VOORWOORD

In 1924 nam Katherine Tingley binnen de esoterische afdeling van de Theosophical Society het initiatief tot een reeks studiebijeenkomsten over De Geheime Leer van H.P. Blavatsky, met Gottfried de Purucker als spreker. Hoewel hij niet onder Mw. Blavatsky had gestudeerd, wat voor verschillende aanwezigen wel het geval was, kende ze niemand die beter was voorbereid dan hij om dit boek ‘vanuit het esoterische standpunt’ te verklaren. Bovendien was ze ervan overtuigd dat hij na haar heengaan ‘deze lessen kon voortzetten’, die tenslotte ‘voor latere generaties’ zouden worden uitgegeven.
Op de eerste bijeenkomst op 4 januari bepaalde Katherine Tingley de leidende gedachte van de avonden door op alle aanwezigen een beroep te doen alles van persoonlijke en beperkende aard opzij te zetten en ‘meer in harmonie te zijn met ons hogere zelf – met dat deel dat eeuwig is en probeert de weg voor ons te ontsluiten’. De deelnemers moesten ‘zoals de neofieten in de oudheid, in een geest van zelfvergetelheid’ bijeenkomen en bedenken dat deze studiebijeenkomsten niet in de eerste plaats werden gehouden om het verstandelijke begrip van de studerende te verruimen, maar veeleer als een ‘ernstige geestelijke poging’ het hart voor het hogere bewustzijn open te stellen en de ingevingen tot dienen in het dagelijks leven te stimuleren. Na de lezingen sprak Katherine Tingley enkele minuten en vroeg gewoonlijk verschillende aanwezigen om commentaar te geven, waarna ze zelf enkele slotopmerkingen maakte. De leden gingen daarna heen zoals ze waren gekomen, in stilte, wat volgens haar een bijzondere invloed had op de innerlijke groei.
In deze sfeer van eerbied voor de waarheid en voor de lichtbrengers van de mensheid gaf G. de Purucker een toelichting op de geestelijke beginselen waarop de ‘geheime leer’ van alle tijden berust. Beginselen van de Esoterische Filosofie is het stenografische verslag van de lezingen die van 1924 tot 1927 werden gehouden, met periodieke onderbrekingen wanneer Katherine Tingley afwezig was in verband met lezingentournees in de Verenigde Staten of in Europa. In 1931 werden de manuscripten aan A. Trevor Barker overgedragen om ze voor publicatie in Londen gereed te maken. De citaten waarmee de hoofdstukken beginnen, werden uitgekozen door Joseph H. Fussell, een vriend en medewerker van de schrijver.
Waarin onderscheidt dit boek zich van de vele uiteenzettingen die sinds 1888 over De Geheime Leer zijn verschenen? Niet in de laatste plaats misschien in de inspirerende manier waarop het veelomvattende evolutieproces werd behandeld, dat de ritmische wedergeboorte van werelden, van mensen en van alle levende wezens omvat, en dat tot doel heeft het goddelijke dat in elke godsvonk ligt besloten, volledig tot uitdrukking te brengen. Naar oude gewoonte volgen ook wij in onze cyclische afdaling in het aardse leven dezelfde kosmische wegen die alle monaden gaan, totdat we, na onze lessen te hebben geleerd uit de ervaringen op deze planeet, het stadium van zelfontwikkelde godheden bereiken. Hoe het ene het vele wordt, hoe de geest elk stofdeeltje verlicht, is een oud verhaal – nu met bewonderenswaardige helderheid opnieuw verteld, zodat de lezer tot de ontdekking komt dat hij toegang heeft tot die kernleringen die hem in staat zullen stellen zelf te toetsen of bepaalde oude of moderne religieuze of filosofische opvattingen wel of niet in overeenstemming zijn met ‘die oorspronkelijke geestelijke en natuurlijke openbaring’ die aan de eerste denkende mens op aarde ten deel viel. Als een gouden glans aan de verre horizon van de tijd, ziet hij overal de eenheid van het geestelijke erfdeel van de mensheid en onze gemeenschappelijke goddelijke oorsprong en bestemming. Het boek getuigt verder van een ruime wetenschappelijke kennis: niet alleen worden de termen uit de Sanskriet-, de Hebreeuwse en andere oude literatuur etymologisch verklaard, maar in het licht van de kennis die dr. De Purucker bezit van de vroege geschiedenis van de mensheid en van oude overleveringen en heilige geschriften uit het oosten en het westen, winnen ze ook aan inhoud.
Voor velen echter is zijn grootste bijdrage dat hij het vertrouwen in de waardigheid en de adeldom van de mens weet te herstellen. Wij zijn inderdaad dolende ridders van de eeuwigheid, van oudsher op zoek naar een wijsheid waarvan we weten dat ze bestaat, maar die steeds aan onze greep schijnt te ontsnappen. Door herinnerd te worden aan dat zoeken wordt onze toewijding aan de waarheid en aan de reeks mededogende leraren gewekt – een toewijding die in staat is de ziel te roeren, en ons in leven na leven in die situaties te brengen die het karakter louteren en versterken en ons geschikter maken de zaak van de mensheid te dienen.
Het herzien van deze tweede druk is met bijzonder veel zorg verricht en, hoewel enkele passages die uitsluitend betrekking hadden op het esoterische aspect van de bijeenkomsten zijn weggelaten, evenals enkele herhalingen die onvermijdelijk zijn wanneer een reeks toespraken bijna woordelijk wordt gepubliceerd, is het materiaal van de lezingen praktisch intact gelaten.
Als we de stof hadden bekort en gesystematiseerd, zou dat in strijd zijn geweest met de bedoeling van de schrijver. Ongemerkt schept hij stap voor stap een bepaalde atmosfeer wanneer hij een lering aanroert, de gedachte enige tijd volgt en dan aandacht schenkt aan een andere lering, die schijnbaar daarvan verschilt maar niettemin van betekenis is voor het grotere beeld dat hij bezig is te ontvouwen. Eén of twee hoofdstukken verder zal hij misschien op de eerder behandelde onderwerpen terugkomen, ze enige tijd verder uitwerken, om dan weer andere leringen te beschouwen. Dr. De Purucker merkt meer dan eens op dat hij daarmee welbewust de oude esoterische methode volgt om heilige waarheden door te geven: herhaling van de meest treffende gedachte, maar steeds met voldoende variatie en verruiming van inzicht om de studerende vooruit te helpen en verstarring van het denken te voorkomen. Als het denken flexibel blijft, reageert het sneller op de intuïtie en de stroom van licht die, wanneer de innerlijke natuur daarop is afgestemd, de ziel spontaan kunnen verlichten.
Interessant is dat de in 1932 verschenen eerste druk [van de oorspronkelijke Engelse tekst] van Beginselen van de Esoterische Filosofie niet de eerste twee lezingen bevatte, maar met de derde begon. Dat ze niet werden opgenomen gebeurde ongetwijfeld onopzettelijk; maar enkele jaren na de dood van de schrijver was Kirby Van Mater, archivaris van de Society, zo gelukkig de twee ontbrekende lezingen te vinden tussen stukken die vermoedelijk met ander materiaal aan het Hoofdkwartier waren geretourneerd door de Europese centra waaraan Katherine Tingley ze in 1924 had gezonden om ‘begrijpende zielen’ daarvan deelgenoot te maken. De daarvoor in aanmerking komende gedeelten van deze bijeenkomsten zijn nu als afdeling i en ii in hoofdstuk 1 opgenomen en gaan vooraf aan afdeling iii die oorspronkelijk het eerste hoofdstuk van de uitgave van 1932 vormde. Het boek is door deze uitbreiding verrijkt, want het betekent een aanvulling en verdieping van de interpretatie die dr. De Purucker van de drie grondstellingen geeft waarmee H.P. Blavatsky haar magnum opus begint en die ‘het hele gedachtestelsel doordringen’ dat ze vervolgens schetst.
Na bijna een halve eeuw is Beginselen van de Esoterische Filosofie nog steeds een uitstekend boek voor een inleidende studie van de theosofie voor hedendaagse lezers die op zoek zijn naar dezelfde waarheden als de discipelen uit de oudheid die, met de brandstof van toewijding in de hand, zich tot wijzen en rishi’s wendden.

Grace F. Knoche

27 april 1979


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. v-viii

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag