Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Adepten en politiek

Chhabigram Dolatram (Dikshita)

[‘Adepts and politics’, The Theosophist, december 1883, blz. 79-80; CW 6:15-20]

Na het doorlezen van een artikel getiteld ‘De adepten in Amerika in 1776’, gepubliceerd in het oktobernummer van The Theosophist,1 zijn bij mij de volgende twijfels gerezen, waarvoor u, op grond van de gelukkige omstandigheid van persoonlijk contact met de adepten dat u schijnt te hebben, bij uitstek de geschikte figuur bent om die weg te nemen. Het artikel is ongetwijfeld geschreven op eigen verantwoordelijkheid van de schrijver, die bijzonder voorzichtig is om zijn lezers te informeren dat zijn uitspraken zijn gedaan ‘zonder medeweten en toestemming – zover hij weet – van de adepten’. De naar voren gebrachte opvattingen komen echter volledig overeen met die welke in het algemeen door de Theosophical Society worden gehuldigd, en de redactrice van The Theosophist is de enige autoriteit over een onderwerp zoals dit.

1. Noot. vert.: Dit artikel is gepubliceerd in The Theosophist, oktober 1883, blz. 16-17. Het is ondertekend ‘een ex-Aziaat’, een pseudoniem van William Quan Judge. Het is gedateerd New York, 25 juni 1883. Nederlandse vertaling ervan in W.Q. Judge, Theosofische inzichten, TUPA, Den Haag, 2012, blz. 459-63. Op het artikel van Dolatram heeft ook Judge een reactie geschreven in The Theosophist, juni 1884, blz. 223.

De kern van genoemd artikel ligt in de afsluitende alinea. Ze lijkt de indruk te wekken dat de adepten, als een natuurlijk gevolg van hun universele sympathie voor het welzijn van de mensheid, betrokken waren bij de grote Amerikaanse Revolutie en de gelukkige gevolgen daarvan als het ware door middel van Washington en anderen teweegbrachten. Kortom het artikel lijkt te zeggen dat Thomas Paine, broeder (?) Benjamin (de geschiedenis geeft ons geen enkele informatie over zijn relatie tot de theosofie) en een groot aantal andere leiders van deze revolutie op een specifieke manier te werk zouden zijn gegaan, eenvoudig omdat ze onder de leidende inspiratie van de adepten stonden. Het artikel zegt in feite dat de noodzaak van een revolutie in Amerika en een plan van alle verdere stappen al waren uitgedacht door deze mahatma’s voordat de zogenaamde vrijmetselaar-broeders werden geboren. Het uitgangspunt is blijkbaar dat het eerste denkbeeld van al zulke revoluties, die volgens de schrijver uiteindelijk de mensheid ten goede komen, en de daaropvolgende selectie van menselijke instrumenten om ze uit te werken, altijd hun oorsprong hebben gehad in de adepten die waken over de vooruitgang van de mensheid.

Wil de schrijver dan, of de redactrice, enige moeite nemen om onze vragen te beantwoorden die door het lezen van het artikel zijn opgekomen over de rol die de adepten speelden in de Engelse Revolutie van 1649? Stond John Bradshaw, president van een door hemzelf samengestelde Hoge Raad die zijn wettige vorst Karel I berechtte en ter dood veroordeelde, onder de hemelse invloed van de mahatma’s, zoals bij Thomas Paine later het geval was?

Was Cromwell dan niet meer dan een dansende marionet waarvan de adepten natuurlijk de touwtjes in handen hadden? Waarom werd dan door de almachtige adepten toegestaan dat zij, arme zielen die alles slechts in strikte gehoorzaamheid aan de innerlijke stem van hogere geesten deden, de vernedering ondergingen dat hun stoffelijk overschot (laten zij in vrede rusten!) werd opgegraven en door de beul werd opgehangen?

Ook is het in geen geval denkbaar dat de Franse Revolutie van 1789, die zulke enorme gevolgen heeft gehad, kon hebben plaatsgevonden zonder dat de adepten daarbij een machtige helpende hand hebben geboden. Thomas Paine werd ongetwijfeld langgeleden op dat werk voorbereid, maar het waren Danton, Robespierre en Marat – die door hun daden wereldwijd bekend werden, en aan wie de Franse Revolutie vooral veel te danken heeft voor de weg die ze daarna insloeg – tot wie de mahatma’s zich met veel voldoening moeten hebben gewend als een stel instrumenten dat onvergelijkelijk veel beter is dan Paine, Washington en alle andere Amerikaanse revolutionairen. Wilt u ons dan vertellen hoeveel van deze zeldzame inspiratie waaronder ze handelden, ze te danken hadden aan de mahatma’s?

Waren Victor Emmanuel en Garibaldi, terwijl ze aan de revolutie in Italië werkten, slechts de uitvoerders van de wensen van de Tibetaanse broeders? Als men de redenering van de schrijver aanvaardt, dan kan volgens mij niet worden ontkend dat al deze revoluties tot stand zijn gebracht door deze mahatma’s, en dat degenen die daarin actief zijn geweest slechts instrumenten in hun handen waren. Natuurlijk wordt gezegd, als een bewijs van het werkelijke aandeel dat de mahatma’s daarin hadden, dat Thomas Paine ‘een weids perspectief voor zich zag openen’ – of in ieder geval dacht dat hij dat zag – en op een andere plaats dat ‘sommige gedachten uit zichzelf plotseling in het denken opflitsen’. Als deze eenvoudige dingen voldoende zijn om Paine het recht te geven om aanspraak te maken op bovennatuurlijk bezoek, is het dan onredelijk om te beweren dat Lord Byron ook werd aangemoedigd door dezelfde welwillende invloed, toen hij – terwijl hij wereldse gemakken opgaf en zich vrijwillig onderwierp aan fysieke ongemakken en ontberingen – naar Griekenland ging om actief deel te nemen aan de bevrijding daarvan en ten slotte stierf in de moerassen van Mesolongi? Alleen u kunt beoordelen in hoeverre dit juist is, want alleen u staat in nauw contact met de mahatma’s.

Om misverstand te voorkomen, moet ik besluiten met de opmerking dat ik als orthodoxe hindoe geloof in het bestaan van mahatma’s, al moet ik eerlijk bekennen dat zulke argumenten zoals die van tijd tot tijd in uw zeer interessante tijdschrift zijn verschenen als bewijs voor het bestaan van de mahatma’s, mij niet hebben kunnen overtuigen.

Bharuch,
27 oktober 1883


Aantekening van de redactrice:

Ons tijdschrift staat open voor de persoonlijke opvattingen van iedere theosoof ‘met een goede reputatie’, op voorwaarde dat hij een redelijk goede schrijver is, zijn meningen aan niemand opdringt, en alleen zichzelf verantwoordelijk acht voor zijn uitlatingen. Dit blijkt duidelijk uit het beleid dat tot nu toe door het tijdschrift is gevolgd. Maar waarom is onze correspondent er zo van overtuigd dat ‘de naar voren gebrachte opvattingen volledig overeenkomen met die welke in het algemeen door de Theosophical Society worden gehuldigd’? De redactrice van dit tijdschrift is het bijvoorbeeld geheel oneens met de genoemde standpunten, zoals die door onze criticus worden opgevat. Noch de Tibetaanse, noch de hedendaagse hindoe-mahatma’s bemoeien zich ooit met de politiek, hoewel ze invloed kunnen uitoefenen op meer dan één belangrijk probleem in de geschiedenis van een land – in het bijzonder hun moederland.

Als er al adepten zijn geweest die Washington hebben beïnvloed of de grote Amerikaanse Revolutie hebben teweeggebracht, dan waren het in ieder geval niet de ‘Tibetaanse mahatma’s’, want deze hebben nooit blijk gegeven van veel sympathie voor de pelings van een of ander westers volk, behalve als deel van de mensheid in het algemeen. Toch is het zoveel als zeker, hoewel deze overtuiging slechts een persoonlijke is, dat een aantal broeders van het rozenkruis – of de zogenaamde ‘rozenkruisers’ – een prominente rol hebben gespeeld bij de Amerikaanse strijd voor onafhankelijkheid, en ook bij de Franse Revolutie gedurende de gehele 18de eeuw. We hebben documenten daarover, en de bewijzen ervan zijn in ons bezit. Maar deze rozenkruisers waren Europeanen en Amerikaanse kolonisten, die geheel onafhankelijk van de Indiase of Tibetaanse ingewijden hebben gehandeld. En de ‘ex-Aziaat’, die begint met te zeggen dat zijn uitspraken geheel op eigen persoonlijke verantwoordelijkheid zijn geschreven, is hierover vanaf het begin heel duidelijk. Hij verwijst naar adepten in het algemeen en niet noodzakelijkerwijs naar Tibetaanse of hindoe-mahatma’s, zoals onze correspondent schijnt te denken.

Geen enkele occulte theosoof heeft ooit eraan gedacht om Benjamin Franklin, of ‘broeder Benjamin’, zoals hij in Amerika wordt genoemd, in verband te brengen met de theosofie, afgezien van het feit dat de grote filosoof en elektrotechnicus een bewijs te meer schijnt te zijn van de mysterieuze invloed van getallen en cijfers die verband houden met de data van geboorte, dood en andere gebeurtenissen in het leven van bepaalde opmerkelijke individuen. Franklin werd geboren op 17 januari 1706, overleed op 17 april 1790, en was de jongste van de 17 kinderen van zijn ouders. Verder is er beslist niets om hem in verband te brengen met de moderne theosofie of zelfs met de theosofen van de 18de eeuw – zoals de grote groep alchemisten en rozenkruisers zichzelf noemden.

Noch de redactrice noch enig lid van de Society dat ook maar enigszins bekend is met de voorschriften van de adepten – eerstgenoemde wijst nadrukkelijk de nogal sarcastische beschuldiging van de schrijver van de hand dat ‘alleen zij in de gelukkige omstandigheid verkeert om persoonlijk contact te hebben met de adepten’ – zou ook maar een moment geloven dat een van de wrede, bloeddorstige helden – de koningsmoordenaars en anderen van de Engelse en Franse geschiedenis – ooit zouden kunnen zijn geïnspireerd door een adept, laat staan een hindoeïstische of boeddhistische mahatma. De conclusies die onze fantasierijke correspondent uit het artikel ‘De adepten in Amerika in 1776’ trekt zijn een beetje vergezocht. Als men denkt dat zo’n kil, hard en gevoelloos mens als John Bradshaw ooit werd beïnvloed door een macht buiten, en vreemd aan, zijn eigen zielloze entiteit, dan moet dit door de ‘lagere Jehovah’ van het Oude Testament zijn geweest. Deze was de mahatma en paramatman, of de ‘persoonlijke’ god van Calvijn en die puriteinen die voor de meerdere eer en glorie van hun godheid – ‘steeds bereid om in ruil voor bloedoffers aan de laagste doeleinden mee te werken’1 – zogenaamde heksen en ketters bij honderdduizenden verbrandden. Het zijn zeker niet de levende mahatma’s, maar het is ‘de bijbelse ene levende God’ – hij die duizenden jaren geleden Jefta had geïnspireerd om zijn dochter te vermoorden, en de zwakke David om de zeven zonen en kleinzonen van Saul op te hangen ‘op de berg ten overstaan van de Heer’, en die in onze eigen tijd ook Guiteau ertoe had aangezet om president Garfield dood te schieten – die ook Danton en Robespierre, Marat en de Russische nihilisten moet hebben geïnspireerd tot tijdperken van terreur en om kerken te veranderen in slachthuizen.

1. Zie The Keys of the Creeds, door een rooms-katholieke priester.

Niettemin is het onze vaste overtuiging op basis van historische gegevens en directe gevolgtrekkingen uit veel van de Mémoires van die tijd dat de Franse Revolutie te danken is aan één adept. Het is die mysterieuze personage die nu gemakshalve wordt ingedeeld bij andere ‘historische bedriegers’ (d.w.z. grote figuren met occulte kennis en vermogens die ver uitsteken boven de imbeciele meerderheid), namelijk graaf Saint-Germain die de gerechtvaardigde opstand van de armen tot stand bracht en een einde maakte aan de egoïstische tirannie van de Franse koningen, de ‘uitverkorenen en gezalfden van de Heer’. En wij weten ook dat er zich onder de Carbonari – de voorlopers en pioniers van Garibaldi – meer dan één vrijmetselaar bevond die grondig bekend was met occulte wetenschap en de rozenkruisers. Door uit het artikel de conclusie te trekken dat er door Paine aanspraak werd gemaakt ‘op bovennatuurlijke bezoekers’, wordt de hele bedoeling van de schrijver verkeerd geïnterpreteerd, en laat men zien dat men weinig kennis van de theosofie heeft. Er kunnen in Engeland en Amerika theosofen zijn die ook spiritisten zijn, en die vast geloven in ontlichaamde bezoekers, maar noch zij noch wij, oosterse theosofen, hebben ooit geloofd in het bestaan van bovennatuurlijke bezoekers. We laten dit over aan de orthodoxe volgelingen van hun respectieve religies.

Het is heel goed mogelijk dat bepaalde argumenten die in dit tijdschrift naar voren zijn gebracht als bewijs voor het bestaan van onze mahatma’s, onze correspondent ‘niet hebben kunnen overtuigen’, en het doet er ook niet veel toe als dat niet het geval is. Maar of we nu verwijzen naar de mahatma’s in wie hij gelooft, of naar degenen die we persoonlijk kennen, als een mens eenmaal is opgeklommen tot de hoogte van een mahatma, kan hij – tenzij hij een tovenaar of een dugpa is – iemand nooit tot verdorven daden inspireren. Aan de Hebreeër die zegt, ‘Ik, de Heer schep het kwaad’, antwoordt de mahatma, ‘Ik, de ingewijde probeer dat tegen te gaan en te vernietigen.’


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 365-70
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag