Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

De harmonische eigenschappen van geuren1

[‘The harmonics of smell’, The Theosophist, augustus 1882, blz. 283-4; CW 4:177-9]

1. Noot vert.: In De mahatma brieven aan A.P. Sinnett, blz. 111, wordt door meester KH naar dit artikel verwezen.

Het oude spreekwoord ‘de werkelijkheid is vaak vreemder dan de verbeelding’, wordt opnieuw geïllustreerd. Een Engelse wetenschapper – prof. William Ramsay van University College, Bristol – heeft zojuist in Nature (het nummer van 22 juni) een theorie bekendgemaakt om het reukvermogen te verklaren, die waarschijnlijk veel aandacht zal trekken. Gebaseerd op waarneming en experimenteel onderzoek verkondigt hij het idee dat geuren het gevolg zijn van trillingen vergelijkbaar met die waardoor licht en warmte wordt ervaren, maar met een lagere frequentie. De gewaarwording van geur, zo legt hij uit, wordt veroorzaakt door het contact van stoffen met de uiteinden van de reukzenuwen, die als een netwerk verspreid liggen over het slijmvlies dat het bovenste deel van de neusholte bekleedt. De directe oorzaak van de geur zijn de uiterst kleine haartjes van het neusslijmvlies die door middel van buisvormige cellen met de zenuwen zijn verbonden. De gewaarwording komt niet tot stand door contact met een vloeistof of vaste stof, maar altijd door een gas. Zelfs in het geval van geurende metalen, zoals messing, koper, tin, enz., wordt er bij gewone kamertemperatuur een vluchtig gas of een penetrante damp afgegeven. De intensiteit van hun geur verschilt afhankelijk van het moleculaire gewicht van het gas, waarbij de geur sterker is als dat gewicht groter is. Wat de aard van de geur betreft, die hangt volgens hem af van de harmonische eigenschappen van de trilling.

De aard van de toon van een viool verschilt van die van een fluit door de verschillende harmonieën en boventonen, die eigen zijn aan elk instrument. Ik zou de aard van geuren toeschrijven aan de harmonische eigenschappen die verschillende substanties bezitten. . . . Geur lijkt dus misschien op geluid omdat de aard ervan door zijn harmonische eigenschappen wordt beïnvloed. En zoals een piccolo dezelfde kwaliteit heeft als een fluit, hoewel sommige van de tonen zo hoog zijn dat ze buiten het bereik van het oor liggen, evenzo danken geuren hun kwaliteit aan de harmonie van trillingen die, als ze afzonderlijk optraden, niet zintuiglijk zouden kunnen worden waargenomen.

Twee geluiden die tegelijk worden gehoord, zo merkt hij op, vormen een dissonant of een consonant, maar het oor kan ze onderscheiden. Twee kleuren, daarentegen, laten één enkele indruk op het oog achter, en het is twijfelachtig of we ze kunnen ontleden. ‘Maar geur lijkt in dit opzicht op geluid en niet op licht. Want door oefening kan men in een mengsel van geuren elk ingrediënt onderscheiden’, en in een experiment in een laboratorium ‘kan men met een mengsel van verschillende ingrediënten dezelfde geur laten ontstaan’. Hij schijnt nogal verbaasd te zijn over zijn eigen lef wanneer hij ‘met grote schroom’ de theorie naar voren brengt. Arme ontdekker, de olifantsvoet van de Royal Society zou zijn tenen kunnen verpletteren! Het vraagstuk moet volgens hem worden opgelost ‘door zorgvuldige meting van de ‘lijnen’ in het spectrum van warmtestralen, en het vaststellen van de basisbeginselen die volgens deze theorie de oorzaak zouden zijn van geur’.

Het kan voor prof. Ramsay een troost zijn te weten dat hij niet de eerste is die het pad bewandelt waarvan hij zo plotseling heeft ontdekt dat het van zijn laboratoriumdeur omhoogkronkelt naar de heuvel van roem. Ruim 20 jaar geleden werd in Amerika een roman gepubliceerd, getiteld Kaloolah, door een zekere dr. Mayo, een bekend schrijver. Daarin werd, onder andere, een vreemde stad beschreven, gelegen in het hart van Afrika, waar de mensen in veel opzichten beschaafder en volmaakter waren dan de huidige Europeanen. Bijvoorbeeld wat betreft geur. De vorst van dat land neemt, om zijn bezoekers – de held van het verhaal en zijn gezelschap – te vermaken, plaats achter een groot instrument dat lijkt op een orgel, met buizen, kleppen, pedalen en toetsen, en speelt dan een ingewikkelde compositie met harmonieën van geuren in plaats van geluiden zoals bij een muziekinstrument. En hij legt uit dat zijn volk door oefening hun reukzin tot zo’n fijngevoeligheid heeft ontwikkeld dat ze door combinaties en contrasten van geuren net zoveel vreugde ervaren als Europeanen door de ‘harmonie van mooie klanken’. Het is dus overduidelijk dat dr. Mayo wetenschappelijke kennis – of op zijn minst een intuïtief begrip – had van deze trillingstheorie van geuren, en dat zijn geur-harmonicon niet zozeer het ongefundeerde product was van de verbeelding van een schrijver zoals de romanlezers het opvatten toen ze zo hartelijk lachten om de dwaasheid ervan. Zoals men al zo vaak heeft kunnen constateren, is het een feit dat de droom van de ene generatie de ervaring van de volgende wordt.

Als onze zwakke stem zonder ontheiliging kon binnendringen in zo’n heilige plaats als het laboratorium van het University College, Bristol, dan zouden we Ramsay vragen om een blik te werpen – slechts een steelse blik, met gesloten deuren, en wanneer hij alleen is – op (het vereist moed om het woord uit te spreken!) op . . . op . . . de occulte wetenschap. (We durfden nauwelijks dit vreselijke woord uit te spreken, maar het is eruit, en de professor moet het horen.) Hij zal dan merken dat zijn trillingstheorie zelfs ouder is dan dr. Mayo, want ze was bekend aan de oude Indo-Europeanen en maakt deel uit van hun filosofie van de harmonie van de natuur. Ze onderwezen dat er een volmaakte correspondentie, of wisselwerking, tussen alle trillingen van de natuur bestaat, en een heel nauwe relatie tussen de groep trillingen die ons de indruk van geluid geven, en die andere groep trillingen die ons de indruk van kleur geven. Dit onderwerp wordt tamelijk uitgebreid behandeld in Isis ontsluierd (1:640). De oosterse adept gebruikt deze kennis wanneer hij een onaangename geur omzet in elk heerlijk parfum dat hij maar wenst. En zo wordt de moderne wetenschap – na zo lang te hebben genoten van haar grap over de kinderlijke goedgelovigheid van de Aziaten die geloven in hun sprookjes over de vermogens van hun sadhu’s – nu ten slotte gedwongen de wetenschappelijke mogelijkheid van precies die vermogens door experimenten in een laboratorium aan te tonen. ‘Wie het laatst lacht, lacht het best’; de afgestudeerden van India zouden er goed aan doen dit spreekwoord te onthouden.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 28-30
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag