Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Over het indelen van beginselen

[‘Re-classification of principles’, The Theosophist, augustus 1887, blz. 651-5; CW 7:345-51]

In The Theosophist van mei 1887 staat het eerste deel van een lang verklarend artikel, door Subba Row,1 waarin de bekwame schrijver de moeite heeft genomen om bijna alles wat ik de laatste tien jaar over het genoemde onderwerp heb geschreven te analyseren.

1. ‘The constitution of the microcosm’, The Theosophist, mei en augustus 1887, blz. 504-11, 699-707.

Mijn eerste gedachte was om niet op zijn ‘antwoord’ te reageren. Na het zorgvuldig te hebben gelezen, ben ik echter tot de conclusie gekomen dat dit misschien niet zo’n goed idee is. Het artikel in kwestie is een manifest. Ik verkeer niet langer in de waan dat het slechts om een schijnbare onenigheid gaat. Die leden en ex-leden van onze Society die blij waren met de opmerkingen van Subba Row hadden dus gelijk met hun conclusies, en ik – had het mis. Omdat ik – althans in ons geval – niet erken dat ‘een huis dat onderling verdeeld is’ moet instorten, want de Theosophical Society kan nooit worden vernietigd zolang ze een stevige basis heeft, beschouw ik het meningsverschil, zelfs indien het een echt meningsverschil betreft, als niet van groot of levensbelang. Maar als ik de genoemde kritiek niet zou beantwoorden, dan zou onmiddellijk worden geconcludeerd dat mij door de argumenten het zwijgen was opgelegd; of, nog erger, dat ik een lering had uiteengezet die ongefundeerd was.

Voordat ik verder inga op het hoofdonderwerp, moet ik mijn verbazing uitspreken over het feit dat de geleerde schrijver voortdurend naar mij verwijst als zijn ‘criticus’. Ik heb hem noch zijn leringen ooit bekritiseerd, hetzij mondeling of in druk. Ik heb alleen gezegd dat ik het jammer vond dat er in The Theosophist woorden stonden die, zoals ik toen dacht, een verkeerde indruk zouden kunnen wekken. De schrijver over de Gita nam een standpunt in dat voor mij onverwacht kwam en nieuw was, en mijn opmerkingen waren zo vriendelijk mogelijk bedoeld. Ook nu word ik niet door andere gevoelens gedreven. Ik kan het alleen maar betreuren, en niet veel meer dan dat, dat zo’n nieuwe ontwikkeling van denkbeelden juist nu ontstaat, na bijna zeven jaar van stilzwijgende, zo niet werkelijke, overeenstemming.

Ook vind ik op bladzijde 450 van The Theosophist van april in mijn voetnoot niet iets dat erop wijst dat ik ook maar in de verste verte, en al helemaal niet ‘waarschijnlijk’, de opvatting onderschrijf dat er ‘een smet op de oorspronkelijke leringen werd geworpen’. Ik heb gezegd dat ‘sommigen (theosofen) beweerden dat het op een smet leek’. Wat mijzelf betreft, ik heb te veel eerbied voor de ‘oorspronkelijke’ leraren om aan te nemen dat iets dat is gezegd of gedaan ooit ‘een smet’ op hun leringen zou kunnen werpen. Maar als ik, persoonlijk, wordt afgeschilderd als ‘de oorspronkelijke vertolker’, dan kan er geen sprake zijn van een smet. In het ergste geval verschillen onze persoonlijke opvattingen.

In de Theosophical Society is iedereen vrij zijn eigen denkbeelden uiteen te zetten – ik evengoed als de anderen; vooral als ik weet dat dit de opvattingen van de esoterie van de overzijde van de Himalaya zijn, zo niet van het esoterische brahmanisme van deze kant van de Himalaya, zoals mij nu – voor het eerst – ronduit wordt verteld. De woorden die door mij in de voetnoot werden geschreven, namelijk – ‘Natuurlijk zijn mensen die zich niet houden aan de oude school van de Indo-Europese en arhat-adepten op geen enkele manier verplicht om de zevenvoudige indeling aan te nemen’ – waren nooit voor Subba Row bedoeld. Ze waren heel onschuldig, en volgens mij heel ondogmatisch, gericht aan ieder lid van onze organisatie. Waarom mijn vriend, T. Subba Row, ze op zichzelf heeft betrokken is een van die mysterieuze gebeurtenissen – ongetwijfeld voortgevloeid uit mijn eigen karma – die mijn begrip te boven gaan. Om te verwachten dat een brahmaan, een volgeling van de Vedanta (of hij nu een occultist is of niet) de leringen van de boeddhistische (ook al zijn het Indo-Europese) adepten in hun letterlijke betekenis zou aannemen, is zoiets als te verwachten dat een westerse kabbalist, een Israëliet van geboorte en in zijn opvattingen, onze Heer Boeddha zou volgen in plaats van Mozes. Om mij op basis daarvan te beschuldigen van dogmatisme en een verlangen om ‘een orthodox geloof’ te ontwikkelen uit leringen die ik geprobeerd heb uit te leggen aan mensen die geïnteresseerd zijn in boeddhistisch occultisme is nogal hardvochtig. Dit alles dwingt me om zowel mijn vroegere als mijn huidige standpunt toe te lichten. Omdat het tweede deel van het antwoord van Subba Row geen ernstiger beschuldigingen kan bevatten dan het eerste, hoop ik dat u mij toestaat het volgende te verklaren:

1. Noch de oorspronkelijke ‘Fragments of occult truth’ noch Esoteric Buddhism waren ooit bedoeld om de brahmaanse filosofie uiteen te zetten, maar die van de arhats van de overzijde van de Himalaya, zoals Subba Row heel juist heeft gezegd in zijn ‘Brahmanism on the sevenfold principle in man’:

Het is heel moeilijk om aan te tonen [aan de leek HPB!] dat de Tibetanen hun leer hebben afgeleid van de oude rishi’s van India, of dat de oude brahmanen hun occulte wetenschap hebben geleerd van adepten uit Tibet, of misschien dat de adepten van beide landen oorspronkelijk dezelfde leer hebben verkondigd die ze aan een gemeenschappelijke bron hebben ontleend. . . . . Hoe dan ook, de kennis van de occulte krachten van de natuur, die de bewoners van het verzonken Atlantis bezaten, werd door de oude adepten van India geleerd en werd door hen gekoppeld aan de esoterische leer die werd onderwezen door de bewoners van het Heilige Eiland [Sambhala]. De Tibetaanse adepten hebben echter deze toevoeging aan hun esoterische leer niet aangenomen.1

1. Five Years of Theosophy, blz. 154-6. Zie H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:458-9.

Zo werd de lezers van The Theosophist vanaf het begin (in 1882) verteld dat ze ‘tussen beide leringen verschillen kunnen verwachten’. Een van de genoemde ‘verschillen’ is te vinden in de exoterische uiteenzetting over, of de manier van presenteren van, het zevenvoudige beginsel in de mens.

2. Hoewel de basisleringen van het occultisme en de esoterische filosofie over de hele wereld één en dezelfde zijn, en de verborgen betekenis achter de uiterlijke schil van alle oude religies – hoeveel ze ook met elkaar in strijd lijken te zijn – het resultaat is van, en voortkomt uit, de universele wijsheid-religie – zal de manier van denken en van uitdrukken noodzakelijkerwijs verschillen. Door de adepten van de overzijde van de Himalaya worden Sanskrietwoorden gebruikt – bijvoorbeeld ‘jiva’ – waarvan de betekenis in hun taalgebruik sterk verschilt van de betekenis die ze bij de brahmanen in India hebben.

3. Ik heb me nooit erop beroemd enige kennis van het Sanskriet te bezitten, en toen ik de laatste keer naar India kwam, in 1879, kende ik de filosofische stelsels van de zes scholen van het brahmanisme maar heel oppervlakkig. Ik heb nooit beweerd Sanskriet te onderwijzen of het occultisme in die taal uit te leggen. Ik beweerde de esoterische filosofie van de occultisten van de overzijde van de Himalaya te kennen, meer niet. Verder wist ik dat de filosofie van de oude dvija’s en ingewijden in essentie niet verschilde, noch kon verschillen, van de esoterie van de ‘wijsheid-religie’, evenmin als de oude leer van Zarathoestra, de hermetische filosofie, en de Chaldeeuwse kabbala daarvan verschilden.

Ik heb geprobeerd om dit te bewijzen door de technische termen voor onderwerpen en beginselen die door de Tibetaanse arhats worden gebruikt, zoals ze voorkomen in de leringen aan de overzijde van de Himalaya (en die als ze zonder hun Sanskriet- of Europese equivalenten aan Sinnett en anderen waren gegeven, voor hen – en voor iedereen in India – onbegrijpelijk zouden zijn) – te vertalen naar termen die in de brahmaanse filosofie worden gebruikt. Misschien ben ik er niet in geslaagd om dat correct te doen; waarschijnlijk niet, en heb ik fouten gemaakt. Ik heb nooit beweerd onfeilbaar te zijn, maar dit is geen reden waarom de zevenvoudige indeling als ‘onwetenschappelijk’ moet worden beschouwd. Dat ze raadselachtig was, had ik al toegegeven, maar als ze eenmaal op de juiste manier is verklaard, dan is ze de juiste, hoewel in de transcendentale metafysica de viervoudige indeling evengoed kan worden gebruikt.

Voor mijn geschriften in The Theosophist heb ik altijd geleerde (en zelfs niet zo geleerde) Sanskriet sprekende brahmanen geraadpleegd, waarbij ik ieder van hen erkentelijk ben omdat ze de waarde van de Sanskriettermen beter kennen dan ik. De vraag is dus niet of ik al dan niet de verkeerde Sanskriettermen heb gebruikt, maar of de occulte leringen die door middel van mij werden verkondigd de juiste zijn – in ieder geval die van de ‘Indo-Europese-Chaldeeuws-Tibetaanse leer’ zoals we de ‘universele wijsheid-religie’ noemen.1

1. Zie Five Years of Theosophy, aantekening 1, blz. 177-9; H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, 1:474-6.

4. Als ik zeg dat de zevenvoudige indeling van beginselen absoluut noodzakelijk is om postmortale verschijnselen te verklaren, dan herhaal ik alleen wat ik altijd al heb gezegd en wat iedere mysticus zal begrijpen. ‘Wanneer we eenmaal overgaan van het gebied van puur subjectieve [of metafysische, en dus zuiver theoretische] redeneringen over esoterische zaken naar dat van een praktische bewijsvoering op het gebied van het occultisme, waarbij elk [lager] beginsel en elke eigenschap moet worden geanalyseerd en gedefinieerd in hun toepassing op de verschijnselen van het dagelijks leven en vooral van het leven na de dood [dat van spookverschijningen en pisacha’s], dan is de zevenvoudige indeling de juiste.’1 Dit zijn mijn woorden, die iedere spiritist zal begrijpen.

1. Zie blz. 556-7 van dit boek.

Vedanta-metafysici, ontkennen de objectieve werkelijkheid of zelfs het belang van ons fysieke lichaam, en zullen waarschijnlijk geen tijd besteden aan het indelen van de lagere beginselen in de mens, de samenstellende aspecten en de aard van spookverschijningen van dat lichaam. Praktisch occultisme doet dat wel; en het is een van de taken van theosofen die het occultisme bestuderen om hun broeders te waarschuwen voor de gevaren die mensen lopen die niets van de werkelijke aard van die verschijnselen weten: om hen te waarschuwen dat een schil niet een geest is.

Deze bewering van mij wordt bestempeld als ‘eenvoudig absurd’. Omdat ik nooit iets wat Subba Row gezegd of geschreven heeft als absurd heb beschouwd, kon ik niet terugslaan, zelfs als ik dat zou willen; ik kan de betiteling slechts – laten we zeggen – onvriendelijk noemen, en tegen de kwalificatie protesteren. Als de schrijver op het gebied van spiritistische verschijnselen en de zogenaamde ‘materialisaties van geesten’ een ‘praktische bewijsvoering’ had moeten leveren, dan zou hij al snel hebben ontdekt dat hij met zijn vier beginselen dit soort verschijnselen nooit zou kunnen verklaren. Zelfs het lagere aspect van manas (de fysieke hersenen, of het postmortale aurische overblijfsel ervan) en het kamarupa zijn nauwelijks voldoende om de schijnbaar intelligente en spirituele wezens (bhuta’s of elementalen) te verklaren die zich door middel van mediums manifesteren.

5. Het is niet consistent met de feiten en de waarheid om mij, ‘de oorspronkelijke [?] vertolkster’, te beschuldigen van het veranderen van mijn opvattingen over de aard van de beginselen. ‘Ik heb ze nooit veranderd, en zou dat ook niet kunnen.’ Op dit punt heb ik, evenals Subba Row, het recht te beweren dat mijn bewijzen ‘wat betreft mijn eigen bewustzijnstoestanden de beste bewijzen uit de eerste hand waren die beschikbaar waren’.1 Misschien heb ik verkeerde Sanskriettermen gebruikt (en zelfs onjuiste en onhandig geformuleerde Engelse zinnen), toen ik probeerde de leringen van de arhats en de brahmaanse occulte leringen als één harmonisch geheel te presenteren. Wat die denkbeelden betreft, mijn ‘vier beginselen’ moeten eerst uit elkaar vallen en in het niets verdwijnen, voordat welke kritiek dan ook mij ertoe kan brengen om mijn tien vingers te beschouwen als slechts vier; hoewel ik, metafysisch gesproken, volkomen bereid ben toe te geven dat ze alleen in mijn eigen mayavische waarneming en bewustzijnstoestanden bestaan.

1. ‘The constitution of the microcosm’, The Theosophist, mei 1887, blz. 504.

6. Subba Row haalt Esoteric Buddhism, ‘The elixir of life’ en Man1 erbij, en schept er genoegen in om al hun fouten en gebreken toe te schrijven aan de ‘oorspronkelijke vertolkster’. Dat is niet eerlijk. Het eerste boek werd volledig zonder mijn medeweten geschreven, en de schrijver verwoordde de leringen zoals hij die had begrepen uit brieven die hij had ontvangen. Wat heb ik daarmee te maken? ‘The elixir of life’ werd aan de schrijver ervan gedicteerd, of onder toezicht geschreven, in zijn eigen huis, in een verafgelegen land, waar ik tot twee jaar later nooit was geweest. Tot slot, Man werd volledig herschreven door een van de twee ‘chela’s’ en uit hetzelfde materiaal als dat wat door Sinnett werd gebruikt voor Esoteric Buddhism; beiden hadden de leringen ieder op hun eigen manier begrepen. Wat had ik te maken met de ‘bewustzijnstoestand’ van de drie schrijvers, van wie er twee in Engeland schreven terwijl ik in India was? Hij vindt misschien dat het gebrek aan wetenschappelijke nauwkeurigheid in de ‘oorspronkelijke leringen’ tot ‘een warboel’ heeft geleid, maar niemand zou over Subba Rows lezingen over de Bhagavad Gita zeggen dat ze zulke tekortkomingen vertonen. Toch heb ik drie of vier intelligente personen onder onze leden de genoemde drie lezingen (die welke al zijn verschenen) – op drie verschillende en diametraal tegenovergestelde manieren horen uitleggen.

1. Man: Fragments of Forgotten History, Londen, 1885; geschreven door Laura Langford Holloway en Mohini Chatterji.

Dit is wel genoeg, denk ik. De geheime leer zal vanuit het brahmaanse gezichtspunt ongetwijfeld nog meer onorthodoxe uitspraken bevatten. Niemand wordt in de Theosophical Society gedwongen om mijn meningen of leringen aan te nemen, maar een van haar regels verlangt wel dat men elkaars religieuze opvattingen wederzijds respecteert. Onze organisatie is volkomen onsektarisch en ‘verlangt van ieder lid slechts het respect voor de overtuigingen van anderen dat hij verlangt . . . voor zijn eigen geloof’.1

1. ‘The Theosophical Society; Objects, Revised Rules, & Bye-laws of 1886’, artikel 4.

De meesten van ons hebben het niet zo nauw genomen met deze gulden regel met betrekking tot alle anderen: des te erger.

H.P. Blavatsky


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 577-82
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag