaraan we ons leven ontlenen – geestelijk, mentaal, psychisch,
prânisch en stoffelijk.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 104-16
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|