Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

A. Lillie’s hersenschimmen

[‘Mr. A. Lillie’s Delusions’, Light (Londen), 9 augustus 1884, blz. 323-4; CW 6:269-80]

Aan de redacteur van Light:

Ik schrijf om de vele fouten recht te zetten – als het inderdaad slechts om ‘fouten’ gaat – in de meest recente brief van Lillie die in Light van 2 augustus is verschenen, en die zijn antwoord was op een brochure van de voorzitter van de London Lodge.1

1. Noot vert.: Arthur Lillie publiceerde een brochure getiteld Koot Hoomi Unveiled; or, Tibetan ‘Buddhists’ versus the Buddhists of Tibet (Londen, 1884) vol kritiek op H.P. Blavatsky en de meesters. Gerald B. Finch, voorzitter van de London Lodge van de TS, schreef daarop een brochure Observations on Mr. Lillie’s ‘Koot Hoomi Unveiled’ (Londen, 1884). Lillie reageerde daarop in een brief aan Light (in het nummer van 2 augustus 1884), getiteld ‘Koot Hoomi Unveiled’.

1. Deze brief, waarin de schrijver van Buddha and Early Buddhism van plan was om ‘kort aandacht te besteden aan enkele opmerkelijke feiten die over het hoofd zijn gezien’ in de Observations, begint met twee heel opmerkelijke beweringen over mij die volkomen onjuist zijn, en hij had niet het geringste recht om die te maken. Hij zegt:

Veertien jaar lang (van 1860 tot 1875) was Madame Blavatsky openlijk een spiritist die werd beheerst door een geest die ‘John King’ werd genoemd . . . Ze woonde vele seances bij, enz.

Met uitzondering van het feit dat ik veel seances heb bijgewoond – maar dit is nauwelijks een bewijs dat iemand een spiritist is – zijn al deze beweringen totaal onjuist. Ik gebruik dat woord en onderstreep het, want de feiten die erin staan zijn verwrongen, en aangepast aan een vooropgezet en zeer onjuist denkbeeld dat bij de spiritisten is ontstaan. Ze hebben er eenvoudig belang bij om te pleiten voor ‘geesten’, en om – als ze dat kunnen, wat nogal twijfelachtig is – het geloof in de wijsheid, zo niet in het bestaan, van onze vereerde meesters te vernietigen.

Hoewel ik het helemaal niet nodig acht om mijn privéleven aan Arthur Lillie te onthullen, en ook niet erken dat hij het recht heeft dit te verlangen, zal ik uit respect voor een paar spiritisten die ik waardeer en hoogacht, de onjuiste informatie over dit onderwerp eens en voor altijd rechtzetten. Omdat die periode van mijn leven (1873-1879) in Amerika, met al haar spiritistische gebeurtenissen, binnenkort zal worden besproken in een nieuw boek getiteld ‘Madame Blavatsky’,1 uitgegeven door vrienden – een boek dat hopelijk voorgoed zal afrekenen met de vele wilde en ongegronde verhalen over mij – zal ik nu slechts kort het volgende zeggen:

1. Noot vert.: HPB verwijst waarschijnlijk naar Incidents in the Life of Madame Blavatsky van A.P. Sinnett, dat in 1886 verscheen.

Lillie’s ongegronde veronderstelling is vaag gebaseerd op één document, namelijk kol. Olcotts People from the Other World. Omdat dit boek deels vóór en deels na mijn eerste kennismaking met kol. Olcott werd geschreven, en hij een spiritist was, wat hij nooit heeft ontkend, ben ik niet verantwoordelijk voor zijn opvattingen over mij en mijn ‘vermogens’ in die tijd. Hij beschreef eerlijk en oprecht wat hij op dat moment beschouwde als de hele waarheid; en, omdat ik een vast doel voor ogen had, wilde ik hem niet te ruw uit de droom helpen. Pas na de oprichting van de Theosophical Society in 1875 vernam hij de hele waarheid. Ik daag iedereen uit om na dat moment ook maar één woord uit zijn pen te vinden dat zijn eerdere opvattingen over de aard van mijn veronderstelde ‘mediumschap’ zou bevestigen. Niettemin schrijft hij over mij in zijn boek duidelijk het volgende:

Haar mediumschap verschilt volkomen van dat van ieder ander persoon die ik ooit heb ontmoet; want, in plaats van door geesten te worden beheerst om hun wil te doen, is zij het die hen schijnt te beheersen om haar bevelen uit te voeren.

Een vreemd soort ‘mediumschap’, dat anders was dan alle andere vormen ervan die zelfs kol. Olcott – een spiritist met 30 jaar ervaring – ooit had gezien! Maar terwijl kol. Olcott in zijn boek (blz. 453) zegt dat ik, in plaats van door geesten te worden beheerst, de zogenaamde geesten beheers, zegt Lillie – die het publiek naar het boek van kol. Olcott verwijst – dat volgens Olcott ik het ben die door geesten wordt beheerst! Is dit een verkeerde voorstelling van zaken en een onjuist citaat, of niet?

Door Lillie wordt ook gezegd dat ik 14 jaar lang ‘in India en elders voortdurend’ met deze ‘geest’ (John King) sprak. In de eerste plaats verklaar ik dat ik vóór 1873 nog nooit van de naam ‘John King’ had gehoord. Het is waar dat ik kol. Olcott en vele anderen heb verteld dat de vorm van een mens, met een vaalbruin gezicht, een zwarte baard en een wit loshangend gewaad en een tulband, die sommigen van hen in het huis en in mijn kamers hadden ontmoet, die van een ‘John King’ was. Ik had hem die naam gegeven om redenen die later volledig zullen worden verklaard, en ik lachte hartelijk om het gemak waarmee het astrale lichaam van een levend mens kon worden aangezien voor een geest. En ik had hen verteld dat ik die ‘John King’ al sinds 1860 kende, want het was de vorm van een oosterse adept, die intussen is vertrokken voor zijn laatste inwijding, en ons op doorreis in zijn levende lichaam in Bombay heeft bezocht. Of Lillie en Co. de verklaring geloven of niet, kan me niet veel schelen, want kol. Olcott en andere vrienden weten nu dat deze juist is. Ik heb in mijn leven vele ‘John Kings’ gekend en gesproken – een verzamelnaam voor meer dan een geestverschijning – maar gelukkig werd ik nooit door een van hen ‘beheerst’! Mijn mediumschap werd een kwart eeuw of langer geleden uit mij weggevaagd; en ik daag luid alle ‘geesten’ van kamaloka uit om mij nu te naderen, laat staan om me te beheersen. Het is veeleer Arthur Lillie die door iemand moet worden ‘beheerst’ om zulke leugenachtige beweringen te doen, die zo gemakkelijk als deze kunnen worden weerlegd.

2. Lillie vraagt om ‘informatie over de zevenjarige inwijding van Madame Blavatsky’. De persoon met deze naam heeft nog nooit gehoord van een inwijding die zeven jaar duurt. Misschien werd het woord ‘inwijding’ gebruikt – met die nauwkeurigheid die zo kenmerkend is voor de schrijver van Buddha and Early Buddhism bij zijn uitleg van esoterische termen – terwijl ‘instructie’ werd bedoeld. Zo ja, dan wil ik Lillie eerst vragen welk recht hij heeft om mij daarover te ondervragen? Maar omdat hij ervoor kiest om zich met mijn reputatie zulke vrijheden te veroorloven, zal ik hem duidelijk vertellen dat hij niet alleen niets weet over inwijdingen en Tibet, maar zelfs niet over het exoterisch – laat staan het esoterisch – boeddhisme. Wat hij over het lamaïsme beweert te weten, heeft hij opgepikt uit de wazige informatie van reizigers die, omdat ze het grensgebied van Tibet waren binnengedrongen, beweren alles te weten wat eeuwen voor de gewone reiziger binnen de grenzen van dat land verborgen is gehouden. Zelfs Csoma de Kőrös wist heel weinig over de echte gelugpa’s en het esoterisch lamaisme, behalve dat wat hij mocht weten. Hij kwam nooit verder dan Zanskar en het lamaklooster van Phäg-dal, dat door mensen die doen alsof ze alles over Tibet weten Pugdal wordt gespeld, wat onjuist is, en wel omdat er geen betekenisloze namen in Tibet zijn, zoals men Lillie heeft laten zeggen. En ik zal hem ook vertellen dat ik in verschillende perioden in zowel Groot als Klein Tibet heb gewoond, en dat deze perioden samen meer dan zeven jaar beslaan. Toch heb ik nooit, mondeling of schriftelijk, beweerd dat ik zeven opeenvolgende jaren in een klooster heb doorgebracht. Wat ik heb gezegd, en nu herhaal, is dat ik in lamaïstische kloosters heb verbleven, dat ik Shigatse, het terrein van Tashilhunpo en haar omgeving heb bezocht, en dat ik nog dieper in Tibet ben geweest, op plaatsen waar nog nooit een Europeaan is geweest, en die hij nooit kan hopen te bezoeken.

Lillie had niet het recht om in de brochure van Finch meer ‘uitvoerige bijzonderheden’ te verwachten. Finch is een integer man, die alleen over iemands privéleven spreekt als die persoon hem daarvoor toestemming heeft verleend. Mijn vrienden en degenen die ik respecteer, en wiens mening mij aan het hart gaat, hebben voldoende bewijzen – bijvoorbeeld van mijn familie – dat ik in Tibet ben geweest, en dit is het enige wat me interesseert. Wat ‘de drie of vier betrouwbare Engelse [veeleer Anglo-Indiase] ambtenaren’ betreft ‘die zouden kunnen verklaren’ dat ze mij hebben gezien toen ik voorbijkwam, ben ik bang dat hun waakzaamheid niet even groot is als hun betrouwbaarheid. Ik kan op basis van talrijke getuigenverklaringen bewijzen dat ik, nog maar twee jaar geleden, toen ik van Chandannagar naar Darjeeling reisde, in plaats van rechtstreeks daarheen te gaan, de trein halverwege de reis verliet, door vrienden met een vervoermiddel werd opgewacht, en met hen naar Sikkim ging, waar ik mijn meester en mahatma Kuthumi trof. Van daaruit reisden we 8 km door het oude grensgebied met Tibet.

Bij mijn terugkeer naar Darjeeling, vijf dagen later, kreeg ik een vriendelijk bericht van de plaatsvervangend regeringsvertegenwoordiger. Hierin liet men mij heel beleefd weten dat men had gehoord van mijn voornemen om naar Tibet te gaan, maar dat de regering me niet kon doorlaten voordat ik daarvoor toestemming had gekregen uit Simla; ook kon men niet instaan voor mijn veiligheid, omdat ‘de raja van Sikkim er niet van hield om reizigers op zijn grondgebied toe te laten, enz.’.

Dit noem ik het sluiten van de staldeur nadat het paard al is gestolen. De zeer ‘betrouwbare’ ambtenaar wist evenmin dat Sinnett een maand eerder van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Simla toestemming voor mij had bemachtigd om naar Tibet te gaan wanneer ik dat maar zou willen. Maar van deze toestemming heb ik geen gebruikgemaakt omdat ik maar voor een paar dagen naar Sikkim ging, en niet verder dan het oude grensgebied van Tibet. De vraag is niet of de Brits-Indiase regering al of niet die toestemming verleent, maar of de Tibetanen iemand op hun grondgebied zullen toelaten. Van dat laatste kan ik op aan, op welk moment dan ook. Ik nodig Lillie uit om hetzelfde te proberen. Hij kan intussen zijn voordeel doen met een studie van de geografie, en zich ervan overtuigen dat er nog andere routes naar Tibet leiden dan via ‘Engelse ambtenaren’. Hij probeert aan te tonen dat ik zonder meer een leugenaar ben. Hij zal ontdekken dat dit nog moeilijker is dan om te weerleggen dat hij niets weet over Tibet en het boeddhisme, of over onze ‘byang-chubs’.1

1. Noot vert.: Byang-chub-sems-dpa’ is het Tibetaanse equivalent van het Sanskrietwoord bodhisattva.

Ik ga beslist niet mijn tijd verspillen om te bewijzen dat zijn beschuldigingen tegen iemand die niet door zijn belediging kan worden getroffen, volkomen waardeloos zijn. Er zijn veel mensen die even intelligent zijn als hij, die over de brieven van onze mahatma heel anders denken dan hij. Hij kan ‘aannemen’ dat de door hem geciteerde deskundigen meer over Tibet wisten dan onze meesters; anderen denken dat dit niet het geval is; en de 1001 blunders van zijn Buddha and Early Buddhism laten ons zien wat deze deskundigen waard zijn als men er letterlijk op vertrouwt. Wat zijn poging betreft om te suggereren dat er helemaal geen mahatma Kuthumi bestaat, het idee alleen al is absurd. Voordat hij nog meer zegt, zal hij zich moeten ontdoen van een zekere Russische dame,1 van wie niemand die haar kent de oprechtheid en onpartijdigheid ooit in twijfel zal trekken, en die al zover terug als 1870 een brief van die meester ontving. Is die dan misschien ook een vervalsing? Van het feit dat ik in Tibet ben geweest, in het huis van mahatma Kuthumi, heb ik een beter bewijs in petto – voor wanneer ik het nodig denk te hebben – dan de rancuneuze vindingrijkheid van Lillie ooit uit de weg kan ruimen.

1. Noot vert.: Deze dame was de tante van HPB, Nadjezjda Andrejevna Fadjejev (1829-1919).

Als de leringen van Sinnetts Esoteric Buddhism als atheïstisch worden beschouwd, dan ben ik ook een atheïst. Toch zou ik niet willen ontkennen wat ik in Isis schreef, en dat door Finch werd geciteerd. Als Lillie het verschil niet weet tussen een antropomorfe, buitenkosmische god, en de goddelijke essentie van de aanhangers van de Advaita en andere esoterici, dan wordt mijn respect voor de Royal Asiatic Society, waarvan hij beweert lid te zijn, weer iets minder; en dit rechtvaardigt des te meer onze bewering dat er meer kennis in het ene hoofd van ‘Babu (?) Subba Row’ zit dan in de tientallen hoofden van ‘oriëntalisten’ in Londen die we kennen. Hetzelfde geldt voor de naam van de meester. Als Lillie ons vertelt dat ‘Kuthumi’ geen Tibetaanse naam is, dan antwoorden we dat we nooit beweerd hebben dat dit zo zou zijn. Iedereen weet dat de meester een Punjabi is uit een familie die al jarenlang in Kashmir woonde. Maar als hij ons vertelt dat een ‘expert van het British Museum in het Tibetaanse woordenboek heeft gezocht’ naar de woorden ‘Kut’ en ‘Humi’, en die woorden niet vond, dan zeg ik, ‘koop een beter woordenboek’ of ‘vervang de expert door iemand die deskundiger is’. Laat Lillie het proberen in de woordenlijsten van de Moravische Broeders en hun alfabetten. Ik ben bang dat hij bezig is om zijn reputatie als oriëntalist vreselijk te beschadigen. Sterker nog, misschien blijft er van zijn zogenaamde kennis van het Oosten niets heel als hij dit punt niet opheldert.

Opdat Lillie in het feit dat ik geen van zijn tactloze vragen beantwoord, niet een nieuw voorwendsel ziet om een of andere onbeschaamdheid af te drukken, zeg ik: ‘Ik was inderdaad in Mentana tijdens de slag op 3 november 1867, en verliet Italië kort daarna om naar India te gaan.’ Of ik daarheen werd gestuurd, of daar toevallig was, zijn vragen die op mijn privéleven betrekking hebben, waarmee Lillie, lijkt mij, niets te maken heeft. Maar dit is nu eenmaal de manier waarop hij zijn tegenstanders behandelt.

Omdat de andere sarcastische opmerkingen van Lillie me weinig doen – want ik ken hun waarde – kan ik daaraan voorbijgaan zonder er verder aandacht aan te schenken. Sommige mensen zijn heel handig om aan pijnlijke kritiek te ontsnappen door te proberen hun tegenstanders in dezelfde positie te brengen. Lillie, bijvoorbeeld, had geen antwoord op de kritiek op zijn Buddha and Early Buddhism in The Theosophist, en heeft ook nooit geprobeerd een antwoord te geven. Maar in plaats daarvan begon hij alle verachtelijke geruchten en kletspraat over mij, redactrice van The Theosophist, te verzamelen. Hij sloot zich aan bij een aantal van onze vijanden en schreef zijn zwakke brochure, waarin hij in feite niemand anders dan zichzelf ontmaskerde. Waarom laat hij om te beginnen niet zien dat zijn recensent ongelijk heeft? Waarom bewijst hij zijn deskundigheid als oriëntalist niet door onze verklaringen tegen te spreken, door eerst te laten zien dat hij een echte geleerde is die het onderwerp dat hij bespreekt grondig heeft bestudeerd, vóór hij uitspraken van anderen over zaken waarover hij nog veel minder weet, ontkent en tegenspreekt? Hij doet echter niets van dat alles; geen woord, nergens verwijst hij naar de bijtende kritiek die hij niet kan weerleggen. In plaats daarvan zien we dat de beledigde schrijver probeert zijn recensenten belachelijk te maken, waarschijnlijk om zo de waarde van wat ze over zijn eigen boek te zeggen hebben te verminderen. Dit is een handige, heel handige strategie. Of het een eervolle is, valt echter te betwijfelen.

Het is misschien moeilijk om na het oordeel van bekwame geleerden in India over zijn eerste boek, in The Theosophist veel aandacht voor zijn tweede boek te krijgen. Maar als dit op zijn beurt zou worden onderzocht met de zorg die bijna onverdiend aan het eerste werd besteed, en als het werd voorgelegd aan de deskundigheid van echte oriëntalisten en sanskritisten zoals R.T.H. Griffith, dan denk ik dat het geheel van alle blunders in de twee boeken samen even vermakelijk kan zijn als de grote zelfingenomenheid waarmee de schrijver zichzelf aan het publiek verraadt.

H.P. Blavatsky
3 augustus 1884


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 418-24
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag