Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

De heilige kumbum-boom

[‘The sacred tree of Kumbum’, The Theosophist, maart 1883, blz. 130-1; CW 4:347-51]

Twee moedige lazaristen-missionarissen, die verbonden waren aan de rooms-katholieke missie in Peking, begonnen 37 jaar geleden aan de hopeloze onderneming om door te dringen tot in Lhasa en het christendom te prediken onder de onwetende boeddhisten. Hun namen waren Huc en Gabet; het verhaal van hun reizen toont aan dat ze extreem moedig en enthousiast zijn geweest. Dit heel interessante boek over hun reizen verscheen meer dan 30 jaar geleden in Parijs, en is sindsdien al twee keer in het Engels vertaald en volgens ons ook in andere talen. We houden ons nu niet bezig met de waarde van het boek in het algemeen, maar beperken ons tot dat gedeelte van de Amerikaanse uitgave waar de schrijver, Huc, de prachtige ‘boom met de tienduizend afbeeldingen’ beschrijft die ze zagen in het lamaklooster van Kumbum, of Kounboum, zoals ze het spellen. Huc vertelt ons dat de Tibetaanse legende verklaart dat toen de moeder van Tsongkhapa, de beroemde boeddhistische hervormer, hem bestemde voor het religieuze leven, en volgens gewoonte ‘zijn haar afsneed en het weggooide, daaruit een boom groeide die op elk van zijn bladeren een Tibetaans schriftteken droeg’.1 In de vertaling van Hazlitt staat een meer letterlijke (hoewel nog altijd niet exacte) weergave van het origineel, en daaruit citeren we de volgende interessante gegevens:

1. C.M. Huc, Recollections of a Journey through Tartary, Thibet, and China, vert. P. Sinnett, New York, 1852, deel 2, blz. 84.

Op elk van de bladeren stonden goed gevormde Tibetaanse schrifttekens, allemaal groen van kleur, sommige wat donkerder, sommige wat lichter dan het blad zelf. Aanvankelijk verdachten we de lama’s van bedrog, maar na elk detail nauwkeurig te hebben onderzocht, konden we daarvan geen enkel spoor ontdekken. De schrifttekens leken allemaal deel uit te maken van het blad zelf, evenals de nerven; de tekens stonden niet op alle bladeren op dezelfde plaats; op één blad stonden ze bovenaan, op een ander in het midden, op een derde onderaan of aan de zijkant; de jongere bladeren gaven de schrifttekens slechts in een gedeeltelijke toestand van vorming weer. De schors van de boom en zijn takken, die lijken op die van een plataan, zijn ook bedekt met deze tekens. Als u een stuk van de oude schors verwijdert, dan vertoont de jonge bast daaronder de vage contouren van tekens in een ontkiemende staat, en wat heel eigenaardig is, deze nieuwe schrifttekens zijn niet zelden verschillend van die welke ze vervangen. . . .

De boom met de tienduizend afbeeldingen leek ons heel oud. Zijn stam, die drie mensen met uitgestrekte armen nauwelijks konden omvatten is niet meer dan 2,5 m hoog; de takken schieten niet omhoog maar spreiden zich uit in de vorm van een pluim van veren en zijn heel borstelig; sommige ervan zijn dood. De bladeren zijn altijd groen, en het roodachtige hout heeft een heerlijke geur, zo ongeveer als kaneel. De lama’s vertelden ons dat in de zomer, tegen de tijd van de achtste volle maan, de boom grote rode bloemen draagt die bijzonder mooi zijn.1

1. C.M. Huc, Travels in Tartary, Thibet, and China, vert. W. Hazlitt, Londen, 3de ed., 1856, blz. 324-6.

Abbé Huc zelf omschrijft het bewijsmateriaal met veel meer gloed. ‘Deze schrifttekens’, zegt hij, ‘zijn in hun soort zo volmaakt dat de lettergieterijen van Didot niets bevatten om ze te overtreffen.’ Laat de lezer dit onthouden, omdat we reden hebben om erop terug te komen. En hij zag op – of beter gezegd in – de bladeren niet alleen schrifttekens maar ‘religieuze volzinnen’, gedrukt door de natuur zelf op het chlorofyl, de zetmeelrijke cellen en houtachtige vezels! Bladeren, twijgen, takken, stam – ze droegen allemaal die prachtige geschriften op hun oppervlak, aan de buiten- en de binnenkant, laag op laag, en geen twee op elkaar liggende tekens waren identiek. ‘Maar denk niet dat deze op elkaar liggende lagen dezelfde afdrukken herhalen. Nee, integendeel; want elke lamina die u optilt vertoont zijn eigen specifieke vorm. Hoe kunt u dan denken dat ermee geknoeid is? Ik heb mijn best gedaan om in die richting het geringste spoor van menselijk bedrog te ontdekken, en mijn verbijsterde geest kon geen enkele verdenking waarmaken.’ En wie zegt dat? Een toegewijde christelijke missionaris, die juist naar Tibet ging om te bewijzen dat het boeddhisme onwaar is en zijn eigen geloof waar, en die het geringste bewijs dat hij ter ondersteuning van zijn stelling de autochtone bevolking had kunnen voorhouden, gretig zou hebben aangegrepen. Hij zag en beschrijft andere wonderen in Tibet – die in de Amerikaanse editie zorgvuldig zijn weggelaten, maar die door een aantal van zijn fanatiek orthodoxe critici worden toegeschreven aan de duivel. In Isis ontsluierd zijn een aantal van deze wonderen beschreven en besproken, met name in deel 1, waar we hebben geprobeerd om aan te tonen dat ze overeenstemmen met de wetten van de natuur.

Het onderwerp van de kumbum-boom is ons in herinnering gebracht door een overzicht in Nature, deel 27, blz. 171, door A.H. Keane, over het door Kreitner zojuist gepubliceerde verslag van de expeditie naar Tibet onder leiding van graaf Szechenyi, een Hongaarse edelman, in 1877-80. Het gezelschap maakte een excursie vanuit Sining-fu naar het klooster van Kumbum ‘om het bijzondere verslag van Huc over de beroemde boom van Boeddha te controleren’. Ze vonden

geen afbeelding (van Boeddha) op de bladeren, noch schrifttekens, maar een ondeugende glimlach speelde rond de mondhoeken van de oudere priester die ons begeleidde. In antwoord op onze vragen vertelde hij ons dat de boom langgeleden echt bladeren met de afbeelding van Boeddha had voortgebracht, maar dat het wonder nu een zeldzame gebeurtenis was. Slechts enkele door God begunstigde mensen hadden het voorrecht om zulke bladeren te ontdekken.

Dit zegt genoeg over deze getuige: een boeddhistische priester, van wie de religie onderwijst dat er geen mensen worden bevoorrecht door een God, dat er geen wezen bestaat zoals een God die gunsten verleent, en dat ieder mens oogst wat hij gezaaid heeft, niets meer en niets minder – die men zulke onzin laat zeggen: dit laat zien wat het getuigenis van deze onderzoeker waard is voor zijn geliefde sceptische wetenschap! Maar het lijkt erop dat zelfs de ondeugend lachende priester hen vertelde dat goede mensen de wonderbaarlijke schrifttekens op bladeren kunnen zien en in feite zien, en dus maakt Kreitner onbewust het verhaal van abbé Huc meer waarschijnlijk in plaats van minder.

Zelfs als we de waarheid van het verhaal niet persoonlijk hadden kunnen verifiëren, dan moeten we toch erkennen dat het heel waarschijnlijk is dat het verhaal klopt, omdat de bladeren van de kumbum-boom door pelgrims naar alle uithoeken van het Chinese rijk zijn meegenomen (zelfs Kreitner geeft dit toe), en als het hier om bedrog zou gaan, zou dat genadeloos door de vele Chinese tegenstanders van het boeddhisme aan het licht zijn gebracht. Bovendien biedt de natuur veel bevestigende analogieën. Op bepaalde schelpen uit de Rode Zee (?) zouden de letters van het Hebreeuwse alfabet zijn afgedrukt, op bepaalde sprinkhanen zouden bepaalde letters van het Engelse alfabet te zien zijn, en in The Theosophist, deel 2, blz. 91, heeft een Engelse correspondent uit Licht mehr Licht een verslag van Scheffer vertaald, over enkele Duitse vlinders (Vanissa Atalanta) waarop heel duidelijk de cijfers van het jaar 1881 staan. De vitrines van onze moderne entomologen wemelen ook van de exemplaren die laten zien dat de natuur bij dieren voortdurend voorbeelden van de vreemdste mimicry van vormen uit het plantenrijk voortbrengt – bijvoorbeeld rupsen die eruit zien als boomschors, mossen en dode takken, insecten die niet kunnen worden onderscheiden van groene bladeren, enz. Zelfs de strepen van de tijger zijn een mimicry van de stengels van de junglegrassen waarin hij zich schuilhoudt. Al deze verschillende gevallen steunen de waarschijnlijkheid van het verhaal van Huc over de kumbum-boom, omdat ze aantonen dat het heel goed mogelijk is dat de natuur zelf, zonder een wonder, plantengroei voortbrengt in de vorm van leesbare letters.

Dit is ook de mening van een andere correspondent van Nature, W.T. Thiselton Dyer, die, in het nummer van 4 januari van dat degelijke tijdschrift, na het opsommen van het bewijsmateriaal tot de conclusie komt dat ‘er in de tijd van Huc werkelijk een boom met tekens op de bladeren bestond, die in de verbeelding van de vromen op Tibetaanse schrifttekens leken’. Hoezo vromen? Hij moet niet vergeten dat we het getuigenis hebben, niet van enkele vrome en goedgelovige Tibetaanse boeddhisten, maar van een gezworen vijand van dat geloof, Huc, die naar Kumbum ging om het bedrog aan het licht te brengen, die ‘in die richting zijn best heeft gedaan om het geringste spoor van menselijk bedrog te ontdekken’, maar wiens ‘verbijsterde geest geen enkele verdenking kon waarmaken’. Dus tenzij Kreitner en Dyer het motief van de oprechte abbé kunnen aangeven om te liegen ten nadele van zijn eigen religie, moeten we hem beschouwen als een onberispelijke en belangrijke getuige.

De boom met schrifttekens van Tibet is een feit; en bovendien staan de inscripties op de bladcellen en vezels in senzar, of de heilige taal die door de adepten wordt gebruikt, en in hun totaliteit omvatten ze de hele dharma van het boeddhisme en de wereldgeschiedenis. Dat de overeenkomst met werkelijke alfabetische schrifttekens denkbeeldig zou zijn, wordt door de erkenning van Huc dat ze zo prachtig volmaakt zijn ‘dat de lettergieterijen van Didot (een beroemd grafisch bedrijf in Parijs) niets bevatten om ze te overtreffen’, volledig uitgesloten. En wat Kreitners bewering betreft dat de boom tot de seringen behoort, Hucs beschrijving van de kleur en de kaneelachtige geur van het hout, en de vorm van de bladeren, laten zien dat dit onmogelijk is. Misschien kende die ondeugende oude monnik het veel voorkomende mesmerisme en heeft hij graaf Szechenyi’s gezelschap ‘gebiologeerd’ zodat ze zagen en niet zagen wat hij wilde, zoals wijlen prof. Bushell zijn Indiase proefpersonen deed denken dat ze zagen wat hij wilde dat ze zouden zien. Af en toe ontmoet men zulke ‘grappenmakers’.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 94-8
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag