INHOUD

Deel Een

  1. De drie grondstellingen. Het zelf: de innerlijke schakel van de mens met het onuitsprekelijke. De esoterische filosofie: onderwezen in alle oude religies.
  2. Waar is de werkelijkheid? De waarheid kan worden gekend. De samengestelde natuur van de mens volgens verschillende stelsels: drievoudig, viervoudig, vijfvoudig, of zevenvoudig.
  3. De leer van mâyâ; objectief idealisme de grondslag van ethisch handelen: geworteld in de geestelijke eenheid – het goddelijke – van het Al. Het Zelf en de ‘zelven’.
  4. Van oorspronkelijk punt tot heelal en mens. Hoe begint de manifestatie? Manvantara en pralaya.
  5. De esoterische leringen en de nevelvlektheorie. Goden achter de kosmos: waarom de natuur onvolmaakt is.
  6. De dageraad van manifestatie: layacentra. Een bewust heelal – op een geestelijk doel gericht. De stoďcijnse leer van de onderlinge wisselwerking van alle wezens: ‘natuurwetten’. Filosofisch polytheďsme en de leer van de hiërarchieën.
  7. Hiërarchieën: een van de verloren sleutels van de esoterische filosofie. De heilige tetraktis van Pythagoras. De levensladder: de legende van Padmapâni.
  8. Sporen van de esoterische filosofie in Genesis.
  9. Schets van de esoterische kosmogonie. Bollen, ronden en rassen: kosmische tijdperken.
  10. De leer van svabhâva – zelfwording – karakteristieke individualiteit. De mens, zelf-ontwikkeld, zijn eigen schepper. De ‘monadologie’ van Leibniz tegenover de leringen van de esoterische filosofie.
  11. De kosmische pelgrimstocht. Van niet-zelfbewuste godsvonk tot volledig zelfbewuste god.
  12. Psychologie: volgens de esoterische filosofie. Onsterfelijkheid is voorwaardelijk: het verlies van de ziel.
  13. Het evolutieproces. Zelf, ego en ziel: ‘ik ben’ en ‘ik ben ik’.
  14. ‘Hemelen’ en ‘hellen’: leringen van de esoterische filosofie en van de exoterische religies.
  15. De evolutie van het ‘absolute’. Een algemeen evolutieplan op alle gebieden. Zeven sleutels tot wijsheid en toekomstige inwijdingen.
  16. Âtmavidyâ: hoe het ene het vele wordt. ‘Verloren zielen’ en ‘zielloze wezens’. De mens, een samengesteld wezen: er is geen blijvend beginsel in de mens.
  17. De stille wachter.
  18. De geestelijk-psychische hiërarchie van adepten. Het wonderlijke wezen, de boeddha’s, nirmânakâya’s, dhyân-chohans.
  19. De zeven juwelen en de zeven stadia van inwijding.
  20. Het hogere aspect van de menselijke psychologie. Inwijding en de mysteriën: avatâra’s, boeddha’s en bodhisattva’s. Hun relatie tot bollen, ronden en rassen.
  21. Inwijdingen en de oude mysteriën. Wortelrassen en hun onderverdelingen. Bolronden. Planeetronden, Zonnekalpa’s: hoe berekend. Raciale rampen.
  22. De hiërarchie van mededogen. De incarnatie van de mânasaputra’s.
  23. De zon en de planeten. Hun rol in het evolutiedrama.

© Theosophical University Press Agency, Den Haag