H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen
Deel 1: 1874 – 1882

isbn 9789491433122, paperback, eerste druk 2015, bestel boek

© 2015  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Apollonius van Tyana en Simon Magus

[‘Apollonius Tyaneus and Simon Magus’, The Theosophist, juni 1881, blz. 188-9; CW 3:174-5]

History of the Christian Religion to the Year Two Hundred door Charles B. Waite, am, aangekondigd en besproken in de Banner of Light (Boston), bevat gedeelten die betrekking hebben op de grote wonderdoener van de tweede eeuw n.Chr., Apollonius van Tyana, die in het Romeinse Rijk door niemand werd geëvenaard.

Het tijdvak waaraan in dit boek aandacht wordt geschonken is verdeeld in zes perioden; de tweede daarvan, 80 tot 120 n.Chr., omvat het ‘tijdperk van wonderen’ waarvan de geschiedenis interessant is voor spiritisten om de manifestaties van onzichtbare intelligenties in onze tijd te kunnen vergelijken met soortgelijke gebeurtenissen in de dagen die onmiddellijk volgden op de invoering van het christendom. Apollonius van Tyana was de meest opmerkelijke figuur van die periode, en was getuige van het bewind van een dozijn Romeinse keizers. Vóór zijn geboorte verscheen Proteus, een Egyptische god, aan zijn moeder en kondigde aan dat hij zou incarneren in het kind waarvan ze in verwachting was. Overeenkomstig de aanwijzingen die haar in een droom waren gegeven, ging ze naar een weiland om bloemen te verzamelen. Toen ze daar was, vormde een groep zwanen zich rondom haar, en terwijl ze met hun vleugels klapwiekten, zongen ze in koor. Terwijl ze daarmee bezig waren, en er een zachte westenwind waaide, werd Apollonius geboren.

Dit is een legende die in de dagen van weleer van iedere opmerkelijke figuur een ‘zoon van God’ maakte die op wonderbaarlijke wijze uit een maagd werd geboren. En wat volgt is geschiedenis.

In zijn jeugd vertoonde hij verbazingwekkende verstandelijke vermogens en persoonlijke schoonheid, en was het gelukkigst tijdens zijn gesprekken met de leerlingen van Plato, Chrysippus en Aristoteles. Hij at geen dierlijke producten maar leefde van vruchten en de voortbrengselen van de aarde. Hij was een enthousiaste bewonderaar en volgeling van Pythagoras, en als zodanig bewaarde hij vijf jaar lang het stilzwijgen. Overal waar hij kwam hervormde hij de religieuze eredienst en verrichtte wonderbaarlijke daden. Op feesten verbaasde hij de gasten door brood, vruchten, groenten en allerlei lekkernijen op zijn bevel te laten verschijnen. Standbeelden werden bezield met leven, en bronzen figuren kwamen van hun voetstuk en gingen fungeren en werken als bedienden. Door het uitoefenen van dezelfde kracht vond dematerialisatie plaats; gouden en zilveren vaten verdwenen, met hun inhoud, zelfs de bedienden verdwenen in een oogwenk uit het gezicht.

In Rome werd Apollonius beschuldigd van verraad. Tijdens het verhoor kwam de aanklager naar voren, ontvouwde zijn rol waarop de aanklacht was geschreven, en was verbaasd toen hij ontdekte dat deze blanco was.

Toen hij een begrafenisstoet tegenkwam, zei hij tegen de aanwezigen: ‘Zet de lijkbaar neer, en ik zal de tranen die jullie om haar storten laten opdrogen.’ Hij raakte de jonge vrouw aan, sprak een paar woorden, en de dode kwam tot leven. Toen hij in Smyrna was, heerste er in Efeze een epidemie, en hij werd daarheen geroepen. ‘De reis mag niet worden uitgesteld’, zei hij, en nauwelijks had hij die woorden gesproken of hij was in Efeze.

Toen hij bijna honderd was, werd hij voor de keizer in Rome gebracht en ervan beschuldigd een tovenaar te zijn. Hij werd in de gevangenis geworpen. Toen hij daar was, werd hem gevraagd wanneer hij weer vrij zou zijn. Hij antwoordde: ‘Morgen, als het van de rechter afhangt, ogenblikkelijk als het van mij afhangt.’ Terwijl hij dit zei, trok hij zijn been uit de boeien, en sprak: ‘Je ziet de vrijheid waarover ik beschik.’ Daarna deed hij het terug in de boeien.

Op het tribunaal werd hem gevraagd: ‘Waarom noemen mensen u een god?’

‘Omdat’, zei hij, ‘ieder mens die goed is recht heeft op die benaming.’

‘Hoe kon je de epidemie in Efeze voorspellen?’

Hij antwoordde: ‘Door op een lichter dieet te leven dan andere mensen.’

Uit zijn antwoorden op deze en andere vragen van zijn aanklagers sprak zo’n kracht dat de keizer er sterk door werd geraakt, en hem vrijsprak van de aanklacht, maar zei dat hij hem zou vasthouden om een persoonlijk gesprek met hem te voeren. Hij antwoordde: ‘U kunt mijn lichaam vasthouden, maar niet mijn ziel, en ik zal eraan toevoegen, zelfs niet mijn lichaam.’ Na deze woorden te hebben gesproken verdween hij van het tribunaal, en ontmoette diezelfde dag zijn vrienden in Puteoli, op drie dagen reizen van Rome.

Uit de geschriften van Apollonius blijkt dat hij een geleerde was, met een volmaakte kennis van de menselijke natuur, vervuld van edele gevoelens en de beginselen van een diepzinnige filosofie. In een brief aan Valerius zegt hij:

‘Er is geen dood van iets behalve in schijn, en dus ook geen geboorte van iets behalve in schijn. Dat wat van de essentie overgaat in de natuur lijkt de geboorte te zijn, en dat wat van de natuur overgaat in de essentie lijkt de dood te zijn; maar er is niets dat werkelijk ontstaat, en ook niets dat ooit vergaat; maar het ene moment wordt het slechts zichtbaar, en dan verdwijnt het weer. Het verschijnt op grond van de dichtheid van de stof, en verdwijnt op grond van de ijlheid van de essentie, maar het is altijd hetzelfde en verschilt slechts wat betreft beweging en toestand.’

De grootste eer werd Apollonius bewezen door keizer Titus. Nadat de filosoof hem kort na zijn troonsbestijging had geschreven en adviseerde om met gematigdheid te regeren, antwoordde Titus:

‘In mijn eigen naam en in de naam van mijn land dank ik u, en ik zal die dingen in gedachte houden. Ik heb Jeruzalem ingenomen, maar u heeft mijn ziel veroverd.’

In de tweede eeuw, en nog honderden jaren daarna, geloofden zowel christenen als anderen op grote schaal in de verbazingwekkende dingen die Apollonius heeft gedaan, en deze werden als wonderen beschouwd; de oorsprong en de voortbrengende oorzaak daarvan worden door het moderne spiritisme duidelijk onthuld. Simon Magus was een andere prominente wonderdoener van de tweede eeuw, en niemand ontkende zijn macht. Zelfs christenen waren gedwongen te erkennen dat hij wonderen verrichtte. Er wordt op hem gedoeld in de Handelingen van de Apostelen, 8:9-10. Zijn roem was wereldwijd, hij had volgelingen in elk land, en in Rome werd ter ere van hem een standbeeld opgericht. Hij hield regelmatig een tweekamp met Petrus, wat we tegenwoordig een wedstrijd in wonderen zouden noemen, om te bepalen wie over de grootste vermogens beschikte. In Handelingen van Petrus en Paulus staat dat Simon een koperen slang liet bewegen, stenen standbeelden liet lachen, en zich in de lucht verhief, waaraan wordt toegevoegd ‘dat Petrus, op zijn beurt, door een woord de zieken genas, de blinden liet zien, etc.’ Toen Simon bij Nero werd gebracht, veranderde zijn gedaante: opeens werd hij een kind, en daarna een oude man; op andere momenten een jongeman. ‘En toen Nero dit zag, dacht hij dat Simon de Zoon van God was.’

In Erkenningen, een petrinisch werk uit de eerste eeuwen, wordt een verslag gegeven van een openbaar gesprek tussen Petrus en Simon Magus, dat in dit boek is opgenomen.

Verslagen van veel andere wonderdoeners worden gegeven, waaruit heel duidelijk blijkt dat de kracht waarmee ze werden verricht, niet beperkt bleef tot één of een aantal personen, zoals de christelijke wereld ons vertelt, maar dat toen, evenals nu, veel mensen over mediamieke gaven beschikten. Uitspraken van schrijvers uit de eerste twee eeuwen over wat er heeft plaatsgevonden, zullen zelfs in deze tijd van wonderen voor goedgelovige mensen moeilijk te geloven zijn. Veel van deze verslagen zijn misschien sterk overdreven, maar het is onredelijk om te veronderstellen dat ze allemaal pure verzinsels zijn, die geen enkele kern van waarheid bevatten; zeker niet na de onthullingen aan de mens sinds de komst van het moderne spiritisme. Men kan zich enig idee vormen van de grondigheid waarmee elk onderwerp in dit boek wordt behandeld, wanneer we verklaren dat er in de index 213 verwijzingen zijn naar passages die betrekking hebben op ‘Jezus Christus’. Hieruit kan men ook met recht concluderen dat wat er wordt gegeven van grote waarde moet zijn voor iemand die informatie zoekt om te kunnen bepalen of Jezus ‘mens, mythe of God’ was. ‘De oorsprong en geschiedenis van de christelijke leringen’ en ook ‘De oorsprong van de kerk van Rome en het vestigen van haar gezag over andere kerken’ worden volledig beschreven, en veel licht wordt geworpen op vele duistere en betwiste zaken. Kortom, het is voor ons onmogelijk, binnen de beperkte ruimte die voor dit artikel beschikbaar is, om volledig recht te doen aan dit zeer leerzame boek; maar we denken dat er genoeg is gezegd om onze lezers ervan te overtuigen dat het meer dan de gebruikelijke belangstelling verdient, en een aantrekkelijke aanwinst is voor de literatuur van deze vooruitstrevende tijd.

Sommige schrijvers hebben geprobeerd om Apollonius als een legendarische figuur af te schilderen, terwijl vrome christenen hem een bedrieger blijven noemen. Indien het bestaan van Jezus van Nazareth door de geschiedenis even goed werd bevestigd en hij bij de klassieke schrijvers maar half zo bekend was geweest als Apollonius, dan zou geen scepticus nu kunnen betwijfelen dat er zo iemand als de zoon van Maria en Jozef heeft bestaan. Apollonius van Tyana was de vriend en correspondent van een Romeinse keizerin en van verschillende keizers, terwijl van Jezus niet méér op de bladzijden van de geschiedenis overbleef dan wanneer zijn leven op woestijnzand was geschreven. Zijn brief aan Abgarus, de vorst van Edessa, waarvan de authenticiteit alleen door Eusebius1 – de baron Von Münchhausen in de hiërarchie van de kerkvaders – wordt bevestigd, wordt in A View of the Evidences of Christianity ‘een poging tot vervalsing’ genoemd, zelfs door Paley die door zijn rotsvaste geloof de meest ongelooflijke verhalen aanvaardt. Apollonius is dus een historisch persoon, terwijl zelfs veel apostelen, wanneer ze aan de kritische blik van de historicus worden onderworpen, beginnen te flikkeren, en velen van hen verbleken en verdwijnen als dwaallichtjes, of ignis fatuus.

1. Kerkgeschiedenis, 1:13.

 


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 1: 1874 – 1882, blz. 381-5

© 2015  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag