Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Isis ontsluierd en de Visishtadvaita

[‘Isis Unveiled and the Visishtadvaita’, The Theosophist, januari 1886, blz. 279-80; CW 7:50-2]

R.P. probeert in het oktobernummer van ons tijdschrift [blz. 78-80] te bewijzen dat ik in Isis ontsluierd in feite de leer van de Visishtadvaita heb verkondigd. Hiertegen maak ik bezwaar. Ik ben me goed bewust van het feit dat Isis allesbehalve volledig is, zoals het op basis van hetzelfde materiaal door een betere geleerde had kunnen zijn; en dat het als literair product te weinig symmetrie vertoont, en misschien hier en daar niet nauwkeurig genoeg is. Maar ik heb daarvoor een excuus. Het was mijn eerste boek; het werd geschreven in een voor mij vreemde taal waarin ik niet gewend was te schrijven; die taal was nog minder vertrouwd voor bepaalde Aziatische filosofen die mij daarbij hielpen; en, ten slotte wist kolonel Olcott, die het manuscript corrigeerde en van begin tot einde met mij samenwerkte, toen – in de jaren 1875 en 1876 – bijna niets van de Indiase filosofie, en was dus niet in staat die fouten op te sporen en te corrigeren die ik gemakkelijk zou kunnen maken wanneer ik mijn gedachten in het Engels formuleerde. Toch denk ik, ondanks dit alles, dat R.P.’s kritiek onjuist is. Als ik zondigde door te weinig onderscheid te maken tussen een onpersoonlijke God, of parabrahman, en een persoonlijke God, dan ging ik toch beslist niet zover dat ik die twee volledig met elkaar verwarde.

De bladzijden (Isis, 2:135-6; 2:178-9, en het voorwoord 1:2) waarop hij zich baseert, vertegenwoordigen niet mijn eigen leer maar de ideeën van anderen. De eerste twee zijn citaten van Manu, en laten zien wat een ontwikkelde brahmaan en een boeddhist zouden kunnen zeggen op prof. Max Müllers bewering dat moksha en nirvana vernietiging betekenen, terwijl het derde citaat (Isis, 2:178-9) een verdediging en verklaring is van de innerlijke betekenis van de Bijbel vanuit het standpunt van een christelijke mysticus. Natuurlijk lijkt dit op de Visishtadvaita-leer, die evenals het christendom aan het universele beginsel persoonlijke eigenschappen toeschrijft.

Wat de verwijzing naar het voorwoord betreft, het lijkt erop dat over die alinea, zelfs gelezen naar de letter, alleen kan worden gezegd dat ze mijn persoonlijke mening weergeeft en niet de esoterische leer. Omdat ik in het begin van mijn leven een scepticus ben geweest, heb ik gezocht naar, en door middel van de meesters de volle zekerheid gekregen van, het bestaan van een beginsel (niet van een persoonlijke God) – ‘een grenzeloze en onpeilbare oceaan’ – waarvan mijn ‘ziel’ een druppel was. Evenals de aanhangers van de Advaita, maakte ik geen onderscheid tussen mijn zevende beginsel en de universele geest, of parabrahman, evenmin geloofde of geloof ik in een individuele afzonderlijke geest in mij, als iets dat losstaat van het geheel. Voor bewijs, zie mijn opmerking over de ‘almacht van de onsterfelijke geest van de mens’ – iets wat een logische absurditeit zou zijn volgens een theorie van egoïstische afgescheidenheid. Mijn fout was dat ik in het hele boek de woorden parabrahman en God zonder onderscheid gebruikte om hetzelfde idee uit te drukken: een zonde die zeker is te vergeven als men weet dat de Engelse taal zo arm is dat ik zelfs nu nog het Sanskrietwoord gebruik om het ene denkbeeld uit te drukken en een Engels woord voor het andere!

Of het nu overeenkomstig de orthodoxe Advaita is of niet, ik beweer als occultist, op gezag van de geheime leer, dat de menselijke geest – ook al is hij volledig opgenomen in parabrahman – hoewel hij als zodanig niet individueel is, toch zijn eigen onmiskenbare individualiteit behoudt in paranirvana, als gevolg van de daarin verzamelde eigenschappen, of skandha’s die na elke dood bewaard zijn gebleven, van de hoogste vermogens van manas. De meest spirituele – d.w.z. de hoogste en goddelijkste – aspiraties van elke persoonlijkheid volgen buddhi en het zevende beginsel naar devachan (svarga) na de dood van elke persoonlijkheid in de reeks wederbelichamingen, en worden een onlosmakelijk deel van de monade. De persoonlijkheid vervaagt, verdwijnt vóór de ontwikkeling van de nieuwe persoonlijkheid (wedergeboorte) vanuit devachan: maar de individualiteit van de geest-ziel (lieve hemel, is dit Engels nog te begrijpen!) blijft bewaard tot het einde van de grote cyclus (mahamanvantara) wanneer elk ego paranirvana binnengaat, of wordt opgenomen in parabrahman. Voor ons dromerige, of suffe, bevattingsvermogen gaat de menselijke geest dan verloren in de ene geest, zoals de druppel water die in de zee wordt geworpen niet langer kan worden getraceerd en teruggehaald.

Maar dit is in feite niet het geval in de wereld van het onstoffelijke denken. Laatstgenoemde verhoudt zich tot het dynamische denken van de mens, zoals, laten we zeggen, het visuele vermogen door de sterkst denkbare microscoop zich verhoudt tot het gezichtsvermogen van een halfblinde man: en toch is zelfs dit een heel gebrekkige vergelijking – het verschil is ‘niet uit te drukken in fysieke meeteenheden’. Dat zulke parabrahmische en paranirvanische ‘geesten’, of eenheden, hun goddelijke (niet menselijke) individualiteiten hebben en moeten behouden, blijkt uit het feit dat, hoe lang de ‘nacht van Brahma’ of zelfs de universele pralaya (niet de lokale pralaya die een of andere groep werelden beïnvloedt) ook is, dezelfde individuele goddelijke monade toch, wanneer deze pralaya eindigt, haar majestueuze evolutieweg vervolgt, zij het op een hogere, honderd keer zo volmaakte en zuivere keten van werelden dan voorheen, en de essentie van spiritualiteit uit al haar talloze vroegere wederbelichamingen met zich meebrengt. Men moet bedenken dat spiraalsgewijze evolutie tweeledig is, en het pad van spiritualiteit draait, als een kurkentrekker, in en rond de fysieke, semifysieke, en suprafysieke evolutie. Maar ik word verleid om details te geven die voor een volledige bespreking die ze gezien hun belang verdienen, beter kunnen worden bewaard voor mijn nog te verschijnen boek, De geheime leer.

H.P. Blavatsky


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 467-9
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag