H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen
Deel 1: 1874 – 1882

isbn 9789491433122, paperback, eerste druk 2015, bestel boek

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Wat zijn theosofen?

[‘What are the theosophists?’, The Theosophist, oktober 1879, blz. 5-7; CW 2:98-106]

Zijn ze wat ze beweren te zijn – onderzoekers van de natuurwetten, van oude en moderne filosofie, en zelfs van de exacte wetenschappen? Zijn ze deïsten, atheïsten, socialisten, materialisten of idealisten; of zijn ze slechts een afsplitsing van het moderne spiritisme – louter visionairs? Moet er enige aandacht aan hen worden besteed, omdat ze in staat zijn over filosofie te discussiëren en de ware wetenschap te bevorderen; of moeten ze worden behandeld met de meewarige tolerantie waarmee men ‘onschadelijke enthousiastelingen’ bejegent? Tegen de Theosophical Society zijn allerlei beschuldigingen geuit: van het geloof in ‘wonderen’ en het ‘verrichten van wonderen’; van geheime politieke doeleinden, zoals de carbonari; dat ze spionnen zijn van een autocratische tsaar; van het verkondigen van socialistische en nihilistische leringen; en, heel opmerkelijk, dat ze tegen betaling een heimelijke overeenkomst is aangegaan met de Franse jezuïeten om het hedendaagse spiritisme te ondermijnen! Met evenveel kracht zijn ze door de Amerikaanse positivisten uitgemaakt voor dromers, door een gedeelte van de New Yorkse pers voor fetisj-aanbidders, door de spiritisten betiteld als mensen die ‘stoffig bijgeloof’ nieuw leven willen inblazen, door de christelijke kerk als ongelovige afgezanten van de duivel, door prof. W.B. Carpenter, frs, als mensen die alles voor zoete koek slikken, en ten slotte hebben enkele hindoetegenstanders hen, om hun invloed te verminderen, heel dwaas ervan beschuldigd de hulp van demonen in te roepen om bepaalde paranormale verschijnselen teweeg te brengen. Onder al die uiteenlopende meningen is één ding opvallend: de Society, haar leden en hun opvattingen vindt men belangrijk genoeg om besproken en aan de kaak gesteld te worden. Mensen belasteren alleen diegenen die ze haten of vrezen.

Maar hoewel de Society haar vijanden en lasteraars heeft, heeft ze ook haar vrienden en verdedigers. Tegenover elk woord van kritiek stond een woord van lof. Ze was begonnen met een groep van 12 serieuze mannen en vrouwen, maar haar ledental breidde zich zozeer uit dat het al na een maand nodig was om voor haar bijeenkomsten een zaal te huren. Binnen twee jaar had ze afdelingen in verschillende Europese landen. Later vormde ze een alliantie met de Arya Samaj in India, geleid door de geleerde pandit svami Dayananda Sarasvati, en met de Ceylonese boeddhisten onder leiding van de geleerde H. Sumangala, hogepriester van Adam’s Peak en voorzitter van het Vidyodaya College in Colombo.

Wie een serieuze poging wil doen om de psychologie te doorgronden moet zich wenden tot de oude, heilige Aryavarta. Er bestaat geen land dat in esoterische wijsheid en beschaving ouder is dan dit, hoezeer ook haar huidige zwakke afspiegeling – het hedendaagse India – in verval is geraakt. We beschouwen dit land als de vruchtbare kweekplaats waaruit alle verdere filosofische stelsels zijn voortgekomen, en een deel van onze Society is naar deze bron van alle psychologie en filosofie gekomen om haar oude wijsheid te bestuderen en haar mysterieuze geheimen te weten te komen. De filologie is te ver gevorderd dan dat het nu nog nodig zou zijn het eerstgeboorterecht van Aryavarta te bewijzen. De onbewezen en bevooroordeelde hypothese van de huidige chronologie verdient geen enkele aandacht, en zal na verloop van tijd verdwijnen, zoals zovele andere onbewezen hypothesen.

De lijn van filosofische overerving van Kapila via Epicurus tot James Mill; van Patañjali via Plotinus tot Jakob Böhme, is even goed te volgen als de loop van een rivier door een landschap. Een van de doelstellingen van de Society was om onderzoek te doen naar de te transcendente opvattingen van de spiritisten over de vermogens van ontlichaamde geesten; en na hun te hebben gezegd wat een gedeelte van hun verschijnselen, althans volgens ons, niet zijn, wordt het nu onze taak aan te tonen wat ze wel zijn. Het ligt zo voor de hand dat de sleutel tot de zogenaamd ‘bovennatuurlijke’ verschijnselen van de spiritisten in het Oosten, en met name in India, moet worden gezocht, dat dit feit zelfs onlangs werd toegegeven door de Pioneer van Allahabad (van 11 augustus 1879), een Engels-Indiase krant die niet de reputatie heeft dat ze iets beweert wat ze niet voor waar houdt. Ze beschuldigt de wetenschappers ervan dat ze, ‘terwijl ze zich richten op ontdekkingen op fysiek gebied, enige generaties lang te zeer geneigd zijn geweest onderzoek naar het bovennatuurlijke te verwaarlozen’, en vermeldt ‘de nieuwe golf van twijfel’ (het spiritisme) die ‘hen onlangs in hun overtuiging heeft geschokt’. Verder zegt ze dat voor velen, onder wie verstandige en ontwikkelde mensen, ‘het bovennatuurlijke opnieuw heeft laten zien dat het een geschikt onderwerp voor onderzoek is. En er zijn aannemelijke hypothesen die het denkbeeld steunen dat de ‘wijzen’ van het Oosten in hogere mate dan de moderne westerlingen sporen vertonen van die persoonlijke kenmerken – wat deze ook inhouden – die een vereiste zijn voor het plaatsvinden van bovennatuurlijke verschijnselen.’ En dan, zich niet bewust van het feit dat hij juist datgene bepleit wat een van de voornaamste doeleinden van onze Society is, schrijft de redacteur verder: ‘Dit lijkt ons de enige richting te zijn waarin de theosofen in India zich misschien nuttig zouden kunnen maken. Het is bekend dat de vooraanstaande leden van de Theosophical Society in India gevorderde onderzoekers van occulte verschijnselen zijn, en we kunnen slechts hopen dat hun interesse in oosterse filosofie . . . een onuitgesproken voornemen inhoudt om onderzoek te doen op het gebied dat we hierboven hebben aangegeven.’

Hoewel dit, zoals gezegd, een van onze doeleinden is, is het er slechts één uit vele; het belangrijkste van deze is het werk van Ammonius Saccas nieuw leven in te blazen, en de verschillende volkeren eraan te herinneren dat ze de kinderen ‘van één moeder’ zijn. Wat de transcendentale kant van de oude theosofie betreft is het ook de hoogste tijd dat de TS deze toelicht. In hoeverre stemt de Society dan in met deze natuur-peilende en God-zoekende wetenschap van de oude Indo-Europese en Griekse mystici, en erkent ze de vermogens van het hedendaagse spiritistische mediumschap? Ons antwoord is, we stemmen in met dit alles. Maar wanneer men ons vraagt waarin we geloven, zal het antwoord luiden: ‘als groep, in niets’. De Society als groep heeft geen geloofsleer, want een geloofsleer is niets anders dan een schil die zich gevormd heeft om spirituele kennis, en het uiteindelijke resultaat van theosofie is pure spirituele kennis – de kwintessens van filosofisch en theïstisch onderzoek. Als uiterlijke vertegenwoordigster van de universele theosofie kan de Society evenmin sektarisch zijn als een aardrijkskundig genootschap, dat het universele geografische onderzoek vertegenwoordigt zonder zich erom te bekommeren of de onderzoekers een of ander geloof aanhangen.

Het geloof van de Society is een algebraïsche vergelijking waarin, zolang het teken = voor gelijkheid niet wordt weggelaten, ieder lid zijn eigen grootheden mag invullen, die het beste overeenstemmen met de klimatologische en andere eisen van zijn geboorteland, met de eigenaardigheden van zijn volk, en zelfs met die van hemzelf. Omdat onze Society geen algemeen aanvaarde geloofsleer kent, is ze graag bereid te geven en te nemen, te leren en te onderwijzen, door toetsing aan de praktijk, wat lijnrecht staat tegenover een louter passief en goedgelovig aanvaarden van een opgelegd dogma. Ze is bereid elk resultaat te aanvaarden waarop een van de eerdergenoemde scholen of stelsels aanspraak maakt en dat logisch en experimenteel kan worden bewezen. Aan de andere kant kan ze niets op goed geloof aannemen, wie het ook is die daarom vraagt.

Maar, als het om ieder van ons individueel gaat, is het een heel andere zaak. De leden van de Society vertegenwoordigen de meest uiteenlopende nationaliteiten en rassen, en werden in heel verschillende religies en omstandigheden geboren en opgevoed. Sommigen geloven in het ene, en anderen in iets anders. Sommigen voelen zich aangetrokken tot de oude magie, of de geheime wijsheid die in heilige plaatsen werd onderwezen, die het tegenovergestelde was van bovennatuurlijke of duivelse zaken; anderen tot het hedendaagse spiritisme, of omgang met de geesten van de doden; weer anderen tot het mesmerisme of dierlijk magnetisme, of enkel tot een occulte dynamische natuurkracht. Een aantal leden hebben nauwelijks welomlijnde opvattingen gevormd, maar volgen de zaken aandachtig en verwachtingsvol; en er zijn er zelfs die zich in een bepaald opzicht materialist noemen. Atheïsten en fanatici van welke religie dan ook zijn er niet in de Society, want alleen al het feit dat iemand zich bij haar aansluit, is een bewijs dat hij op zoek is naar de uiteindelijke waarheid over de uiteindelijke essentie van de dingen. Als er zoiets als een speculatieve atheïst bestond, iets wat filosofen misschien ontkennen, zou hij zowel oorzaak als gevolg moeten verwerpen, in deze wereld van de stof en ook in die van de geest. Er zijn misschien leden die, evenals de dichter Shelley, hun gedachten lieten teruggaan van oorzaak tot voorafgaande oorzaak ad infinitum, omdat elke oorzaak op haar beurt logischerwijs een gevolg werd dat een voorafgaande oorzaak veronderstelde, totdat het eeuwige hen toescheen als niets anders dan een nevel. Maar zelfs zij zijn geen atheïsten in speculatieve zin, of ze de stoffelijke krachten van het heelal nu vereenzelvigen met de functies die de theïsten aan hun God toeschrijven, of niet; want als ze zich niet kunnen vrijmaken van het abstracte ideaal van kracht, oorzaak, noodzakelijkheid en gevolg, dan kunnen ze alleen als atheïsten worden beschouwd met betrekking tot een persoonlijke God, en niet tot de universele ziel van de pantheïsten. Anderzijds kan een geloofsfanaticus, ingesloten als hij is door de omheining van een geloofsleer waarvan elke plank het opschrift ‘verboden toegang’ draagt, zijn omheining niet verlaten om zich bij de theosofen aan te sluiten, en zelfs als hij dat kon, is er daar geen plaats voor iemand met een religie die hem het onderzoek verbiedt. De basisgedachte van de Society is vrij en onbevreesd onderzoek.

Als groep gaat de Theosophical Society ervan uit dat alle oorspronkelijke denkers en onderzoekers van de verborgen kant van de natuur – of ze nu materialisten zijn, d.w.z. zij die in de stof ‘de belofte en kracht van al het aardse leven’ zien, of spiritisten, d.w.z. zij die in de geest de bron van alle energie en ook van de stof zien – in feite theosofen waren en zijn. Want om er een te zijn, hoeft men niet per se het bestaan van een bepaalde God of godheid te erkennen. Men hoeft slechts blijk te geven van eerbied voor de geest van de levende natuur, en te proberen zich daarmee te identificeren. Die tegenwoordigheid te eren, de onzichtbare oorzaak, die zich niettemin voortdurend manifesteert in haar onophoudelijke gevolgen; de ontastbare, almachtige en alomtegenwoordige proteus: ondeelbaar in zijn essentie, die aan vorm ontsnapt, en toch in allerlei vormen verschijnt; die hier is en daar, en overal en nergens; die alles is, en niets; alomtegenwoordig en toch één; de essentie die alles vult, bindt, begrenst en omvat; die in alles is vervat. Het zal nu duidelijk zijn dat deze mensen, of men ze classificeert als theïsten, pantheïsten of atheïsten, nauw verwant zijn aan alle anderen. Zodra een onderzoeker, wat hij ook is, de oude en platgetreden weg van de routine heeft verlaten, en zich op het eenzame pad van onafhankelijk denken begeeft – richting God – is hij een theosoof; een oorspronkelijk denker, een zoeker naar de eeuwige waarheid met ‘zijn eigen inspiratie’ om de universele vraagstukken op te lossen.

Theosofie is de vriend van ieder mens die op zijn eigen manier serieus op zoek is naar kennis over het goddelijke beginsel, naar kennis over het verband tussen de mens en dat beginsel, en de manifestaties ervan in de natuur. Ze is op dezelfde manier de vriend van serieuze wetenschap, die zich onderscheidt van veel wat doorgaat voor exacte natuurwetenschap, zolang laatstgenoemde zich niet begeeft op het terrein van psychologie en metafysica.

En ze is ook de vriend van elke oprechte religie – d.w.z. een religie die bereid is om te worden beoordeeld naar dezelfde maatstaven die zij voor de andere aanlegt. Ze beschouwt die boeken die de meest vanzelfsprekende waarheid bevatten als geïnspireerd (niet geopenbaard). Maar ze ziet alle boeken, op grond van het menselijke element dat ze bevatten, als ondergeschikt aan het Boek van de Natuur; om dit te kunnen lezen en op de juiste manier te begrijpen, moeten de innerlijke krachten van de ziel hoogontwikkeld zijn. Feilloze wetten kunnen alleen door het intuïtieve vermogen worden waargenomen; ze liggen buiten het gebied van argumentatie en dialectiek, en niemand kan ze door middel van verklaringen van een ander mens begrijpen of op de juiste manier beoordelen, ook al maakt die aanspraak op een directe openbaring. En omdat deze Society, die de grootst mogelijke ruimte laat op de gebieden van het zuiver ideële, wat de feiten betreft niet minder resoluut is, is haar eerbied voor de hedendaagse wetenschap en haar echte vertegenwoordigers oprecht. Al ontbreekt het hun geheel aan hogere spirituele intuïtie, toch is de wereld ontzaglijk veel verschuldigd aan vertegenwoordigers van de moderne natuurwetenschap, en daarom stemt de Society van harte in met de begaafde en welsprekende predikant, Eerw. O.B. Frothingham, in zijn verontwaardigde en edele protest tegen mensen die de diensten van onze grote natuurwetenschappers onderwaarderen. In een lezing die hij onlangs in New York heeft gehouden, zei hij: ‘Men noemt de wetenschap anti-godsdienstig en atheïstisch! Integendeel, de wetenschap vormt een nieuw denkbeeld van God. We hebben het aan de wetenschap te danken dat we ons ook maar enige voorstelling kunnen maken van een levende god. Als we niet een dezer dagen allemaal atheïst worden onder de verwarrende invloed van het protestantisme, dan is het dankzij de wetenschap, omdat deze ons bevrijdt van die vreselijke illusies die ons plagen en in verlegenheid brengen, en ons leert hoe we over de dingen die we zien kunnen redeneren.’

Het is te danken aan de onvermoeibare inspanningen van zulke oriëntalisten als Sir William Jones, Max Müller, Burnouf, Colebrooke, Haug, de Saint-Hilaire, en zoveel anderen, dat de Society als groep evenveel respect en eerbied kan voelen voor de vedische, boeddhistische, zoroastrische en andere oude religies van de wereld, en dezelfde broederlijke gevoelens kan koesteren voor al haar leden – hindoes, singalezen, parsi’s, joden of christenen – als onderzoekers van het ‘zelf’, van de natuur en van het goddelijke in de natuur.

De Society werd gevormd naar het voorbeeld van het land waar ze was opgericht: de Verenigde Staten van Amerika. Dit land dat het woord God uit zijn constitutie wegliet om geen voorwendsel te verschaffen om op een dag een staatsgodsdienst te vestigen, erkent in zijn wetten de volkomen gelijkwaardigheid van alle religies. Alle steunen de staat en worden er op hun beurt door beschermd. De Society, gevormd naar het model van deze constitutie, kan werkelijk een ‘republiek van geloofsvrijheid’ worden genoemd.

We hebben nu, denken we, duidelijk gemaakt waarom het onze leden als individuen vrijstaat naar wens al of niet tot een van de religies te behoren, mits ze niet doen alsof niemand anders dan zijzelf geloofsvrijheid geniet en niet proberen hun meningen aan anderen op te dringen. Op dit punt zijn de statuten van de Society heel strikt. Ze probeert te handelen in overeenstemming met het oude wijze boeddhistische axioma: ‘Eer uw eigen geloof en belaster niet dat van anderen’, dat in onze eeuw wordt herhaald in de edele beginselverklaring van de Brahmo Samaj, waarin staat: ‘Geen enkel geloof mag worden belasterd, bespot of gehaat’. In artikel 6 van de herziene statuten van de TS, onlangs aangenomen door de Algemene Raad in Bombay, staat de opdracht:

Een vertegenwoordiger van de Society is niet gerechtigd in woord of daad vijandigheid of een voorkeur te voelen ten opzichte van een of andere afdeling (sektarische afdeling of groep binnen de Society). Alle moeten op dezelfde manier worden behandeld en van de Society dezelfde zorg en aandacht krijgen. Alle hebben hetzelfde recht om essentiële aspecten van hun religieuze overtuiging voor te leggen aan het tribunaal van een onpartijdige wereld.

Als individu mag een lid, wanneer hij wordt aangevallen, deze regel soms overtreden, maar als vertegenwoordiger is dit hem verboden, en deze regel wordt tijdens de bijeenkomsten strikt gevolgd. Want de theosofie staat in haar abstracte betekenis boven alle menselijke sekten; ze is te omvangrijk om door een van deze te worden omvat, ze omvat ze allemaal met gemak.

Tot slot kunnen we zeggen dat de Society, die ruimer en veel universeler van opvatting is dan enig bestaand zuiver wetenschappelijk genootschap, verder gaat dan de wetenschap door alle mogelijkheden te bekijken en de vastberaden wil heeft om door te dringen in die onbekende spirituele gebieden waarvan de exacte wetenschap beweert dat het niet op de weg van haar volgelingen ligt die te onderzoeken. Bovendien heeft ze een eigenschap die alle andere religies niet hebben: ze maakt geen onderscheid tussen heidenen, joden of christenen. Het is in deze geest dat de Society gevestigd is op de hechte basis van universele broederschap.

Ze houdt zich volkomen buiten de politiek; . . . ze bekommert zich weinig om het uiterlijke bestuur van de wereld. Al haar aspiraties zijn gericht op de occulte waarheden van de zichtbare en onzichtbare werelden. Of de fysieke mens leeft in een keizerrijk of republiek heeft alleen invloed op de stoffelijke mens. Zijn lichaam verkeert misschien in een slaafse toestand; wat zijn ziel betreft, heeft hij het recht aan zijn heersers het fiere antwoord te geven dat Socrates zijn rechters gaf. Ze hebben geen macht over de innerlijke mens.

Zo’n organisatie is de Theosophical Society met haar verschillende beginselen en doelstellingen. Moeten we ons erover verbazen dat de meeste mensen onjuiste opvattingen over haar koesteren, en hoe gemakkelijk het voor tegenstanders was om haar tegenover het grote publiek te kleineren. De ware zoeker naar waarheid is altijd een kluizenaar geweest, een liefhebber van stilte en meditatie. Zijn gewoonten en voorkeuren hebben zo weinig gemeen met de drukke buitenwereld dat, terwijl hij zijn onderzoek voortzet, zijn tegenstanders en lasteraars ongestoord hun gang kunnen gaan. Maar de tijd heelt alles, en leugens zijn maar vergankelijk. Alleen de waarheid is eeuwig.

We zullen het later hebben over enkele leden van de Society die belangrijke wetenschappelijke ontdekkingen hebben gedaan, en over sommige anderen aan wie de psychologie en biologie veel dank verschuldigd is, omdat ze een nieuw licht hebben geworpen op de duistere vraagstukken betreffende de innerlijke mens. We hebben de lezer duidelijk willen maken dat theosofie geen ‘nieuwerwetse leer’ is, noch een politieke samenzwering, noch een van die verenigingen van enthousiastelingen die vandaag worden geboren maar morgen weer sterven. Dat niet al haar leden hetzelfde denken, blijkt uit het feit dat de Society verdeeld is in twee afdelingen, de oosterse en de westerse, en dat laatstgenoemde bestaat uit talrijke onderafdelingen in verschillende landen. Het denken van één mens, hoe oneindig gevarieerd ook in zijn uitingen, is niet alomvattend. Omdat dit denken alomtegenwoordigheid wordt ontzegd, moet het in zijn beschouwingen noodzakelijkerwijs in één richting gaan; en zodra het de grenzen van exacte menselijke kennis overschrijdt, moet het dwalen en dolen, want de vertakkingen van de ene centrale en absolute waarheid zijn eindeloos. Daarom zien we dat zelfs grotere filosofen soms verdwalen in het labyrint van speculaties, en daardoor de kritiek van het nageslacht uitlokken. Maar omdat ze allemaal werken voor een en hetzelfde doel, namelijk de bevrijding van het menselijk denken, het uitroeien van bijgeloof en het ontdekken van de waarheid, is iedereen even welkom. Het verwezenlijken van deze doeleinden, daar is iedereen het over eens, kan het best worden bereikt door het denken te overtuigen en het enthousiasme te wekken van de generatie mensen die zich net beginnen te ontwikkelen en een frisse kijk op het leven hebben, en die zich voorbereiden om de plaats in te nemen van hun bevooroordeelde en conservatieve voorvaderen. En omdat zowel grote als kleine denkers de koninklijke weg naar kennis zijn ingeslagen, luisteren we naar hen allen en nemen zowel de kleinen als groten op in onze gelederen. Want niemand die eerlijk op zoek is, komt met lege handen terug, en zelfs hij die weinig publieke bekendheid geniet, kan in ieder geval zijn kleine bijdrage leveren aan het steunen van de waarheid.

 


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 1: 1874 – 1882, blz. 151-9

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag