Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Nog een ‘orthodoxe’ vervolging!

[‘Another ‘orthodox’ prosecution!’, The Theosophist, april 1882, blz. 184-6; CW 4:71-6]

De Aziatische volkeren worden vaak ervan beschuldigd dat ze hardnekkig vasthouden aan hun oude gebruiken en gewoonten, en de minst vooruitstrevende mensen in de wereld zijn. Er wordt aangevoerd dat alleen door geleidelijke beschaving de nodige kracht wordt ontwikkeld om redeloze vooroordelen te vernietigen. Alleen onderwijs kan een volk dat weer opbloeit ervan overtuigen dat de wereld en alles daarin vooruit moet, omdat het volk anders bij zijn oude gebruiken en gewoonten in slaap zou vallen, door zijn buren zou worden voorbijgestreefd, en in haar bewegingloze toestand de stagnatiedood zou moeten sterven.

Dit alles en nog veel meer wordt gepredikt door de moralisten van Europa en Amerika. Terwijl de meeste pioniers van de vooruitgang, de pers en anderen, theoretisch die Duitse predikant imiteren die aan de parochianen zijn naïeve boodschap bracht en hen opdroeg ‘Doe wat ik zeg en niet wat ik doe’, laten ze – helaas voor het praktische welzijn van de mensheid – nooit na om degenen die het tweede deel van de wijze raad opvolgen op de vingers te tikken. Noch de wet, noch de ontwikkelde samenleving, noch de meerderheid van het volk, houdt ooit gelijke tred met de vooruitgang van de beschaving. In ieder geval niet in die mate dat ze de goede resultaten daarvan laten zien door het nut van een vernieuwing te bewijzen door haar praktische toepassingen. Oude en stoffige wetten laat men zonder herziening of verbetering voortbestaan; de fetisj aanbiddende samenleving wordt toegestaan en zelfs aangemoedigd om de strijd aan te binden met iedereen die haar onverbiddelijke oude afgoden, ‘publiek vooroordeel’ en ‘conventioneel fatsoen’ genaamd, negeert, terwijl het gewone volk, het plebs, waarvan de aangeboren eigenschap door de wet van het atavisme lijkt te zijn gemodelleerd naar die van hun voorouders de schapen, slaafs en blindelings haar leider – de meerderheid – volgt en elke vernieuwer die door de maatschappij wordt veroordeeld als een beeldenstormer van hun geliefde werkwijzen, uit zijn leven probeert te bannen.

Zulke gedachten komen vanzelfsprekend op bij iemand die het nieuws leest over een andere recente vervolging en berechting van een eerlijk en goed mens. Het slachtoffer is dit keer een van de meest gerespecteerde leden van onze Society: een echte broeder van de grote ‘Broederschap van de mensheid’ – Charles E. Taylor, MD, een bekende boekhandelaar en een heel succesvolle magnetiseur en homeopathische genezer uit St. Thomas, West-Indië.

Een paar jaar geleden werd dr. Henry Slade, een rustige onopvallende man, een echte gentleman in zijn manier van leven, en een eerlijke en oprechte spiritist, vervolgd, en hij ontsnapte ternauwernood aan gevangenisstraf met dwangarbeid, met als enige misdaad dat hij een schitterend medium was en omdat hij dit heel afdoende bewees aan iedereen die van plan was deze bewering zelf te onderzoeken. Een oude wet, die de zich ontwikkelende beschaving ruim een eeuw ongebruikt in het archief had laten verstoffen, de wet tegen waarzeggerij en handlijnkunde, werd uit zijn bergplaats gehaald tot grote schande van de Britse wetgeving, en werd gebruikt als wapen om het medium klein te krijgen. De wetgeving is maar al te vaak gebruikt als een gemakkelijke dekmantel waaronder de onverdraagzaamheid in al haar veelvormige gedaanten grinnikt en zich vrolijk maakt over haar triomf over de waarheid. In het geval van dr. Slade, was het het fanatisme van het dogmatische materialisme, onder het mom van de orthodoxe wetenschap, dat voor korte tijd de feiten had verslagen, en dr. Slade werd veroordeeld op grond van de bepalingen van die wijze oude wet.

Dit keer is het de onverdraagzaamheid van de professionele roofzucht, de jaloezie van een hebberige apotheker die triomfeert. In december jl. is onze broeder, Charles E. Taylor, veroordeeld door de rechtbank van St. Thomas, ‘wegens het toepassen van dierlijk magnetisme en het leveren van homeopathische geneesmiddelen’. Het is waar, hij heeft eerstgenoemde jarenlang gratis toegepast, en hij heeft honderden arme patiënten geholpen en genezen, aan wie de aanklager – al zouden ze voor de deur van de apotheek van de genoemde apotheker sterven – zijn allopathische medicijnen en pillen niet zou hebben gegeven zonder eerst daarvoor te zijn betaald, terwijl de beschuldigde aan rijk en arm zijn homeopathische geneesmiddelen kosteloos verstrekte. Bovendien bleek zijn behandeling, zoals wettelijk werd aangetoond, nooit schadelijk te zijn voor degenen die door hem werden behandeld.

Maar wat doet het er allemaal toe! De apotheker is een wettelijk bevoegde bloedzuiger van bloedende mensen en hun portemonnee, terwijl Taylor slechts een onzelfzuchtige praktische weldoener van zijn medemensen is. De apotheker verlicht zijn klanten van het gewicht van hun muntgeld, terwijl Taylor hen verlicht van hun pijn – al was het niet even wettig, het was in ieder geval doeltreffend. Maar de wetgeving moet gelegaliseerde roof toestaan, hoewel ze geen voorziening heeft getroffen om ‘orthodoxe’ artsen en apothekers te dwingen hun geld terug te betalen aan degenen die ze niet genezen, laat staan het leven terug te geven aan degenen die ze gelegaliseerd kunnen doden tijdens het uitoefenen van hun gelegaliseerde praktijk.

Aan de andere kant is ze, nadat ze eenmaal voorzieningen heeft getroffen voor de veiligheid van haar monopolisten, gedwongen beperkingen op te leggen aan al diegenen die hen in de weg staan. Zelfs als deze, zoals in het hier besproken geval, bewijzen dat ze het lijden van honderden en duizenden mensen hebben verlicht, meer dan één leven hebben gered dat dierbaar is voor vrienden en familie, en daarmee laatstgenoemden maanden- en jarenlange wrede mentale kwelling hebben bespaard. Dit alles heeft in de ogen van de alwijze wetgeving en het maatschappelijke vooroordeel natuurlijk geen enkele betekenis.

Christelijke wetgeving en christelijke verenigingen in hun overwegend christelijke landen kunnen in de 19de eeuw gemakkelijk vergeten dat de praktijk van genezing door ‘handoplegging’ en de ‘wonderen’ van het mesmerisme aan de basis liggen, en de hoekstenen vormen, van hun geloof – zoals dat in de eerste eeuw ontstond. Omdat de samenleving zich geoefend had en gewend was om zich te wentelen in het slijk van hypocrisie en valse voorwendselen, zou het nutteloos zijn om te proberen haar te laten toegeven dat, als er ook maar enige logica en consistentie in de wetten van haar respectieve landen zou zitten, zodra zo’n geneeswijze illegaal wordt verklaard, en mesmerische ‘wonderen’ slechts als geklets in de ruimte worden beschouwd, hun geloof, dat op zulke praktijken is gebaseerd, als eerste zou uiteenvallen, als een bouwwerk dat door witte mieren volledig wordt uitgehold.

Deze flagrante tegenstelling tussen het geloof dat ze belijden en hun bittere tegenstand, samen met een hardnekkig vooroordeel tegen die oude manier van genezen – en dus tegen spiritisme en theosofie – zoals blijkt in de christelijke samenleving en uit de christelijke wetgeving zijn het logische gevolg van 15 eeuwen huichelarij en hypocrisie.

Bedenk dat de maatschappij het hoogst fatsoenlijk vindt om in iets te geloven, en het theoretisch en in blind vertrouwen te aanvaarden, terwijl ze het bespot en verwerpt wanneer de praktische mogelijkheden ervan worden aangetoond; en dat de wetgeving die o.a. de staatsreligie moet beschermen en handhaven, niettemin de grootste minachting toont voor, en in feite ongeloof in, de werking van dat wat de basis vormt van de ‘wonderen’ die door hun Christus zouden zijn verricht – alleen al deze feiten zouden enorm lachwekkend zijn, als de dagelijkse gevolgen ervan niet zo droevig en dus pijnlijk voor de mensheid waren. De rake opmerking in een preek van Henry Ward Beecher, dat als Jezus zou terugkomen en zich in de straten van New York zou gedragen zoals hij dat deed in die van Jeruzalem, hij in een gevangenis zou worden opgesloten, en door het stadsbestuur zou worden gedwongen een vergunning voor goochelaar aan te vragen – is meer dan ooit van toepassing.

De wetgeving en de maatschappij met hun beschaving waarop ze zich beroemen, gaan elke dag meer ‘lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden’.1 De paradox dat we nu alleen onder de atheïsten, de materialisten en de ongelovige ketters mensen aantreffen die de christelijke ethiek in praktijk brengen, wordt al snel een onbetwistbare stelling. Zo maakt de schandelijke onverdraagzaamheid gesteund door de hand van de christelijke wetgeving opnieuw een slachtoffer.

1. Matth. 23:27.

‘Alleen allopaten, die tot een erkende universiteit behoren mogen op deze (West-Indische) eilanden hun praktijk uitoefenen’, schrijft Taylor ons. ‘Vroeger mocht zelfs een allopaat hier niet werken, tenzij hij voor een examen was geslaagd bij de Raad van Kopenhagen. De homeopathische eclectische of magnetiserende artsen mogen hier niet werken – zelfs niet als ze gediplomeerd zijn, als ik die term mag gebruiken; en de apotheker (de aanklager) verkoopt geen homeopathische geneesmiddelen. Zo wordt de oude fabel van de man die anderen egoïstisch weghoudt van iets dat voor hemzelf nutteloos is, herhaald . . . Ik ben hem niet onvriendelijk gezind, maar er zijn grenzen.’

Dit bewijst dat de wetten van Kopenhagen even zorgvuldig moeten worden herzien als die van bijna alle andere landen, en dat Denemarken, als het gelijke tred wil houden met de vooruitgang en beschaving, nieuwe wetten even hard nodig heeft als in de dagen van haar prins Hamlet. Zelfs Rusland schafte al in 1843 de wet af die homeopathische artsen verbiedt hun eigen medicijnen te bereiden. In bijna elke grote stad, over de hele wereld, zijn er homeopathische verenigingen. Alleen al in Europa waren er in 1850 al ruim 3000 praktiserende homeopaten, tweederde van hen woonde in Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië; en in elke grote stad zijn er tal van apotheken, ziekenhuizen en luxe sanatoria gespecialiseerd in deze behandelmethode, zelfs in Kopenhagen. Op dit moment vindt er een revolutie plaats in de wetenschap, als gevolg van de bewijzen die door de beroemde prof. Jaeger uit Stuttgart zijn gegeven van de wonderbaarlijke werking van infinitesimale homeopathische doses. Homeopathie is dicht bij het punt waar zal worden bewezen dat ze de meest krachtige geneeswijze is. Cijfers kunnen niet liegen. We wijzen de bekrompen conservatievelingen van St. Thomas op de nieuwe vinding van prof. Jaeger – een heel eminente fysioloog – namelijk het instrument dat chronoscoop wordt genoemd en door middel waarvan zijn neuroanalyses worden verricht.

In het beginstadium van elke nuttige innovatie, neemt door het succes ervan de vijandschap van de tegenstanders alleen maar toe. In 1813 werd, na de terugtrekking van de geallieerde legers, het aantal tyfuspatiënten in Leipzig zo groot dat het nodig was om ze over de artsen van die stad te verdelen. De 73 patiënten die aan dr. Hahnemann – de grondlegger van de homeopathische geneeswijze – waren toegewezen en door hem op die manier werden behandeld, herstelden allemaal op één na, een heel oude man, terwijl 80% van de patiënten onder de zorg van allopaten stierf. Om hun waardering voor de geleverde diensten te tonen, werd dr. Hahnemann door de autoriteiten – daartoe aangezet door de apothekers die samenspanden om eerstgenoemden zover te krijgen dat ze tegen hem een oude wet weer in gebruik namen – verbannen en gedwongen een toevlucht te zoeken in Köthen op het grondgebied van de hertog van Anhalt. Laten we hopen dat dr. C.E. Taylor ten slotte zijn beloning zal krijgen voor zijn onschatbare en belangeloze diensten, zoals dr. Hahnemann dat kreeg voor zijn werk. Want, na ruim 30 jaar het voorwerp te zijn geweest van onophoudelijke aanvallen door degenen van wie de geldelijke belangen zich verzetten tegen de filantropische innovatie – zoals onze moderne allopaten zich nu verzetten tegen zowel mesmerisme als homeopathie – leefde hij lang genoeg om te zien dat Leipzig boette voor haar zonden en de schade aan zijn reputatie herstelde door voor hem een standbeeld op te richten op een van de stadspleinen.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 19-23
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag