Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Bezielde standbeelden

[‘Animated statues’, The Theosophist, november 1886, blz. 65-73; CW 7:213-30]

Aan welke oorzaak dat is toe te schrijven doet er weinig toe, maar aan het woord fetisj wordt in de woordenboeken de beperkte betekenis gegeven van ‘een voorwerp dat tijdelijk is uitgekozen voor verering’, ‘een klein afgodsbeeld dat door primitieve Afrikaanse volkeren wordt gebruikt’, enz.

In zijn Des cultes qui ont précédé et amené l’idolatrie definieert Dulaure fetisjisme als ‘de aanbidding van een voorwerp dat door onwetenden wordt beschouwd als de houder of woonplaats van een god of genius’.

Dit alles is ongetwijfeld heel erudiet en diepzinnig, maar het is niet waar en onjuist. Een fetisj mag dan volgens Webster’s Dictionary een afgodsbeeld bij Afrikaanse volkeren zijn – en er zijn zeker onwetende mensen die een fetisj aanbidden – maar de theorie dat bepaalde voorwerpen (standbeelden, afbeeldingen, en amuletten bijvoorbeeld) dienen als een tijdelijke of zelfs blijvende verblijfplaats voor een ‘god’, ‘genius’ of eenvoudig een geest, wordt gedeeld door een aantal heel ontwikkelde mensen uit de geschiedenis. Ze was niet bedacht door onwetenden en minder begaafden, want in de oudheid geloofden de meeste wijzen en filosofen in de wereld, van de goedgelovige Pythagoras tot aan de sceptische Lucianus, daarin; net als in onze zeer beschaafde, ontwikkelde en geleerde eeuw enkele honderden miljoenen christenen nog steeds erin geloven, ongeacht of bovenstaande definities juist zijn of degene die we nu zullen geven.

De toediening van het sacrament, het mysterie van de transsubstantiatie ‘in de veronderstelde verandering van het brood en de wijn van de eucharistie in het lichaam en bloed van Christus’, maken het brood en de wijn en ook de avondmaalsbeker – niet minder dan de boom of doek of steen van de primitieve Afrikaan – tot fetisjen. Elke wonderdoende afbeelding, graf en standbeeld van een heilige, Maagd of Christus, in de rooms-katholieke en Griekse kerken, moet dus als fetisj worden beschouwd, want die afbeeldingen of standbeelden worden, ongeacht of het wonder zou zijn teweeggebracht door God of een engel, door Christus of een heilige – als wordt verklaard dat het wonder echt is – voor kortere of langere tijd ‘de houder of woning’ van God of een ‘engel van God’.

Alleen in de Dictionnaire des religions (artikel over fetisjisme) kan een redelijk juiste definitie worden gevonden: ‘Het woord fetisj is afgeleid van het Portugese woord feitiço, ‘betoverd’ of ‘behekst’; vandaar fatum, ‘lot’, fatua, ‘fee’, enz.

Bovendien was een fetisj identiek met een ‘afgodsbeeld’, en zou dat nog steeds moeten zijn; en zoals de schrijver van The Teraphim of Idolatry zegt: ‘Fetisjisme is de verering van een voorwerp, hetzij anorganisch of levend, groot of van minieme omvang, waarin of in verband waarmee een ‘geest’ [goed of slecht, kortom een onzichtbare intelligente kracht] zijn aanwezigheid heeft gemanifesteerd.’1

1. De Mirville, Des esprits, 1863, deel 3, blz. 249.

Na voor mijn Geheime leer een aantal aantekeningen over dit onderwerp te hebben verzameld, geef ik er nu een aantal naar aanleiding van de nieuwste theosofische roman A Fallen Idol,1 en laat op die manier zien dat dit fictieve verhaal gebaseerd is op een aantal heel occulte waarheden van de esoterische filosofie.

1. Door F. Anstey, pseudoniem van Thomas Anstey Guthrie.

De beelden van alle goden van de oudheid, van de vroegste Indo-Europeanen tot de laatste Semieten – de joden – waren allemaal afgoden en fetisjen, of ze nu terafim, urim en tummim, kabiren, of cherubijnen, of de goden lares, werden genoemd. Als de christenen spreken over de terafim – een woord dat Grotius vertaalt met ‘engelen’, een etymologie die door Cornelius wordt goedgekeurd, die zegt dat ze ‘de symbolen van engelachtige aanwezigheid waren’ – wordt erkend dat ze werktuigen zijn ‘door middel waarvan de goddelijke aanwezigheid werd gemanifesteerd’, waarom zou men dan niet dezelfde omschrijving toepassen op de afgoden van de ‘heidenen’?

Ik ben me volkomen bewust van het feit dat de moderne wetenschapper, evenals de gemiddelde scepticus, evenmin in een ‘bezield’ beeld van de roomse kerk gelooft als in de ‘bezielde’ fetisj van de primitieve mens. Maar er is hier geen sprake van geloof of ongeloof. Het is eenvoudig het getuigenis van de oudheid dat een periode van enkele duizenden jaren omvat, tegenover de ontkenning van de 19de eeuw – de eeuw van spiritisme en spiritualisme, van theosofie en occultisme, van Charcot en zijn hypnotisme, van psychische ‘suggestie’ en van onopgemerkte zwarte magie over de hele lijn.

Laten wij Europeanen de religie van onze voorvaderen eren, door onderzoek te doen naar hun overtuigingen en naar de oorsprong van die religie, alvorens de heidense oudheid en zijn grootse filosofie aan te vallen; waar vinden we in de zogenaamde westerse heilige literatuur de eerste vermelding van afgodsbeelden en fetisjen? In hoofdstuk 31 (e.v.) van Genesis, in het Ur der Chaldeeën in Mesopotamië, waar de voorouders van Abraham, Serug en Terah, afgodsbeeldjes van klei aanbaden die ze hun goden noemden, en waar ook Rachel, in Haran, de beeldjes (terafim) van haar vader Laban stal.

Jacob kan de aanbidding van die goden hebben verboden, maar niettemin ziet men de mozaïsche joden 325 jaar na dat verbod ‘de goden van de Amorieten’1 aanbidden. De terafim-goden van Laban bestaan tot op deze dag bij bepaalde moslimvolkeren in Perzië. Het zijn beeldjes van beschermgeesten, of goden, die bij elke gelegenheid worden geraadpleegd.

1. Jozua 24:14, 15.

De rabbi’s verklaren dat Rachel geen ander motief had om de goden van haar vader te stelen dan om hem te beletten dat hij van deze zou horen welke richting zij en haar man Jacob waren opgegaan, en zou voorkomen dat ze nog eens zijn huis zouden verlaten. Dus het was geen vroomheid, of vrees voor de Here God van Israël, maar eenvoudig angst voor de indiscretie van de goden, die haar ertoe bracht ze te bemachtigen. Bovendien waren haar mandragora’s slechts een ander soort waarzeggende en magische werktuigen.

Wat is de mening van verschillende klassieke en zelfs heilige schrijvers over deze afgodsbeelden, die Hermes Trismegistus ‘standbeelden die de toekomst voorzien’ noemt (Asclepius)?

Philo van Byblos laat zien dat de joden evenals de Amorieten demonen raadpleegden, vooral door middel van beeldjes gemaakt van goud, in de vorm van nimfen, die, als op een of ander moment daaraan een vraag werd gesteld, vertelden wat de vraagsteller moest doen en laten (Oudheden). In Moreh nevochim (boek 3) wordt gezegd dat de draagbare en beschermende goden van de heidenen (dii portiles vel Averrunci) het meest leken op de beschermgoden van de joden. Ze waren ‘echte amuletten of bezielde talismans, de simulacra spirantia1 van Apuleius, waarvan de antwoorden, die in de tempel van de godin van Syrië werden gegeven, door Lucianus persoonlijk werden gehoord, en door hem werden herhaald. Kircher (de pater jezuïet) laat ook zien dat de terafim bijzonder veel leken op de heidense serapissen van Egypte; en Cedrenus lijkt de verklaring van Kircher (in zijn Oedipus Aegyptiacus, deel 3, blz. 474-5) te bevestigen – door te laten zien dat de t en de s (zoals de Sanskriet s en de Zend h) verwisselbare letters waren – dat de serafijnen (of Serapis) en de terafim, absolute synoniemen waren.2

1. Apuleius, Metamorfosen, 11:17.
2. Vgl. De Mirville, Op.cit., blz. 250-1.

Over het gebruik van deze afgodsbeelden vertelt Maimonides ons (Moreh nevochim, 3:29) dat deze goden of beelden de gave van profetie zouden bezitten, en dat ze hun eigenaren ‘alles konden vertellen wat nuttig en goed voor hen was’.

Al deze beelden, zo wordt ons verteld, hadden de vorm van een baby of klein kind. Alleen af en toe waren ze veel groter. Ze waren standbeelden of gebruikelijke afgodsbeelden in menselijke vorm. De Chaldeeën stelden ze bloot aan de lichtstralen van bepaalde planeten zodat laatstgenoemde ze met hun krachten en invloed konden doordringen. Deze waren bestemd voor astromagie. De gebruikelijke terafim werden in de meeste gevallen gebruikt voor necromantie en tovenarij. De geesten van de doden (elementaren) werden eraan vastgehecht door magische kunst, en ze werden voor verschillende verdorven doeleinden gebruikt.

Ugolino1 legt de wijze Gamaliël, Paulus’ meester (of guru), de volgende woorden in de mond, die hij, zegt hij, citeert uit zijn Capito, hfst. 36:

1. Blasius Ugolino, Thesaurus Antiquitatum Sacrum, etc., deel 23, kol. 475.

Zij (de bezitters van zulke necromantische terafim) doodden een pasgeboren baby, hakten zijn hoofd af, en legden onder zijn gezouten en geoliede tong een klein goudplaatje waarin de naam van een boze geest was geperforeerd; dan, na dat hoofd aan de muur van hun kamer te hebben opgehangen, staken ze daarvoor lampen aan, en wierpen zich plat op de grond en spraken ermee.

De geleerde markies De Mirville denkt dat er precies zulke ex-menselijke fetisjen werden bedoeld door Philostratus, die een aantal van dat soort gevallen noemt. Hij zegt:

Er was het hoofd van Orpheus dat tot Cyrus sprak, en het hoofd van een priester-offeraar uit de tempel van Jupiter Hoplosmius, in Caria, dat, nadat het van zijn lichaam was gescheiden, de naam van zijn moordenaar onthulde, namelijk iemand die Ceucidas heette, zoals Aristoteles vertelt; en het hoofd van ene Publius Capitanus, dat, volgens Trallianus, op het moment van de overwinning van Acilius Glabrio, de Romeinse consul, op Antiochus, de koning van Azië, aan de Romeinen de grote tegenslagen voorspelde die hen kort daarop zouden overkomen.1

1. De Mirville, Op.cit., blz. 252.

Diodorus vertelt de wereld hoe zulke afgodsbeelden voor magische doeleinden in de oudheid werden gemaakt. Semele, de dochter van Cadmus, had door grote schrik voortijdig het leven geschonken aan een kind van zeven maanden; Cadmus volgde de gewoonte van zijn land om het (de baby) een bovenaardse oorsprong te geven, waardoor het na de dood zou voortleven, en sloot zijn lichaam op in een gouden beeld, en maakte er een afgod van waarvoor een speciale cultus en rituelen werden ingesteld.1

1. Diodorus Siculus, Bibliotheca historica, 1:23:4-5.

Zoals Fréret in zijn artikel scherp opmerkt als hij commentaar geeft op bovenstaande passage:

Een bijzonderheid die nog meer de aandacht verdient, is dat de genoemde heiliging van de baby van Semele door Cadmus – wat volgens de orfische mysteriën de gewoonte van Cadmus’ voorouders was – precies de ceremonie is die door de rabbi’s wordt beschreven, zoals geciteerd door Seldenus, met betrekking tot de terafim of huisgoden van de Syriërs en de Feniciërs. Het is echter onwaarschijnlijk dat de joden bekend waren met de orfische mysteriën.1

1. Mémoires de l’Academie des Inscriptions, deel 23, blz. 247.

Er is dus alle reden om te geloven dat de vele tekeningen in pater Kirchers Oedipus, kleine figuren en hoofden met dunne metaalplaatjes die uitsteken vanonder hun tongen die volledig uit de monden van die hoofden hangen, echte terafim betreffen – zoals De Mirville aantoont. En als Le Blanc de Fenicische terafim bespreekt, vergelijkt hij ze met het Grieks-Phrygische palladium, dat menselijke overblijfselen bevatte.

Alle geheimen van de apotheose, van orgieën, offers en magie, werden toegepast op zulke hoofden. Een kind dat nog zo jong was dat zijn onschuldige ziel nog verenigd was met de anima mundi – de wereldziel – werd gedood; zijn hoofd werd gebalsemd en men beweerde dat zijn ziel erin werd geplaatst door de kracht van magie en betoveringen.1

1. Th. Prosper le Blanc d’Ambonne, Les religions et leur interprétation chrétienne, 1855, deel 3, blz. 277.

Daarna volgde het gebruikelijke proces, het goudplaatje, enz.

Dit is vreselijke zwarte magie, zeggen we; en alleen de dugpa’s uit het verleden, de gemene tovenaars uit de oudheid, gebruikten dit. In de middeleeuwen is slechts van enkele rooms-katholieke priesters bekend dat ze hun toevlucht daartoe namen; onder andere de afvallige Jacobijnse priester in dienst van koningin Catharina de' Medici, die trouwe dochter van de roomse kerk en de aanstichtster van de Bartholomeüsnacht. Het verhaal wordt gegeven door Bodin in zijn beroemde boek over tovenarij, De la démonomanie des sorciers (Parijs, 1587); en het wordt geciteerd in Isis ontsluierd (2:65-6). Paus Sylvester II werd door kardinaal Benno openlijk beschuldigd van tovenarij, op grond van zijn ‘koperen orakel-sprekende hoofd’. Die hoofden en andere sprekende beelden, trofeeën van de magische vaardigheid van monniken en bisschoppen, waren kopieën van de bezielde goden van de oude tempels. De pausen Benedictus IX, Johannes XX, Gregorius V en Gregorius VI staan in de geschiedenis allemaal bekend als tovenaars en magiërs. Ondanks zo’n hele reeks feiten die aantonen dat de roomse kerk de oude joden van alles heeft beroofd – ja zelfs van hun kennis van de zwarte kunst – schaamt een van hun hedendaagse pleitbezorgers, namelijk de markies De Mirville, zich er niet voor om tegen de huidige joden de meest verschrikkelijke en smerige beschuldigingen te uiten!

In zijn hevige polemiek met de Franse onderzoekers van de symboliek, die proberen om een filosofische verklaring voor oude bijbelgebruiken en -rituelen te vinden, zegt hij:

We besteden geen aandacht aan de symbolische betekenissen die worden gezocht om al dat soort gewoonten van de afgoden vererende joden uit te leggen [hun menselijke terafim en afgehakte babyhoofden], omdat we niets daarvan [van zulke verklaringen] geloven. Maar we geloven wel dat ‘het hoofd’ dat door de Scandinavische Odin bij elke moeilijke zaak werd geraadpleegd een terafim was van dezelfde [magische] categorie. En waarin we nog meer geloven is dat al die mysterieuze verdwijningen en ontvoeringen van kleine [christelijke] kinderen, waarmee de joden zich te allen tijde en zelfs in onze tijd bezighielden de directe gevolgen zijn van die oude en barbaarse necromantische praktijken. Laat de lezer denken aan het incident van Damas en pater Thomas.1

1. De Mirville, Op.cit., blz. 254.

Dit is heel duidelijk en onmiskenbaar. De ongelukkige, beroofde Israëlieten worden duidelijk beschuldigd van het ontvoeren van christelijke kinderen om ze te onthoofden en er orakel-sprekende hoofden van te maken, voor doeleinden van tovenarij! Waar zal fanatisme en onverdraagzaamheid met hun theologische haat vervolgens toeslaan, vraag ik me af?

Integendeel, het lijkt vrij duidelijk dat Mozes en de vroege voorouders van de joden juist omdat die kwalijke praktijken van het occultisme bestonden, het strenge verbod op afgodsbeelden en gelijkenissen in welke vorm dan ook, van ‘goden’ of levende mensen, zo strikt handhaafden. Diezelfde reden lag ten grondslag aan het soortgelijke verbod door Mohammed en werd gehandhaafd door alle moslimprofeten. Want de gelijkenis van een persoon kan, ongeacht de vorm, de aard of het materiaal waarvan deze gemaakt is, door een vergevorderde beoefenaar van de zwarte kunst worden omgezet in een dodelijk wapen tegen die persoon. Wettelijke autoriteiten tijdens de middeleeuwen, en zelfs zo’n 200 jaar geleden, hadden geen ongelijk met het terechtstellen van hen die kleine wassenbeelden van hun vijanden bleken te bezitten, want het betekende voorbereiding tot moord, en niets anders. ‘U zult niet de levensgeesten van uw vijand, of van wie dan ook, overbrengen naar zijn simulacrum’, want ‘dit is een afschuwelijke misdaad tegen de natuur.’ En ook: ‘Elk voorwerp waarin het fiat van een geest is gebracht is gevaarlijk, en mag niet aan een onwetende worden toevertrouwd. . . . Een expert (in de magie) moet erbij worden gehaald om het te zuiveren.’ (Praktische wetten van de occulte wetenschap, boek 5, Koptische kopie.) In een soort ‘handboek’ over elementair occultisme wordt gezegd: ‘Om een betoverd voorwerp (fetisj) onschadelijk te maken, moeten de onderdelen ervan tot atomen worden teruggebracht (afgebroken), en het geheel in vochtige grond worden begraven’ – (er volgen dan instructies die in een publicatie niet hoeven worden vermeld).1

1. De schrijver van A Fallen Idol geeft blijk van kennis – door natuurlijke intuïtie of door studie van occulte wetten, hij mag het zeggen – van dit feit door Nebelsen te laten zeggen dat de geest van de tirthankara verlamd en traag werd zolang zijn afgodsbeeld in India was begraven. Dat eidolon of die elementaar kon niets doen. Zie blz. 295.

Dat wat ‘levensgeesten’ wordt genoemd is het astrale lichaam. ‘Zielen hebben, of ze nu met hun lichaam verenigd zijn of ervan gescheiden, een lichamelijke substantie die inherent is aan hun aard’, zegt St. Hilarius.1 Het astrale lichaam van een levend persoon, van iemand die niet gevorderd is in de occulte wetenschap, kan (door een expert in magie) gedwongen worden een portret, een standbeeld, een wassen beeldje, enz., te bezielen, of ernaartoe worden aangetrokken, en vervolgens in dat voorwerp worden geplaatst, in het bijzonder in iets dat naar zijn gelijkenis is gemaakt. En omdat iets wat het astrale lichaam treft of beïnvloedt, een weerslag heeft op het fysieke lichaam, is het logisch en vanzelfsprekend dat wanneer het evenbeeld in zijn vitale delen – bijvoorbeeld het hart – wordt gestoken, het origineel sympathisch kan worden gedood, zonder dat iemand de oorzaak daarvan kan achterhalen. De Egyptenaren – die de mens (exoterisch) verdeelden in drie afdelingen of groepen – ‘geesteslichaam’ (zuivere geest, ons 7de en 6de beginsel), de schaduwziel (het 5de, 4de en 3de beginsel), en het grofstoffelijk lichaam (prana en sthulasarira) – riepen in hun theürgie (voor goddelijke doeleinden van witte magie, en ook voor die van de zwarte kunst) de ‘schaduwziel’, of het astrale lichaam, zoals wij dat noemen, op.

1. Commentarius in Matthaeum, 5:8.

Het was niet de ziel zelf die werd opgeroepen, maar het simulacrum dat de Grieken eidolon noemden, en dat was het middelste beginsel tussen ziel en lichaam. Die leer kwam uit het Oosten, de bakermat van alle kennis. De magiërs van Chaldea, en ook alle andere volgelingen van Zarathoestra, dachten dat niet alleen de goddelijke ziel (geest) zou deelhebben aan de heerlijkheid van het hemelse licht, maar ook de psychische ziel.1

1. Graaf De Résie, Histoire et traité des sciences occultes, 1857, deel 2, blz. 598. Zie Psellus, in Scholiis, in Orac.

Vertaald in onze theosofische terminologie, verwijst het bovenstaande naar atman en buddhi – het voertuig van de geest. De neoplatonisten, en zelfs Origenes, ‘noemen het astrale lichaam augoeides en astroeides, d.w.z. iets met de schittering van de sterren’.1

1. De Résie, Op.cit., deel 2, blz. 599.

In het algemeen is de onwetendheid van de wereld over de aard van het astrale lichaam en levensbeginsel, zoals over de functies van alle beginselen van de mens, betreurenswaardig. Terwijl de wetenschap ze allemaal ontkent – een gemakkelijke manier om de gordiaanse knoop van het probleem door te hakken – hebben de kerken het fantastische dogma ontwikkeld van één afzonderlijk beginsel, de ziel. Geen van beide zal afwijken van haar respectieve vooropgezette mening, ondanks het bewijs van de meest ontwikkelde schrijvers uit de hele oudheid. Daarom moeten, voordat het onderwerp ook maar met enige helderheid kan worden besproken, de volgende punten door onze theosofen – in ieder geval zij die in het onderwerp zijn geïnteresseerd – worden uitgezocht en bestudeerd:

1. Het verschil tussen een fysiologische hallucinatie en paranormale of spirituele helderziendheid en helderhorendheid.

2. Hebben geesten, of de entiteiten van bepaalde onzichtbare wezens – hetzij schillen van eens levende mensen, engelen, geesten, of elementalen – al of niet een natuurlijk, hoewel etherisch en voor ons onzichtbaar, lichaam? Zijn ze verbonden met een of andere fluïdische substantie – of kunnen ze die in zich opnemen – die hen voor mensen zichtbaar zou kunnen maken?

3. Hebben ze al of niet het vermogen om de atomen van een voorwerp, of het nu een beeld (afgod), een afbeelding, of een amulet is, zozeer te doordringen dat ze er hun invloed en kracht aan geven, en het zelfs bezielen?

4. Ligt het in het vermogen van een adept, yogi of ingewijde, om zulke entiteiten door hetzij witte of zwarte magie in bepaalde voorwerpen te plaatsen?

5. Wat zijn de verschillende postmortale toestanden (afgezien van nirvana en avichi) van goede en slechte mensen? enz.

Dit alles kan worden bestudeerd in de literatuur van de oudheid, vooral die van India. Intussen heb ik in mijn Geheime leer geprobeerd de gezamenlijke en individuele opvattingen hierover van alle grote filosofen uit de oudheid te geven en toe te lichten. Ik hoop dat het boek nu snel zal verschijnen. Maar om tegenwicht te bieden aan de verkeerde indruk die zulke humoristische boeken als A Fallen Idol maken op minder intelligente mensen, die het alleen zien als een satire op onze overtuigingen, leek het mij het beste om hier het getuigenis van de oudheid te geven, namelijk dat zulke postmortale streken zoals worden geleverd door Anstey’s pseudo-asceet, die plotseling stierf, in de natuur geregeld voorkomen.

Tot slot kan de lezer eraan worden herinnerd dat als het astrale lichaam van de mens geen op louter hallucinaties gebaseerd bijgeloof is, maar een feit in de natuur, het alleen maar logisch is dat zo’n eidolon, waarvan de individualiteit na de dood volledig is geconcentreerd in zijn persoonlijke ego – moet worden aangetrokken tot de resten van het lichaam dat tijdens het leven van hem was.1 Indien laatstgenoemde werd verbrand en de as werd begraven, moet het astrale lichaam ernaar streven om zijn bestaan indirect te verlengen hetzij door bezit te nemen van een levend lichaam (dat van een medium), of door zich te hechten aan zijn eigen standbeeld, afbeelding of een vertrouwd voorwerp in het huis of de plaats waar het heeft gewoond. De ‘vampier’-theorie kan niet een en al bijgeloof zijn. In heel Europa, in Duitsland, Stiermarken, Moldavië, Servië, Frankrijk en Rusland zijn er voor die lichamen van de overledenen, waarvan wordt aangenomen dat ze vampiers zijn geworden, door hun respectieve kerken speciale uitbanningsrituelen opgesteld. Zowel de Griekse als Latijnse godsdienst denkt dat het goed is dat zulke lichamen worden opgegraven en aan de aarde worden vastgespietst met een paal van espenhout.

1. Zelfs het verbranden heeft geen invloed op zijn tussenkomst of zal deze geheel voorkomen – omdat het gebruik zal maken van de as. Alleen aarde zal het machteloos maken.

Hoe dan ook, of het nu waarheid of bijgeloof is, oude filosofen en dichters, klassieken en lekenschrijvers, hebben duizenden jaren lang hetzelfde geloofd als wij nu, namelijk dat de mens in zich zijn astrale tegenhanger had, die verschijnt door zich te scheiden van het grofstoffelijke lichaam of daaruit te vloeien, zowel tijdens het leven als na de fysieke dood. Tot dat moment was de ‘schaduwziel’ het voertuig van de goddelijke ziel en de zuivere geest. Maar, zodra de vlammen het fysieke omhulsel hadden verslonden, scheidde de spirituele ziel zich van het simulacrum van de mens, en steeg op naar haar nieuwe thuis van zuivere gelukzaligheid (devachan of svarga), terwijl de schim of het eidolon afdaalde naar de gebieden van de Hades (limbus, vagevuur, of kamaloka). ‘Ik heb mijn aardse loopbaan beëindigd,’ roept Dido uit, ‘mijn glorieuze schim [het astrale lichaam], het evenbeeld van mijn persoon, zal nu afdalen in de schoot1 van de aarde.’2

1. En dat is niet het binnenste van de aarde, of de hel, zoals onderwezen door de antigeologische theologen, maar de kosmische moederschoot van haar gebied – het astrale licht van onze atmosfeer.
2. ‘Vixi, et quem dederet cursum fortuna, peregi; Et nunc magna mei sub terras ibit imago.’ Vergilius, Aeneis, 4:653-54.

Sabinus en Servius Honoratus Maurus (een geleerde commentator van Vergilius uit de 6de eeuw) hebben, zoals aangetoond door Delrio1, de demonoloog, onderwezen dat de mens is samengesteld uit zijn ziel, een schaduw (umbra) en een lichaam. De ziel stijgt op naar de hemel, het lichaam wordt verpulverd, en de schaduw stort zich in de Hades. . . . Deze schim – umbra seu simulacrum – is geen werkelijk lichaam, zeggen ze: het heeft de schijn van een lichaam, die door geen hand kan worden aangeraakt, omdat ze zoals een ademtocht aan aanraking ontglipt. Homerus duidt op dezelfde schaduw als hij de schim beschrijft van Patroclus, die omkwam, gedood door Hector, maar niettemin: ‘Hier is hij – het is zijn gezicht, zijn stem, zijn bloed dat nog steeds uit zijn wonden stroomt!’2 De oude Grieken en Romeinen hadden twee zielen – anima bruta en anima divina, waarvan de eerste bij Homerus de dierlijke ziel is, het beeld en het leven van het lichaam, en de tweede, de onsterfelijke en goddelijke ziel.

1. Delrio, Disquisitionum magicarum, 2:26.
2. Zie Ilias, 23:65-8, en ook Odyssee, 11:468.

Over ons kamaloka zegt Lucretius dat ‘Ennius het beeld schetst van de heilige gebieden in Acherusia, waar noch onze lichamen noch onze zielen wonen, maar alleen onze simulacra, die er vreselijk bleek uitzien!’ Tussen die schaduwen verscheen de goddelijke Homerus aan hem, die bittere tranen huilde alsof de goden die eerlijke man slechts voor eeuwig verdriet hadden geschapen. Vanuit die wereld (kamaloka), die hevig verlangt naar contact met onze eigen wereld, verklaarde dit derde (deel) van de dichter, zijn schaduw, de geheimen van de natuur.1

1. Vgl. Lucretius, De rerum natura, 1:120-6:

Etsi praeterea tamen esse Acherusia templa
Ennius aeternis exponit versibus edens,
quo neque permaneant animae neque corpora nostra,
sed quaedam simulacra modis pallentia miris;
unde sibi exortam semper florentis Homeri
commemorat speciem lacrimas effundere salsas
coepisse et rerum naturam expandere dictis.

Pythagoras en Plato verdeelden de ziel beiden in twee karakteristieke delen, onafhankelijk van elkaar – het ene, de met rede begiftigde ziel, of λόγον, de andere, de redeloze ziel, ἄλογον – waarbij laatstgenoemde verder werd onderverdeeld in twee delen of aspecten, de θυμιχὸν en de ἐπιθυμιχὸν, die, met de goddelijke ziel en haar geest en het lichaam, de zeven beginselen van de theosofie vormen. Wat Vergilius imago, ‘beeld’, noemt, noemt Lucretius simulacrum, ‘dubbelganger, evenbeeld’,1 maar het zijn allemaal namen voor een en hetzelfde, het astrale lichaam.

1. Zie De rerum natura, 1:123.

Bij de Ouden vinden we dus twee punten terug die onze esoterische filosofie volledig ondersteunen: (a) de astrale of gematerialiseerde verschijning van de doden is noch de ziel noch de geest noch het lichaam van de overleden persoon, maar eenvoudig zijn schaduw, wat ons het recht geeft om haar een ‘schil’ te noemen, en (b) tenzij het een onsterfelijke God (een engel) is die een voorwerp bezielt, kan het nooit een geest zijn, d.w.z. de ziel, of het echte, spirituele ego van een eens levende mens; want deze stijgen op, en een astrale schaduw kan (tenzij deze van een levend persoon is) nooit hoger zijn dan een aards, aan de aarde gebonden ego, of een redeloze schil. Homerus had dus gelijk dat hij Telemachus, toen hij Ulysses zag die zich aan zijn zoon openbaart, liet uitroepen: ‘Nee, je bent mijn vader niet, je bent een demon, een geest die mij vleit en misleidt!’

Οὐ σύ γ᾽ Ὀδυσσεύς ἐσσι, πατὴρ ἐμός, ἀλλά με δαίμων έλγει . . .
Odyssee, 16:194-5

Het zijn die bedrieglijke schaduwen, die noch tot de aarde noch tot de hemel behoren, die door tovenaars en andere adepten van de zwarte kunst worden gebruikt, om hen te helpen bij het kwellen van slachtoffers; om van tijd tot tijd heel eerlijke en goed bedoelende mensen te hypnotiseren die het slachtoffer worden van de mentale epidemieën die ze met een bepaald doel laten ontstaan; om in alle opzichten het opbouwende werk van de beschermers van de mensheid, hetzij goddelijk of menselijk, tegen te gaan.

Voorlopig is er voldoende gezegd om aan te tonen dat theosofen ter ondersteuning van de juistheid van hun leringen het bewijsmateriaal van de hele oudheid hebben.

H.P. Blavatsky


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 530-41
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag