Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Een postume bezoeker

(Een verhaal over het tweede gezicht)

Gustave Zorn, lid van de TS

[‘Posthumous visitor’, The Theosophist, december-januari 1883-1884, blz. 64-6; CW 6:127-9]

Na in The Theosophist van afgelopen september het artikel ‘A story of thirty years ago’ te hebben gelezen, wil ik aan de lezer het verhaal voorleggen over een nogal vreemde gebeurtenis. Het werd me een tijdje geleden verteld door de dochter van de dame die ervan getuige was toen ze 15 jaar was, en die ik hier Mw. A–– zal noemen. Het tweede gezicht en andere paranormale vermogens schijnen in haar familie veel voor te komen, maar ik zal geen echte namen noemen, omdat de naaste familieleden van de betrokkenen nog in leven zijn en een hoge maatschappelijke positie hebben.

Mw. A––, toen een meisje van 15, was tijdens een schoolvakantie naar huis gekomen. Tegenover het huis van haar ouders stond dat van de familie van haar moeder, een oud geslacht dat toen in rechtstreekse lijn werd vertegenwoordigd door twee ongetrouwde broers. De oudste was voorbij de 40, en de jongere was ongeveer 20. Al enige tijd was het de oudere broer opgevallen dat er geregeld grote bedragen op mysterieuze wijze uit zijn geldkist verdwenen. Verschillende huisbedienden die hij van diefstal verdacht werden ontslagen, maar hij vertelde niemand waarom. Die maatregelen bleken echter niet te helpen, en er verdween nog steeds geld, net als tevoren. De jongste van de twee broers leidde een nogal losbandig leven, en liet zijn geld rollen. Maar omdat zijn oudere broer hem al het geld gaf waar hij om vroeg of dat hij nodig had, was er geen reden om de jongeman ervan te verdenken dat hij meer uitgaf dan hij toegaf, laat staan dat hij zijn toevlucht zou nemen tot oneervolle middelen om aan zijn uitspattingen te kunnen voldoen.

De ouders van Mw. A––, die een rustig en eervol leven leidden, wisten niets af van de verkwistingen van hun jonge familielid of ze waren niet bereid daarover te praten. Toen Mw. A–– thuis was, werd de jongere broer in een duel gedood, en werd volgens het gebruik in de pronkkamer opgebaard, die voor die gelegenheid van het plafond tot de vloer met rouwgordijnen was bedekt. Omdat de moeder van Mw. A–– het enige familielid van de twee broers was dat toen in de stad woonde, was het haar plicht het rouwhuis dagelijks te bezoeken. Mw. A––, die de wens had geuit om als afscheid een laatste bezoek aan haar overleden neef te brengen, werd op de dag voor de begrafenis daarheen gebracht. Omdat de moeder met de nog levende broer voor de volgende dag nog een aantal zaken moest regelen, werd het meisje in de rouwkamer kort alleen gelaten. Toen ze bij de dode man stond, raakte ze al snel in melancholieke gedachten verzonken.

Plotseling zag ze dat de gordijnen die over de deur naar het privévertrek van de overledene hingen, werden opgetild, en een oude heer die ze voor het eerst zag, kwam daaruit tevoorschijn met een boek onder zijn arm. Hij liep rustig en kalm alsof hij de heer des huizes was; de gedaante ging rechtstreeks naar de katafalk en stond aan de voet van de kist. Hij keek een tijdje ernstig naar de dode man, wierp een lange blik van zowel verwijt als minachting op hem, en zei toen met kalme en luide stem: ‘Moge je zonde je worden vergeven omwille van je moeder!’ Toen ging de oude heer naar het hoofdeinde van de kist – precies tegenover het meisje, een stille getuige van al zijn doen en laten – boog voorover en kuste het voorhoofd van de overledene. Al die tijd schonk hij heel weinig aandacht aan de verbijsterde toeschouwster, alsof ze er niet was, liep straal aan haar voorbij en ging naar de muur aan de andere kant van de kamer, waarvan de onderste helft betimmerd was (zoals in veel huizen van de Duitse aristocratie nog steeds het geval is). Hij drukte op een knop die verborgen was in het houtsnijwerk, en twee panelen schoven hoorbaar uiteen, waardoor een verborgen ruimte vol boeken en documenten zichtbaar werd. De oude heer pakte een potlood en schreef enige tijd op een bladzijde die uit het meegebrachte boek was gescheurd. Hij hield het boek met zijn linkerhand vast, onder het vel papier, terwijl hij met zijn rechterhand schreef; daarna plaatste hij het boek en het vel in de verborgen ruimte en drukte nogmaals op de knop, waardoor de twee panelen terugschoven in hun oorspronkelijke positie en geen enkel spoor van het bestaan van zo’n verborgen ruimte in de muur achterlieten. Daarna vertrok hij even vastberaden als hij was binnengekomen, en ging door dezelfde deur, terwijl hij het gordijn optilde en weer liet zakken.

Tijdens het hele voorval stond het meisje als aan de grond genageld, niet in staat zich te bewegen of een kreet te slaken. Nadat de oude man de kamer had verlaten, haastte ze zich naar buiten en wierp zich in de armen van haar geschrokken moeder die net was teruggekeerd om te zien waarom haar dochter zo lang in de rouwkamer bleef hangen. Omdat ze niet in staat was te spreken en uit te leggen wat er was gebeurd, werd ze naar huis gebracht. Toen haar ouders ten slotte erin slaagden haar te kalmeren, beschreef ze in detail de oude heer, herhaalde de woorden die hij had gesproken en vertelde alles wat hij had gedaan.

‘Goeie hemel! dat is Theodoor’, riep de verbaasde vader; maar snel beheerste hij zich uit angst zijn geschrokken dochter nog meer te verontrusten, en probeerde haar te laten geloven dat het allemaal een droom of hallucinatie was, en daarna sprak hij met haar nooit meer erover. Pas jaren later, toen ze getrouwd was, kon haar moeder het opbrengen haar te vertellen over wat er na haar visioen was gebeurd. ‘Theodoor’ was de langgeleden gestorven vader van de twee broers, en het meisje had hem nooit gekend. De oude heer, een oude vriend, werd door haar vader onmiddellijk herkend uit haar beschrijvingen, en hij ging direct naar de nog levende broer om hem te vertellen wat er was gebeurd. Geen van beiden waren op de hoogte van de geheime verborgen ruimte in het houtsnijwerk van die kamer, maar met de nauwkeurige beschrijving van het meisje als gids slaagden ze erin de knop te vinden die in het hout verborgen was. In de ruimte vonden ze het boek en ook het vel papier waarop de vader, die al zo lang dood was, op die gedenkwaardige dag enkele regels had geschreven.

Het memorandum bevatte de schokkende onthulling dat de echte dief van het gestolen geld de overleden broer zelf was. Hij had wisselbrieven voor een groot bedrag gegeven aan iemand in een andere stad, van wie het exacte adres werd gegeven en ook het bedrag van de schuld en het moment waarop deze moet worden voldaan. Het bericht eindigde met de uitdrukkelijke opdracht aan de nog levende broer om de rekening te betalen en zo de familie-eer van hun oude en tot nu toe smetteloze naam te redden.

Het boek dat de oude heer onder zijn arm had meegebracht, bleek het persoonlijke kasboek van de gedode jongeman te zijn, en bevatte bewijzen voor de verklaringen in het bericht dat door de geestverschijning was gemaakt. Het adres van de houder van de wisselbrieven bleek volledig juist te zijn, en ook het bedrag en de datum waarvan niemand enig idee had gehad. In dezelfde verborgen ruimte werden verschillende familiedocumenten gevonden die men sinds het overlijden van de heer des huizes als verloren had beschouwd. Enige tijd na de gebeurtenis is de oudere broer getrouwd. De postume brief in het handschrift van de oude heer is nog in het bezit van zijn dochter, die nu op haar beurt getrouwd is met een man van hoge stand. De naam van de dame die me bovenstaande feiten vertelde, evenals die van de twee broers, en de naam van de echtgenoot van de dochter van de oudere broer zijn aan de gerespecteerde redactrice van dit tijdschrift gegeven.


Aantekening van de redactrice:

Gelukkig corresponderen we persoonlijk met de echtgenoot van de dochter van de ‘jongedame’, een heer uit Odessa, persoonlijk bekend bij, en zeer gerespecteerd door, vrienden van de naaste familieleden van de schrijfster. De feiten, zoals hierboven gegeven, en die uit een heel betrouwbare bron komen, lijken de koning van de theosofen schaakmat te zetten, en de leringen van de theosofen in het nauw te drijven. Maar dat is niet zo voor iemand die onder de oppervlakte kan kijken, hoewel de feiten in bovenstaand verhaal niet voldoende zijn om daaruit een definitieve conclusie te kunnen trekken. Dit argument van onvoldoende gegevens kan op het eerste gezicht nogal vreemd lijken, maar het vreemde zal bij nadere beschouwing volledig verdwijnen. Er wordt hierboven geen informatie gegeven over de leeftijd van de jongere broer op het moment dat de vader stierf; noch over de gevoelens die laatstgenoemde op dat moment koesterde over zijn moederloze jongen en de zorgen die hij zich om hem maakte.

We moeten daarom een aantal veronderstellingen maken waarop al die overige omstandigheden duidelijk lijken te wijzen. Als ze echter niet door de feiten worden bevestigd, vragen we vriendelijk dat ons meer details zullen worden gestuurd. Het is alleen maar logisch dat de vader zich grote zorgen moet hebben gemaakt over de toekomst van zijn jongste zoon, die op jonge leeftijd zijn beide ouders verloor; en des te meer over het behoud van de familie-eer, waarover hij, zoals alle Duitse aristocraten, angstvallig waakte, want er waren al vroeg aanwijzingen voor de slechte gewoonten die zich in zijn zoon later zo sterk ontwikkelden. Hierna wordt de uitleg eenvoudig genoeg. Op het moment dat de vader stierf, brachten zijn gedachten – die onder de beschreven omstandigheden enorm intens waren geworden – een magnetische verbinding tot stand tussen de zoon en de astrale schil van de vader in kamaloka. Het is een bekend feit dat angst of grote zorg om alles wat op aarde wordt achtergelaten, een schil die anders zou zijn uiteengevallen, langer in de atmosfeer van de aarde kan vasthouden dan bij een rustige dood. Hoewel de schil, wanneer deze aan zichzelf is overgelaten, geen nieuwe indrukken kan opdoen, kan deze toch, als ze door contact met een medium bij wijze van spreken gegalvaniseerd wordt, heel goed nog jaren blijven leven en alle indrukken van dat medium ontvangen.

Er is nog een feit waarmee altijd rekening moet worden gehouden als men zoekt naar een verklaring van de verschijnselen van het mediumschap, namelijk dat het verblijf van schillen in kamaloka vóór het definitieve uiteenvallen soms erg lang is. 25 tot 30 jaar zou niet te lang zijn wanneer een medium de levenskracht ervan in stand houdt. Na deze inleidende opmerkingen is het huidige vraagstuk gemakkelijk op te lossen. De jongeman die zo tragisch aan zijn einde kwam was waarschijnlijk een medium voor zijn vaders schil, en verschafte die schil daardoor kennis van alle gebeurtenissen in zijn losbandige en zondige leven. De stille getuige van de materialisatie van de schil in de rouwkamer moet zelf ook een medium zijn geweest, en hielp zo mee om het verschijnsel te laten plaatsvinden. Het berouw van de stervende jongeman voor zijn slechte leven en zijn bezorgdheid om de familie-eer te redden, werden geprojecteerd op de astrale schil van de vader met alle intensiteit van de energie van een stervende, en gaven aanleiding tot alles wat er volgde.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 361-5
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag