Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Vraag 1

Verwerpen de adepten de neveltheorie?

[‘Question 1: Do the adepts deny the nebular theory?’, The Theosophist, september 1883, blz. 298-9; CW 5:150-5]

Nee; ze verwerpen haar algemene stellingen niet, en ontkennen ook niet dat de wetenschappelijke hypothesen de waarheid benaderen. Ze ontkennen alleen dat de huidige theorieën volledig zijn, en ze ontkennen ook dat de vele oude ‘verworpen’ theorieën die elkaar deze eeuw zo snel hebben opgevolgd, volkomen onjuist zijn.

Terwijl ze bijvoorbeeld met Laplace, Herschel en anderen ontkennen dat de veranderlijke lichtvlekken die tegen de nevelachtige achtergrond van de melkweg zijn waargenomen in geen geval tot verafgelegen werelden in wording behoren, en het met de moderne wetenschap eens zijn dat ze niet veroorzaakt worden door een verzameling vormloze stof, maar eenvoudig tot reeds gevormde ‘sterren’-hopen behoren, voegen ze niettemin eraan toe dat veel van zulke hopen, die volgens de astrofysici reeds ontwikkelde sterren en werelden zijn, in werkelijkheid slechts verzamelingen zijn van de verschillende materialen die gereed worden gemaakt voor toekomstige werelden. Deze schijnbaar volwassen werelden zijn als bakstenen van verschillende kwaliteit, vorm en kleur, die niet langer vormloze klei zijn, maar geschikte eenheden voor een toekomstige muur en elk moet een duidelijk eraan toegewezen plaats in het een of andere nieuwe gebouw innemen. De astronoom bezit geen middelen om hun betrekkelijke jonge leeftijd in te zien, behalve misschien door onderscheid te maken tussen de sterrenhopen met de gebruikelijke rondgaande beweging en onderlinge zwaartekracht, en die welke onregelmatige sterrenhopen worden genoemd en een heel grillig en veranderlijk uiterlijk hebben. Ze lijken willekeurig te zijn bijeengebracht en de wet van de symmetrie geweld aan te doen, waardoor ze elke observatie tarten, zoals de 5 M. Lyrae, 52 M. Cephei, Halter en enkele andere.

Voordat men dit nadrukkelijk probeert te weerspreken, of misschien gaat bespotten, zou het niet verkeerd zijn om de aard en het wezen vast te stellen van die andere ‘tijdelijke’ sterren, waarvan de periodiciteit, hoewel ze nooit werkelijk werd bewezen, tot nu toe niet in twijfel wordt getrokken. Wat zijn deze sterren die plotseling verschijnen in weergaloze luister en pracht, en even mysterieus als onverwacht verdwijnen zonder een spoor achter te laten? Waar komen ze vandaan? Waarheen verdwijnen ze? In de grote kosmische diepte – zeggen we. De schitterende ‘baksteen’ wordt gegrepen door de hand van de metselaar die door die universele architect wordt geleid, en die slechts vernietigt om weer op te bouwen. Ze heeft haar plaats in het kosmische bouwwerk gevonden en zal haar taak tot het laatste manvantarische uur volbrengen.

Een ander punt dat de ‘adepten’ nadrukkelijk ontkennen, is dat er in de hele zichtbare hemel ruimten bestaan zonder sterrenwerelden. Er zijn sterren, werelden en stelsels binnen zowel als buiten de voor de mens zichtbaar gemaakte stelsels, en zelfs binnen onze eigen atmosfeer, voor zover de natuurkundige weet. De ‘adept’ stelt in dit verband vast dat de orthodoxe, of zogenaamd officiële, wetenschap heel vaak het woord ‘oneindigheid’ gebruikt zonder er voldoende belang aan te hechten; veeleer als beeldspraak dan als een term die een ontzagwekkende en heel mysterieuze werkelijkheid aanduidt.

Wanneer astronomen in hun rapporten spreken over het ‘peilen van de oneindigheid’, is zelfs de meest intuïtieve onder hen maar al te vaak geneigd te vergeten dat hij slechts de buitenste lagen van een klein gebied en zijn zichtbare diepten peilt, en erover spreekt alsof ze niet meer dan de kubieke inhoud van een bekende grootheid zijn. Dit is het rechtstreekse resultaat van de huidige opvatting over een driedimensionale ruimte. Binnenkort zal een vierdimensionale wereld aan de beurt zijn, maar het raadsel van de wetenschap zal altijd blijven bestaan, tot haar denkbeelden zich uitstrekken tot de natuurlijke dimensies van de zichtbare en onzichtbare ruimte – in haar zevenvoudige volledigheid.

‘Het oneindige en het absolute zijn slechts benamingen voor twee tegengestelde dwaasheden van het menselijk (niet-ingewijde) denken’; en deze te beschouwen als de getransformeerde ‘eigenschappen van de natuur – van twee in objectieve bevestigende termen omgezette subjectieve ontkennende termen’, zoals Sir W. Hamilton het uitdrukt, betekent dat men niets weet over de oneindige mogelijkheden van de bevrijde menselijke geest, of van zijn eigenschappen, waarvan de voornaamste het vermogen is om buiten het gebied van onze aardse ervaring van stof en ruimte te treden. Zoals een absolute leegte hier beneden een onmogelijkheid is, evenzo is het een onmogelijkheid – boven. Maar onze moleculen, de hele kleine deeltjes van de leegte ‘beneden’, worden vervangen door het reuzenatoom van de oneindigheid ‘boven’.

Als de vierdimensionale opvatting van de ruimte wordt aangetoond, kan dit leiden tot de uitvinding van nieuwe instrumenten voor het onderzoek van de uiterst dichte stof die ons omringt zoals een balletje pek bijvoorbeeld een vlieg zou kunnen omhullen, maar die we, omdat we niet al haar eigenschappen kennen – behalve die welke ze op onze aarde heeft – niettemin de heldere, de serene en de transparante atmosfeer noemen. Dit is niet slechts een handige manier van redeneren, maar eenvoudig occulte fysica, die nooit ‘substantie’ met ‘krachtcentra’ kan verwarren, om de terminologie van een westerse wetenschap te gebruiken die onbekend is met maya. Binnen minder dan een eeuw zal de Royal Society, naast de telescopen, miscroscopen, micrografen en telefoons, een prijs moeten uitloven voor zo’n etheroscoop.

In verband met de nu behandelde vraag is het ook nodig dat ‘een Engels lid van de TS’ weet dat ‘adepten’ van de Goede Wet de zwaartekracht verwerpen zoals deze nu wordt verklaard. Ze ontkennen dat de zogenaamde ‘impact-theorie’ de enig houdbare is in de hypothese over de zwaartekracht. Ze zeggen dat wanneer tot dusver alle door de natuurkundigen ondernomen pogingen om haar met de ether in verband te brengen, om de elektrische en magnetische werking op afstand te verklaren, volledig mislukt zijn, dit opnieuw komt omdat de mensheid niets weet over de primaire toestanden van de stof in de natuur en vooral niet over de werkelijke aard van de zonnestof. Omdat ze slechts geloven in de wet van de onderlinge elektromagnetische aantrekking en afstoting, zijn ze het eens met hen die tot de conclusie zijn gekomen dat ‘universele zwaartekracht een zwakke kracht is’ en niet eens een klein deel van de bewegingsverschijnselen kan verklaren.

In ditzelfde verband zien ze zich gedwongen erop te wijzen dat de wetenschap wel eens ongelijk kan hebben met haar onzorgvuldige veronderstelling van een middelpuntvliedende kracht, die noch een algemene, noch een consequente wet is. Om maar één voorbeeld te noemen: deze kracht kan de afgeplatte bolvorm van bepaalde planeten niet verklaren, want wanneer het uitstulpen van planetaire equators en het verkorten van hun poolassen, in plaats van alleen maar het resultaat te zijn van de machtige invloed van de elektromagnetische aantrekking van de zon, moeten worden toegeschreven aan de middelpuntvliedende kracht die ‘in evenwicht wordt gehouden door een concentrische correctie van de eigen zwaartekracht van elke planeet, die door de draaiing om haar as wordt verkregen’ – om de uitdrukkingswijze van de astronoom te gebruiken (die, al is ze noch erg duidelijk noch juist, toch kan dienen om de vele gebreken in het stelsel aan te tonen) – waarom is het dan zo moeilijk om een antwoord te vinden op het bezwaar dat de verschillen in omwentelingssnelheid aan de evenaar en de dichtheid van verschillende planeten lijnrecht in strijd zijn met deze theorie? Hoe lang zullen we zelfs grote wiskundigen de misvattingen nog zien steunen, die een duidelijke leemte moeten aanvullen!

De ‘adepten’ hebben nooit aanspraak gemaakt op hogere, of zelfs maar enige, kennis van de westerse astronomie en andere wetenschappen. Toch constateren ze, wanneer ze zich tot zelfs de meest elementaire leerboeken wenden die op scholen in India worden gebruikt, dat de middelpuntvliedende theorie van westerse oorsprong – niet alles kan verklaren. Dat deze zonder hulp geen verklaring kan geven voor het ontstaan van elke bol die is afgeplat aan de polen, en ook niet de duidelijk blijkende problemen kan verklaren, zoals de relatieve dichtheid van sommige planeten. Hoe kan een berekening van de middelpuntvliedende kracht verklaren waarom bijvoorbeeld Mercurius, waarvan de omwentelingssnelheid maar ‘ongeveer een derde van die van de aarde’ en ‘de dichtheid slechts ongeveer een vierde groter dan die van de aarde’ zou zijn, een afplatting aan de polen zou hebben die meer dan tien keer zo groot is als die van de aarde? En waarom Jupiter, waarvan de omwentelingssnelheid aan de evenaar ‘27 keer zo groot zou zijn als, en de dichtheid slechts ongeveer een vijfde van, die van de aarde’, een polaire afplatting zou hebben die 17 keer zo groot is als die van de aarde? Of waarom Saturnus, waar de middelpuntzoekende kracht moet worstelen met een snelheid aan de evenaar die 55 keer zo groot is als die van Mercurius, een polaire afplatting zou hebben die maar drie keer zo groot is als die van Mercurius?

Als kroon op de bovengenoemde tegenstrijdigheden vraagt men ons te geloven in de centrale krachten, zoals de wetenschap die leert, zelfs wanneer bekend is dat de stof aan de evenaar van de zon, met een snelheid aan de evenaar die meer dan vier keer zo groot is als die van de aarde, en met slechts ongeveer een vierde van de zwaartekracht van de stof aan de evenaar van de aarde, geen enkele neiging heeft vertoond om aan de zonne-evenaar uit te stulpen en ook niet de minste afplatting van de polen van de zon laat zien. Met andere en duidelijker woorden, de zon, waar de middelpuntvliedende kracht inwerkt op stof met maar een vierde van de dichtheid van de aarde, heeft helemaal geen polaire afplatting! Dit bezwaar wordt door meer dan één astronoom gemaakt, maar is, zover de ‘adepten’ weten, nooit door een bevredigende verklaring weggenomen.

Daarom beweren ze dat de grote wetenschappers van het Westen – die niets of bijna niets weten over komeetstof, middelpuntvliedende of middelpuntzoekende krachten, de aard van de nevelvlekken of de fysieke samenstelling van de zon, de sterren of zelfs van de maan – onvoorzichtig zijn door zo zelfverzekerd te spreken over de ‘centrale massa van de zon’, die planeten, kometen en wat al niet de ruimte in slingert. Omdat onze mening wordt gevraagd, zeggen we: dat hij alleen het levensbeginsel ontwikkelt, de ziel van deze lichamen, en dat hij dit in ons kleine zonnestelsel schenkt en terugontvangt, als de ‘universele levenschenker’, het ene leven dat leven geeft en ontvangt in de oneindigheid en eeuwigheid; dat het zonnestelsel evenzeer de microkosmos van de ene macrokosmos is, als de mens de microkosmos is vergeleken met zijn eigen kleine zonnekosmos.

zonnevlekken

Zon met zonnevlekken. © 2012, NASA/SDO.

Welke bewijzen heeft de wetenschap? De zonnevlekken (een onjuiste benaming zoals zoveel andere)? Maar ze leveren niet méér bewijs voor de vastheid van de ‘centrale massa’ dan de stormwolken aantonen dat de atmosfeer daarachter een vaste massa is. Komt het door het ongelijkmatige oppervlak van het zonnelichaam met zijn schijnbare lichtgevende aspecten, dat dat lichaam ‘een vaste massa, een donkere sfeer van stof’ schijnt te zijn, ‘opgesloten in een vurige gevangenis, een kleed van de felste vlammen?’ Wij zeggen dat zich daarachter inderdaad een ‘gevangene’ bevindt, maar die tot nu toe nooit door enig fysiek, sterfelijk oog is waargenomen: wat we van hem mogen zien is slechts een gigantische weerspiegeling, een illusoir droombeeld van ‘een soort zonne-aanhangsels’, zoals Proctor het eerlijk noemt. Voordat we hierover meer zeggen, zullen we eerst de volgende vraag behandelen:


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 221-6
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag