Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Omgekeerde beelden van helderzienden

[‘Introversion of mental vision’, The Theosophist, februari 1884, blz. 107-8; CW 6:135-8]

Onlangs zijn door F.W.H. Myers en zijn collega’s van de Psychic Research Society in Londen enkele interessante experimenten gedaan, die, als ze goed worden onderzocht, heel belangrijke resultaten kunnen opleveren. Toen de genoemde experimenten werden gepubliceerd, werden ze door de kranten uitgebreid besproken. Met de details daarvan houden we ons nu niet bezig. Het is voor ons voldoende om voor de lezers die de experimenten niet kennen te verklaren dat in een zeer grote meerderheid van de gevallen, te veel om alleen maar toeval te zijn, werd geconstateerd dat het gedachtelezende medium slechts een omgekeerd mentaal beeld kreeg van het voorwerp dat het moest lezen. Een stuk papier waarop een pijl stond, werd voor een zorgvuldig geblinddoekte gedachtelezer gehouden, en na elke keer dat de pijl werd gedraaid, werd de gedachtelezer gevraagd om de pijl mentaal te zien. Onder deze omstandigheden werd vastgesteld dat wanneer de pijlpunt naar rechts wees, deze werd gezien als een pijl met de punt naar links, enz. Dit leidde enkele vindingrijke journalisten tot de gedachte dat er zowel op het innerlijke als op het uiterlijke gebied van optische waarneming sprake was van een illusie. Maar de echte verklaring van het verschijnsel ligt dieper.

Het is bekend dat een voorwerp dat we zien en het beeld daarvan op het netvlies van het oog, zich niet in dezelfde stand bevinden, maar het beeld is omgekeerd. Hoe het beeld van een voorwerp tijdens de zintuiglijke gewaarwording op het netvlies wordt omgekeerd, is een mysterie waarvan de biologie toegeeft dat ze het niet kan oplossen. Ook de westerse metafysica doet het op dit punt nauwelijks beter; er zijn evenveel theorieën als metafysici. Reid, Hamilton en anderen van die school ploeteren slechts in een moeras van speculaties. De enige filosoof die een glimp van de waarheid heeft opgevangen is de idealist Berkeley, die, tot grote teleurstelling van alle studenten van de echte filosofie, niet verder kon komen dan het theologische christendom, ondanks al zijn briljante ingevingen. Een kind, zegt Berkeley, ziet een voorwerp vanuit ons gezichtspunt in feite omgekeerd; om zijn hoofd aan te raken strekt het zijn handen in dezelfde richting van zijn lichaam uit als wij bij ons lichaam doen om naar onze voeten te reiken. Door herhaalde mislukkingen wordt ervaring opgedaan, en dit zorgt ervoor dat de indrukken van het ene zintuig gecorrigeerd worden door die van het andere; de gewaarwordingen van afstand en vastheid komen op dezelfde manier tot stand.

Toepassing van deze kennis op de bovengenoemde experimenten van de Psychic Research Society zal tot heel opvallende resultaten leiden. Terwijl de getrainde adept iemand is die al zijn innerlijke vermogens heeft ontwikkeld, en op het psychische gebied zijn zintuigen volledig beheerst, verkeert het individu dat toevallig, d.w.z. zonder occulte training, het innerlijke gezichtsvermogen verwerft, in de positie van een hulpeloos kind – een speelbal van de grillen van één afzonderlijk innerlijk zintuig. Dit zal een zee van licht werpen op het onbetrouwbare karakter van de gewone ongetrainde ziener. Dit was het geval met de mediums met wie Myers en zijn collega’s experimenteerden.

Er zijn ook gevallen waarbij het ene zintuig het andere onbewust corrigeert en nauwkeurige resultaten worden bereikt. Wanneer het medium de gedachten in iemands denken leest, is deze correctie niet nodig, want de wil van de denker schiet de gedachten, als het ware, recht in het denken van het medium. Men zal bovendien ontdekken dat de hier besproken omkering alleen plaatsvindt als die beelden niet kunnen worden beïnvloed door de normale zintuiglijke ervaring van het medium. Neem bijvoorbeeld het beeld van een hond; wanneer het medium waarneemt dat dit bestaat in het denken van een persoon of op een stuk papier, dan kan het voor de innerlijke waarneming van het medium vervormd lijken, maar zijn fysieke ervaring zal dit altijd corrigeren. Maar deze omkering zal zeker plaatsvinden wanneer de richting waarin de hond kijkt het voorwerp van onderzoek is. Dit geldt misschien niet voor de namen van personen of de bedachte woorden die het medium moet achterhalen. Maar in die gevallen moet rekening worden gehouden met de werking van de wil van de denker die de gedachte opdringt aan het denken van het medium, en daardoor het omkeringsproces overbodig maakt. Hieruit blijkt overduidelijk dat deze verschijnselen het best kunnen worden bestudeerd wanneer alleen de wilskracht van één persoon, die van het medium, in het spel is. Dit gebeurt altijd wanneer het voorwerp dat het medium moet lezen onafhankelijk is van de wil van iemand anders, zoals in het geval dat het is weergegeven op papier of iets soortgelijks.

Als we dezelfde wet op dromen toepassen, kunnen we de reden ontdekken van het volksgeloof dat de feiten in dromen meestal zijn omgekeerd. Als je van iets goeds droomt is dat over het algemeen een voorbode van iets kwaads. In uitzonderlijke gevallen waarin dromen profetisch bleken te zijn, werd de dromer beïnvloed door de wil van een ander of door andere verstorende krachten die alleen per geval kunnen worden vastgesteld.

In dit verband kan nog een ander belangrijk paranormaal verschijnsel worden genoemd. Gevallen waarbij een gebeurtenis op afstand, bijvoorbeeld de dood van een persoon, wordt weergegeven in de gedachtebeelden van iemand die in die gebeurtenis geïnteresseerd is, zijn te talrijk en te goed geverifieerd om te kunnen worden betwist. In zulke gevallen verschijnt het dubbel van de stervende zelfs op grote afstand en wordt gewoonlijk alleen voor zijn vriend zichtbaar, maar voorbeelden zijn niet zeldzaam waarbij het dubbel door een aantal personen wordt gezien. Eerstgenoemd geval behoort tot de categorie gevallen die we hier bespreken, omdat de geconcentreerde gedachte van de stervende man helderziend wordt gezien door de vriend en het rechtopstaande beeld door de werking van de wilskracht van de stervende wordt voortgebracht. In laatstgenoemd geval verschijnt het echte mayavirupa, en dit voorbeeld valt dus niet onder de hier besproken wet.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 377-9
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag