Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Occulte of exacte wetenschap?

[‘Occult or exact science?’, The Theosophist, april 1886, blz. 422-31; mei 1886, blz. 481-94; CW 7:55-90]

1

Ecce signum! Zie de voortekens van een betere toekomst. Dit is de cruciale vraag van de komende eeuw, de vraag die iedere nadenkende, oprechte vader zal stellen met betrekking tot het onderwijs van zijn kinderen in de 20ste eeuw. En laten we er meteen bij zeggen dat met ‘occulte wetenschap’ hier niet het leven van een chela of de strenge discipline van een asceet worden bedoeld, maar eenvoudig de studie van dat wat als enige de sleutel kan verschaffen tot de mysteries van de natuur, en de raadsels van het heelal en van de psychofysieke mens kan onthullen – ook al wil men niet verder gaan dan alleen studie.

Elke nieuwe ontdekking van de moderne wetenschap bevestigt de waarheden van de oude filosofie. De echte occultist kent geen enkel probleem dat de esoterische wetenschap niet kan oplossen, als het op de juiste manier wordt benaderd. De wetenschappelijke instituten van het Westen kunnen nog geen enkel natuurwetenschappelijk verschijnsel tot in zijn diepste essentie doorgronden, of in al zijn aspecten verklaren. De exacte wetenschap slaagt daar niet in – in deze cyclus, om redenen die hierna zullen worden gegeven. Niettemin wordt de trots van deze eeuw, die zich verzet tegen het binnendringen van oude – vooral transcendentale – waarheden in het rijk van de wetenschap, elk jaar onverdraagzamer. Binnenkort zal de wereld haar zich zien verheffen in wolken van zelfgenoegzaamheid als een nieuwe toren van Babel, om misschien te delen in het lot van dat bijbelse monument.

In een recent wetenschappelijk werk over antropologie kan men het volgende lezen: ‘Het is ons dan ten slotte gegeven om de krachten door middel waarvan God te werk zou zijn gegaan, te kennen [?], te begrijpen, te hanteren en te meten. . . . We hebben van elektriciteit onze postbode, van licht een technisch tekenaar, en van affiniteit een industriearbeider, enz., gemaakt.’1 Dit staat in een Frans werk. Iemand die iets weet van de verwarring die heerst in de exacte wetenschap, van de fouten en de dagelijkse bekentenissen van wetenschappers, is na het lezen van zulke pretentieuze beweringen geneigd om met de ontevredenen van de Bijbel uit te roepen: Tradidit mundum ut non sciant. Voorwaar – ‘de wereld werd aan hen toevertrouwd opdat ze haar nooit zouden kennen’.

1. De Mirville, Des esprits, 1863, deel 2, blz. 22. Zie Bulletin de la Société d’Anthropologie, 3de aflevering, blz. 384.

Hoe waarschijnlijk het is dat de wetenschappers in deze richting zullen slagen kan worden afgeleid uit het feit dat de grote Humboldt zelf zulke onjuiste axioma’s als deze kon formuleren: ‘Wetenschap begint voor de mens wanneer zijn denken de stof heeft beteugeld!’1 Het woord ‘geest’ in plaats van ‘stof’ zou misschien een grotere waarheid hebben weergegeven. Maar Renan zou de eerbiedwaardige auteur van Kosmos niet op die manier hebben gecomplimenteerd als de term stof door geest was vervangen.

1. De Mirville, Op.cit., blz. 18. Zie Kosmos, deel 1, blz. 3 en 76 (met dezelfde ideeën).

Ik ben van plan een paar illustraties te geven om te laten zien dat kennis van alleen de stof, met de vroegere ‘onweegbare’ kracht – wat er ook met dit adjectief werd bedoeld in de Franse Academie en de Royal Society op het moment dat het werd bedacht – niet voldoende is voor de doeleinden van echte wetenschap. Het zal ook nooit doeltreffend blijken te zijn om het eenvoudigste verschijnsel te verklaren, zelfs in de objectieve fysieke natuur, laat staan de abnormale gevallen waarvoor fysiologen en biologen op dit moment zoveel interesse tonen. Zoals pater Secchi, de beroemde Romeinse astronoom het in zijn werk uitdrukte: ‘Indien er maar een paar van de nieuwe krachten werden bewezen, dan zou men moeten erkennen dat er in de ruimte entiteiten van een heel andere orde dan die van de zwaartekracht bestaan.’1

1. De Mirville, Op.cit., blz. 31. Zie L’unità delle forze fisiche.

‘Ik heb veel over occultisme gelezen en kabbalistische boeken bestudeerd, maar ik heb er nooit één woord van begrepen!’ – was een opmerking die onlangs werd gemaakt door een geleerde onderzoeker van ‘gedachteoverbrenging’, ‘kleur-geluiden’, enz.

Allicht. Men moet eerst letters leren voordat men kan spellen en lezen, of begrijpen wat men leest.

Zo’n veertig jaar geleden kende ik een kind – een meisje van zeven of acht – dat haar ouders erg bang maakte door te zeggen:

‘Mamma, ik hou van je. Je bent goed en aardig voor me vandaag. Je woorden zijn heel blauw.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg de moeder.

‘Je woorden zijn allemaal blauw – omdat ze zo liefdevol zijn, maar als je me een standje geeft zijn ze rood . . . zo rood! Maar het is nog erger als je in woede uitbarst tegen papa want dan zijn ze oranje . . . afschuwelijk . . . zoals dat . . .’

En het kind wees naar de haard, met een groot laaiend vuur en grote vlammen. De moeder werd bleek.

Daarna hoorde men de kleine paranormaal begaafde vaak geluiden in verband brengen met kleuren. De melodie die door de moeder op de piano werd gespeeld bracht haar in extase; ze zag ‘zulke mooie regenbogen’, legde ze uit, maar als haar tante speelde, was het ‘vuurwerk en sterren, schitterende sterren die alle kanten opschoten – en dan . . . explodeerden . . .’

De ouders werden bang en dachten dat er iets was misgegaan met de hersenen van het kind. De huisarts werd geroepen.

‘Overdreven kinderlijke verbeelding’, zei hij. ‘Onschuldige hallucinaties . . . Laat haar geen thee drinken, en laat haar meer spelen met haar broertjes – met hen vechten, en meer lichaamsbeweging hebben.’

En hij vertrok.

In een grote Russische stad aan de oevers van de Wolga staat een ziekenhuis met daaraan verbonden een psychiatrische inrichting. Een arme vrouw werd daar meer dan twintig jaar opgesloten – in feite tot de dag van haar dood – als een ‘onschuldige’ maar psychisch gestoorde patiënt. Men kon in de patiëntenboeken geen ander bewijs voor haar krankzinnigheid vinden dan het feit dat het gespetter en gekabbel van riviergolven voor haar de prachtigste ‘goddelijke regenbogen’ voortbrachten, maar als ze de stem van de directeur hoorde, zag ze ‘zwart en karmijnrood’ – de kleuren van de Boze.

Ongeveer in diezelfde periode, namelijk in 1840, berichtten de Franse kranten over iets wat op dit verschijnsel lijkt. In die tijd dachten de artsen dat zo’n abnormale toestand van zintuiglijke gewaarwording maar één oorzaak kon hebben; zulke indrukken die zonder enige traceerbare oorzaak werden ervaren, wezen altijd op een onevenwichtige geest – op zwakke hersenen – die de bezitter waarschijnlijk tot waanzin zou brengen. Dat was het decreet van de wetenschap. De standpunten van vrome mensen, gesteund door de bevestiging van dorpspastoors, hadden de neiging de andere kant op te gaan. De hersenen hadden met de ‘obsessie’ niets te maken, want het was eenvoudig het werk of bedrog van de veel belasterde ‘oude heer’ met gespleten voet en glanzende horens. Zowel de geleerden als de bijgelovige ‘goede vrouwen’ hebben hun opvattingen sinds 1840 enigszins moeten wijzigen.

Zelfs in die beginperiode en vóór de ‘Rochester’-golf van spiritisme over een groot deel van de beschaafde wereld in Europa was gespoeld, werd aangetoond dat ditzelfde verschijnsel kan worden voortgebracht door middel van verschillende drugs. Sommige moedige mensen, die niet bang waren voor de beschuldiging van krankzinnigheid, en ook niet voor het onaangename vooruitzicht om als patiënt te worden beschouwd of als slachtoffer van de duivel, deden experimenten en maakten de resultaten openbaar. Een van hen was Théophile Gautier, de beroemde Franse schrijver.

Er zijn maar weinig mensen die vertrouwd zijn met de Franse literatuur van die tijd, en die niet het fascinerende verhaal van die schrijver hebben gelezen waarin hij de dromen van een opium-eter beschrijft. Om de indrukken uit de eerste hand te analyseren nam hij een grote dosis hasjiesj. ‘Mijn gehoor’, schrijft hij, ‘kreeg prachtige vermogens: Ik hoorde de muziek van de bloemen, klanken – groen, rood en blauw – kwamen mijn oren binnen in duidelijk waarneembare golven van geur en kleur. Het omvallen van een tuimelglas, het kraken van een leunstoel, een woord gefluisterd in de laagste tonen trilde en weerklonk in mij als evenzovele donderslagen. Bij de geringste aanraking met voorwerpen – meubels of het menselijk lichaam – hoorde ik lang aanhoudende geluiden, zuchten als de melodieuze trillingen van een eolusharp.’1

1. La Presse, 10 juli 1840.

De vermogens van de menselijke verbeelding zijn ongetwijfeld groot; misleiding en hallucinaties kunnen voor kortere of langere tijd in de gezondste menselijke hersenen worden voortgebracht, hetzij natuurlijk of kunstmatig. Maar natuurverschijnselen die niet behoren tot die ‘abnormale’ categorie bestaan echt, en ze hebben uiteindelijk zelfs wetenschappelijke denkers gefascineerd. Hypnose, gedachteoverbrenging en het prikkelen van de zintuigen – die geleidelijk in elkaar overgaan en hun occulte bestaan in onze wereld van verschijnselen manifesteren – zijn er uiteindelijk in geslaagd om de aandacht van een aantal vooraanstaande wetenschappers te trekken. Onder leiding van de beroemde dr. Charcot, van het Salpêtrière ziekenhuis in Parijs hebben verschillende beroemde wetenschappers de verschijnselen onderzocht – in Frankrijk, Rusland, Engeland, Duitsland en Italië. Al meer dan 15 jaar hebben ze geëxperimenteerd, onderzoek gedaan, theorieën gevormd. En wat is het resultaat? De enige verklaring die wordt gegeven aan het publiek, aan hen die vurig verlangen om bekend te worden met de werkelijke, de essentiële aard van de verschijnselen, met hun voortbrengende oorzaak en ontstaansgeschiedenis – is dat de mediums die deze manifesteren allemaal hysterisch zijn! Ze zijn psychopaten1 en neuroten2 – zo wordt ons verteld – en er ligt geen andere oorzaak ten grondslag aan de eindeloze verscheidenheid van manifestaties dan die van puur fysiologische aard.

1. Een Grieks samengesteld woord bedacht door de Russische medische faculteiten.
2. Van het woord neurose.

Dit ziet er voor het ogenblik bevredigend uit, en – heel hoopvol voor de toekomst.

‘Hysterische hallucinatie’ is blijkbaar gedoemd om de alfa en de omega van elk verschijnsel te worden. Tegelijkertijd definieert de wetenschap het woord ‘hallucinatie’ als ‘een fout van onze zintuigen, die wordt gedeeld door, en (door die fout) wordt opgelegd aan, ons verstand’.1 De hallucinaties van een medium die objectief zijn – het verschijnen van een ‘astraal lichaam’ bijvoorbeeld – zijn niet alleen waarneembaar door het ‘verstand’ van het medium, maar worden eveneens waargenomen door de zintuigen van de toeschouwers. Daarom is de conclusie vanzelfsprekend dat al die getuigen ook hysterisch zijn.

1. Dictionnaire de médecine.

We zien dus dat de wereld het gevaar loopt om tegen het einde van deze eeuw te worden veranderd in één groot gekkenhuis, terwijl het geestelijk gezonde deel van de mensheid alleen uit de geleerde artsen bestaat.

Van alle vraagstukken van de medische filosofie lijkt hallucinatie het moeilijkst op te lossen, het hardnekkigst om uit de weg te ruimen. Dat kan ook haast niet anders, want ze is een van de mysterieuze resultaten van onze tweevoudige natuur, de brug over de kloof die de wereld van de stof scheidt van de wereld van de geest. Alleen zij die bereid zijn om over te steken naar de andere kant kunnen haar begrijpen of zullen het noumenon van haar verschijnselen leren kennen. Een manifestatie is ongetwijfeld heel verontrustend voor iemand die deze voor het eerst ziet. Omdat hallucinatie aan de materialist het scheppende vermogen, de potentie van de geest van de mens, bewijst, en omdat ze voor de geestelijke het ‘wonder’ natuurlijk maakt en zogezegd de eenvoudigste gevolgen van natuurlijke oorzaken bovennatuurlijk maakt, daarom kan nog niet worden geaccepteerd wat hallucinatie werkelijk is. De acceptatie ervan kan de materialist of de gelovige christen nauwelijks worden afgedwongen, omdat de ene even sterk is in zijn ontkenning als de andere in zijn bevestiging. ‘Hallucinatie’, zegt een autoriteit geciteerd door Brierre de Boismont,1 ‘is de reproductie van de stoffelijke manifestatie van een idee.’ Hallucinatie, zo wordt gezegd, houdt geen rekening met leeftijd of verdienste; of, indien een noodlottige ervaring het noemen waard is: ‘een arts die aan haar te veel aandacht zou schenken of haar te lang en te serieus zou bestuderen, kan er zeker van zijn dat hij zijn carrière zal beëindigen in de gelederen van zijn eigen patiënten’.

1. Des hallucinations, 1845, blz. 6.

Dit is nog een bewijs dat ‘hallucinatie’ bijna nooit ‘al te serieus’ werd bestudeerd, want zelfopoffering is niet het meest opvallende kenmerk van deze tijd. Maar als dat zo besmettelijk is, waarom mogen we dan niet de gedurfde en oneerbiedige suggestie doen dat de biologen en fysiologen van de school van dr. Charcot zelf gehallucineerd zijn met het nogal eenzijdige wetenschappelijke denkbeeld dat zulke fenomenale hallucinaties allemaal het gevolg zijn van hysterie?

Hoe dan ook, of er nu sprake is van een collectieve hallucinatie van onze medische lichten of van het onvermogen van het materialistische denken, het eenvoudigste verschijnsel – uit de categorie die door de wetenschappers in het jaar 1885 wordt aanvaard en geverifieerd – blijft door hen even onverklaard als in 1840.

Als we ter wille van de discussie aannemen dat sommige mensen uit het grote publiek uit grote eerbied – die vaak neerkomt op verafgoding – voor de wetenschap en autoriteiten, de uitspraak van wetenschappers aanvaarden dat elk verschijnsel, elke ‘abnormale’ manifestatie, het gevolg is van de streken van epileptische hysterie, wat zal de rest van het publiek dan doen? Zullen ze geloven dat Eglintons uit zichzelf bewegende griffel door eenzelfde soort epilepsieaanval werkt als die van het medium, zelfs al raakt hij de griffel niet aan? Of dat de profetische uitspraken van de zieners, de grote geïnspireerde apostelen van alle tijden en religies, eenvoudig de pathologische gevolgen van hysterie waren? Of ook dat de ‘wonderen’ van de Bijbel, die van Pythagoras, Apollonius en anderen tot dezelfde familie van abnormale manifestaties behoren als de hallucinaties van dr. Charcots Mlle. Alphonsine – of hoe ze ook heet – en haar erotische beschrijvingen en haar poëzie ‘als gevolg van het opzwellen van haar grote darm door gassen’ (sic)?

Die gedachte zal waarschijnlijk stranden. In de eerste plaats zou ‘hallucinatie’ zelf, als ze echt het gevolg van een fysiologische oorzaak is, moeten worden verklaard – maar dat is nooit gebeurd. Als we willekeurig enkele van de honderden door vooraanstaande Franse artsen (we hebben die van de Engelse niet bij de hand) geformuleerde definities nemen, wat komen we dan te weten over ‘hallucinaties?’ We hebben dr. Brierre de Boismonts ‘definitie’, als deze zo kan worden genoemd, al gegeven, en laten we er nu nog een paar bekijken.

Dr. Lélut noemt hallucinatie – ‘een waanzin van de zintuigen of het waarnemingsvermogen’; dr. Chomel – ‘een veel voorkomende illusie van het centrum van gewaarwording’;1 dr. Leuret – ‘een illusie die tussen gewaarwording en begrip in ligt’ (Fragments psychologiques sur la folie); dr. Michéa – ‘een delirium met betrekking tot het waarnemingsvermogen’ (Du délire des sensations); dr. Calmeil – ‘een illusie als gevolg van een kwaadaardige wijziging van het zenuwmerg’ (De la folie, deel 1), enz.2

1. Dictionnaire de médecine.
2. Zie De Mirville, Des esprits, 1863, deel 1, blz. 71vn.

Ik ben bang dat het bovenstaande de wereld niet veel wijzer zal maken dan ze is. Ik denk dat de theosofen er goed aan zouden doen zich te houden aan de oude definitie van hallucinaties (theophania)1 en waanzin, zo’n 2000 jaar geleden gegeven door Plato, Vergilius, Hippocrates, Galenus en de medische en theologische scholen van de oudheid. ‘Er zijn twee soorten waanzin, één daarvan wordt voortgebracht door het lichaam, de ander wordt naar ons gestuurd door de goden.’

1. Contact met de goden. [Vert.: letterlijk: het verschijnen van een god of goden.]

Ongeveer tien jaar geleden, toen Isis ontsluierd werd geschreven, was het belangrijkste waarop dat boek zich richtte het aantonen van het volgende: (a) het werkelijke bestaan van het occulte in de natuur; (b) er zijn ‘bepaalde mensen’ die grondige kennis hebben van en vertrouwd zijn met al deze occulte gebieden en die deze kunnen beheersen; (c) er is nauwelijks een kunst of wetenschap bekend in onze tijd, die in de Veda’s niet wordt genoemd, en (d) dat de Indo-Europeanen van de pre-mahabharata periode van honderden dingen op de hoogte waren, vooral mysteries van de natuur – in abscondito zoals de alchemisten het noemden – waarover wij, de moderne wijzen van de 19de eeuw, niets weten.

Hiervoor is nu nieuw bewijsmateriaal. Het komt voort uit recent onderzoek in Frankrijk door geleerde ‘specialisten’ (?) naar het verwisselen van kleur en geluid, ‘muzikale impressies’ en kleurimpressies door hun neuroten en psychopaten.

Dit bijzondere verschijnsel werd voor het eerst onderzocht in Oostenrijk in 1873 door dr. Nüssbaumer. Na hem werd het in Duitsland serieus onderzocht door Bleuler en Lehmann, in Italië door Velardi, Bareggi en enkele anderen, en het werd onlangs nog bestudeerd door dr. Pedrono uit Frankrijk. De meest interessante verslagen van kleur-klank-verschijnselen kunnen echter worden gevonden in La nature,1 in een artikel van A. de Rochas die experimenteerde met een man die hij MHP noemt.

1. Nr. 620, 18 april 1885, blz. 306-7, en nr. 626, 30 mei 1885, blz. 406-8.

Het volgende is een korte samenvatting van zijn ervaring.

MHP is een man van ongeveer 57 jaar oud, een advocaat van beroep, die nu in een van de landelijke buitenwijken van Parijs woont, een gepassioneerd liefhebber van de natuurwetenschappen die hij heel serieus heeft bestudeerd, dol op muziek, hoewel zelf geen musicus, een groot reiziger en een even groot talenkenner. MHP had nog nooit iets gelezen over dat eigenaardige verschijnsel waardoor sommige mensen geluid in verband brengen met kleur, maar kende dit zelf vanaf zijn jeugd. Allerlei soorten geluiden riepen bij hem altijd kleuren op. Zo leidt het uitspreken van de klinkers in zijn hersenen tot de volgende resultaten: – De letter A – is voor hem donkerrood, E – wit, I – zwart; O – geel; U – blauw. De tweeklanken: Ai – kastanjebruin; Ei – grijsachtig wit; Eu – lichtblauw; Oi – vaalgeel; Ou – geelachtig. De medeklinkers zijn bijna allemaal donkergrijs van kleur, terwijl een klinker of een tweeklank die met een medeklinker een lettergreep vormt, die lettergreep een eigen tint geven. Zo zijn ba, ca, da allemaal roodgrijs van kleur; bi, ci, di askleurig; bo, co, do geelgrijs, enz. Een S aan het eind van een woord en op een sissende manier uitgesproken, zoals in de Spaanse woorden los campos, geeft aan de lettergreep die eraan voorafgaat een metaalachtige glans. De kleur van het woord hangt dus af van de kleur van de letters die het samenstellen, zodat menselijke spraak aan MHP verschijnt in de vorm van veelkleurige of bont geschakeerde linten die uit de mond van mensen komen en waarvan de kleuren worden bepaald door die van de klinkers in de zinnen, van elkaar gescheiden door de grijze strepen van de medeklinkers.

Elk van de talen krijgt op haar beurt een eigen kleur door de letters die daarin overheersen. Bijvoorbeeld, het Duits, dat wemelt van de medeklinkers, geeft over het geheel de indruk van een donkergrijs mos; het Frans schijnt grijs te zijn, sterk vermengd met wit; het Engels lijkt bijna zwart; Spaans is heel kleurrijk met vooral gele en karmijnrode tinten; het Italiaans is geel, overgaand in karmijn en zwart, maar met meer verfijnde en harmonieuze tinten dan het Spaans.

Een lage stem roept bij MHP een donkerrode kleur op, die geleidelijk overgaat in een chocoladetint, terwijl een schelle, sonore stem een blauwe kleur oproept, en een stem tussen deze twee uitersten verandert deze kleuren meteen in heel licht geel.

De geluiden van instrumenten hebben ook hun onmiskenbare en specifieke kleuren: de piano en de fluit doen denken aan allerlei tinten blauw, de viool – zwart, en de gitaar – zilvergrijs, enz.

De namen van muzieknoten hebben, als ze luid worden uitgesproken, eenzelfde invloed op MHP als die van woorden. De kleuren van een zangstem en muziekinstrumenten hangen af van de stem en van het bereik en de hoogte ervan, en van het instrument waarop wordt gespeeld.

Zo is het ook met cijfers die mondeling worden uitgesproken, maar als ze mentaal worden gelezen, weerspiegelen ze voor hem de kleur van de inkt waarmee ze zijn geschreven of gedrukt. De vorm heeft dus niets te maken met zulke kleurverschijnselen. Terwijl deze indrukken in het algemeen niet buiten hemzelf plaatsvinden, maar zich, zogezegd, afspelen op het gebied van zijn hersenen, zijn er andere mediums die veel vreemdere verschijnselen te zien geven dan MHP.

Naast het interessante hoofdstuk van Galton over dit onderwerp, in zijn Inquiries into human faculty and its development, vinden we in de London Medical Record een medium dat zijn indrukken op de volgende manier beschrijft: ‘Zodra ik de geluiden van een gitaar hoor, zie ik trillende snaren, omgeven door gekleurde dampen.’ Een piano brengt hetzelfde voort: ‘gekleurde beelden beginnen over de toetsen te zweven’. Een van dr. Pedrono’s proefpersonen in Parijs1 heeft altijd kleurindrukken buiten zichzelf. ‘Telkens wanneer ik een uit verschillende stemmen bestaand koor hoor,’ zegt hij, ‘dan voel ik een groot aantal gekleurde punten zweven boven de hoofden van de zangers. Ik voel ze, want mijn oog ontvangt geen duidelijke indruk; niettemin ben ik genoodzaakt om ernaar te kijken, en terwijl ik ze onderzoek ben ik verbijsterd, want ik kan die fel gekleurde vlekken niet vinden waar ik naar ze kijk, of beter gezegd waar ik ze voel.’

1. Annales d’oculistique, november en december 1882, Journal de médicine de l’ouest, 4de trimester, 1882.

Omgekeerd zijn er mediums bij wie de aanblik van kleuren onmiddellijk die van geluiden oproept, en weer anderen bij wie een drievoudig verschijnsel wordt voortgebracht door één specifiek zintuig dat twee andere zintuigen prikkelt. Er is een medium dat niet naar een fanfarekorps kan luisteren zonder tijdens de uitvoering een smaak ‘als van koper in de mond’ te krijgen, en donkere gouden wolken te zien.

De wetenschap onderzoekt zulke manifestaties, erkent hun werkelijkheid, en blijft machteloos om ze te verklaren. ‘Neurose en hysterie’ is het enige antwoord dat we krijgen, en de ‘honden-hallucinaties’ van de Franse academici geciteerd in Isis, gelden tot op de dag van vandaag als een verklaring, of een universele oplossing, voor al deze verschijnselen. Per slot van rekening is het alleen maar natuurlijk dat de wetenschap dit specifieke verschijnsel van licht en geluid niet kan verklaren, omdat haar lichttheorie zelf nooit volledig is geverifieerd, en tot op de dag van vandaag nog niet is afgerond.

Laten onze wetenschappelijke tegenstanders dan nog een tijdje langer ‘blindemannetje’ spelen te midden van verschijnselen, zonder enige andere grond om op te staan dan hun eeuwige fysiologische hypothesen. Het duurt misschien niet lang meer voordat ze gedwongen zullen worden om hun tactiek te veranderen of – te erkennen dat ze zelfs door zulke elementaire verschijnselen als hierboven zijn beschreven, zijn verslagen. Maar, ongeacht wat de fysiologen al of niet zullen zeggen of doen, wat hun wetenschappelijke verklaringen, hypothesen en conclusies nu of in de toekomst ook zijn, de tegenwoordige verschijnselen grijpen voor hun werkelijke verklaring snel terug op de oude Veda’s, en andere ‘heilige boeken uit het Oosten. Want het is gemakkelijk om aan te tonen dat de vedische Indo-Europeanen goed bekend waren met al deze mysteries van geluid en kleur. Mentale wisselwerking tussen de twee zintuigen van het ‘gezicht’ en het ‘gehoor’ kwam in hun tijd even vaak voor als een mens die in onze tijd objectieve dingen voor zich ziet, met zijn ogen wijd open op het middaguur.

Elke onderzoeker van het occultisme, ook de jongste chela die net is begonnen om zijn Veda’s esoterisch te lezen, kan vermoeden wat dit echte verschijnsel betekent; eenvoudig – een cyclische terugkeer van menselijke organismen naar haar primitieve vorm tijdens het 3de en zelfs het 4de wortelras uit de zogeheten antediluviale perioden. Alles draagt ertoe bij om dit te bewijzen, zelfs de studie van zulke exacte wetenschappen als de filologie en de vergelijkende mythologie. Sinds de grijze oudheid, sinds het ontstaan van de grote beschavingen van die rassen die aan ons vijfde ras voorafgingen, en waarvan de sporen nu op de bodem van de oceanen begraven liggen, was dit feit bekend. Dat wat nu als een abnormaal verschijnsel wordt beschouwd, was naar alle waarschijnlijkheid de normale toestand van de antediluviale mensheid. Dit zijn geen ijdele woorden, want hier zijn twee van de vele bewijzen.

Op basis van de overvloedige gegevens die door taalkundig onderzoek zijn verkregen, laten filologen van zich horen en wijzen op enkele veel te denken gevende, maar nog onverklaarde feiten. (1) Alle woorden die verwijzen naar menselijke voorstellingen en denkbeelden van licht en geluid blijken afgeleid te zijn van dezelfde wortels.1 (2) De mythologie laat op haar beurt de duidelijke wet zien – waarvan de uniformiteit toeval uitsluit – die de oude kenners van de symboliek ertoe bracht om al hun zonnegoden en stralende goden – zoals de Dageraad, de Zon, Aurora, Phoebus, Apollo, enz. – weer te geven in een of ander verband met muziek en zang – kortom met geluid – verenigd met lichtstralen en kleur.2

1. Voyevodsky, Introduction à la mythologie de l’Odyssée.
2. D.N. Ovsyaniko-Kulikovsky, Essay on the Bacchic Cults of the Indo-European antiquity, etc.

Al is dit nu nog maar een conclusie, er bestaat een nog beter bewijs in de Veda’s, want daar zijn de denkbeelden van de woorden ‘geluid’ en ‘licht’, ‘horen’ en ‘zien’, altijd met elkaar verbonden. In de Rig-Veda (10:71:4) lezen we: ‘Hoewel de ene kijkt, ziet hij de gesproken woorden niet, en terwijl de ander kijkt, hoort hij ze niet.’ En opnieuw in vers 7, waarin een groep vrienden wordt beschreven die elkaar bij het zingen proberen te overtreffen, en ze twee kenmerkende benamingen krijgen die naast elkaar staan: Akshavanta en Karnavanta, of ‘iemand met ogen’ en ‘iemand met oren’. Laatstgenoemde is verklaarbaar – de zanger heeft een goed oor voor muziek, en de benaming is begrijpelijk in het licht van de muzikale wedijver. Maar welke bedoeling kan de Akshavanta in dit geval hebben, met zijn goede ogen, tenzij er een verband en een betekenis in besloten liggen die niet worden uitgelegd, omdat de hymne waarschijnlijk verwijst naar tijden toen gezicht en gehoor synonieme termen waren? Bovendien vertelt een filoloog, een opkomende oriëntalist,1 ons dat ‘de Sanskriet werkwoordswortel arch wordt gebruikt om twee betekenissen aan te duiden: (a) ‘zingen’, en (b) ‘schijnen’, stralen uitzenden. De zelfstandige naamwoorden rich en archis, afgeleid van de wortel arch, worden gebruikt om (1) lied, lofzang, en (2) glans, straal, zon, mee aan te duiden. . . . Volgens de Ouden kon de spraak worden gezien’, legt hij uit.

1. Prof. Ovsyaniko-Kulikovsky, de schrijver van Essay on the Bacchic Cults, etc.

Wat heeft de esoterische leer – dat universele oplosmiddel voor alle wetenschappelijke problemen en puzzels – hierover te zeggen? Deze stuurt ons naar het hoofdstuk over de evolutie van de rassen, waarin wordt beschreven dat de primitieve mens in zijn specifieke evolutie op het fysieke gebied vooruitgaat door het ontwikkelen van een zintuig in elk opeenvolgend onderras (waarvan er zeven zijn) van het 1ste wortelras tijdens de 4de ronde op deze bol.1 De menselijke spraak, zoals wij die kennen, ontstond in het wortelras dat aan het onze voorafging – het vierde of ‘Atlantische’ – aan het begin daarvan, in onderras nr. 1; en tegelijkertijd werd het gezicht ontwikkeld – als een fysiek zintuig – terwijl de vier andere zintuigen (met de twee toegevoegde – het 6de en 7de – waarvan de wetenschap nog niets afweet) – als fysieke zintuigen in hun latente, onontwikkelde toestand bleven, hoewel ze als spirituele vermogens volledig ontwikkeld waren.

1. Zie Esoteric Buddhism – voor de ronden, wereldperioden, en onderrassen. Het hoofdstuk waarnaar wordt verwezen zal verschijnen in De geheime leer, die binnenkort zal worden gepubliceerd.

Ons gehoor ontwikkelde zich pas in het 3de onderras. Dus al was de menselijke ‘spraak’ – door het ontbreken van het gehoor – in het begin nog minder dan wat we gefluister zouden noemen, want het was hoofdzakelijk een mentale articulatie van klanken, zoiets als het systeem dat nu is uitgewerkt voor doven, toch is het gemakkelijk om te begrijpen dat ‘spraak’, zelfs vanaf die begintijd, in verband werd gebracht met het gezichtsvermogen. Met andere woorden, mensen konden elkaar begrijpen en met elkaar praten uitsluitend met behulp van het gezichtsvermogen en door aanraking. ‘Geluid wordt gezien voordat het wordt gehoord’, zegt het Boek van Kiu-te. De bliksemflits gaat vooraf aan de donderslag. Terwijl de eeuwen voortschreden, daalde de mensheid met elke nieuwe generatie verder af in de stof, en het fysieke verstikte het spirituele, totdat het hele stel zintuigen – dat zich tijdens de eerste drie wortelrassen had gevormd, op één zintuig na, namelijk spirituele gewaarwording – zich uiteindelijk van elkaar scheidden om voortaan vijf afzonderlijke zintuigen te vormen.

Maar we zijn in het 5de ras, en we zijn het keerpunt van onze ‘onderras-cyclus’ al gepasseerd. Uiteindelijk zal deze mensheid, zoals de huidige verschijnselen en de toename van ontvankelijke entiteiten in onze tijd aantonen, zich snel bewegen op het pad van zuivere spiritualiteit, en zal de top (van ons ras) bereiken aan het einde van het 7de onderras. In duidelijker en vollediger taal – helaas alleen voor sommige theosofen duidelijker en vollediger – zullen we, in die periode, op hetzelfde niveau van spiritualiteit zijn dat hoorde bij, en natuurlijk was in, het 1ste onderras van het 3de wortelras van de vierde ronde; en de tweede helft ervan (of de helft waarin we ons nu bevinden) zal, als gevolg van de wet van overeenkomsten, vergelijkbaar zijn met de eerste helft van de derde ronde.

In de woorden van iemand in wie waarheid en wijsheid leven – hoe vaak zijn woorden ook verkeerd zijn begrepen en bekritiseerd, niet alleen door buitenstaanders, maar zelfs door sommige theosofen – ‘in de 1ste helft van de 3de ronde werd de oorspronkelijke spiritualiteit van de mens verduisterd, want ze werd overschaduwd door het opkomende denkvermogen’; de mensheid was op haar neergaande boog in de eerste helft van die ronde, en in de tweede helft op haar opgaande boog: d.w.z. ‘zijn (van de mens) reuzengestalte was kleiner geworden en zijn lichaam kreeg meer structuur, en hij was verstandelijker geworden, hoewel nog steeds meer een aap dan een deva-mens’.1 En, als dat zo is, dan moeten we volgens diezelfde wet van overeenkomsten – een onveranderlijke wet in het stelsel van cyclussen – het volgende daaruit afleiden: dat de tweede helft van onze ronde – die blijkt overeen te komen met de 1ste helft van de 3de – al moet zijn begonnen om opnieuw te worden overschaduwd door een opkomende ‘oorspronkelijke’ spiritualiteit, die aan het einde van de 4de ronde ons huidige denken – in de zin van de kille menselijke rede – bijna zal hebben overschaduwd.

1. Noot vert.: Zie De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, TUPA, 1979, brief 14, blz. 96.

Volgens het principe van diezelfde wet van overeenkomsten – zoals in de aangekondigde Geheime leer zal worden aangegeven en uitvoerig worden toegelicht – zal de beschaafde mensheid binnenkort beginnen om te laten zien dat ze, hoewel minder ‘rationeel’ op werelds gebied, in ieder geval meer deva-achtig is dan ‘aapachtig’ – zoals we nu in feite zijn, en wel in verontrustende mate.

Ik besluit met de opmerking dat, omdat onze natuurlijke en nog steeds ‘aapachtige’ neigingen ons individueel en collectief bang maken om door de publieke opinie uit dat gebied te worden geworpen waar alle kleinere lichamen worden aangetrokken naar de lichtbron van ons maatschappelijk zonnestelsel (de wetenschap en haar gezag), iets moet worden gedaan om in zo’n rampzalige stand van zaken verbetering te brengen. Ik stel daarom voor om in deel 2 van dit artikel te laten zien dat, omdat we nog maar in het 5de onderras van het ouderras zijn, en niemand van ons zal leven om het 7de te zien – wanneer alles vanzelf duidelijk zal worden – we onze hoop beter niet op de wetenschap kunnen vestigen, hetzij orthodox of halfketters.

Wetenschappers kunnen de wereld niet helpen om de achterliggende oorzaken van verschijnselen te begrijpen, en ze zullen die in deze cyclus nog enige tijd niet kunnen verklaren, zelfs niet aan zichzelf. Ze kunnen ze niet begrijpen of verklaren, net zomin als iemand anders dat kan die het occultisme en de verborgen wetten die de natuur en de mensheid beheersen, niet heeft bestudeerd. Wetenschappers zijn in dit geval hulpeloos, en het is onrechtvaardig hen te beschuldigen van kwade opzet, of zelfs van onwil – zoals vaak is gedaan. Hun rationaliteit (in dit geval opgevat in de zin van intellectualiteit, niet van de rede) maakt het onmogelijk dat ze hun aandacht richten op occult onderzoek. Daarom is het zinloos om van de geleerden van onze tijd iets te eisen of te verwachten wat ze voor ons absoluut niet kunnen doen, tot de volgende cyclus hun innerlijke natuur volledig verandert en transformeert door ‘de structuur’ van hun spirituele denkvermogens te verbeteren.

2

Er is al opgemerkt dat noch de medische faculteiten, noch de wetenschappelijke instellingen van de natuurkundigen, ooit het primum mobile of de achterliggende oorzaak van het eenvoudigste verschijnsel zouden kunnen uitleggen, afgezien van zuiver fysiologische oorzaken, en dat, tenzij ze het occultisme te hulp roepen, ze in het stof zouden moeten bijten nog voor de 20ste eeuw erg oud was.

Dit lijkt een gedurfde uitspraak. Niettemin wordt ze volledig bevestigd door die van bepaalde medische beroemdheden: dat er geen verschijnsel mogelijk is zonder fysiologische en puur fysieke oorzaken. Ze zouden deze bewering kunnen omkeren en zeggen dat geen enkel definitief onderzoek mogelijk is als er alleen naar fysiologische en fysieke oorzaken wordt gekeken. Dat zou juist zijn. Ze zouden eraan kunnen toevoegen dat ze, als exacte wetenschappers, geen andere onderzoeksmethoden kunnen gebruiken. Wanneer ze hun experimenten tot een bepaalde grens hebben uitgevoerd, zullen ze dus stoppen en verklaren dat hun taak is volbracht. Dan zouden de verschijnselen kunnen worden overgedragen aan transcendentalisten en filosofen om erover te speculeren.

Als ze in zo’n geest van oprechtheid hadden gesproken, dan zou niemand het recht hebben om te zeggen dat ze hun plicht niet hebben gedaan, want ze zouden onder de omstandigheden het best mogelijke hebben gedaan, en, zoals dadelijk zal worden aangetoond, meer konden ze niet doen. Maar op dit moment belemmeren de neurologen slechts de vooruitgang van echte psychologische kennis. Als er geen opening is, hoe klein ook, om een straal door te laten van het hoger zelf van een mens om de duisternis van puur stoffelijke opvattingen uit zijn denken te verjagen, en te vervangen door licht van een bestaansgebied dat aan de gewone zintuigen geheel onbekend is, kan zijn taak nooit tot een succesvol einde worden gebracht. En omdat in al deze abnormale gevallen – om zich aan zowel onze fysieke als spirituele zintuigen te kunnen manifesteren, met andere woorden, objectief te worden – de voortbrengende oorzaken ervan altijd de twee sferen of gebieden van het bestaan, het fysieke en het spirituele, met elkaar moeten verbinden, is het volkomen begrijpelijk dat een materialist alleen die waarneemt waarmee hij vertrouwd is, en blind blijft voor alle andere.

Het volgende voorbeeld zal dit aan elke nadenkende lezer duidelijk maken.

Wanneer we spreken over licht, warmte en geluid, enz., wat bedoelen we dan? Elk van deze natuurverschijnselen bestaat op zichzelf. Maar voor ons is het geen wezen onafhankelijk van onze zintuigen, en bestaat het alleen in die mate waarin het wordt waargenomen door een zintuig in ons dat ermee overeenstemt. Zonder in het minst doof of blind te zijn, beschikken sommige mensen over een veel minder scherp gehoor en gezicht dan hun medemensen, en het is een bekend feit dat onze zintuigen evenals onze spieren door systematische oefening kunnen worden ontwikkeld en getraind. Het is een oude waarheid dat de zon een oog nodig heeft om zijn licht te manifesteren; en hoewel de zonne-energie vanaf de eerste trilling van ons manvantara bestaat en zal blijven bestaan tot de eerste dodelijke adem van pralaya, toch zou, als een bepaald deel van die energie niet die wijzigingen in ons teweegbracht die we waarneming van licht noemen, de kosmos een Egyptische duisternis zijn, en zouden we het bestaan van de zon moeten ontkennen. Wetenschap maakt een onderscheid tussen de twee energieën – die van warmte en die van licht. Maar dezelfde wetenschap leert ons dat een schepsel, of wezen, waarin overeenkomstige uiterlijke invloeden een homogene wijziging zouden veroorzaken, geen verschil kon vinden tussen warmte en licht. En anderzijds dat een schepsel, of wezen, waarin de donkere stralen van het zonnespectrum de wijzigingen zouden oproepen die in ons door de heldere stralen worden teweeggebracht, daar licht zou zien waar wij helemaal niets zagen.

A. Butlerov, een professor in de scheikunde en een vooraanstaand wetenschapper, geeft ons veel voorbeelden van het bovenstaande. Hij wijst op de opmerkingen van Sir John Lubbock over het gevoel voor kleuren bij mieren. Door die bekende wetenschapper werd ontdekt dat mieren niet toestaan dat hun eieren aan licht blootgesteld blijven, en ze deze onmiddellijk uit een door de zon verlichte plek wegvoeren naar een donkere plaats. Maar toen een straal met rood licht op die eieren (de larven) werd gericht, lieten de mieren ze onaangeroerd alsof ze in volledige duisternis lagen: het maakt hen niet uit of ze hun eieren in rood licht of in diepe duisternis neerleggen. Rood licht bestaat niet voor hen; omdat ze het niet zien, is het voor hen duisternis. Heldere stralen maken op hen een zeer zwakke indruk, vooral die welke het dichtst bij rood liggen – de oranje en gele. Voor licht- en donkerblauwe en violette stralen, daarentegen, schijnen ze erg gevoelig te zijn. Wanneer hun nesten deels met violette en deels met rode stralen worden verlicht, dragen ze hun eieren onmiddellijk van het violette naar het rode gebied. Voor de mier is de violette straal dus de helderste van alle stralen van het spectrum. Hun gevoel voor kleur is dus precies tegenovergesteld aan dat van de mens.

Maar dit contrast wordt nog versterkt door een ander feit. Naast de lichtstralen bevat het zonnespectrum, zoals iedereen weet, de zogenaamde warmtestralen (infrarood) en ultraviolette stralen. We kunnen deze stralen niet zien, en noemen beide donkere stralen, terwijl mieren ze duidelijk kunnen zien. Want, zodra hun eieren worden blootgesteld aan die donkere stralen, slepen de mieren ze van dat (voor ons) donkere gebied naar het gebied dat door rode stralen wordt verlicht; voor hen is de ultraviolette straal dus eenvoudig violet. Daarom zegt de professor

Dankzij deze bijzondere eigenschap moeten voorwerpen die door mieren worden gezien zich aan hen heel anders voordoen dan aan ons; die insecten zien in de natuur kennelijk tinten en kleuren waarvan wij geen enkel idee hebben, noch kunnen hebben. Stel dat er in de natuur voorwerpen bestaan die alle stralen van het zonnespectrum zouden opslokken, en alleen de ultraviolette stralen terugkaatsen; deze voorwerpen zouden voor ons onzichtbaar blijven, terwijl mieren ze heel goed zouden waarnemen.

En laat de lezer zich nu het volgende voorstellen: dat er voor de vermogens van de mens een mogelijkheid bestaat om, met behulp van geheime wetenschappen, ten eerste een ‘voorwerp’ (noem het zo u wilt een talisman) te maken dat de stralen van het ‘zonnespectrum’ langer of korter op een gegeven punt kan vasthouden, waardoor de manipulator ervan voor iedereen onzichtbaar kan blijven, omdat hij zich binnen de grenzen van de ultraviolette of ‘donkere’ stralen plaatst en houdt; en ten tweede – het proces om te keren en in staat te zijn om met behulp van die donkere stralen in de natuur dat te zien wat gewone mensen die niet over zo’n ‘talisman’ beschikken, met hun normale, blote oog nooit kunnen zien! Dit kan een eenvoudige veronderstelling zijn, of een heel serieuze bewering, voor zover wetenschappers weten. Ze protesteren alleen tegen dat wat bovennatuurlijk zou zijn, boven of buiten hun natuur; ze hebben niet het recht om bezwaar te maken tegen het aanvaarden van het bovenzinnelijke, als dat wordt aangetoond binnen de grenzen van onze zintuiglijke wereld.

Hetzelfde geldt in de geluidsleer. Talrijke waarnemingen hebben aangetoond dat mieren volledig doof zijn voor de geluiden die wij horen, maar dat is geen reden om te veronderstellen dat mieren doof zijn. Integendeel, op basis van talrijke waarnemingen denkt dezelfde wetenschapper dat het nodig is om aan te nemen dat mieren geluiden kunnen horen, ‘maar niet die welke voor ons waarneembaar zijn’.

Elk gehoororgaan is gevoelig voor trillingen van een bepaalde snelheid, maar voor verschillende wezens kan het heel goed zijn dat het spectrum van die snelheden niet overeenstemt. En dat is niet alleen het geval voor dieren die veel van ons mensen verschillen, maar ook voor stervelingen met een bijzonder gestel – abnormaal zoals ze worden genoemd – hetzij van nature, of door training.1 Ons gewone oor, bijvoorbeeld, is ongevoelig voor trillingen sneller dan 38.000 per seconde, terwijl niet alleen het gehoororgaan van mieren maar ook dat van sommige stervelingen – die weten hoe ze het trommelvlies tegen beschadigingen moeten beschermen, en hoe ze bepaalde wisselwerkingen in de ether kunnen veroorzaken – heel gevoelig kan zijn voor trillingen die veel sneller zijn dan 38.000 per seconde. Door zo’n gehoororgaan – abnormaal alleen volgens de beperkingen van de exacte wetenschap – kan de bezitter ervan, mens of mier, dus geluiden en melodieën horen waarvan het gewone trommelvlies geen indruk geeft. ‘Daar waar voor onze zintuigen doodse stilte heerst, kunnen duizenden van de meest gevarieerde en vreemde geluiden het gehoor van mieren strelen’, zegt prof. Butlerov,2 die Lubbock citeert; ‘en deze kleine, intelligente insecten kunnen ons dus met evenveel recht beschouwen als doof en totaal niet in staat om van de muziek van de natuur te genieten, zoals wij hen beschouwen alleen omdat ze niet reageren op het geluid van een kanon, menselijk geschreeuw, gefluit, enz.’

1. Het voorbeeld van Indiërs in Kashmir, vooral meisjes die sjaals maken, wordt in Isis (1:288) genoemd. Ze kunnen 300 tinten méér onderscheiden dan Europeanen.
2. Scientific Letters, 10.

Bovengenoemde gevallen maken voldoende duidelijk dat de kennis van een wetenschapper niet alles omvat wat in de natuur bestaat en daarin kan worden gevonden. Zelfs als we er geen andere gebieden en planeten bij halen, en strikt binnen de grenzen van onze bol blijven, wordt duidelijk dat er daarin duizenden en duizenden voor de gewone menselijke zintuigen onzichtbare, onhoorbare en ontastbare dingen bestaan. Maar laten we, alleen ter wille van de redenering, aannemen dat er – afgezien van het bovennatuurlijke – misschien een wetenschap bestaat die stervelingen iets onderwijst wat bovenzinnelijke scheikunde en natuurkunde kan worden genoemd, in duidelijker taal – alchemie en de metafysica van de concrete niet de abstracte natuur, en elke moeilijkheid zal zijn weggenomen. Want, zoals die professor beweert:

Als we daar licht zien waar een ander wezen in de duisternis is gedompeld; en daar niets zien waar het de werking van lichtgolven ervaart; als we één soort geluiden horen en doof blijven voor een ander soort geluiden die niettemin door een klein insect worden gehoord – is het dan niet zonneklaar dat niet de natuur, in haar oorspronkelijke zuiverheid, onderwerp is van onze wetenschap en haar analyse, maar eenvoudig die wijzigingen, gevoelens en waarnemingen die ze in ons wakker roept? Alleen in overeenstemming met deze wijzigingen kunnen we onze conclusies trekken over uiterlijke dingen en werkingen van de natuur, en op die manier voor onszelf het beeld van de wereld om ons heen vormen. Hetzelfde geldt voor ieder ‘eindig’ wezen: ieder beoordeelt de uiterlijke wereld alleen door de wijzigingen die in hem (of het) optreden als gevolg van die uiterlijke wereld.

En dit, denken we, is het geval voor een materialist: hij kan paranormale verschijnselen alleen beoordelen op basis van hun uiterlijke aspect, en er treedt geen wijziging in hem op, en dat zal ook nooit kunnen gebeuren, waardoor hij inzicht verkrijgt in de spirituele aspecten ervan. Ondanks de sterke positie van die verschillende vooraanstaande wetenschappers, die overtuigd zijn geraakt van de werkelijkheid van ‘spiritistische’ verschijnselen, en spiritisten zijn geworden; ondanks dat zij – zoals prof. Wallace, Hare, Zöllner, Wagner en Butlerov – alle argumenten naar voren hebben gebracht die ze met hun grote kennis konden bedenken – zijn hun tegenstanders hun tot nu toe altijd de baas gebleven. Sommigen van deze ontkennen niet dat er paranormale verschijnselen plaatsvinden, maar volgens hen is het belangrijkste geschilpunt tussen de transcendentalisten van het spiritisme en de materialisten eenvoudig de aard van de kracht die optreedt, de oorsprong van die kracht. Ze leggen de nadruk op dit punt: de spiritisten zijn niet in staat te bewijzen dat deze werking afkomstig is van intelligente geesten van overleden mensen, ‘zodanig dat wordt voldaan aan de eisen van de exacte wetenschap, of van het ongelovige publiek’. En, vanuit dit standpunt gezien, is hun positie onaantastbaar.

De theosofische lezer zal gemakkelijk inzien dat het geen verschil maakt of de ontkenning alleen geldt voor pure ‘geest’ of voor die van elk ander intelligent wezen, hetzij een mens of lager of hoger dan een mens, of zelfs voor een kracht, als deze onbekend is aan de wetenschap en door haar bij voorbaat wordt verworpen. Want ze probeert zulke manifestaties juist te beperken tot alleen die krachten die binnen het domein van de natuurwetenschap liggen. Kortom, ze verwerpt botweg de mogelijkheid om wiskundig aan te tonen dat ze zijn wat de spiritisten beweren dat ze zijn, en houdt vol dat ze al zijn verklaard.

Het wordt daarom duidelijk dat een theosoof, of beter gezegd een occultist, zal ontdekken dat zijn positie ten opzichte van de moderne wetenschap veel moeilijker is dan die voor een spiritist ooit kan zijn. Want de meeste wetenschappers zijn niet gekant tegen de verschijnselen zelf, maar tegen de aard van de kracht die daarbij aan het werk zou zijn. Terwijl in het geval van ‘spiritistische’ verschijnselen de spiritisten alleen de materialisten tegen zich hebben, is dat voor ons niet het geval. De theorie van de ‘geesten’ hoeft slechts te strijden met degenen die niet geloven in het voortbestaan van de menselijke ziel. Het occultisme komt in opstand tegen het hele legioen van academies; want, terwijl het elke soort ‘geesten’, goed, slecht en neutraal, op de tweede plaats, zo niet volledig op de achtergrond, zet, durft het enkele van de meest essentiële wetenschappelijke dogma’s te ontkennen; en in dit geval zijn de idealisten en de materialisten van de wetenschap even verontwaardigd, want hoezeer hun persoonlijke opvattingen ook verschillen, ze verdedigen dezelfde zaak. Er is maar één wetenschap, ook al zijn er twee verschillende scholen – de idealistische en de materialistische; en beide worden bij wetenschappelijke vraagstukken als even gezaghebbend en orthodox beschouwd. Weinigen onder ons die riepen om een wetenschappelijke mening over het occultisme, hebben hieraan gedacht, of het belang ervan in dit opzicht beseft. De wetenschap kan zich, tenzij ze volledig wordt geherstructureerd, niet bezighouden met occulte leringen. Telkens wanneer occulte verschijnselen worden onderzocht volgens de methoden van de moderne wetenschap, blijken ze tien keer zo moeilijk te verklaren als die van de spiritisten.

Na bijna tien jaar de argumenten van veel geleerde tegenstanders die voor en tegen verschijnselen streden, te hebben gevolgd, wordt nu een poging gedaan om het vraagstuk eerlijk aan de theosofen voor te leggen. Het is aan hen, nadat ze wat ik te zeggen heb helemaal hebben gelezen, om hun eigen inzicht te gebruiken, en te besluiten of er voor ons een greintje hoop kan blijven bestaan dat in die kringen daadwerkelijke hulp kan worden verkregen, of in ieder geval onbevooroordeeld naar het standpunt van de occulte wetenschap kan worden geluisterd. Van geen van hun leden hoeft u zoiets te verwachten – zeg ik – zelfs niet van hen die door hun inzicht zijn gedwongen om de werkelijkheid van mediamieke verschijnselen te aanvaarden.

Dit is volkomen begrijpelijk. Wat ze ook zijn, ze zijn in de eerste plaats hedendaagse wetenschappers meer nog dan spiritisten, en in ieder geval een aantal van hen, zo niet allemaal, zou liever hun betrekkingen met, en het geloof in, mediums en geesten opgeven, dan een paar grote dogma’s van de orthodoxe, exacte wetenschap. En ze zouden veel van deze dogma’s moeten opgeven als ze occultisten willen worden en de drempel van het mysterie in een juiste geest van onderzoek willen naderen.

Dit probleem ligt aan de basis van de recente moeilijkheden van de theosofie; en een paar woorden over dit onderwerp zijn hier op hun plaats, temeer omdat het hele punt kort kan worden samengevat. Die theosofen die geen occultisten zijn kunnen de onderzoekers niet helpen, laat staan de wetenschappers. Zij die occultisten zijn werken volgens bepaalde richtlijnen waarvan ze niet durven af te wijken. Hun mond is gesloten, hun uitleg en toelichting zijn beperkt. Wat kunnen ze doen? De wetenschap zal nooit tevreden zijn met een halve verklaring.

Weten, durven, willen en zwijgen – dit is als motto van de kabbalisten zo bekend dat het misschien overbodig lijkt om het hier te herhalen. Toch kan het fungeren als een herinnering. De feiten zijn dat we of te veel of te weinig hebben gezegd. Ik ben heel bang dat het eerste het geval is. Als dat zo is, dan hebben we daarvoor moeten boeten, want we waren de eersten die moesten lijden omdat we te veel hadden gezegd. Zelfs dat weinige zou ons nauwelijks een kwart eeuw geleden in veel grotere moeilijkheden hebben gebracht.

De wetenschap – ik bedoel westerse wetenschap – moet volgens strikt gedefinieerde methoden te werk gaan. Ze is trots op haar vermogens tot observatie, inductie, analyse en conclusie. Wanneer een verschijnsel van abnormale aard door haar moet worden onderzocht, moet ze het tot op de bodem uitpluizen, of het laten zitten. Ze kan, zoals we hebben aangetoond, voor haar onderzoek alleen inductieve methoden gebruiken die geheel gebaseerd zijn op het bewijs van de fysieke zintuigen. Als deze, geholpen door de wetenschappelijke scherpzinnigheid, niet tegen die taak opgewassen blijken te zijn, zullen de onderzoekers hun toevlucht nemen tot, en zullen ze niet aarzelen om gebruik te maken van, de politie van het land, zoals in de historische gevallen van Loudun, Salem Witchcraft, Morzine, enz.: The Royal Society roept de hulp in van Scotland Yard en de Franse Académie van haar eigen spionnen, die natuurlijk allemaal op hun eigen detective-achtige manier de wetenschap zullen helpen om haar probleem op te lossen. Twee of drie gevallen van ‘uiterst verdachte aard’, uiterlijk gezien natuurlijk, worden gekozen en de rest wordt onbelangrijk genoemd, besmet door de geselecteerde gevallen. Het getuigenis van ooggetuigen wordt geweigerd, en het bewijs van kwaadwillige personen die spreken op basis van geruchten wordt erkend als ‘onbetwistbaar’. Laat de lezer de ongeveer 20 delen van de werken van De Mirville en Des Mousseaux doornemen, die meer dan een eeuw van gedwongen wetenschappelijk onderzoek naar verschillende verschijnselen omvatten, en hij zal beter kunnen beoordelen hoe wetenschappelijke, vaak gerespecteerde, mensen in zulke gevallen te werk gaan.

Wat kan dan worden verwacht van zelfs de idealistische school van de wetenschap, waarvan de leden zo’n kleine minderheid vormen. Hardwerkende onderzoekers zijn ze, en sommigen van hen staan zonder enige twijfel open voor elke waarheid. Ook al hebben ze geen persoonlijke stokpaardjes te verliezen als hun eerdere standpunten onjuist blijken, toch zijn er in de orthodoxe wetenschap nog steeds zulke dogma’s dat zelfs zij daarvan nooit durven af te wijken. Hun axiomatische opvattingen over de wet van de zwaartekracht, en de moderne denkbeelden over kracht, stof, licht, enz., zijn voorbeelden daarvan.

Tegelijkertijd moeten we de werkelijke toestand van de beschaafde mensheid in gedachten houden, en bedenken hoe de beschaafde klassen staan tegenover een idealistische school van denken, los van enige verwijzing naar het occultisme. Op het eerste gezicht lijkt tweederde van hen doortrokken te zijn van wat grof en praktisch materialisme kan worden genoemd.

‘De theoretische materialistische wetenschap erkent alleen substantie. Substantie is de godheid, haar enige God.’ Anderzijds wordt ons verteld dat praktisch materialisme zich alleen bezighoudt met dingen die direct of indirect tot persoonlijk voordeel leiden. ‘Goud is de afgod’, merkt Prof. Butlerov1 terecht op (een spiritist, maar toch iemand die zelfs de basisgedachten van het occultisme nooit kon aannemen, omdat hij ‘ze niet kan begrijpen’). ‘Een brok stof,’ voegt hij eraan toe,

1. Scientific Letters, 10.

de geliefde substantie van de theoretische materialisten, wordt omgezet in een kluit modder in de onreine handen van het ethisch materialisme. En als eerstgenoemde al weinig belang hecht aan innerlijke (psychische) toestanden die niet volledig worden aangetoond door hun uiterlijke toestanden, laatstgenoemde negeert de innerlijke toestanden van het leven volledig. . . . Het spirituele aspect van het leven heeft geen betekenis voor het praktisch materialisme, omdat alles voor dat stelsel wordt samengevat in het uiterlijke. De verering van dit uiterlijke vindt zijn belangrijke en fundamentele rechtvaardiging in het dogma van het materialisme, dat dit heeft bekrachtigd.

Dit is de sleutel tot de hele situatie. Theosofen, of in ieder geval occultisten, hoeven niets te verwachten van de materialistische wetenschap en maatschappij.

Terwijl dat de geaccepteerde toestand is voor de dagelijkse gang van zaken – hoewel dat wat met de hoogste morele aspiraties van de mensheid botst volgens ons geen lang leven beschoren is – wat kunnen we dan anders doen dan hopen op een betere toekomst? Intussen moeten we nooit de moed verliezen, want als het materialisme – dat de hemel en de elementen heeft ontvolkt, en ervoor heeft gekozen om van de grenzeloze kosmos in plaats van een eeuwige verblijfplaats een donker en benauwd graf te maken – weigert om zich met ons in te laten, kunnen wij niet méér doen dan het met rust te laten.

Helaas laat het ons niet met rust. Niemand spreekt zoveel als de materialisten over de nauwkeurigheid van wetenschappelijke waarneming, over een juist gebruik van onze zintuigen en dat ons denken volledig vrij moet zijn van alle vooroordelen. Maar zodra iemand op datzelfde voorrecht aanspraak maakt met betrekking tot verschijnselen die hij in diezelfde wetenschappelijke geest van onpartijdigheid en rechtvaardigheid heeft onderzocht, wordt zijn getuigenis waardeloos. ‘Maar als zo’n aantal wetenschappelijke denkers,’ schrijft prof. Butlerov, ‘gewend door jaren van training om uiterst nauwkeurig waar te nemen en te verifiëren, getuigen van bepaalde feiten, dan is het op het eerste gezicht onwaarschijnlijk dat ze zich collectief vergissen.’ ‘Maar ze hebben zich vergist en wel op de meest belachelijke manier’, antwoorden zijn tegenstanders, en deze keer zijn we het met hen eens.

Dit brengt ons terug bij een oud axioma van de esoterische filosofie: ‘alleen iets wat ergens al bestaat, hetzij in de zichtbare of de onzichtbare kosmos, kan kunstmatig of zelfs in het menselijk denken worden voortgebracht’.

‘Wat voor onzin is dit?’ riep een strijdlustige theosoof uit toen hij dit hoorde. ‘Stel dat ik denk aan een bezielde toren, met kamers erin en een menselijk hoofd dat naar mij toekomt en met mij praat – kan zoiets in het heelal bestaan?’

‘Of papegaaien die uit een amandelschelp komen?’ zei een andere scepticus. Waarom niet? – Was het antwoord – maar natuurlijk niet op deze aarde. Maar hoe weten we dat de wezens zoals u ze beschrijft – torenachtige lichamen met menselijke hoofden – misschien niet op een andere planeet leven? Verbeelding is niets anders dan de herinnering aan vroegere levens – zegt Pythagoras. Je bent zover je weet misschien zelf zo’n ‘torenmens’ geweest, met kamers in je waar je familie onderdak vond zoals de kleintjes van de kangoeroe. Wat papegaaien die uit amandelschelpen komen betreft – niemand zou kunnen zweren dat er vroeger niet zoiets in de natuur heeft bestaan, toen de evolutie veel meer eigenaardige monsters voortbracht. Een vogel die uit de vrucht van een boom wordt geboren, is misschien wel een van die ontelbare omschrijvingen die door de evolutie zo vele eeuwen geleden zijn gegeven dat de laatste fluistering van haar echo verloren ging in het diluviale geraas. ‘Het mineraal wordt een plant, de plant een dier, het dier een mens, enz.’ – zeggen de kabbalisten.

Wat de betrouwbaarheid en het bewijs van de zintuigen betreft, zelfs de grootste wetenschappers werden ooit erop betrapt dat ze niet alleen in zoiets geloofden, maar het in feite als een wetenschappelijk feit onderwezen – naar het schijnt.

‘Wanneer was dat?’ werd ongelovig gevraagd. ‘Niet eens zo ver terug in de tijd. Zo’n 280 jaar geleden – in Engeland.’ Het vreemde geloof dat er een soort zeevogel bestond die geboren werd uit een vrucht was aan het einde van de 16de eeuw niet beperkt tot alleen de bewoners van Engelse havensteden. Er was een tijd waarin de meeste wetenschappers ervan overtuigd waren, en dit onderwezen. De vruchten van bepaalde bomen groeien langs de kust – een soort magnolia – waarvan de takken in het algemeen tot in het water reiken; deze vruchten werden – zoals men beweerde – door de werking van het zoute water geleidelijk getransformeerd tot een bijzondere schaaldierachtige formatie, waaruit na verloop van tijd een levende zeevogel tevoorschijn kwam, in de oude biologie bekend als de brandgans1. Sommige biologen hebben het verhaal als een onbetwistbaar feit aanvaard. Ze hebben het enige jaren waargenomen en onderzocht, en de ontdekking werd aanvaard en goedgekeurd door de grootste autoriteiten van die tijd en gepubliceerd onder de auspiciën van een of andere geleerde society.

1. Noot vert.: In het Engels‘Barnacle-goose; het Engelse barnacle betekent ‘eendenmossel’, ‘zeepok’, een schelpdier.

Een van hen die geloofden in de brandgans was John Gerard, een botanist, die de wereld over het verbazingwekkende verschijnsel informeerde in een erudiet werk gepubliceerd in 1596. Daarin beschrijft hij het, en verklaart het ‘een feit bewezen door zijn eigen zintuigen’. ‘Hij heeft het zelf gezien,’ zegt hij, ‘raakte het vrucht-ei dag na dag aan’, sloeg de groei en ontwikkeling ervan persoonlijk gade, en had het geluk om getuige te zijn van de geboorte van zo’n vogel. Hij zag eerst de poten van het kuiken uit de gebroken schaal naar buiten glijden, en dan het hele lichaam van de kleine brandgans ‘die meteen begon te zwemmen’.1 De botanist was zozeer overtuigd van de waarheid van de hele zaak dat hij zijn beschrijving besluit met een uitnodiging aan elke scepticus om hem, John Gerard, te komen opzoeken, en dan zou hij hem ooggetuige maken van het hele proces. Robert Murray, een andere Engelse geleerde en in zijn tijd een autoriteit, staat in voor de echtheid van de transformatie waarvan ook hij ooggetuige was.2 En andere geleerden, de tijdgenoten van Gerard en Murray – Funck, Aldrovandi en vele anderen – deelden die overtuiging.3 Dus wat moet je over deze brandgans zeggen?

1. Uit Scientific Letters, brief 24, ‘Against scientific evidence in the question of phenomena’.
2. Hij spreekt over die transformatie in de volgende woorden, zoals vertaald uit het Latijn: ‘In elke schelp die ik opende – na de transformatie van de vruchten aan de takken tot schelpen – vond ik een miniatuur van die zeevogel: een kleine snavel zoals die van een gans, door stippen duidelijk aangegeven ogen; het hoofd, de nek, de borst, de vleugels, en de reeds gevormde poten en voeten, met goed gemarkeerde veren aan de staart, donker van kleur, enz.’
3. Het is duidelijk dat dit idee in de tweede helft van de 17de eeuw algemeen werd aangenomen, als we zien dat het voorkomt in het gedicht Hudibras, dat een goede afspiegeling gaf van de meningen van die tijd:

Omdat zeepokken veranderden in bassaanganzen
Op de Orkney eilanden. – Samuel Butler, Hudibras, 3:2:9

Nou, ik zou haar liever de ‘Gerard-Murray gans’ noemen, dat is alles. En er is geen reden om te lachen om zulke fouten van die vroege wetenschappers. Voordat we 200 jaar verder zijn zullen onze nakomelingen veel meer kansen hebben om de huidige generaties van de FRS en hun volgelingen op de hak te nemen. De tegenstander van verschijnselen, die het verhaal over de brandgans citeerde, heeft hier groot gelijk; maar dat voorbeeld snijdt natuurlijk aan twee kanten, en wanneer men het naar voren brengt als bewijs dat zelfs wetenschappelijke autoriteiten die in spiritisme en verschijnselen geloven, met al hun waarnemingen en wetenschappelijke opleiding, het volkomen mis kunnen hebben, dan kunnen we dit wapen omkeren en het andersom citeren; als even sterk bewijs dat geen ‘scherpzinnigheid’ en getuigenis van de wetenschap kan aantonen dat een verschijnsel ‘is toe te schrijven aan fraude en goedgelovigheid’, wanneer althans de ooggetuigen die het hebben gezien weten dat het een feit is. Het toont alleen maar aan dat het bewijsmateriaal van zelfs de wetenschappelijke en goed getrainde zintuigen en waarnemingsvermogens in beide gevallen gebrekkig kan zijn evenals dat van elke andere sterveling, vooral in gevallen waarin men paranormale verschijnselen probeert te weerleggen. Zelfs collectieve waarneming zou geen enkele waarde hebben, wanneer een verschijnsel op een bestaansgebied thuishoort dat door sommige wetenschappers (in hun geval ten onrechte) de vierde dimensie van de ruimte wordt genoemd; en als andere wetenschappers die het onderzoeken het zesde zintuig missen dat met dat gebied overeenkomt.

In een literair kruisvuur dat een aantal jaren geleden plaatsvond tussen twee vooraanstaande professoren, werd veel gezegd over die nu voor altijd beroemde vierde dimensie. Een van hen vertelt zijn lezers dat hoewel hij alleen de mogelijkheden van de ‘aardse natuurwetenschappen’ aanvaardt, namelijk de directe of inductieve wetenschap ‘of het exacte onderzoek van alleen die verschijnselen die plaatsvinden onder onze aardse omstandigheden van ruimte en tijd’, hij zichzelf nooit kan toestaan om de mogelijkheden van de toekomst over het hoofd te zien. De professor-spiritist voegt eraan toe:

Ik herinner mijn collega’s eraan dat onze conclusies uit dat wat door onderzoek reeds is verworven, veel verder moet gaan dan onze zintuiglijke waarnemingen. De grenzen van zintuiglijke kennis moeten voortdurend worden uitgebreid, en die van deductie nog veel meer. Wie zal die grenzen voor de toekomst durven trekken? . . . Omdat we in een driedimensionale ruimte bestaan, kunnen we uitsluitend onderzoek doen naar, en onze waarnemingen verrichten van, dat wat binnen deze drie dimensies plaatsvindt. Maar wat belet ons om te denken aan een ruimte van hogere dimensies en een geometrie op te bouwen die daarmee overeenstemt? . . . Als we het werkelijke bestaan van een vierdimensionale ruimte voor het moment buiten beschouwing laten, kunnen we nog steeds . . . blijven waarnemen en erop letten of er niet af en toe in onze driedimensionale wereld verschijnselen optreden die uitsluitend kunnen worden verklaard door uit te gaan van een vierdimensionale ruimte.

Met andere woorden:

we moeten nagaan of iets dat betrekking heeft op de vierdimensionale gebieden zich kan manifesteren in onze driedimensionale wereld . . . kan het daarin niet worden weerspiegeld?

De occultist zou antwoorden dat onze zintuigen ontegenzeglijk op dit gebied kunnen worden bereikt, niet alleen vanuit een vierdimensionale, maar zelfs vanuit een vijf- en een zesdimensionale wereld. Alleen moeten die zintuigen daarvoor voldoende worden vergeestelijkt, omdat alleen ons innerlijke zintuig het medium kan worden voor zo’n overdracht. Evenals ‘men de projectie van een voorwerp dat in een ruimte van drie dimensies bestaat, kan laten verschijnen op het platte vlak van een scherm van slechts twee dimensies’, kunnen vierdimensionale wezens en dingen worden weerspiegeld in onze driedimensionale wereld van grove stof. Maar, zoals er een bekwame natuurkundige nodig is om zijn publiek te laten geloven dat de dingen die ze op zijn scherm zien en die ‘levensecht zijn’, geen schaduwen zijn maar werkelijkheden, zo heeft men iemand nodig die wijzer is dan ieder van ons om een wetenschapper – laat staan een hele groep wetenschappers – ervan te overtuigen dat wat hij weerspiegeld ziet op ons driedimensionale ‘scherm’ soms, en onder bepaalde voorwaarden een heel echt verschijnsel kan zijn, dat wordt weerspiegeld vanuit en wordt voortgebracht door ‘vierdimensionale krachten’, om hem een plezier te doen, en als een middel om hem te overtuigen. ‘Niets lijkt zo onjuist te zijn als de naakte waarheid’ is een kabbalistisch gezegde; ‘waarheid is vaak vreemder dan verzinsels’ is een bekend axioma.

Men moet meer dan een hedendaagse wetenschapper zijn om de mogelijkheid te beseffen van een wisselwerking van verschijnselen tussen de twee werelden – de zichtbare en de onzichtbare. Er is een heel spiritueel, of een heel scherp en gevoelig verstand nodig om intuïtief het werkelijke van het onwerkelijke te onderscheiden, het natuurlijke van het kunstmatige ‘scherm’. Maar dit is een conservatief tijdperk aan het einde van de cyclus, of wat daar nog van rest. Dit verklaart de stortvloed van verschijnselen, en ook de blindheid van sommige mensen.

Wat is het antwoord van de materialistische wetenschap op de idealistische theorie van een vierdimensionale ruimte? ‘Hoe!’ roept ze, ‘en wilt u dat we proberen, terwijl we begrensd worden door de onmogelijke cirkel van een driedimensionale ruimte, om zelfs maar te denken aan een ruimte van hogere dimensies! Maar hoe is het mogelijk om aan datgene te denken wat ons denken zich nooit kan voorstellen en zelfs in zijn meest wazige contouren nooit kan weergeven. Men moet een heel ander wezen zijn dan een mens; over een heel ander psychisch gestel beschikken; kortom, men moet geen mens zijn om zich in zijn denken een vierdimensionale ruimte te kunnen voorstellen – iets met lengte, breedte, dikte en – wat nog meer?’

Inderdaad, ‘wat nog meer?’ – want niemand van de wetenschappers, die haar bepleiten, misschien alleen omdat ze oprechte spiritisten zijn en ernaar verlangen om verschijnselen te verklaren door middel van die ruimte, lijken het zelf te weten. Is het de ‘passage van materie door materie’? Waarom zouden ze dan erop aandringen dat het een ‘ruimte’ is als het eenvoudig een ander bestaansgebied is – of dat zou er tenminste mee moeten worden bedoeld – als het al iets betekent. Wij occultisten zeggen dat als er een term nodig is die met de stoffelijke denkbeelden van de mens op ons lage gebied overeenkomt, laat men daarvoor dan de hindoeterm mahar (of maharloka) gebruiken – de vierde wereld van het hogere zevental, en een die overeenkomt met rasatala (de vierde van de zevenvoudige reeks van de lagere werelden) – de veertien werelden die ‘zijn voortgekomen uit de vijf ontwikkelde elementen’, want deze twee werelden omhullen, bij wijze van spreken, onze huidige wereld van de vierde ronde. Elke hindoe zal begrijpen wat er wordt bedoeld. Mahar is een hogere wereld, of beter gezegd bestaansgebied, terwijl dat gebied waar de zojuist besproken mier thuishoort misschien een lagere is van de lagere zevenvoudige ketens. En als ze het zo noemen – zullen ze gelijk hebben.

Mensen spreken over deze vierdimensionale ruimte alsof ze een plaats is – een sfeer in plaats van wat het is – een heel andere zijnstoestand. Vanaf het moment dat prof. Zöllner haar in het denken van de mens nieuw leven inblies, heeft dit tot eindeloze verwarring geleid. Hoe is dit gebeurd? Door middel van een diepzinnige wiskundige analyse kwam een spiritueel ingestelde wetenschapper ten slotte tot de prijzenswaardige conclusie dat onze opvatting van ruimte misschien niet onfeilbaar is, en dat er niet absoluut is bewezen dat het – naast onze driedimensionale berekeningen – wiskundig onmogelijk is dat er in het uitgestrekte heelal ruimten van meer of minder dimensies bestaan. Maar, zoals door een scepticus goed wordt verwoord:

de erkenning van het mogelijke bestaan van ruimten van andere dimensies dan die van ons verschaft ons (de hoge wiskundigen) geen enkel idee wat die dimensies werkelijk zijn. Het aanvaarden van een hogere ‘vierdimensionale’ ruimte is als het aanvaarden van oneindigheid: zo’n aanname helpt totaal niet om ons een van beide te kunnen voorstellen . . . het enige wat we van zulke hogere ruimten weten, is dat ze niets gemeen hebben met onze opvattingen van ruimte. (Scientific Letters.)

‘Onze opvattingen’ betekent natuurlijk de opvatting van de materialistische wetenschap, en laat een mooie ruime marge voor andere, minder wetenschappelijke, maar meer spirituele denkers.

Om aan te tonen dat het onmogelijk is dat een materialistische denker de aanwezigheid van andere hogere bestaansgebieden onder ons in onze driedimensionale wereld ook maar vaag en in de verste verte gaat beseffen of zich zelfs kan voorstellen, kan ik een van de twee reeds genoemde geleerde tegenstanders1 citeren die met betrekking tot deze ‘ruimte’ heel interessante bezwaren naar voren brengt.

1. 1883 – Scientific Letters – gepubliceerd in de Novoje Vremja, Sint-Petersburg.

Hij vraagt: ‘Is het mogelijk om als verklaring voor bepaalde verschijnselen de werking te noemen van zo’n factor, waarover we niets met zekerheid weten en waarvan we de aard en vermogens niet kennen?’

Misschien zijn er mensen die iets ‘weten’, en niet zo hopeloos onwetend zijn. Als het aan een occultist werd gevraagd, dan zou hij zeggen: Nee, de exacte wetenschap moet het bestaan daarvan afwijzen, anders zou die wetenschap metafysisch worden. Het kan niet worden geanalyseerd – en dus niet worden toegelicht op basis van biologische of zelfs fysiologische gegevens. Toch kan het misschien inductief worden geanalyseerd, zoals de zwaartekracht, waarvan u niet méér weet dan dat de gevolgen ervan kunnen worden waargenomen op onze driedimensionale aarde.

Nogmaals (1) ‘Er wordt gezegd’ (door de voorstanders van de theorie) ‘dat we onvoorwaardelijk leven in onze driedimensionale ruimte! Misschien’ (onvoorwaardelijk) ‘juist omdat we alleen zo’n ruimte kunnen begrijpen, en absoluut niet in staat zijn, als gevolg van ons gestel, om haar op een andere dan een driedimensionale manier te kennen!’

(2) Met andere woorden, ‘zelfs onze driedimensionale ruimte is niet iets dat onafhankelijk bestaat, maar vertegenwoordigt slechts het product van ons begrip en onze zintuiglijke waarnemingen’.

Op de eerste bewering antwoordt het occultisme dat zij die ‘niet in staat zijn’ om zich een andere ruimte dan een driedimensionale voor te stellen, er goed aan doen om alle andere met rust te laten. Maar het is niet ‘als gevolg van ons [menselijke] gestel’, maar alleen als gevolg van het verstandelijke gestel van hen, van wezens die spiritueel en zelfs verstandelijk onontwikkeld zijn, die zich geen andere ruimten kunnen voorstellen. Op de tweede bewering zou het antwoorden, dat de ‘tegenstander’ in het eerste deel van de zin volkomen ongelijk heeft en in het laatste deel volkomen gelijk. Want hoewel de ‘vierde dimensie’ – als we het zo moeten noemen – evenmin onafhankelijk van onze zintuiglijke waarnemingen en zintuigen bestaat als de driedimensionale ruimte zoals we ons die voorstellen, noch als plaats, is ze er niettemin, en bestaat voor de wezens die daarin worden geboren en zich daarin ontwikkelen als ‘een product van hun begrip en hun zintuiglijke waarnemingen’. De natuur maakt nooit te scherpe scheidslijnen, bouwt nooit onneembare muren, en haar onoverbrugde ‘afgronden’ bestaan alleen in de conservatieve opvattingen van bepaalde natuurwetenschappers. De twee (en meer) ‘ruimten’ of bestaansgebieden zijn voldoende met elkaar vermengd om communicatie mogelijk te maken tussen diegenen van hun respectieve bewoners die in staat zijn om zich zowel een hoger als een lager gebied voor te stellen. Er kunnen verstandelijke amfibieën zijn zoals er ook aardse amfibieën bestaan.

De tegenstander van een vierdimensionaal gebied klaagt dat er door de spiritisten misbruik wordt gemaakt van het gedeelte van de hogere wiskunde, nu bekend onder de naam ‘metawiskunde’, of ‘metameetkunde’, en dat ze het verkeerd toepassen. Ze ‘grepen het aan en klampten zich eraan vast als aan een reddingsplank’. Zijn argumenten zijn op zijn zachts gezegd eigenaardig. Hij zegt:

In plaats van de werkelijkheid van hun mediamieke verschijnselen te bewijzen, begonnen ze ze te verklaren op basis van een vierde dimensie. Als we de hand van een Katie King zien, die verdwijnt in de ‘onbekende ruimte’ – direct vooraan op het toneel – de vierde dimensie; als we knopen krijgen in een touw waarvan de twee uiteinden zijn verbonden en verzegeld – weer die vierde dimensie. Vanuit dit standpunt wordt ruimte gezien als iets objectiefs. Er wordt aangenomen dat er in de natuur in feite drie-, vier- en vijfdimensionale ruimten bestaan. Maar door middel van wiskundige analyse zouden we op deze manier kunnen komen tot een eindeloze reeks ruimten. Bedenk slechts wat er van de exacte wetenschap zou worden als ze, om verschijnselen te verklaren, de hulp inriep van zulke hypothetische ruimten. Als we daarin niet slagen, kunnen we er nog een oproepen, een nog hogere, enz.

O, arme Kant! En toch wordt ons verteld dat een van zijn fundamentele beginselen was dat onze driedimensionale ruimte niet een absolute is, en dat ‘zelfs met betrekking tot zulke axioma’s als die van de meetkunde van Euclides, onze kennis en wetenschap alleen relatief exact en werkelijk kunnen zijn’.

Maar waarom denkt men dat de exacte wetenschap in gevaar komt alleen omdat spiritisten hun verschijnselen op dat gebied proberen te verklaren? En op welke andere manier konden ze datgene verklaren dat onverklaarbaar is als we het analyseren met de driedimensionale begrippen van de aardse wetenschap, dan door een vierde dimensie? Geen verstandig mens zou de daimon van Socrates willen verklaren door de vorm van de neus van de grote wijze, of de inspiratie van Het Licht van Azië willen toeschrijven aan de schedel van Edwin Arnold. Wat zou er van de wetenschap terechtkomen als de verschijnselen verklaard moesten worden op basis van de genoemde hypothese? Niets ergers, naar we hopen, dan wat er van de wetenschap terechtkwam nadat de Royal Society haar moderne lichttheorie op basis van de hypothese van een universele ether had aanvaard. Ether is niet minder ‘een product van ons begrip’ dan ruimte. En als men de ene kon aanvaarden, waarom verwerpt men dan de andere? Is het omdat de ene kan, of zullen we zeggen moest, worden gematerialiseerd in onze opvattingen, omdat daar niets aan te doen was, terwijl dat met de andere, die als hypothese voor de doeleinden van de exacte wetenschap nutteloos is, tot nu toe niet is gebeurd?

De occultisten zijn het met de strikt orthodoxe wetenschappers eens, wanneer ze op het aanbod ‘om te experimenteren en na te gaan of er in onze driedimensionale wereld niet verschijnselen kunnen optreden die alleen te verklaren zijn met behulp van de hypothese van het bestaan van een ruimte met vier dimensies’, hetzelfde antwoord geven als zij. Ze zeggen: ‘zullen waarnemingen en experimenten ons een bevredigend antwoord geven op onze vraag over het werkelijke bestaan van een hogere vierdimensionale ruimte? Of voor ons een dilemma oplossen dat onoplosbaar is van welke kant we het ook benaderen? Hoe kunnen onze menselijke waarnemingen en experimenten, die alleen onvoorwaardelijk mogelijk zijn binnen de grenzen van een ruimte van drie dimensies, als uitgangspunt dienen voor de erkenning van verschijnselen die alleen kunnen worden verklaard ‘als we het bestaan van een vierdimensionale ruimte aannemen’?

De bovenstaande bezwaren zijn volgens ons terecht; en de spiritisten zouden de enige verliezers zijn als ze ooit het bestaan van zo’n ruimte of de invloed ervan op hun verschijnselen zouden bewijzen. Want zie wat er zou gebeuren. Nauwelijks zou worden aangetoond dat – bijvoorbeeld een ring door stevig vlees heen kan gaan, en van de arm van het medium kan verhuizen naar die van de onderzoeker die de twee handen van eerstgenoemde vasthoudt; of dat bloemen en andere stoffelijke dingen door gesloten deuren en muren worden verplaatst; en dat daarom, als gevolg van bepaalde uitzonderlijke omstandigheden, materie door materie heen kan gaan – of de wetenschappers zouden collectief overtuigd raken van dat feit, en de hele theorie van de tussenkomst van geesten en intelligenties zou tot stof vergaan. De driedimensionale ruimte zou niet worden verstoord, want de passage van het ene vaste voorwerp door het andere hoeft niet tot het verwerpen van zelfs de metameetkundige dimensies te leiden, maar aan de stof zou waarschijnlijk door de geleerde academies een extra eigenschap worden toegekend, en het gezag van de materialisten zou daardoor worden versterkt. Zou de wereld dan dichter bij de oplossing van het paranormale mysterie zijn? Zullen de edelste aspiraties van de mensheid naar kennis van een echt spiritueel bestaan op die zijnsgebieden die nu verward worden met de ‘vierdimensionale ruimte’, dichter bij een oplossing zijn, omdat de exacte wetenschap het feit van een mens die opzettelijk door het fysieke lichaam van een ander mens of door een stenen muur loopt, als een natuurkundige wet zal hebben erkend?

De occulte wetenschap onderwijst dat aan het einde van de vierde ronde de stof die evolueert, zich ontwikkelt en verandert, haar vierde eigenschap heeft verkregen, zoals de mens . . . bij elk nieuw ras een extra zintuig verkrijgt. Daarom is er voor een occultist niets verbazingwekkends aan het idee dat de fysieke wereld nieuwe eigenschappen ontwikkelt en verwerft – een eenvoudige verandering van de stof, nieuw zoals deze de wetenschap nu toeschijnt, even onbegrijpelijk als stoom, geluid en elektriciteit aanvankelijk waren. Maar wat wél verbazingwekkend is, is de spirituele stagnatie in de wereld van het verstand, en van de hoogste exoterische kennis.

Niemand kan echter het verloop van de kleinste cyclus belemmeren of versnellen. Maar misschien had de oude Tacitus gelijk: ‘De waarheid wordt vastgesteld door onderzoek en uitstel; de leugen bloeit door te veel haast.’ We leven in een tijdperk van stoom en krankzinnige activiteit, en de waarheid kan in deze eeuw nauwelijks erkenning verwachten. De occultist wacht zijn tijd af.

H.P. Blavatsky


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 469-501
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag