H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen
Deel 1: 1874 – 1882

isbn 9789491433122, paperback, eerste druk 2015, bestel boek

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Verbazingwekkende manifestaties van geesten

Een tweede Ida Pfeiffer bij de Eddy’s – Geestverschijningen van Georgiërs, Perzen, Koerden, Circassiërs, Afrikanen en Russen – Wat een Russische dame over dr. Beard denkt

[‘Marvellous spirit manifestations’, The Daily Graphic, New York, deel 5, 30 oktober 1874, blz. 873; CW 1:30-4]

De volgende brief werd door Mw. Blavatsky aan een andere krant gestuurd en aan ons overhandigd om in The Daily Graphic te worden gepubliceerd, omdat we het voortouw hebben genomen bij de bespreking van het bijzondere onderwerp ‘het spiritisme’.    – Redacteur The Daily Graphic

Omdat ik me bewust ben dat u in het verleden rechtvaardigheid en eerlijk spel heeft nagestreefd, verzoek ik u dringend van uw kolommen te mogen gebruikmaken om te antwoorden op een artikel van dr. G.M. Beard over de familie Eddy in Vermont. Hij die hen en hun spiritistische manifestaties in een heel stellige verklaring veroordeelt, zou daarmee een slag willen toebrengen aan de hele spiritistische wereld van deze tijd. Zijn brief verscheen vanochtend (27 oktober). Dr. George M. Beard heeft de laatste weken de rol gespeeld van een ‘brullende leeuw’ die een medium wil ‘verscheuren’. Het schijnt dat de geleerde heer op dit moment hongeriger is dan ooit. Geen wonder, na de mislukking die hij heeft ondervonden met Brown, de ‘gedachtelezer’ in New-Haven.

Ik ken dr. Beard niet persoonlijk, en evenmin hoef ik te weten in hoeverre hij zich kan beroepen op zijn doctorstitel in de medicijnen; maar ik weet wel dat hij nooit kan hopen zulke mensen en geleerden als Crookes, Wallace of zelfs Flammarion, de Franse astronoom, te evenaren, laat staan ze te overtreffen, die allemaal vele jaren aan het onderzoek van het spiritisme hebben gewijd. Ze kwamen allemaal tot de conclusie dat, zelfs als men veronderstelde dat het bekende verschijnsel van de materialisatie van geesten geen bewijs opleverde voor de identiteit van de personen die ze beweerden te zijn, het in elk geval niet het werk van stervelingen was; en nog minder dat het fraude was.

Nu wat de Eddy’s betreft. Tientallen bezoekers zijn daar weken en zelfs maanden geweest; geen enkele seance heeft plaatsgevonden zonder dat sommigen van hen de persoonlijke tegenwoordigheid van een vriend, een familielid, een moeder, vader of geliefd gestorven kind heeft ervaren. Maar let op! Daar komt dr. Beard, hij blijft er minder dan twee dagen, verbindt zijn sterke elektrische batterij met de geestverschijning die geen krimp geeft of met de ogen knippert, onderzoekt nauwkeurig het kabinet (waarin hij niets vindt), en keert dit dan de rug toe en verklaart heel nadrukkelijk ‘dat men goed moet begrijpen dat als zijn wetenschappelijke naam ooit in verband met de familie Eddy opduikt, dit alleen is om hen als de grootste bedriegers te ontmaskeren, die niet eens goed in hun bedrog zijn’. Consummatum est! Het spiritisme is overleden. Requiescat in pace! Dr. Beard heeft het met één woord afgemaakt. Strooi as uit over uw eerbiedwaardige maar onnozele hoofden, o Crookes, Wallace en Varley! Voortaan moet u als gestoord, gehypnotiseerd en als krankzinnig worden beschouwd, en dat geldt ook voor de vele duizenden spiritisten die hun overleden vrienden en familieleden hebben gezien en met hen hebben gesproken, hen hebben herkend in Moravia, bij de Eddy’s en elders op dit grote continent. Maar is er niet een uitweg uit dit dilemma? Jazeker, dr. Beard schrijft als volgt: ‘Wanneer uw correspondent naar New York terugkeert, zal ik hem op een geschikte avond alles leren doen wat de Eddy’s doen’. Waarom moet een verslaggever van The Daily Graphic de enige zijn die door G.M. Beard, md, wordt uitverkoren voor inwijding in de kennis van zo’n handig ‘bedrog’? Waarom ontmaskert hij in dat geval dit algehele bedrog niet openlijk zodat de hele wereld er baat bij heeft? Maar dr. Beard schijnt even partijdig te zijn in zijn keuze als hij knap is in het betrappen van het genoemde bedrog. Zei de geleerde doctor niet tegen kolonel Olcott, toen hij bij de Eddy’s was, dat tweedehands kleding ter waarde van drie dollar voor hem genoeg zou zijn om te kunnen laten zien hoe alle geesten die de Eddy-boerderij bezoeken, gematerialiseerd worden?

Hierop antwoord ik, gesteund door het getuigenis van honderden betrouwbare getuigen, dat de hele garderobe van Niblo’s theater niet toereikend zou zijn om het aantal geesten dat avond na avond uit een leeg klein kamertje tevoorschijn komt, te kleden.

Laat dr. Beard naar voren komen en het volgende feit verklaren als hij dat kan: Ik verbleef 14 dagen bij de Eddy’s. In die korte tijd zag en herkende ik van de 119 verschijningen zeven geesten volledig. Ik erken dat ik de enige was die ze herkende, omdat de overige aanwezigen er op mijn talrijke reizen in het Oosten niet bij waren, maar hun vele soorten kleren en kostuums werden door iedereen duidelijk gezien en nauwkeurig onderzocht.

De eerste was een jongen uit Georgië, gekleed in het historische Kaukasische kostuum, waarvan een afbeelding binnenkort in The Daily Graphic zal verschijnen. Ik herkende hem en ondervroeg hem in het Georgisch over omstandigheden die alleen aan mijzelf bekend waren. Hij begreep me en gaf antwoord. Toen ik hem in zijn moedertaal vroeg (een suggestie die kol. Olcott me influisterde) om de ‘Lezguinka’, een Circassische dans, te spelen, deed hij dit onmiddellijk op een gitaar.

De tweede. Een kleine oude man verschijnt. Hij is gekleed zoals Perzische kooplui dat gewoonlijk zijn. Zijn kleding is precies de nationale dracht. Alles klopt tot de ‘babouches’ toe, die hij uitdoet zodat hij op zijn kousen staat. Hij zegt zijn naam, krachtig fluisterend. Het is ‘Hassan Aga’, een oude man die mijn familie en ik twintig jaar lang in Tbilisi hebben gekend. Hij zegt, half in het Georgisch, half in het Perzisch, dat hij me ‘een groot geheim wil vertellen’, en hij verschijnt drie keer, en probeert vergeefs zijn zin af te maken.

De derde. Een reusachtig grote man komt tevoorschijn gekleed in de schilderachtige kledij van de soldaten van Koerdistan. Hij spreekt niet, maar buigt volgens oosters gebruik, en heft zijn speer op, die met schitterend gekleurde pluimen is versierd, en zwaait ermee als teken van welkom. Ik herken hem onmiddellijk als Saffar Ali Bek, een jong stamhoofd van de Koerden, die mij gewoonlijk vergezelden op mijn tochten te paard rond de Ararat in Armenië, en die één keer mijn leven redde. Bovendien buigt hij zich voorover alsof hij een handvol losse aarde opraapt en rondstrooit terwijl hij zijn hand tegen zijn borst drukt – een gebaar dat alleen bij Koerdische stammen gebruikelijk is.

De vierde. Een Circassiër komt tevoorschijn. Het lijkt wel alsof ik in Tbilisi ben, zo precies is zijn kleding die van een ‘nouker’ (iemand die óf voor óf achter een ruiter loopt). Deze man spreekt. Hij verbetert zelfs zijn naam, die ik verkeerd uitsprak toen ik hem herkende, en als ik de naam herhaal, buigt hij glimlachend en zegt in onvervalst gutturaal Tartaars, dat mij zo bekend in de oren klinkt, ‘Tchoch yachtchi’ (dat is goed), en gaat weg.

De vijfde. Een oude vrouw verschijnt met een Russische muts. Ze komt op en spreekt me in het Russisch aan en noemt me bij de troetelnaam die ze in mijn kindertijd gebruikte. Ik herken een bediende van mijn familie, een kindermeisje van mijn zuster.

De zesde. Vervolgens verschijnt een grote sterke neger op het toneel. Zijn hoofd is versierd met een fantastische coiffure, zoiets als horens, die omwonden zijn met wit en goud. Zijn gezicht komt me bekend voor, maar ik herinner me niet meteen waar ik hem gezien heb. Kort daarop begint hij enkele levendige gebaren te maken, en zijn mimiek helpt me om hem met één oogopslag te herkennen. Het is een bezweerder uit Centraal-Afrika. Hij grijnst en verdwijnt.

De zevende en laatste. Een grote man met grijs haar komt tevoorschijn, gekleed in een formeel zwart kostuum. De Russische decoratie van de heilige Anna hangt aan een breed rood moiré lint met twee zwarte strepen – een lint dat, zoals iedere Rus weet, bij de genoemde decoratie hoort. Dit lint wordt om de hals gedragen. Ik val bijna flauw, want ik denk mijn vader te herkennen. Maar mijn vader was aanmerkelijk groter. In mijn opwinding spreek ik hem in het Engels aan en vraag: ‘Bent u mijn vader?’ Hij schudt zijn hoofd ontkennend, en antwoordt even duidelijk als een sterveling in het Russisch: ‘Nee, ik ben je oom’. Het woord ‘diadia’ wordt door alle aanwezigen gehoord en onthouden. Het betekent ‘oom’.

Maar wat zou dat? Dr. Beard weet dat het slechts armzalig bedrog is, en we moeten in stilte daarvoor zwichten. Mensen die mij kennen weten dat ik verre van lichtgelovig ben. Al ben ik al verschillende jaren spiritist1, ik ben sceptischer om getuigenissen van betaalde mediums te aanvaarden dan veel ongelovigen. Maar wanneer ik zulke getuigenissen krijg als bij de Eddy’s, ben ik aan mijn eer verplicht, want anders zou ik moeten erkennen een morele lafaard te zijn, om de mediums en ook de duizenden broeder- en zusterspiritisten te verdedigen tegen de verwaandheid en laster van iemand die niets en niemand heeft om hem in zijn beweringen te steunen. Tot slot, ik daag dr. Beard hierbij openlijk uit voor een bedrag van $500 om voor publiek en onder dezelfde omstandigheden de manifestaties, waarvan hier getuigenis is afgelegd, voort te brengen of, indien hij daarin niet slaagt, de beschamende gevolgen van zijn zogenaamde ontmaskering te dragen.

H.P. Blavatsky
124 East Sixteenth Street, 27 oktober

 

1. Noot vert.: In het plakboek van HPB (deel 1, blz. 5) waarin ze het krantenknipsel van dit artikel bewaarde, had ze het woord ‘spiritist’ doorgestreept en vervangen door ‘occultist’. Er zijn 24 plakboeken van HPB die bewaard worden in het archief van de Theosophical Society, Adyar, Madras, India.

 


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 1: 1874 – 1882, blz. 5-9

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag