Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Vraag 5

Over de mineraalmonade

[‘Question 5: About the mineral monad’, The Theosophist, september 1883, blz. 303-4; CW 5:171-5]

Elke Engelse uitdrukking die het gegeven denkbeeld juist weergeeft, wordt ‘door de adepten goedgekeurd’. Waarom niet? De term ‘monade’ is zowel van toepassing op het in de mineralen sluimerende leven, als op het leven in planten en dieren. De monogenist maakt misschien bezwaar tegen de term en nog meer tegen het denkbeeld, terwijl de polygenist, tenzij hij een materialist is, dat niet doet. Wat de andere categorie van wetenschappers betreft, ze zouden zelfs bezwaar maken tegen het denkbeeld van een menselijke monade, en het ‘onwetenschappelijk’ noemen.

Welk verband heeft de monade met het atoom? Ze heeft geen enkel verband met het atoom of de molecule zoals de wetenschap die tegenwoordig opvat. De monade kan noch worden vergeleken met het micro-organisme dat ooit tot de polygastrische infusoriën werd gerekend, en nu als plantaardig wordt beschouwd en onder de algen wordt gerangschikt, noch is ze volledig dezelfde als de monas van de peripatetici. Fysiek, of in haar samenstelling, verschilt de mineraalmonade natuurlijk van de menselijke monade, die niet fysiek is en waarvan de samenstelling niet door scheikundige symbolen en elementen kan worden weergegeven. Kortom, er is maar één mineraalmonade, en de monaden van de mensen en hogere dieren zijn talloos. Hoe zou men anders de evolutionaire en spiraalsgewijze ontwikkeling van de vier natuurrijken wiskundig kunnen verklaren? – een probleem waar chela S.T.K.*** Chary goed op heeft gewezen.1

1. Zie The Theosophist, juni 1883, blz. 232-3.

De ‘monade’ is de synthese van de hoogste twee beginselen in de mens, het zesde en het zevende, en eigenlijk is de uitdrukking ‘menselijke monade’ alleen van toepassing op de spirituele ziel, en niet op haar hoogste, spirituele levenschenkende beginsel. Maar omdat de spirituele ziel niet los van laatstgenoemde zou kunnen bestaan, wordt ze zo genoemd. Het samenstel (zo’n woord schijnt nodig te zijn om het Europese begripsvermogen te helpen, maar zou een Aziaat schokken) van buddhi, of het zesde beginsel, omvat de essentie van wat u stof (of misschien een spiritueel krachtcentrum) in haar zesde en zevende toestand zou noemen; de bezielende atman maakt deel uit van het ene leven of parabrahman. In het mineralen-, het planten- en het dierenrijk verschilt de monadische essentie (als zo’n term is toegestaan) wat betreft haar ontwikkelingsstadium. Toch is die essentie door de hele reeks cyclussen heen dezelfde, van het laagste elementalenrijk tot het devarijk toe.

Het zou heel misleidend zijn om ons een monade voor te stellen als een afzonderlijke entiteit die langzaam haar weg vervolgt langs een duidelijk afgebakend pad door de lagere natuurrijken, om dan na ontelbare transmigraties tot bloei te komen in een mens; kortom dat de monade van een Humboldt teruggaat op de monade van een atoom hoornblende. In plaats van mineraalmonade te zeggen zou het in de natuurwetenschap, die onderscheid maakt tussen alle atomen, beter zijn om te spreken van de monade die zich manifesteert in die vorm van prakriti die we het mineralenrijk noemen. Elk atoom of elke molecule van de gangbare wetenschappelijke hypothese is niet een deeltje van iets dat door iets spiritueels wordt bezield en bestemd is om na eonen tot mens uit te groeien. Het is een concrete manifestatie van de universele energie die zelf nog niet geïndividualiseerd is; een reeks opeenvolgende manifestaties van de ene universele monas. De oceaan verdeelt zich pas in zijn potentiële en samenstellende druppels als de levensimpuls het evolutiestadium van de mens bereikt. De neiging om zich te scheiden in individuele monaden ontwikkelt zich geleidelijk en wordt in de hogere dieren bijna bereikt.

De peripatetici pasten het woord monas in pantheïstische zin toe op de hele kosmos. De occultisten, die deze gedachte voor het gemak overnemen, maken een onderscheid in de ontwikkelingsstadia van de evolutie van het abstracte naar het concrete, door middel van termen waarvan ‘mineraalmonade’ er één is. De term betekent alleen dat de golf van spirituele evolutie dat bepaalde segment van haar cyclus doorloopt. De ‘monadische essentie’ begint zich in het plantenrijk nauwelijks waarneembaar te differentiëren. Omdat de monaden niet samengesteld zijn, zoals Leibniz terecht stelde, worden ze in hun verschillende graden van differentiatie bezield door de spirituele essentie waaruit de monade in feite bestaat, en niet door de verzameling atomen die slechts het voertuig en de substantie is waarin de hogere en lagere graden van bewustzijn werken. Hoewel er nu onder die planten, waarvan bekend is dat ze gevoelig zijn, enkele zijn waaraan men die bewuste gewaarwording kan toeschrijven die door Leibniz apperceptie wordt genoemd, terwijl andere slechts voorzien zijn van die innerlijke activiteit die we zenuwwaarneming van planten noemen (het zou verkeerd zijn van gewaarwording te spreken), is zelfs de plantenmonade toch de monade in haar tweede graad van ontwakende bewustwording. Leibniz kwam verschillende keren dicht bij de waarheid, maar hij omschrijft de evolutie van de monade verkeerd, en maakt vaak grote fouten.

Er zijn zeven natuurrijken. De eerste groep omvat drie graden van elementalen, of krachtcentra in wording – vanaf het eerste stadium van differentiatie van mulaprakriti tot de derde graad ervan – d.w.z. van volkomen onbewustheid tot semi-gewaarwording. De tweede of hogere groep omvat de natuurrijken van plant tot mens. Het mineralenrijk vormt dus het middelste of keerpunt in de graden van de ‘monadische essentie’, als men deze beschouwt als een evoluerende energie. Drie stadia aan de elementalenkant; het mineralenrijk; drie stadia aan de objectieve fysieke kant – dit zijn de zeven schakels van de evolutieketen. Een neerdalen van de geest in de stof, dat overeenkomt met een opgang in de fysieke evolutie; een wederopstijgen uit de diepste diepten van stoffelijkheid (het mineraal) naar haar vroegere toestand, met een daarmee gepaard gaand verdwijnen van concrete organismen – omhoog naar nirvana, het punt waar gedifferentieerde stof verdwijnt. Misschien kan een eenvoudig schema ons helpen:

evolutiediagram

De lijn AD geeft de geleidelijke verduistering van de geest weer als hij zich wikkelt in vaste stof. Het punt D duidt op de ontwikkeling van het mineralenrijk van zijn aanvangspunt (d) naar zijn grootste verdichting (a). De punten a, b, c, aan de linkerkant van de figuur zijn de drie evolutiestadia van de elementalen, d.w.z. de drie opeenvolgende stadia die worden doorgemaakt door de impuls van de geest (door de elementalen, waarover niet veel mag worden gezegd), voordat deze gevangen raken in de dichtste vorm van stof. De punten c, b, a, aan de rechterkant zijn de drie stadia van organisch leven, planten, dieren en mensen. Wat volslagen verduistering is van de geest, is volmaaktheid van zijn tegenpool – de stof; deze gedachte wordt uitgedrukt door de lijnen AD en DA. De pijl geeft de loop aan van de evolutieimpuls die zich in zijn vortex stort en zich dan weer ontvouwt naar de subjectiviteit van het absolute. De dikste lijn in het midden, d d, stelt het mineralenrijk voor.

De monogenisten hebben hun tijd gehad. Zelfs zij die in een persoonlijke God geloven, zoals prof. Agassiz, leren nu: ‘Er is een duidelijke ontwikkeling in de opeenvolging van wezens op het aardoppervlak. De ontwikkeling bestaat uit een toenemende overeenkomst met de nu levende fauna, en, in het bijzonder onder de gewervelde dieren, uit een steeds grotere gelijkenis met de mens. . . . De mens is het eindpunt waarop de hele dierlijke schepping zich richtte sinds de eerste vissen uit het paleozoïcum verschenen.’1 De ‘mineraalmonade’ is geen sluimerende individualiteit, maar een allesdoordringende kracht die stof in haar laagste en meest verdichte aardse toestand als voertuig heeft. In de mens is de monade in potentie volledig ontwikkeld, en hetzij passief of volledig actief, overeenkomstig haar voertuig, de vijf lagere en meer fysieke menselijke beginselen. In het devarijk is ze volledig bevrijd en verkeert ze in haar hoogste toestand, maar één graad lager dan het ene universele leven.

1. Principles of Zoology, 1848, blz. 205-6.

[Hierna volgt het gedeeltelijke antwoord op vragen 6 en 8 over Boeddha en Sankaracharya. Die worden beantwoord door onze broeder T. Subba Row. – Red.]


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 243-6
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag