Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Spirituele vooruitgang

[‘Spiritual progress’, The Theosophist, mei 1885, blz. 187-8; CW 6:331-7]

Kronkelt het pad steeds verder omhoog?
Ja, helemaal tot het eind.
Neemt de reis de hele dag in beslag?
Van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat, mijn vriend.1

1. Up-Hill, regel 1-4.

Christina Rossetti’s versregels vormen een korte samenvatting van het leven van hen die het pad dat naar hogere dingen leidt werkelijk volgen. Ondanks de verschillen die men kan ontdekken in de vormen waarin de esoterische leer wordt gepresenteerd – ze kreeg in elk tijdperk immers een nieuwe vorm – zien we dat ze het over één punt volstrekt eens zijn: de weg naar spirituele ontwikkeling. Er is één vaste regel die voor de neofiet altijd bindend was en ook nu nog is – de volledige onderwerping van de lagere natuur aan de hogere. Hoe we ook zoeken in de heilige geschriften van ieder volk en iedere beschaving– in de Veda’s en Upanishads tot in het onlangs verschenen Licht op het pad – we vinden slechts één enkele weg, een zware, pijnlijke en moeilijke weg, die de mens naar werkelijk spiritueel inzicht kan voeren. En hoe kan het ook anders, want alle religies en alle filosofieën zijn slechts varianten van de eerste leringen van de Ene Wijsheid, die aan het begin van de cyclus door de planeetgeest aan de mensheid werd meegedeeld.

Steeds weer wordt ons gezegd dat men een echte adept, een ontwikkeld mens, alleen kan worden – niet maken. Er is dus een proces van groei door middel van evolutie, en dat brengt onvermijdelijk een zekere mate van pijn met zich mee.

Pijn wordt vooral veroorzaakt doordat we voortdurend het blijvende zoeken in het niet-blijvende, en we zoeken niet alleen maar doen ook alsof we het onveranderlijke al hebben gevonden in een wereld die voortdurend verandert, en steeds als we denken een vaste greep op het blijvende te hebben, verandert het in onze greep en is pijn het gevolg.

De gedachte van groei houdt ook het idee in van doorbreken; het innerlijke wezen moet voortdurend de schaal of het omhulsel waarin het is opgesloten doorbreken, en dat moet ook met pijn gepaard gaan, geen fysieke, maar mentale en spirituele.

En zo gaat het in de loop van ons leven; het verdriet dat ons treft is voor ons gevoel altijd precies het ergste dat ons zou kunnen overkomen – het is altijd net dat ene waarvan we denken het onmogelijk te kunnen dragen. Bekijken we het vanuit een ruimer standpunt, dan zien we dat we proberen door onze schaal heen te breken op haar enige kwetsbare punt; dat onze groei, wil het ware groei zijn en niet de som van een reeks aangroeisels, over de hele linie gelijkmatig moet plaatsvinden, zoals het lichaam van een kind groeit, niet eerst het hoofd en dan een hand, misschien gevolgd door een been; maar tegelijk in alle richtingen, regelmatig en onmerkbaar. De mens is geneigd elk onderdeel afzonderlijk te ontwikkelen en intussen de andere te verwaarlozen. Elke folterende pijn wordt veroorzaakt door de groei van een verwaarloosd deel, en die ontwikkeling wordt bemoeilijkt door de gevolgen van de zorg die men aan andere delen heeft besteed.

Het kwaad is vaak het gevolg van overmatig enthousiasme, en mensen proberen altijd te veel te doen; ze nemen er geen genoegen mee het ergens bij te laten, en altijd alleen dat te doen wat de omstandigheden eisen en niet meer. Ze overdrijven elke daad en brengen zo karma voort dat in een volgend leven moet worden uitgewerkt.

Een van de meest subtiele vormen van dit kwaad is de hoop op, en het verlangen naar, beloning. Velen laten, al is het vaak onbewust, al hun inspanningen mislukken door deze gedachte aan beloning te koesteren en een actieve factor in hun leven te laten spelen, waardoor de deur geopend blijft voor zorgen, twijfel, angst, moedeloosheid – mislukking.

Het doel van iemand die naar spirituele wijsheid streeft is om een hoger bestaansgebied te betreden; hij moet een nieuw mens worden, in elk opzicht volmaakter dan hij nu is, en als hij slaagt, zullen zijn mogelijkheden en vermogens dienovereenkomstig in omvang en kracht toenemen, zoals we ook in de zichtbare wereld zien dat elke trede op de evolutieladder wordt gekenmerkt door een toename van vermogens. Op die manier wordt de adept begiftigd met verbazingwekkende krachten; maar het belangrijkste dat we moeten onthouden is dat deze krachten het natuurlijke product zijn van een bestaan op een hoger evolutiegebied, zoals de gewone menselijke vermogens het natuurlijke product zijn van een bestaan op het gewone menselijke gebied.

Veel mensen schijnen te denken dat adeptschap niet zozeer het resultaat is van een totale ommekeer als wel van een stapsgewijze opbouw. Ze schijnen te denken dat een adept iemand is die door een duidelijk omschreven training te ondergaan, bestaande uit het zorgvuldig in acht nemen van een aantal willekeurige gedragsregels, eerst het ene vermogen verwerft en dan een volgende, en dat hij, wanneer hij een bepaald aantal van deze vermogens heeft verworven, daarna een adept wordt genoemd. Op basis van dit onjuiste beeld denken ze dat het eerste wat ze moeten doen om het adeptschap te bereiken het verwerven van ‘vermogens’ is – en helderziendheid en het vermogen het fysieke lichaam te verlaten en een zekere afstand af te leggen, worden het meest fascinerend gevonden.

Tegen hen die zulke vermogens voor eigen persoonlijk voordeel willen verwerven, hebben we niets te zeggen; ze vallen onder hetzelfde oordeel als al degenen die uit egoïstische motieven handelen. Maar er zijn anderen die gevolgen voor oorzaken aanzien, en oprecht denken dat het verwerven van abnormale vermogens de enige weg is naar spirituele vooruitgang. Deze mensen zien onze Theosophical Society slechts als de gemakkelijkste manier om in deze richting kennis op te doen, en zien haar als een soort occulte academie, een instelling opgericht om faciliteiten te verlenen voor de opleiding van zogenaamde wonderdoeners. Ondanks herhaalde protesten en waarschuwingen zijn er enkelen in wie dat denkbeeld onuitwisbaar schijnt te zijn, en ze geven luid uiting aan hun teleurstelling wanneer ze ontdekken dat wat hun van tevoren werd gezegd volkomen juist is; dat de Society niet werd opgericht om een nieuwe en gemakkelijke methode te verschaffen voor het verwerven van ‘vermogens’; en dat haar enige doel het opnieuw ontsteken van de toorts van de waarheid is die, behalve voor de zeer weinigen, zo lang gedoofd was, en die waarheid levend te houden door onder de mensen een broederlijke samenwerking tot stand te brengen, de enige bodem waarin de goede zaden kunnen groeien. De Theosophical Society wil de spirituele groei bevorderen van iedereen die binnen haar bereik komt, maar haar methoden zijn die van de oude rishi’s (wijzen), haar leringen die van de oudste esoterie. Ze levert geen gepatenteerde wondermiddelen die bestaan uit gevaarlijke behandelingen die geen eerlijke heelmeester zou durven gebruiken.

In dit verband willen we al onze leden en ook anderen die spirituele kennis zoeken, waarschuwen om op te passen voor personen die hen een gemakkelijke methode willen aanbieden om paranormale vermogens te verwerven. Deze (laukika) vermogens zijn met kunstmiddelen betrekkelijk gemakkelijk te verkrijgen, maar ze verdwijnen zodra de zenuwimpuls is uitgeput. Het ware zienerschap of adeptschap dat gepaard gaat met echte (lokottara) paranormale ontwikkeling, gaat nooit verloren wanneer het eenmaal is bereikt.

Het schijnt dat er sinds de oprichting van de Theosophical Society verschillende verenigingen zijn gevormd die profiteren van de belangstelling die eerstgenoemde heeft gewekt op het gebied van paranormaal onderzoek en die leden proberen te winnen door hen te beloven op een gemakkelijke manier paranormale vermogens te verwerven. In India zijn we al lang vertrouwd met het bestaan van allerlei soorten pseudo-asceten, en we zijn bang dat er op dit punt opnieuw gevaar dreigt, zowel in India als in Europa en Amerika. We kunnen slechts hopen dat geen van onze leden, verblind door schitterende beloften, zich laat inpakken door zelfmisleide dromers of misschien wel opzettelijke bedriegers.

Om te laten zien dat onze protesten en waarschuwingen echt nodig zijn, kunnen we vermelden dat we kortgeleden, bijgesloten in een brief uit Benares, kopieën hebben gezien van een bericht dat door een zogenaamde ‘mahatma’ was verspreid. Hij vraagt daarin naar ‘acht mannen en vrouwen die Engels en ook een van de Indiase talen beheersen’, en besluit met te zeggen dat ‘zij die over het werk en de geldelijke beloning meer willen weten’ naar zijn adres moeten schrijven en postzegels moeten bijsluiten!

Voor ons ligt een herdruk van The Divine Pymander, vorig jaar in Engeland verschenen, en dat bevat een briefje gericht aan ‘theosofen die misschien teleurgesteld zijn in hun verwachtingen over de verheven wijsheid die door hindoe-mahatma’s vrij zou worden verstrekt’; ze worden hartelijk uitgenodigd hun namen te sturen aan de uitgever, die ervoor zal zorgen dat ze ‘na een korte proeftijd’ worden toegelaten tot een occulte broederschap, die ‘vrij en zonder voorbehoud lesgeeft aan iedereen die ze waardig acht om die kennis te ontvangen’. Vreemd genoeg vinden we in het genoemde boek de volgende woorden van Hermes Trismegistus:

§8. Want alleen dit, o zoon, is de weg naar de waarheid die onze voorouders zijn gegaan, en door die reis te maken hebben ze uiteindelijk het goede bereikt. Het is een eerbiedwaardige en duidelijke weg, maar moeilijk te bewandelen voor een ziel die zich in een lichaam bevindt.

§88. Daarom moeten we uitkijken met [onderwijs aan] dat soort mensen, die als onwetenden een minder groot kwaad betekenen omdat ze bang zijn voor wat geheim en verborgen is.1

1. The Divine Pymander, vert. Everard, 1884, blz. 2, 6.

Het is helemaal waar dat sommige theosofen (en dat is alleen hun eigen schuld) heel teleurgesteld zijn, omdat we hen geen kortere weg naar yogavidya hebben geboden, en anderen verlangen naar praktisch werk. Het is veelzeggend dat zij die het minst voor de Society hebben gedaan, de meeste kritiek hebben. Waarom gaan deze mensen en al onze leden die dat kunnen niet serieus het mesmerisme bestuderen? Mesmerisme is wel de sleutel tot de occulte wetenschappen genoemd, en het heeft het voordeel dat het bijzondere kansen biedt om iets goeds te doen voor de mensheid. Als we in elk van onze afdelingen een homeopathische apotheek zouden kunnen vestigen, met daarbij een praktijk voor mesmerische geneeswijzen, zoals in Bombay al met groot succes is gedaan, dan kunnen we meehelpen om de medische wetenschap in dit land een betere basis te geven, en zouden we voor het volk van groot nut kunnen zijn.

Er zijn nog andere afdelingen, naast die in Bombay, die in deze richting goed werk hebben gedaan, maar er is ruimte voor oneindig veel meer werk dan tot nu toe is ondernomen. En hetzelfde geldt voor de verschillende andere werkterreinen van de Society. Het zou een goede zaak zijn als de leden van elke afdeling de koppen bij elkaar zouden steken en serieus van gedachten zouden wisselen over welke concrete stappen ze kunnen nemen om de vastgelegde doelstellingen van de Society te bevorderen. Maar al te vaak stellen de leden van de Theosophical Society zich tevreden met een tamelijk oppervlakkige studie van haar boeken, zonder echt een bijdrage te leveren aan haar actieve werk. Als de Society een kracht ten goede moet worden in dit en in andere landen, kan ze dit resultaat alleen tot stand brengen door de actieve samenwerking van ieder van haar leden. We zouden een ernstig beroep op ieder van hen willen doen om goed na te denken over het werk dat hij of zij zou kunnen doen, en dat dan serieus uit te voeren. Juist denken is iets goeds, maar denken alleen heeft niet veel waarde als het niet in daden wordt omgezet. Er is geen enkel lid in de Society dat niet iets kan doen om de zaak van de waarheid en universele broederschap vooruit te helpen; het hangt alleen van zijn eigen wil af om dat iets tot een feit te maken.

We zouden vooral willen herhalen dat de Society geen kweekplaats voor beginnende adepten is; we kunnen geen leraren leveren die rondreizen en onderricht geven aan de verschillende afdelingen over de diverse onderwerpen die behoren tot het onderzoeksterrein van de Society; de afdelingen moeten zelf studeren; er zijn boeken beschikbaar, en de kennis die daarin naar voren wordt gebracht moet door de verschillende leden praktisch worden toegepast: zo leert men zelfstandig te werken en worden de verstandelijke vermogens ontwikkeld. We dringen hier sterk op aan; want we hebben verzoeken gekregen dat een spreker die naar een afdeling wordt gestuurd praktische ervaring moet hebben op het gebied van psychologie en helderziendheid (d.w.z. in magische spiegels moet kunnen kijken en de toekomst moet kunnen voorspellen, enz.). We zijn van mening dat de leden zelf zulke experimenten moeten doen willen ze van enige waarde zijn voor de ontwikkeling van het individu of hem in staat stellen vooruitgang te boeken op zijn weg ‘omhoog’, en daarom raden we onze leden ernstig aan om het zelf te proberen.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 429-34
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag