Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Het esoterische karakter van de evangeliën

[‘The esoteric character of the gospels’, Lucifer, nov. 1887, blz. 173-80; dec. 1887, blz. 299-310; feb. 1888, blz. 490-6; CW 8:172-217]

Deel 1

‘Vertel ons, wanneer zal dat allemaal gebeuren? En aan welk teken kunnen we uw aanwezigheid en het einde van het tijdperk herkennen?’,1 vroegen de discipelen op de Olijfberg aan de MEESTER.

1. Matth. 24:3ev. De cursief gedrukte zinsdelen zijn die welke in het Nieuwe Testament verbeterd werden na de recente herziening, in 1881, van de vertaling van 1611, die veel fouten bevat, zowel opzettelijk als ongewild [vertaler: hier wordt naar Engelse bijbelvertalingen verwezen]. Het woord ‘aanwezigheid’ voor ‘komst’, en ‘het einde van het tijdperk’, dat nu de plaats inneemt van ‘het einde van de wereld’, hebben onlangs de hele betekenis veranderd, zelfs voor de meest oprechte christenen, met uitzondering van de adventisten.

Het antwoord dat door de ‘Man van Smarten’, de chrestos, werd gegeven tijdens zijn verhoor, maar ook op weg naar zijn triomf, als christos of christus,1 is profetisch en veelbetekenend. Het is echt een waarschuwing. Het antwoord moet volledig worden geciteerd. Jezus zei tegen hen:

1. Hij die het grote verschil tussen de betekenis van de twee Griekse woorden χρηστός (chrestos) en χριστός (christos) niet wil kennen en overdenken, moet voor altijd blind blijven voor de echte esoterische betekenis van de evangeliën: d.w.z. voor de levende geest die begraven ligt in de steriele letterlijke teksten, de sodomsappel van een met de mond beleden christendom.

Pas op dat niemand jullie misleidt. Want er zullen velen komen die mijn naam gebruiken en zeggen: ‘Ik ben Christus’, en ze zullen veel mensen misleiden. Jullie zullen berichten horen over oorlogen . . . al is daarmee het einde nog niet gekomen. Het ene volk zal tegen het andere ten strijde trekken, en het ene koninkrijk tegen het andere, en overal zullen er hongersnoden uitbreken en zal de aarde beven: dat alles is het begin van de weeën. . . . Er zullen talrijke valse profeten komen die velen zullen misleiden. . . . dan zal het einde komen. . . . Wanneer jullie dus de ‘verwoestende gruwel’ waarover gesproken is door de profeet Daniël . . . Als iemand dan tegen jullie zegt: ‘Kijk, dit is de Christus’, of: ‘Daar is hij’, geloof dat dan niet. . . . Wanneer ze dus tegen jullie zeggen: ‘Kom mee, hij is in de woestijn’, ga er dan niet heen, of als ze zeggen: ‘Kijk, hij is in de binnenkamers’, geloof dat dan niet. Want zoals een bliksemschicht vanuit het Oosten weerlicht tot in het Westen, zo zal ook de aanwezigheid van de Mensenzoon zijn.

In de hierboven geciteerde passages worden twee dingen voor iedereen duidelijk, nu hun onjuiste weergave in de herziene tekst is verbeterd: (a) ‘de komst van Christus’ betekent de aanwezigheid van CHRISTOS in een hernieuwde wereld, en helemaal niet de komst van Jezus ‘Christus’ in een lichaam; (b) deze Christus moet noch in de woestijn, noch ‘in de binnenkamers’, noch in het heiligdom van een door mensen gebouwde tempel of kerk worden gezocht; want Christus, de ware esoterische VERLOSSER, is geen mens maar het GODDELIJKE BEGINSEL in ieder mens. Hij die ernaar streeft de geest te doen herrijzen, die in hem gekruisigd is door zijn eigen aardse begeerten, en die diep begraven ligt in het ‘graf’ van zijn zondige vlees; hij, die de kracht heeft om de steen van stof weg te rollen van de deur van zijn eigen innerlijke heiligdom, heeft de herrezen Christus in zich.1 De ‘Mensenzoon’ is geen kind van de slavin (het vlees), maar in feite van de vrije vrouw (geest2), het kind van de eigen daden van de mens, en de vrucht van zijn eigen spirituele werk.

1. ‘Wijzelf zijn de tempel van de levende God’ (2 Cor. 6:16).
2. Geest, de Heilige Geest, was bij de joden vrouwelijk, zoals bij de meeste volkeren in de oudheid; en zo was het ook bij de vroege christenen. De sophia van de gnostici, en de derde van de sefiroth, binah (de vrouwelijke Jehovah van de kabbalisten), zijn vrouwelijke beginselen – ‘goddelijke geest’, of ruach. ‘Achat ruach elohim chayyim.’ ‘Eén is zij, de geest van de elohim van het leven’, wordt gezegd in de Sefer Jetsirah (1:9).

Aan de andere kant zijn de in Mattheus beschreven voortekens sinds het begin van de christelijke tijdrekening nooit op enige periode zo duidelijk en zo treffend van toepassing geweest als op onze eigen tijd. Wanneer is een volk zo vaak tegen een ander in opstand gekomen als nu? Wanneer zijn ‘hongersnoden’ – een andere naam voor grote armoede en de uitgehongerde massa van het proletariaat – zo wreed geweest, kwamen aardbevingen zo vaak voor, of bestreken ze tegelijkertijd zo’n groot gebied, als in de laatste jaren? Adventisten en zij die geloven in het duizendjarige vrederijk kunnen in hun diepe overtuiging blijven zeggen dat ‘de komst van de (vleesgeworden) Christus’ nabij is, en zich op ‘het einde van de wereld’ voorbereiden. Theosofen – althans sommigen van hen – die de verborgen betekenis begrijpen van de avatara’s, messiassen, saoshyanten en christussen die over de hele wereld worden verwacht, weten dat het geen ‘einde van de wereld’ is, maar het ‘einde van het tijdperk’, d.w.z. het einde van een cyclus, dat nu vlug nadert.1 Als onze lezers de conclusies zijn vergeten van het artikel ‘The signs of the times’, in Lucifer, oktober 1887, laten ze die dan herlezen, en dan zullen ze de betekenis van deze specifieke cyclus duidelijk inzien.

1. Er zijn verschillende opmerkelijke cyclussen die aan het einde van deze eeuw worden afgesloten. Eerst de 5000 jaar van de kaliyuga-cyclus; dan de messiaanse cyclus van de Samaritaanse (ook kabbalistische) joden, die van de mens verbonden met Vissen (Ichthys of ‘vis-mens’ Dag). Het is een cyclus die historisch is, en niet erg lang duurt, maar heel occult is, en die ongeveer 2155 zonnejaren duurt; maar hij krijgt pas echt betekenis als hij op basis van maanmaanden wordt berekend. Hij trad op in 2410 en 255 v.Chr., of toen het lentepunt respectievelijk het teken Ram en Vissen binnenging. Wanneer het, over enkele jaren, het teken waterman binnengaat, zullen psychologen extra werk krijgen en de psychische kenmerken van de mensheid zullen grote veranderingen ondergaan.

Goede christenen, volgelingen van de letterlijke betekenis van hun Heilige Schrift, dachten vaak dat de waarschuwing over de ‘valse christussen’ en profeten die mensen op het verkeerde pad zullen brengen, sloeg op mystici in het algemeen en op theosofen in het bijzonder. Het recente boek van Pember, Earth’s Earliest Ages, is daarvan een bewijs. Niettemin lijkt het duidelijk dat de woorden in Het evangelie volgens Mattheus en op andere plaatsen nauwelijks op theosofen van toepassing kunnen zijn, want men hoorde hen nooit zeggen dat Christus ‘hier’ of ‘daar’, in de woestijn of in de stad is, en zeker niet in de ‘binnenkamer’ achter het altaar van een moderne kerk. Of ze nu als heiden of als christen zijn geboren, ze weigeren dat wat het zuiverste en verhevenste ideaal is – het symbool der symbolen – namelijk de onsterfelijke goddelijke geest in de mens, te verstoffelijken en daardoor te verlagen, of deze geest nu Horus, Krishna, Boeddha of Christus wordt genoemd. Geen van hen heeft ooit gezegd: ‘Ik ben de Christus’; want zij die in het Westen zijn geboren, voelen zich tot dusver slechts chresten,1 hoezeer ze er ook naar mogen streven om in de geest christen te worden. Op die mensen die in hun grote verwaandheid en trots weigeren het recht op zo’n benaming te verdienen door eerst het leven van een chrestos2 te leiden, en die zich alleen op basis van hun doop toen ze maar enkele dagen oud waren, zo hooghartig tot christenen (de verheerlijkten, de gezalfden) uitroepen, zijn de hierboven geciteerde woorden van Jezus heel duidelijk van toepassing.

1. De vroegste christelijke schrijver, Justinus de Martelaar, noemt zijn geloofsgenoten, in zijn Eerste apologie, chrestenen (χρηστιανοί), niet christenen.
2. ‘In de tweede eeuw baseert Clemens van Alexandrië een belangrijk argument op deze paranomasia (boek 3, hfst. 17, 53 et circa), dat allen die in chrest (d.w.z. ‘een goed mens’) geloven, chrestenen zijn en ook zo worden genoemd, d.w.z. goede mensen’ (Stromateis, boek 2, hfst. 4; geciteerd in Higgins, Anacalypsis, 1:568). En Lactantius (Divinae institutiones, 4:7) zegt dat mensen zich slechts uit onwetendheid christenen noemen in plaats van chrestenen: ‘Sed exponenda huius nominis ratio est propter ignorantium errorem qui eum immutata littera Chrestum solent dicere’.

Kan iemand die de talrijke ‘valse profeten’ en pseudo-apostelen (van Christus) ziet, die nu over de hele wereld rondzwerven, twijfelen aan het profetische inzicht van hem die deze opmerkelijke waarschuwing heeft uitgesproken? Zij hebben de ene goddelijke waarheid aan stukken geslagen en, alleen al in het kamp van de protestanten, de rots van de eeuwige waarheid gebroken in ruim 350 delen, die nu de overgrote meerderheid van hun dissidente kerkgenootschappen vertegenwoordigen. Indien men het afgeronde getal 350 aanneemt, en ter wille van de redenering erkent dat ten minste één van hen misschien bij benadering de waarheid bezit, dan moeten er noodzakelijkerwijs nog altijd 349 onbetrouwbaar zijn.1 Elk van die kerkgenootschappen beweert Christus exclusief in zijn ‘binnenkamer’ te bezitten, en ontzegt hem aan alle andere, terwijl de grote meerderheid van hun respectieve volgelingen Christus in feite dagelijks ter dood brengen op de kruisvormige boom van de stof, de schandpaal van de oude Romeinen.

1. Alleen al in Engeland zijn er meer dan 239 verschillende kerkgenootschappen (Zie Whitaker’s Almanac.) In 1883 waren er slechts 186, en nu komen er gestaag elk jaar bij; in slechts vier jaar tijd zijn er 53 nieuwe kerkgenootschappen ontstaan!

De verering van de letterlijke betekenis van de Bijbel is slechts een andere vorm van afgoderij, meer niet. Een fundamenteel dogma van het geloof kan niet in de vorm van een Janus met twee gezichten bestaan. ‘Rechtvaardiging’ door Christus kan niet verworven worden naar willekeur, door hetzij ‘geloof’ of ‘werken’, en omdat Jacobus (2:25) Paulus tegenspreekt (Hebr. 11:31), en omgekeerd,1 moet één van hen ongelijk hebben. Vandaar dat de Bijbel niet het ‘Woord van God’ is, maar in het beste geval de woorden van feilbare mensen en onvolmaakte leraren bevat. En toch bevat hij, esoterisch gelezen, al is het niet de hele waarheid, dan toch ‘niets dan de waarheid’, hoe deze allegorisch ook is ingekleed. Maar: Quot homines tot sententiae (zoveel mensen, zoveel meningen).

1. Het is niet meer dan redelijk tegenover Paulus om op te merken dat deze tegenspraak ongetwijfeld te wijten is aan later geknoei met zijn brieven. Paulus was zelf een gnosticus, d.w.z. een ‘zoon van wijsheid’, en een ingewijde in de ware mysteriën van christos, hoewel hij kan hebben uitgevaren tegen enkele gnostische sekten (of deze indruk werd gewekt), waarvan er in zijn tijd vele waren. Maar zijn christos was niet Jezus van Nazareth, noch een ander levend mens, zoals zo knap wordt aangetoond in de lezing van Gerald Massey, ‘Paul, the gnostic opponent of Peter’. Hij was een ingewijde, een echte ‘bouwmeester’, of adept, zoals beschreven in Isis ontsluierd (2:105-6).

Het ‘christus-beginsel’, de ontwaakte en verheerlijkte geest van waarheid, is universeel en eeuwig, en daarom kan de echte christos niet door één enkele persoon worden gemonopoliseerd, zelfs niet als die persoon zichzelf de titel ‘plaatsvervanger van Christus’ of ‘hoofd’ van de een of andere staatsgodsdienst heeft toebedeeld. De geest van ‘chrest’ en die van ‘Christus’ kunnen niet tot één geloof of kerkgenootschap worden beperkt, alleen omdat dat kerkgenootschap zich boven andere godsdiensten of kerkgenootschappen wil verheffen. De naam is, vooral in onze tijd, op zo’n onverdraagzame en dogmatische manier gebruikt, dat het christendom nu bij uitstek de godsdienst van arrogantie is, hulpmiddel voor ambitie, een gemakkelijke weg naar rijkdom, schijn en macht; een geschikte façade voor huichelarij.

De edele benaming van vroeger, die Justinus de Martelaar kon doen zeggen, dat ‘we alleen al door de naam, die men ons als een misdaad aanrekent, de meest uitmuntenden zijn’,1 is nu verlaagd. De zendeling gaat prat op de zogenaamde bekering van een heiden. Hij maakt van het christendom vaak een beroep (zelden een religie), een bron van inkomsten uit de zendingskas, en een excuus voor alle kleine misdaden, van dronkenschap en leugen tot diefstal, omdat het bloed van Jezus hen van tevoren al heeft schoongewassen. Diezelfde zendeling zou echter niet aarzelen om de grootste heilige in het openbaar tot eeuwige verdoemenis en hellevuur te veroordelen als die heilige alleen maar had verzuimd de zinloze formaliteit van de doop door water te ondergaan, begeleid door lippengebeden en hol ritueel.

1. ‘ὅσον γε ἐκ τοῦ κατηγορουμένου ἡμῶν ὀνόματος χρηστότατοι ὑπάρχομεν.’ (Eerste apologie, 4).

We zeggen doelbewust ‘lippengebeden’ en ‘hol ritueel’. Onder de leken zijn maar weinig christenen zich bewust van de echte betekenis van het woord Christus; en die geestelijken die het toevallig weten (want ze worden opgeleid met het denkbeeld dat het zondig is zulke onderwerpen te bestuderen) houden de kennis voor hun parochianen of gemeenteleden geheim. Ze verlangen blind, onvoorwaardelijk geloof, en verbieden onderzoek als de ene onvergeeflijke zonde, terwijl iets wat naar kennis van waarheid leidt alleen maar heilig kan zijn. Want wat is ‘goddelijke wijsheid’, of gnosis, anders dan de essentiële werkelijkheid achter de vergankelijke verschijningsvorm van voorwerpen in de natuur – de ziel zelf van de gemanifesteerde LOGOS? Waarom moeten mensen die ernaar streven om zich te verenigen met de ene en absolute godheid huiveren bij de gedachte om door te dringen in haar mysteries, hoe ontzagwekkend die ook zijn? En vooral, waarom moeten ze namen en woorden gebruiken waarvan de betekenis voor hen een verzegeld mysterie is en niet meer dan een klank? Is het omdat een gewetenloze en op macht beluste instelling, kerk genaamd, bij al dat soort pogingen alarm heeft geslagen en, door deze als ‘heiligschennend’ te betitelen, steeds heeft geprobeerd om de geest van onderzoek te smoren?

Theosofie, de ‘goddelijke wijsheid’, heeft zich nooit bang laten maken en heeft de moed te handelen naar haar overtuiging. Sceptici en fanatici noemen haar dan misschien een leeg ‘isme’ en anderen ‘satanisme’, maar ze kunnen haar nooit vernietigen. Men heeft de theosofen atheïsten genoemd, haters van het christendom, de vijanden van God en de goden. Dat zijn ze niet. Daarom hebben ze nu besloten om duidelijk te verklaren wat hun ideeën en overtuigingen zijn – althans wat betreft monotheïsme en christendom – en deze aan de onpartijdige lezer voor te leggen, zodat hij hen en hun lasteraars op de merites van hun respectieve overtuigingen kan beoordelen. Geen waarheidlievend mens zal tegen zo’n eerlijke en oprechte handelwijze bezwaar maken, noch zal hij worden verblind door al het nieuwe licht dat op het onderwerp wordt geworpen, hoe geschokt hij misschien ook is. Integendeel, zulke mensen zullen LUCIFER misschien bedanken, terwijl degenen van wie gezegd wordt ‘qui vult decipi decipiatur’1 dan maar altijd bedrogen moeten worden!

1. Vertaling: Wie bedrogen wil worden, wordt bedrogen.

De redactie van dit tijdschrift is van plan een reeks artikelen te publiceren over de verborgen betekenis of de esoterie van het ‘Nieuwe Testament’. Evenmin als enig ander heilig geschrift van de grote wereldreligies kan de Bijbel worden uitgesloten van die categorie van allegorische en symbolische geschriften waarin sinds de prehistorie, in min of meer versluierde vorm, de geheime leringen van de inwijdingsmysteriën werden verzameld. De oorspronkelijke schrijvers van de Logia (nu de evangeliën), kenden ongetwijfeld de waarheid en de hele waarheid; het is echter even zeker dat hun opvolgers slechts dogma en vorm bezaten, die tot hiërarchische macht leiden in plaats van de geest van de zogenaamde leringen van Christus. Vandaar de geleidelijke verdraaiing. Zoals Higgins heel juist opmerkte, ‘omvat de christologie van Paulus en van Justinus de Martelaar de esoterische religie van het Vaticaan, een verfijnd gnosticisme voor de kardinalen en een grovere vorm voor het volk’;1 en het is laatstgenoemde, maar nog meer verstoffelijkt en verminkt, die ons in deze tijd heeft bereikt.

1. Godfrey Higgins, Anacalypsis, 1836, deel 1, blz. 571.

Het idee om deze reeks artikelen te schrijven werd ons ingegeven door een brief die in ons oktobernummer werd gepubliceerd onder de titel ‘Zijn de leringen die aan Jezus worden toegeschreven, met elkaar in tegenspraak?’ Niettemin is dit op geen enkel punt een poging om dat wat Gerald Massey in zijn kritiek heeft gezegd, tegen te spreken of te verzwakken. De tegenspraken, waarop de geleerde schrijver en spreker heeft gewezen, zijn te duidelijk om door één of andere ‘predikant’ of bijbelverklaarder te worden weggeredeneerd; want wat hij in meer bondige en krachtige taal heeft gezegd, werd in Isis ontsluierd (deel 2, blz. 239) over de afstammeling van Jozef Pandira (of Panthera) gezegd op basis van de talmoedische Sefer Toledoth Jeshu. Zijn mening over de onechtheid van de Bijbel en van het Nieuwe Testament, zoals ze nu bewerkt zijn, is daarom ook de mening van de schrijfster. Met het oog op de recente herziening van de Bijbel en zijn duizenden fouten, verkeerde vertalingen en interpolaties (waarvan sommige worden erkend, en andere niet), zou het voor een tegenstander niet gepast zijn iemand de les te lezen omdat hij weigert in de teksten van de officiële bijbelvertaling te geloven.

Niettemin zou de redactie bezwaar willen maken tegen één korte zin in de kritiek, die hier onder haar aandacht is gebracht. Gerald Massey schrijft:

Wat voor zin heeft het, een ‘eed op de Bijbel’ af te leggen en te zeggen dat iets waar is, als het boek waarop u zweert een verzameling leugens is, die reeds zijn ontzenuwd of op het punt staan te worden verworpen?1

1. ‘Are the teachings ascribed to Jesus contradictory?’, Lucifer, oktober 1887, blz. 137.

Een kenner van de symboliek met het gezag en de geleerdheid van een Massey zou het Dodenboek, of de Veda’s of een ander oud heilig geschrift, geen ‘verzameling leugens’1 noemen. Waarom zou men het Oude, en, in nog hogere mate, het Nieuwe Testament niet in hetzelfde licht zien?

1. De grote hoeveelheid informatie die door deze deskundige egyptoloog is verzameld, toont aan dat hij het geheim van het ontstaan van het Nieuwe Testament volledig heeft doorgrond. Massey kent het verschil tussen de spirituele, goddelijke en zuiver metafysische christos, en de verzonnen figuur van de vleesgeworden Jezus. Hij weet ook dat de christelijke canon, in het bijzonder de Evangeliën, de Handelingen en de Brieven, zijn samengesteld uit fragmenten van gnostische wijsheid, waarvan de grondslag voorchristelijk is en gebaseerd op de mysteriën van de inwijding. Het zijn de manier van theologische presentatie en de geïnterpoleerde passages – zoals in Marcus 16, van vers 9 tot het einde – die van de evangeliën een ‘verzameling (verdorven) leugens’ maken en een smet op CHRISTOS werpen. Maar de occultist, die de twee stromingen onderscheidt (de echte gnostische en de pseudochristelijke), weet dat de passages die vrij zijn van theologisch geknoei tot de oude wijsheid behoren; Gerald Massey weet dat ook, hoewel zijn opvattingen verschillen van de onze.

Het zijn allemaal ‘verzamelingen leugens’ indien men ze opvat naar de letter van de exoterische interpretatie van hun oude, en vooral van hun hedendaagse, theologische commentatoren. Elk van deze verslagen heeft op zijn beurt gediend tot middel om macht te verkrijgen en om het eerzuchtige beleid van een gewetenloos priesterschap te ondersteunen. Ze hebben allemaal bijgedragen tot bijgeloof, en van hun goden bloeddorstige en steeds vervloekende molochs en kwade geesten gemaakt, want ze hebben allemaal de volkeren ertoe gebracht om meer laatstgenoemden te dienen dan de God van waarheid. Maar terwijl sluw uitgedachte dogma’s en opzettelijk onjuiste interpretaties door tekstverklaarders zonder twijfel ‘reeds ontzenuwde leugens’ zijn, blijven de teksten zelf mijnen van universele waarheden. Maar voor leken en zondaars waren ze en zijn ze nog steeds zoals de mysterieuze tekens die door de ‘vingers van een mensenhand’ op de muur van het paleis van Belsazar zijn aangebracht: er is een Daniël voor nodig om ze te kunnen lezen en begrijpen.

Niettemin heeft de WAARHEID niet toegelaten dat ze zonder getuigen zou blijven. Naast grote ingewijden in de symboliek van de heilige geschriften zijn er enkele serieuze onderzoekers van de mysteries van de oude esoterie, wetenschappers die bekend zijn met het Hebreeuws en andere dode talen, die hun leven hebben gewijd aan het ontraadselen van de uitspraken van de sfinx van de wereldreligies. Hoewel geen van deze onderzoekers tot nu toe alle ‘zeven sleutels’ tot het grote vraagstuk heeft doorgrond, hebben ze genoeg ontdekt om te kunnen zeggen: Er was een universele mysterietaal, waarin de heilige geschriften van de wereld zijn geschreven, van de Veda’s tot de Openbaring, van het Dodenboek tot de Handelingen. Ten minste een van de sleutels tot de mysterietaal, de geometrische en numerieke sleutel1 is nu teruggevonden; het is een oude taal, die tot nu toe verborgen is gebleven, maar waarvan de sporen overvloedig bestaan, zoals wiskundig onomstotelijk kan worden bewezen.

1. ‘Vreemd genoeg werd de sleutel tot de herontdekking van die taal, voor zover het de pogingen van de schrijver betreft, door een meetkundige gevonden in het gebruik van de ontdekte, in gehele getallen uitgedrukte, verhouding tussen de diameter en de omtrek van een cirkel. Deze verhouding is 6561 voor de diameter en 20612 voor de omtrek’ (J.R. Skinner, ongepubliceerd kabbalistisch manuscript). In een toekomstig nummer van Lucifer zullen meer details worden gegeven met toestemming van de ontdekker. – Red.

Wanneer de Bijbel naar de letter aan de wereld wordt opgedrongen, ondanks de ontdekkingen van moderne oriëntalisten en de inspanningen van onafhankelijke onderzoekers en kabbalisten, dan is gemakkelijk te voorspellen dat zelfs de huidige nieuwe generaties van Europa en Amerika hem zullen verwerpen, zoals alle materialisten en logici hebben gedaan. Want, hoe meer men oude religieuze teksten bestudeert, des te meer men vaststelt dat de basis van het Nieuwe Testament dezelfde is als die van de Veda’s, van de Egyptische theogonie en de mazdeïsche allegorieën.

De verzoening door bloed – het bloedverbond en de bloedoverbrenging van goden naar mensen, en door mensen als offers aan de goden – zijn de eerste grondtoon in elke kosmogonie en theogonie; ziel, leven en bloed waren in elke taal synoniem, vooral bij de joden; en het geven van bloed betekende het geven van leven. ‘Veel legenden van (geografisch) ver van elkaar verwijderde volkeren schrijven ziel en bewustzijn in de nieuw-geschapen mensheid toe aan het bloed van scheppende goden. Berosus doet verslag van een Chaldeeuwse legende die de schepping van een nieuw ras van de mensheid toeschrijft aan de vermenging van stof met het bloed dat uit het afgehakte hoofd van de god Belus vloeide. ‘Daardoor zijn mensen denkende wezens geworden en delen ze in goddelijke kennis’, verklaart Berosus.1 En Lenormant heeft aangetoond dat ‘de orfische schrijvers zeiden dat het onstoffelijke deel van de mens, zijn ziel [zijn leven], voortkomt uit het bloed van Dionysus Zagreus, die door deze titanen aan stukken was gescheurd.’2 Bloed ‘doet de doden herleven’. Metafysisch uitgelegd betekent dit dat het een bewust leven en een ziel geeft aan de mens van stof of klei – de materialist van nu.

1. Cory, Ancient Fragments, ed. 1832, herdruk 1975, Wizards Bookshelf, blz. 25. Dat doen ook Sanchoniathon en Hesiodus, die beiden het tot leven wekken van de mensheid toeschrijven aan het vergoten bloed van de goden. Maar bloed en ziel zijn één (nefesh), en het bloed van de goden betekent hier de leven schenkende ziel.
2. F. Lenormant, The Beginnings of History, 1882, blz. 52vn.

De mystieke betekenis van het gebod, ‘Waarachtig, ik verzeker u: als u het lichaam van de Mensenzoon niet eet en zijn bloed niet drinkt, heeft u geen leven in u’,1 kan nooit worden begrepen of op zijn juiste occulte waarde worden geschat, behalve door hen die enkele van de zeven sleutels bezitten, en toch weinig om Petrus geven.2 Deze woorden, of ze nu uitgesproken werden door Jezus van Nazareth of door Jeshu ben Panthera, zijn de woorden van een INGEWIJDE. Ze moeten met behulp van drie sleutels worden geïnterpreteerd, waarvan de ene de psychische deur opent, de tweede die van de fysiologie, en de derde het mysterie van het aardse bestaan verklaart door de onscheidbare vermenging van theogonie en antropologie te onthullen. Mystici werden vaak uitgemaakt voor dienaren van de antichrist – zelfs door die christenen die heel fatsoenlijke, oprecht vrome en eerbiedwaardige mensen zijn – omdat ze enkele van deze waarheden onthulden met als enige doel om de verstandelijke mensheid te behoeden voor de waanzin van materialisme en pessimisme.

1. Joh. 6:53.
2. Op grond van diepgaand onderzoek naar kennis van het oude Egypte stemt G. Massey feitelijk in met het bestaan van deze zeven sleutels. Hoewel hij zich verzet tegen de leringen van Esoteric Buddhism, die hij jammer genoeg in bijna elk opzicht verkeerd begrijpt, schrijft hij in zijn lezing over ‘The seven souls of man and their culmination in Christ’ (blz. 21):
‘Dit denkstelsel, deze manier van weergeven, dit zevenvoud van vermogens, in verschillende aspecten, was minstens 7000 jaar geleden in Egypte in gebruik, zoals we leren uit bepaalde toespelingen op Atum [de god ‘in wie het vaderschap geïndividualiseerd was als de verwekker van een eeuwige ziel’, het zevende beginsel van de theosofen], die in de onlangs in Sakkarah ontdekte inscripties werden aangetroffen. Ik zeg ‘in verschillende aspecten’, omdat de gnosis van de mysteriën ten minste zevenvoudig van aard was – ze was elementaal, biologisch, elementair (menselijk), stellair, lunair, solair en spiritueel – en alleen de beheersing van het hele stelsel kan ons in staat stellen om de verschillende delen te herkennen, het ene van het andere te onderscheiden, en wat is wat te bepalen, terwijl we proberen de symbolische zeven aan de hand van hun verschillende kenmerken te volgen.’

De eerste sleutel die men moet gebruiken om de diepe geheimen te ontrafelen die besloten liggen in de mystieke naam Christus, is de sleutel die de deur ontsloot tot de oude mysteriën van de oorspronkelijke Indo-Europeanen, sabeeën en Egyptenaren. De gnosis, waarvoor het christelijke stelsel in de plaats is gekomen, was universeel. Ze was de echo van de oorspronkelijke wijsheid-religie die eens het erfdeel van de hele mensheid was; en daarom kan terecht worden gezegd dat de geest van Christus (de goddelijke logos), zuiver metafysisch beschouwd, al van begin af aan in de mensheid aanwezig was. De schrijver van de Clementijnse homilieën heeft gelijk: het mysterie van christos – waarvan nu wordt verondersteld dat het door Jezus van Nazareth werd onderwezen – ‘was identiek’ met dat wat vanaf het begin was meegedeeld ‘aan hen die waardig waren’, zoals in een andere lezing wordt geciteerd.1

1. ‘Gnostic and historic christianity’.

In Het evangelie volgens Lucas kunnen we lezen dat de ‘waardigen’ degenen waren die in de mysteriën van de gnosis waren ingewijd en ‘waardig waren bevonden’ om in dit leven de ‘verrijzenis uit de doden’ te bereiken . . . ‘zij die wisten dat ze niet meer konden sterven, omdat ze als zonen van God en zonen van de verrijzenis gelijk waren aan de engelen’. Met andere woorden, ze waren de grote adepten van elke religie; en deze woorden zijn van toepassing op iedereen die, zonder ingewijde te zijn, ernaar streeft en erin slaagt om zelf het leven te leiden en de daaruit voortvloeiende spirituele verlichting te bereiken door zijn persoonlijkheid – de ‘zoon’ – met de ‘vader’, zijn individuele goddelijke geest, de god in hem, te verenigen. Deze ‘verrijzenis’ kan nooit door de christenen worden gemonopoliseerd, maar is het spirituele geboorterecht van ieder mens die een ziel en geest heeft, wat zijn religie ook is. Zo iemand is een christus-mens. Aan de andere kant moeten zij die ervoor kiezen om de christus (het beginsel) in henzelf te negeren – ondanks hun doop, sacramenten, lippengebeden en geloof in dogma’s – als niet herboren heidenen sterven.

Om deze verklaring te volgen moet de lezer de echte oude betekenis van de woordspeling bij het gebruik van de twee termen chrestos en christos in gedachten houden. De eerste term betekent beslist meer dan alleen maar ‘een goed’, een ‘uitmuntend’ mens, terwijl de tweede term nooit voor gewone mensen werd gebruikt, maar voor iedere ingewijde op het moment van zijn tweede geboorte en verrijzenis.1 Hij die christos in zichzelf vindt en hem als zijn enige ‘weg’ erkent, wordt een volgeling en een apostel van Christus, hoewel hij misschien nooit werd gedoopt, en zelfs geen ‘christen’ heeft ontmoet, laat staan zichzelf een christen noemt.

1. ‘Waarachtig, ik verzeker u, alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien’ (Joh. 3:5). Hier wordt de geboorte van bovenaf, de spirituele geboorte, bedoeld, die plaatsvindt bij de hoogste en laatste inwijding.

Deel 2

Het woord chrestos bestond al eeuwen vóór men van het christendom had gehoord. Het werd vanaf de vijfde eeuw v.Chr. gebruikt door Herodotus, door Aeschylus en andere klassieke Griekse schrijvers, en toegepast op zowel zaken als personen.

Zo lezen we in Aeschylus (Choephorae, 901) over μαντεύματα τὰ πυθόχρηστα (pythochresta), de ‘orakels uitgesproken door een pythische god’ (Greek-English Lexicon) door middel van een pythia; en pythochrestos is het nominatief enkelvoud van een bijvoeglijk naamwoord afgeleid van chrao, χράω (Euripides, Ion, 1218). Latere betekenissen, die vrijelijk op basis van deze oorspronkelijke toepassing werden bedacht, zijn talrijk en verscheiden. De heidense klassieken drukten meer dan één idee uit met het werkwoord χράομαι, ‘een orakel raadplegen’; want het betekent ook ‘voorbestemd’, gedoemd door een orakel, in de zin van een slachtoffer van zijn besluit, of ‘van het WOORD’; omdat chresterion niet alleen ‘de zetel van een orakel’ is, maar ook ‘een offer aan, of voor, het orakel’.1 Chrestes, χρήστης is iemand die orakels uitspreekt of uitlegt, ‘een profeet, een waarzegger’,4 en chresterios, χρηστήριος, is iemand die behoort tot, of in dienst is van, een orakel, een god of een ‘meester’;3 dit ondanks de moeite die kanunnik Farrar1 zich in dit verband heeft getroost.

1. Het woord χρεών wordt uitgelegd door Herodotus (7:111) als dat wat een orakel verkondigt, en τὸ χρεὼν wordt door Plutarchus (Levens, Nicias, 14b) weergegeven als ‘lot’, ‘noodzakelijkheid’. Zie Herodotus, Historiën, 7:215; 5:109, en Sophocles, Philoctetes, 437.
2. Zie Liddell & Scott, Greek-English Lexicon.
3. En dus een guru, ‘een leraar’, en chela, een ‘leerling’, in hun onderlinge verstandhouding.
4. In zijn recente werk The Early Days of Christianity, 1882, merkt kanunnik Farrar op: ‘Sommigen hebben verondersteld dat er sprake is van een aardige woordspeling, gebaseerd op iotacisme, zoals . . . tussen chrestos, ‘lieflijk’ (Psalmen 34:8) en christos (Christus)’ (1:158vn). Maar er hoeft niets te worden verondersteld, omdat het in feite met een ‘woordspeling’ begon. De naam Christus werd niet ‘verdraaid tot chrestos’, zoals de geleerde schrijver zijn lezers zou willen doen geloven (1:19), maar het adjectief en substantief chrestos werden verdraaid tot Christus, en toegepast op Jezus. In een voetnoot bij het woord ‘chresten’, dat in de Eerste brief van Petrus (4:16) voorkomt, waar in de herziene latere manuscripten het woord in christen was veranderd, merkt kanunnik Farrar weer op: ‘Misschien zouden we hier de verdraaiing chresten moeten lezen, die door de onwetende heiden is gemaakt’ (1:117vn). Dat zou zeker moeten, want de welsprekende schrijver zou zich het bevel van zijn meester moeten herinneren om de keizer te geven wat de keizer toekomt. Ondanks zijn tegenzin moet Farrar wel erkennen dat de naam christen, al in 44 n.Chr., voor het eerst werd bedacht door de honende, spottende Antiochiërs, maar pas na de vervolging door Nero algemeen gangbaar werd. ‘Tacitus (Annalen, 15:44)’, zegt hij, ‘gebruikt het woord ‘christianos’ met iets van een verontschuldiging. Het is bekend dat het in het Nieuwe Testament maar drie keer voorkomt, en altijd in ongunstige zin (Handelingen 11:26; 26:28, en 1 Petrus 4:16)’ (1:147vn). Niet alleen Claudius maar ook alle heidense volkeren keken met schrik en achterdocht naar de christenen die deze spottende bijnaam hadden gekregen omdat ze een subjectief beginsel of eigenschap hadden verstoffelijkt. Want wanneer Tacitus spreekt over hen die de massa ‘christenen’ noemt, beschrijft hij hen als een stel mensen die om hun gruwelijkheden en misdaden worden verafschuwd. Geen wonder, want de geschiedenis herhaalt zich. Ongetwijfeld zijn er nu duizenden edele, oprechte en deugdzame als christenen geboren mannen en vrouwen. Maar we hoeven slechts naar de verdorvenheid van ‘heidense’ bekeerlingen tot het christendom te kijken; naar de moraal van die bekeerlingen in India, die de zendelingen zelf weigeren in dienst te nemen, om een parallel te trekken tussen de bekeerlingen van 1800 jaar geleden en de tegenwoordige heidenen die ‘door de genade zijn aangeraakt’.

Dit alles bewijst dat de termen christus en christenen, oorspronkelijk gespeld als chrest en chrestenen, χρηστιανοί,1 rechtstreeks aan de tempelterminologie van de heidenen werden ontleend, en hetzelfde betekenden. De God van de joden werd nu in de plaats van het orakel en van de andere goden gesteld; de algemene aanduiding ‘chrestos’ werd een naam, toegepast op een specifieke figuur, en nieuwe termen zoals chrestianoi en chrestodoulos, ‘een volgeling en dienaar van chrestos’, werden van het oude materiaal afgeleid. Dit wordt aangetoond door Philo Judaeus, zonder twijfel een monotheïst, die dezelfde term al voor monotheïstische doeleinden gebruikt. Hij spreekt immers over θεόχρηστος (theochrestos), ‘God-bekendgemaakt’, of iemand die door god is bekendgemaakt, en over λόγια θεόχρηστα (logia theochresta), ‘gezegden die door God zijn verkondigd’. Dit bewijst dat hij schreef in een tijd (tussen de eerste eeuw vóór Christus en de eerste na Christus) waarin zowel christenen als chrestenen nog niet onder deze namen bekend waren, maar zich nog nazarenen noemden. Het opmerkelijke verschil tussen de twee woorden χράω, ‘een god of een orakel raadplegen of er een antwoord van krijgen’ (waarvan χρεώ de oudere Ionische vorm is), en χρίω (chrio), ‘wrijven, zalven’ (waarvan de naam christos is afgeleid), heeft niet belet dat de kerk uit Philo’s uitdrukking θεόχρηστος (theochrestos) die andere naam θεόχριστοσ (theochristos), ‘gezalfd door God’, zou vormen en aanvaarden. Zoals we nu zien, werd dus uit dogmatische overwegingen de onopvallende vervanging van de letter η door ι heel gemakkelijk tot stand gebracht.

1. Justinus de Martelaar, Tertullianus, Lactantius, Clemens van Alexandrië en anderen spelden het op deze manier.

De wereldse betekenis van chrestos kwam door de hele klassieke Griekse literatuur heen gelijktijdig voor met die welke in de mysteriën eraan werd gegeven. Wanneer Demosthenes zegt ὦ χρηστὲ (Over de kroon, 318), bedoelt hij eenvoudig ‘jij aardige kerel’; Plato zegt (in Phaedrus 264b) χρηστὸς εἶ, ὅτι με ἡγεῖ – ‘je bent een heel goede vriend om te denken dat . . .’ Maar in het esoterische taalgebruik van de tempels komt ‘chrestos’1 – een woord dat, zoals het deelwoord chrestheis, volgens dezelfde regels wordt gevormd en dezelfde betekenis heeft – overeen met wat we een adept, of ook een hoge chela, een discipel zouden noemen, en is afgeleid van het werkwoord χράομαι, ‘een god raadplegen’. In deze betekenis wordt het gebruikt door Euripides (Ion, 1320) en door Aeschylus (1c). Deze benaming wordt toegepast op hen aan wie de god of het orakel, of welke hogere macht dan ook, dit of dat had verkondigd. In dit geval kunnen we een voorbeeld geven.

1. Zie Liddell & Scott, Greek-English Lexicon. Chrestos is in feite iemand die door een orakel of een profeet voortdurend wordt gewaarschuwd, raad gegeven en geleid. G. Massey vergist zich als hij zegt: ‘de gnostische vorm van de naam chrest of chrestos verwijst naar de goede God, en niet naar een mens’, want die naam had wel betrekking op laatstgenoemde, namelijk een goed, heilig mens. Hij heeft echter helemaal gelijk wanneer hij eraan toevoegt dat ‘chrestianus ‘zachtheid en licht’, betekent. De chrestoi, als de goede mensen, bestonden toen al. Talrijke Griekse inscripties tonen aan dat de overledene, de held, de heilige – d.w.z. de ‘goede’ – chrestos, of de christus, werd genoemd; uit deze betekenis van de ‘goede’ leidt Justinus, de eerste geloofsverdediger, de christelijke naam af. Dit vereenzelvigt die naam met de gnostische bron, en met de ‘goede God’ die zich volgens Marcion openbaarde – d.w.z. de Un-Nefer of ‘Opener van het Goede’ van de Egyptische theologie.’ (G. Massey, ‘The name and nature of the Christ’, Agnostic Annual, 1888, blz. 11).

De door Pindarus (Oden, ‘Pythia’, 4:6) gebruikte woorden χρῆσεν οἰκιστῆρα betekenen ‘het orakel verklaarde hem tot kolonist’. In dit geval is het in de Griekse taal mogelijk dat degene die zo wordt aangeduid χρηστός (chrestos) wordt genoemd. Vandaar dat deze term werd toegepast op iedere discipel die door een meester werd erkend, en ook op ieder goed mens. Er bestaan vreemde etymologieën in het Grieks. De christelijke theologie heeft gekozen en bepaald dat de naam christos moet worden beschouwd als afgeleid van χρίω, χρισω (chriso), ‘gezalfd met geurige zalven of olie’. Maar dit woord heeft verschillende betekenissen. Homerus gebruikt het ongetwijfeld om er het inwrijven van het lichaam met olie na het baden mee aan te duiden (Ilias, 23:186; ook in Odyssee, 4:252), evenals andere schrijvers uit de oudheid. En toch betekent het woord χριστης (christes) eerder een witter, terwijl het woord χρήστης (chrestes) priester en profeet betekent, een term die veel meer van toepassing is op Jezus dan ‘de gezalfde’, omdat hij, zoals Nork op gezag van het evangelie aantoont, nooit werd gezalfd, noch als koning noch als priester. Kortom aan deze benaming ligt een diep mysterie ten grondslag, dat alleen door een grondige kennis van de heidense mysteriën kan worden ontsluierd.1

1. Hier moet ik weer wijzen op wat G. Massey zegt (die ik herhaaldelijk citeer, omdat hij dit onderwerp zo grondig en zorgvuldig heeft bestudeerd). Hij zegt: ‘Mijn bewering, of beter gezegd mijn verklaring, is dat de oorsprong van de christelijke naam de mummie-christus van Egypte is, die de karest werd genoemd, die het symbool was van de onsterfelijke geest in de mens, de innerlijke christus (zoals Paulus zegt), het geïncarneerde goddelijke kind, de logos, het woord van waarheid, de makheru van Egypte. Zijn oorsprong was niet slechts een symbool! De bewaarde mummie was het dode lichaam van iemand die karest, of gemummificeerd, was, om door de levenden bewaard te worden; en door voortdurende herhaling werd dit het symbool van de verrijzenis uit de dood, niet van de verrijzenis van de doden’ (Agnostic Annual, 1888, blz. 11). Zie de verklaring hiervan verderop.

Belangrijk is niet wat de eerste kerkvaders, die een doel moesten bereiken, misschien bevestigen of ontkennen, maar veeleer wat nu het bewijsmateriaal is voor de echte betekenis die in voorchristelijke tijden door de Ouden aan de twee termen chrestos en christos werden gegeven. Ze hoefden immers geen doel te bereiken, en hadden daarom niets te verbergen of te verminken. Het bewijsmateriaal van laatstgenoemden is natuurlijk het meest betrouwbaar. Dit bewijsmateriaal kan worden verkregen door eerst de betekenis te bestuderen die de klassieken aan deze termen geven, en daarna in de mystieke symbolenleer te zoeken naar hun juiste inhoud.

Chrestos is, zoals al is gezegd, een term die in verschillende betekenissen wordt gebruikt. Hij geeft een nadere aanduiding van zowel de godheid als de mens. Doelend op de godheid wordt hij gebruikt in de evangeliën, bijvoorbeeld in Lucas (6:35), waar hij ‘goed’ en ‘genadig’ betekent, χρηστός ἐστιν ἐπὶ τοὺς; en ook in 1 Petrus (2:3), waar gezegd wordt, ‘Goed is de Heer’, χρηστὸς ὁ Κύριος. Aan de andere kant wordt de term chrestos door Clemens van Alexandrië eenvoudig verklaard als ‘een goed mens’. ‘Allen die in chrest (een goed mens) geloven, zijn en worden chrestenen genoemd, d.w.z. goede mensen’.1 De terughoudendheid van Clemens, wiens christendom, zoals King terecht opmerkt in zijn The Gnostics and Their Remains, niet meer was dan een ent op het verwante materiaal van zijn oorspronkelijke platonisme, is heel begrijpelijk. Hij was een ingewijde, een neoplatonist, vóór hij christen werd; en hoe ver hij later ook van zijn vroegere inzichten kan zijn afgedwaald, dit feit kon hem toch niet ontslaan van zijn gelofte tot geheimhouding. Als theosoof en gnosticus, iemand die wist, moet Clemens geweten hebben dat christos ‘de WEG’ was, terwijl chrestos de eenzame reiziger was die langs dat ‘pad’ het uiteindelijke doel zou bereiken: christos, de verheerlijkte geest van ‘WAARHEID’; en als de ziel (de zoon) zich daarmee verenigt, wordt deze ÉÉN met de (Vader) Geest.

1. Stromateis, 2:4.

Dat Paulus dit wist, is zeker, want zijn eigen uitdrukkingen bewijzen het. Immers, wat betekenen de woorden οὓς πάλιν ὠδίνω ἄχρις οὗ μορφωθῇ Χριστὸς ἐν ὑμῖν, of, zoals in de vertaling, ‘zolang christus geen gestalte in u krijgt, doorsta ik telkens weer barensweeën om u’, anders dan wat we zeggen in hun esoterische weergave, namelijk, ‘totdat u de christos in uzelf vindt als uw enige ‘weg’.’1

1. Vgl. Galaten 4:19.

Zo was Jezus, of hij nu uit Nazareth of uit Lud1 kwam, een chrestos, even onmiskenbaar als dat hij tijdens zijn leven en vóór zijn laatste beproeving nooit recht had op de titel christos. Misschien was het zoals Higgins denkt, die vermoedt dat ‘de eerste naam van Jezus misschien χρειϛος2 [chreistos] was, de tweede χρηϛος [chrestos] en de derde χριϛος [christos]. Het woord χρειϛος werd gebruikt vóór de H [hoofdletter η, eta] in de taal voorkwam’.3 Maar Taylor wordt (in zijn antwoord aan Pye Smith, blz. 113) geciteerd en zegt: ‘De complimenteuze benaming chrest . . . betekende niets anders dan een goed mens.’4

1. Of Lydda. Hier wordt verwezen naar de rabbijnse overlevering in de Babylonische Gemara, genoemd Sefer Toledoth Jeshu, volgens welke Jezus de zoon was van een man genaamd Pandira en een eeuw eerder had geleefd dan het zogenaamde christelijke tijdperk, namelijk tijdens de regeerperiode van de joodse koning Alexander Jannaeus en zijn vrouw Salome, van 106 – 79 v.Chr. Jehoshua (Jezus) werd door de joden ervan beschuldigd de magische kunst in Egypte te hebben geleerd en uit het heilige der heiligen de onuitsprekelijke naam te hebben gestolen, en werd door het Sanhedrin in Lydda ter dood gebracht. Hij werd gestenigd en toen gekruisigd aan een boom op de avond voor het joodse paasfeest. Het verhaal wordt toegeschreven aan de talmoedisten van Sota en Sanhedrin, blz. 19, boek Jechiël. Zie Isis ontsluierd, 2:234-5; Arnobius, Adversus gentes, 1:43; Eliphas Lévi, La science des esprits, blz. 23-40, en ‘The historical Jesus and mythical Christ’, een lezing van G. Massey.
2. Noot vert.: De letter s heeft in Grieks schrift twee vormen: σ en ς, waarbij ς alleen aan het eind van een woord wordt gebruikt, en elders σ ; we wijzen erop dat Higgins de woorden chreistos en chrestos, en ook christos, in Grieks schrift weergeeft met de oude Griekse letter stigma (ϛ) in het midden van het woord, waarbij deze letter dan de klank st weergeeft. Zie voor meer hierover Higgins, Anacalypsis, 1:580-1.
3. Higgins, Anacalypsis, 1:568.
4. Op.cit.

Ook hier kan weer naar een aantal oude schrijvers worden verwezen die getuigen dat christos (of beter gezegd chreistos), samen met χρηϛος = chrestos, een bijvoeglijk naamwoord was dat vóór het christelijke tijdperk op heidenen van toepassing was. In Philopatris (17) van Lucianus wordt gezegd: πάντα, εἰ τύχῃ γε χρηστὸς καὶ ἐν ἔθνεσι, d.w.z. ‘als chrestos zelfs onder de heidenen bestaat’.

Tertullianus bekritiseert in hoofdstuk 3 van zijn Apologie het woord ‘christianus’ als door ‘listige interpretatie’ afgeleid.1 Dr. Jones geeft daarentegen de door goede bronnen bevestigde informatie dat chrestos (χρηϛος) ‘de gebruikelijke naam was die de gnostici en zelfs ongelovigen aan Christus gaven’ en verzekert ons dat de echte naam χριϛος of christos zou moeten zijn. Op die manier herhaalt en steunt hij het oorspronkelijke ‘vrome bedrog’ van de eerste kerkvaders, een bedrog, dat tot de verstoffelijking van het hele christelijke stelsel leidde.2 Maar ik ben van plan zoveel van de echte betekenis van al deze termen te tonen als mijn bescheiden vermogens en kennis toelaten. Christos of de ‘christus-toestand’ was altijd het synoniem van de ‘mahatmische toestand’, d.w.z. de vereniging van de mens met het goddelijke beginsel in hem. Zoals Paulus zegt, (Efeziërs 3:17): ‘κατοικῆσαι τὸν χριστὸν διὰ τῆς πίστεως ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν.’ ‘Dat u door kennis christus binnenin u zult vinden’, niet door geloof, zoals werd vertaald, want pistis is ‘kennis’, zoals verderop zal worden aangetoond.

1. ‘Christianus vero, quantum interpretatio est, de unctione deducitur. Sed et cum perperam Chrestianus pronuntiatur a vobis (nam nec norninis certa est noticia penes vos), de suavitate vel benignitate compositum est’. [Vertaling: ‘Christen is wat de vertaling betreft afgeleid van het ‘zalven’. Ja, en wanneer het door u verkeerd wordt uitgesproken als ‘chresten’ (want zelfs over de naam weet u niets) dan stamt het af van ‘goedheid’ of ‘vriendelijkheid’.] Kanunnik Farrar doet veel moeite om aan te tonen dat bij verschillende kerkvaders zo’n lapsus calami (schrijffout) het gevolg was van afkeer en angst. Hij zegt (in The Early Days of Christianity, deel 1, blz. 60): ‘Er kan weinig twijfel bestaan over het feit dat de . . . naam ‘christen’ . . . een bijnaam was, te danken aan de geestigheid van de Antiochiërs. . . . Het is duidelijk dat de heilige schrijvers de naam [christenen] vermeden, omdat hij door hun vijanden werd gebruikt (Tacitus, Annalen, 15:44). De naam werd pas algemeen gebruikt toen de deugden van de christenen er glans aan hadden gegeven . . .’ Dit is een heel armzalig excuus, en een magere verklaring voor zo’n eminente denker als kanunnik Farrar. En wat de ‘deugden van de christenen’ betreft, die steeds glans verleenden aan die naam, laten we hopen dat de schrijver daarbij niet dacht aan bisschop Cyrillus van Alexandrië, noch aan Eusebius, keizer Constantijn met zijn moordlustige reputatie, noch aan de Borgia-pausen en de heilige inquisitie.
2. Geciteerd door G. Higgins. (Zie deel 1, blz. 570.)

Er is nog een ander en veel belangrijker bewijs dat de naam christos voorchristelijk is. Het bewijsmateriaal daarvoor vindt men in de profetie van de sibille van Erythrae. We lezen daarin ΙΗΣΟΥΣ ΧΡΕΙΣΤΟΣ ΘΕΟΥ ΥΙΟΣ ΣΩΤΗΡ ΣΤΑΥΡΟΣ. Esoterisch gelezen bevat deze aaneenschakeling van betekenisloze, losse zelfstandig naamwoorden, die voor de leek geen inhoud hebben, een werkelijke profetie – maar die verwijst niet naar Jezus – en een versregel uit de mystieke catechismus van de ingewijde. De voorspelling heeft betrekking op het neerdalen van de geest van waarheid (christos) op aarde, na welke komst, die eveneens niets te maken heeft met Jezus, het Gouden Tijdperk zal beginnen; het vers verwijst naar de noodzaak om, voordat die gezegende toestand van innerlijke (of subjectieve) theofanie (het verschijnen van een god) en theopneustie (het ademen van een god) wordt bereikt, door de kruisiging van vlees of stof te gaan. Exoterisch gelezen, betekenen de woorden ‘Iesous chreistos theou uios soter stauros’ letterlijk ‘Jezus, christos, zoon van God, verlosser, kruis’, en vormen ze de meest voortreffelijke handvaten om er een christelijke profetie aan op te hangen. Ze zijn echter heidens, niet christelijk.

Indien men ons vraagt de namen IESOUS CHREISTOS te verklaren, dan is het antwoord: bestudeer de mythologie, de zogenaamde ‘verzonnen verhalen’ van de Ouden; ze zullen u de sleutel geven. Denk na over Apollo, de zonnegod, en de ‘genezer’, en over de allegorie over zijn zoon Janus (of Ion), zijn priester in Delphi – alleen door zijn tussenkomst konden gebeden de onsterfelijke goden bereiken – en over zijn andere zoon, Asclepius, de soter, of verlosser, genoemd. Dit is een bladzijde uit de esoterische geschiedenis, geschreven in de symbolische taal van de oude Griekse dichters.

De stad Chrisa1 (nu geschreven Crissa), werd gebouwd ter nagedachtenis aan Kreousa (of Creüsa), dochter van koning Erechtheus en moeder van Janus (of Ion) door Apollo, ter nagedachtenis aan het gevaar waaraan Janus ontsnapte.2 We vernemen dat Janus door zijn moeder werd achtergelaten in een grot ‘om de schande te verbergen van een maagd die een zoon baarde’, en werd gevonden door Hermes, die het kind naar Delphi bracht en het in zijn vaders heiligdom en orakel opvoedde. Daar werd Janus, onder de naam Chresis (χρῆσις) eerst een chrestes (een priester, waarzegger of ingewijde), en daarna bijna een chresterion, ‘slachtoffer’.3 Zijn eigen moeder, die niet wist wie hij was, wilde hem vergiftigen omdat ze hem in haar jaloersheid en op basis van een vage mededeling van het orakel ten onrechte aanzag voor een bastaardzoon van haar echtgenoot. Toen hij haar achtervolgde tot aan de voet van het altaar met de bedoeling haar te doden, werd ze gered door de Pythia die aan beiden het geheim van hun verwantschap onthulde. Ter nagedachtenis aan deze nipte ontsnapping bouwde Creüsa, de moeder, de stad Chrisa of Krisa. Zo is de allegorie, en ze symboliseert eenvoudig de inwijdingsbeproevingen.4

1. In de tijd van Homerus vinden we in deze stad, die ooit bekendstond om haar mysteriën, de voornaamste zetel van inwijding, en de naam chrestos wordt daar tijdens de mysteriën gebruikt als titel. Ze wordt in de Ilias (2:520) vermeld als ‘Krisa’ (Κρῖσα). Dr. Clarke vermoedde dat haar ruïnes zich onder het huidige Crissa bevinden, een kleine stad, of beter gezegd een dorp, in Phocis, dichtbij de Crissaeaanse Baai. (Zie E.D. Clarke, Travels in various Countries of Europe, Asia and Africa, 4de ed., deel 7, hfst. 6, ‘Lebadéa to Delphi’, blz. 222-3.)
2. De wortel van χρητός [chretos] en χρηστός [chrestos] is één en dezelfde: χράω. Eén betekenis daarvan is ‘het orakel raadplegen’, maar een andere is ‘gewijd, geheiligd’, een aparte plaats krijgend, behorend tot een tempel of orakel, of gewijd aan orakeldiensten. Aan de andere kant betekent het woord χρε (χρεώ) ‘verplichting’, een ‘verbintenis, plicht’, of iemand die zich door een afgelegde gelofte of eed tot iets heeft verplicht.
3. Het bijvoeglijk naamwoord χρηστός werd ook als bijvoeglijk naamwoord vóór eigennamen gebruikt als compliment zoals in Plato’s Theaetetus, 166a, ‘οὗτος δὴ ὁ Σωκράτης ὁ χρηστός’ (hier is Socrates de chrestos), en ook als bijnaam, zoals bij Plutarchus (Levens, Phocion, 10:2), die zich afvraagt hoe zo’n grove en domme kerel als Phocion de bijnaam chrestos kon krijgen.
4. Voor een occultist bevat de mythe van Janus (als het een mythe is) vreemde en veel te denken gevende elementen. Sommigen maken van hem de verpersoonlijking van Kosmos; anderen, van Caelus (hemel); vandaar dat hij ‘twee gezichten’ heeft, door zijn twee aspecten: geest en stof. Hij is niet alleen ‘Janus Bifrons’ (met twee gezichten), maar ook Quadrifrons – het volmaakte vierkant, het symbool van de kabbalistische godheid. Zijn tempels werden gebouwd met vier gelijke zijden, met een deur en drie ramen aan elke kant. Mythologen verklaren dit als een symbool van de vier jaargetijden, van de drie maanden in elk jaargetijde, en samen van de twaalf maanden van het jaar. Tijdens de inwijdingsmysteriën werd hij de dag-zon en de nacht-zon. Daarom wordt hij vaak voorgesteld met het getal 300 in de ene hand en in de andere 65, of het aantal dagen van het zonnejaar. Chanoch (Kanoch en Henoch in de Bijbel) is – of hij nu de zoon van Kaïn, de zoon van Seth of de zoon van Methusalem is – één en dezelfde figuur, zoals op grond van kabbalistische bronnen kan worden aangetoond. Als Chanoch is hij (volgens Fuerst), ‘de inwijder, leraar van de sterrenkundige cirkel en van het zonnejaar’, van wie gezegd wordt dat hij 365 jaar heeft geleefd en levend naar de hemel werd gevoerd, als vertegenwoordiger van de zon (of God). (Zie het boek Henoch). Deze aartsvader heeft veel aspecten gemeen met Janus, die, exoterisch, Ion is, maar kabbalistisch Iao, of Jehovah, de ‘Heer God van de voortplanting’, de mysterieuze Jod, of de Ene, (een fallisch getal). Janus of Ion is immers ook Consivius, a conserendo (hij die zaait of plant), omdat hij over de voortplanting heerste. Men ziet hem gastvrijheid verlenen aan Saturnus (Chronos, ‘tijd’) en hij is de inwijder van het jaar, of tijd verdeeld in 365.

We zien nu dat Janus – de zonnegod, en zoon van Apollo, de zon – de ‘inwijder’ betekent, en ‘hij die de poort van licht opent’, of de geheime wijsheid van de mysteriën; dat hij afkomstig was uit Krisa (esoterisch Chris), en dat hij een chrestos was door wie de God sprak; en ten slotte dat hij Ion was, de vader van de Ioniërs, en, volgens sommigen, een aspect van Asclepius, een andere zoon van Apollo. Het is dus gemakkelijk om in dit labyrint van allegorieën de draad van Ariadne te vinden. Dit is echter niet de plaats om bijzaken uit de mythologie te bewijzen. Het is voldoende om het verband aan te tonen tussen de mythische figuren uit de grijze oudheid en de latere fabels die het begin van ons tijdperk van beschaving markeren. Asclepius (Aesculapius) was de goddelijke arts, de ‘genezer’, de ‘verlosser’, Σωτήρ, zoals hij werd genoemd, een titel die ook aan de Janus van Delphi werd gegeven. IASO1, de dochter van Asclepius, was de godin van de geneeskunde, en in de tempel van haar vader stonden alle kandidaten voor inwijding – de novieten of chrestoi, ‘de zonen van Iaso’ genoemd – onder haar bescherming.

1. Zie voor deze naam, Aristophanes, Plutus, 701.

Als we in de eerste plaats bedenken dat de namen van Jezus in hun verschillende vormen, zoals Iasius, Iasion, Jason en Iasus, in het oude Griekenland veel voorkwamen, vooral onder de afstammelingen van Jasius (de Jasiden), en ook bij de ‘zonen van Iaso’, de mystoi en de toekomstige epoptai (ingewijden), waarom zouden de raadselachtige woorden in het Sibillijnse Boek dan niet in hun ware licht worden gelezen, een licht dat niets te maken had met een christelijke voorspelling? De geheime leer onderwijst dat de eerste twee woorden ΙΗΣΟΥΣ ΧΡΕΙΣΤΟΣ eenvoudig ‘zoon van Iaso, een chrestos’, of een dienaar van de orakelgod, betekenen. In feite is IASO (᾿Ιᾶσώ) in het Ionische dialect IESO (᾿Ιησώ), en de term ᾿Ιησοῦς (Iesous) – in haar archaïsche vorm ΙΗΣΟΥΣ – betekent eenvoudig ‘de zoon van Iaso of Ieso’, de ‘genezer’, d.w.z. ὁ ᾿Ιησοῦς (υιός). Tegen deze weergave kan men zeker niets inbrengen, noch tegen de schrijfwijze Ieso in plaats van Iaso, omdat Iaso Attisch is, en dus onjuist, want de naam is Ionisch. ‘Ieso’ – waarvan ‘ho Iesous’ (zoon van Ieso), namelijk een genitief, geen nominatief, is afgeleid – is Ionisch en kan niets anders zijn, als men rekening houdt met de ouderdom van het Sibillijnse Boek. Ook kon de sibille van Erythrae het oorspronkelijk niet anders hebben geschreven, omdat Erythrae, haar eigen verblijfplaats, een stad in Ionië was (afgeleid van Ion of Janus) tegenover Chios; en de Ionische vorm ging vooraf aan de Attische.

Als we de mystieke betekenis van de nu beroemde sibillijnse spreuk buiten beschouwing laten, en alleen de letterlijke interpretatie geven, op gezag van alles wat hier gezegd is, dan zouden de tot nu toe mysterieuze woorden als volgt luiden: ‘Zoon van IASO, CHRESTOS, (de priester of dienaar) (van de) ZOON van (de) GOD (Apollo), de VERLOSSER van het KRUIS’ (van vlees en stof).1 Men kan niet verwachten dat het christendom ooit zal worden begrepen vóór het laatste spoor van dogmatiek eruit is weggevaagd, en de letterlijke betekenis wordt opgeofferd aan de eeuwige geest van waarheid, die Horus is, die Krishna is, die boeddha is, evenzeer als hij de gnostische christos en de ware christus van Paulus is.

1. Stauros werd pas veel later het kruis, het instrument van kruisiging, toen men het als een christelijk symbool begon te gebruiken en met de Griekse letter T, de Tau (Lucianus, Iudicium vocalium), ging aanduiden. Zijn oorspronkelijke betekenis was fallisch, een symbool voor de mannelijke en vrouwelijke elementen; de grote slang van verzoeking, het lichaam dat gedood of onderworpen moest worden door de draak van wijsheid, de zonne-Chnouphis met de zeven klinkers, of de geest van christos van de gnostici, en ook Apollo die Python doodt.

In zijn Travels beschrijft dr. Clarke een heidens monument dat hij had ontdekt:

In het heiligdom, achter het altaar, zagen we de fragmenten van een marmeren . . . zetel; en op de rug daarvan stond de volgende inscriptie, precies zoals ze hier is geschreven; geen enkel deel ervan was beschadigd of uitgewist; het is misschien het enig bekende voorbeeld van een monument met een grafschrift in deze opmerkelijke vorm.1

1. Clarke, Travels, etc., deel 7, blz. 240.

De inscriptie luidde: ΧΡΗΣΤΟΣ ΠΡΟΤΟΥ ΘΕΣΣΑΛΟΣ ΛΑΡΕΙΣΑΙΟΣ ΠΕΛΑΣΓΙΩΤΗΣ ΕΤΩΝ ΙΗ ΗΡΩΣ; of ‘Chrestos, de eerste, een Thessaloniër uit Larissa-Pelasgia, 18 jaar oude held’. Waarom ‘chrestos de eerste (protou)’? Letterlijk gelezen, heeft de inscriptie weinig betekenis; esoterisch geïnterpreteerd is ze rijk aan betekenis. Zoals dr. Clarke aantoont, treft men het woord chrestos aan op de grafstenen van bijna alle oude Larissiërs, maar wordt het altijd voorafgegaan door een eigennaam. Als het bijvoeglijk naamwoord chrestos na een naam had gestaan, zou het slechts ‘een goed mens’ betekenen, een postuum compliment aan de overledene. Men ziet trouwens vaak hetzelfde op onze eigen hedendaagse grafstenen. Maar omdat het woord chrestos alleen staat en het andere woord, ‘protou’, erop volgt, krijgt het een heel andere betekenis, vooral wanneer de overledene een ‘held’ wordt genoemd. In de ogen van een occultist was de overledene een neofiet, die in het achttiende jaar van zijn leerlingschap1 was overleden en in de eerste of hoogste klasse van discipelen zijn voorlopige beproevingen als een ‘held’ had doorstaan. Hij was echter gestorven vóór het laatste mysterie, dat van hem een ‘christos’, een gezalfde, zou hebben gemaakt, één met de geest van christos of waarheid in hem. Hij had het einde van de ‘weg’ niet bereikt, hoewel hij heldhaftig de verschrikkingen van de voorbereidende theürgische beproevingen had doorstaan.

1. In India verliest de kandidaat zelfs tegenwoordig nog zijn naam en, evenals in de vrijmetselarij, zijn leeftijd (monniken en nonnen veranderen ook hun geboortenamen wanneer ze in het klooster gaan), en begint zijn jaren te tellen vanaf de dag waarop hij als chela wordt aangenomen en aan de cyclus van inwijdingen begint. Zo was Saul ‘een kind van één jaar’ toen hij begon te regeren, hoewel hij een volwassen man was. Zie 1 Samuel (13:1) en Hebreeuwse schriftrollen over zijn inwijding door Samuel.

We mogen de tekst zeker op deze manier lezen als we vernemen op welke plaats dr. Clarke de steen had ontdekt, die, zoals Godfrey Higgins opmerkt, was waar ‘ik hem zou verwachten te vinden; in Delphi, in de tempel van de God IE’, die bij de christenen Jah, of Jehovah, werd, één met Jezus Christus. Het was aan de voet van de Parnassus, in een gymnasium, ‘grenzend aan de Kastalische bron die vloeide bij de ruïnes van Crissa, waarschijnlijk de stad die Crestona werd genoemd’,1 enz. En verder: ‘In het eerste deel van haar loop uit de [Kastalische] bron, scheidt ze [de rivier] de overblijfselen van het gymnasium . . . van het dorp Castri, zoals ze deze waarschijnlijk ook scheidde van de oude stad Delphi’2 – de zetel van het grote orakel van Apollo, uit de stad Krisa (of Kreousa), het grote centrum van inwijdingen, en van de chrestoi, van de besluiten van de orakels, waar de kandidaten voor de laatste beproeving gezalfd werden met heilige oliën,3 voordat ze in hun laatste trance van 49 uur lang (zoals nu nog in het Oosten) werden gedompeld, waaruit ze als verheerlijkte adepten of christoi herrezen.

1. Higgins, Anacalypsis, 1:582.
2. Clarke, Travels, etc., deel 7, blz. 237-8.
3. Demosthenes, Over de kroon, 259, verklaart dat de kandidaten voor inwijding in de Griekse mysteriën met olie werden gezalfd. Dat gebeurt in India nog steeds; zelfs bij de inwijding in de mysteries van yoga worden verschillende zalven gebruikt.

In de Clementijnse erkenningen wordt aangekondigd dat de vader zijn zoon zalfde met ‘olie afkomstig van het hout van de boom van het leven; en op grond van deze zalving werd hij de christus genoemd’; vandaar de christelijke naam. Dit is opnieuw Egyptisch. Horus was de gezalfde zoon van de vader. De manier om hem te zalven met olie van de boom van het leven, afgebeeld op de monumenten, is zeker heel oud; de Horus van Egypte werd voortgezet in de gnostische christus, die op de gnostische stenen wordt afgebeeld als overgangsvorm tussen de karest en de christus en ook als de Horus van beide geslachten.1

1. Gerald Massey, ‘The name and nature of the Christ’, Agnostic Annual, 1888, blz. 12.

G. Massey verbindt de Griekse christos of christus met de Egyptische karest, het ‘mummie-symbool van onsterfelijkheid’, en bewijst dit heel grondig. Hij begint met te zeggen dat in het Egyptisch het ‘woord van waarheid’ Ma-Kheru is en dat het de titel van Horus is. Zoals hij aantoont, ging Horus als ‘boodschapper van het woord van waarheid’, als logos of als degene die de goddelijke natuur in de mensheid openbaart, dus aan Christus vooraf. In hetzelfde artikel schrijft hij het volgende:

De gnosis had drie aspecten – sterrenkundig, spiritueel en leerstellig; en alle drie kunnen worden vereenzelvigd met de christus van Egypte. Sterrenkundig beschouwd wordt het sterrenbeeld Orion de sahu, of mummie, genoemd. Men stelde zich voor dat de ziel van Horus opstond uit de doden en opsteeg naar de hemel in de sterren van Orion. De mummie stelde degene die behouden werd voor, de geredde, en stond dus model voor de verlosser, als symbool van onsterfelijkheid. Dit was de gestalte van een dode die, zoals Plutarchus en Herodotus ons vertellen, tijdens een Egyptisch feestmaal werd rondgedragen, waarbij de gasten werden uitgenodigd ernaar te kijken, te eten, te drinken en gelukkig te zijn, omdat ze, wanneer ze stierven, zouden worden wat het beeld symboliseerde, namelijk dat ook zij onsterfelijk zouden zijn! Dit soort onsterfelijkheid werd de karest, of karust, genoemd, en het was de Egyptische christus. Het werkwoord kares betekent balsemen, zalven, de mummie maken tot een symbool van het eeuwige. Wanneer ze was gemaakt, werd ze de karest genoemd. . . .

Dit beeld van de karest was gewikkeld in een weefsel zonder naden, het juiste gewaad voor de christus! Ongeacht de lengte van de windsels – en sommige van de ontwonden mummiewindsels hadden een lengte van 1000 m – had het weefsel van begin tot einde geen naad. . . . Dit naadloze kleed van de Egyptische karest is een veelzeggend symbool van de mystieke christus, die in de evangeliën bekend wordt als de drager van een gewaad of chiton, gemaakt zonder naden. Dit wordt noch door het Grieks noch door het Hebreeuws volledig verklaard, maar het wordt uitgelegd door het Egyptische woord ketu (weefsel) en ook door het naadloze kleed of de windsels zonder naden, gemaakt om eeuwig te worden gedragen, en dat werd gedragen door de mummie-christus, het beeld van de onsterfelijkheid in de graven van Egypte. . . .

Verder wordt Jezus ter dood gebracht in overeenstemming met de aanwijzingen gegeven voor het maken van de karest. Geen enkel bot mag worden gebroken. De echte karest moet in al zijn ledematen volmaakt zijn. ‘Dit is hij die ongeschonden tevoorschijn komt, en wiens naam de mensen niet kennen’.

In de evangeliën herrijst Jezus ook met alle ledematen nog intact, zoals de volmaakt bewaarde karest, om de fysieke wederopstanding van de mummie aan te duiden. Maar in het Egyptische origineel transformeert de mummie zich. De overledene zegt: ‘Ik ben vergeestelijkt. Ik ben een ziel geworden. Ik stijg op als een God.’ Deze transformatie naar het spirituele beeld, de Ka, werd in het evangelie weggelaten. . . .

Deze spelling van de naam, als Chrest of Chrést in het Latijn, is van groot belang, want hierdoor kan ik bewijzen dat ze identiek is met de Egyptische karest of karust, de naam van de christus als gebalsemde mummie, die het beeld van de verrijzenis was in de Egyptische graven, het symbool van onsterfelijkheid, het evenbeeld van Horus, die opnieuw verrees en vanuit het graf de weg baande voor hen die zijn leerlingen of volgelingen waren. Bovendien wordt dit symbool van de karest of mummie-christus afgebeeld in de catacomben van Rome. Op geen enkel vroegchristelijk monument heeft men een afbeelding van de veronderstelde historische verrijzenis van Jezus gevonden. In plaats van dit ontbrekende feit treffen we het tafereel van Lazarus aan, die uit de doden wordt opgewekt. Dit wordt steeds afgeschilderd als een typisch beeld van de verrijzenis, daar waar er geen echte verrijzenis is! Het tafereel is niet precies in overeenstemming met de opstanding uit het graf in het evangelie. Het is zuiver Egyptisch, en Lazarus is een Egyptische mummie! Lazarus is dus, op elke afbeelding, het mummie-symbool van de verrijzenis; Lazarus is de karest, die de Egyptische christus was, en die door de gnostische kunst in de catacomben van Rome wordt afgebeeld als een vorm van de gnostische christus, die geen historische figuur was en ook nooit zou kunnen worden.

Omdat het hier om iets Egyptisch gaat, is het waarschijnlijk dat de naam uit het Egyptisch is afgeleid. Zo ja, dan betekent Laz (dat gelijk is aan Ras) ‘opgericht worden’, terwijl aru de naam van de mummie is. Met de Griekse uitgang s wordt dit Lazarus. Tijdens de vermenselijking van de mythe zou de symbolische afbeelding van de verrijzenis die men in de graven van Rome en Egypte vindt, het verhaal worden van Lazarus die uit de dood is verrezen. Dit karest-symbool van de christus in de catacomben is niet beperkt tot Lazarus. . . .

Door middel van het karest-symbool kan het spoor van zowel christus als christenen tot in de oude graven van Egypte worden gevolgd. De mummie werd gemaakt naar dit evenbeeld van de christus. Ze werd christus genoemd, identiek met de chrestoi van de Griekse inscripties. Zo ontdekt men dat de geëerde doden, die weer opstonden als de volgelingen van Horus-Makheru, het ‘woord van waarheid’, de christenen, οἱ χρηστοί, van de Egyptische monumenten blijken te zijn. Ma-Kheru is de term die altijd wordt gebruikt voor de oprechten die de kroon van het leven verwerven, en deze dragen op het feest dat aangeduid wordt met de uitdrukking ‘Kom tot mij’. Dit is een uitnodiging van Horus de Rechtvaardiger aan hen die de ‘gezegenden van zijn vader, Osiris, zijn’, en die, omdat ze het ‘woord van waarheid’ tot de wet van hun leven hadden gemaakt, de gerechtvaardigden (οἱ χρηστοί) waren, de christenen op aarde.

Op een afbeelding uit de vijfde eeuw van de Madonna en het kind, op de begraafplaats van St. Valentinus is het pasgeboren kindje, dat in een kistje of kribbe ligt, ook de karest of het mummie-symbool, dat ook nog de kenmerken vertoont van het goddelijke kindje van de zonnemythe door de schijf van de zon en het kruis van de equinox achter het kinderhoofd. Zo wordt het christuskind van het historische geloof geboren. Het is duidelijk dat zijn bestaan hier begint als het karest-beeld van de dode christus, dat in Egypte duizenden jaren vóór het christelijke tijdperk het mummie-symbool van de verrijzenis was. Dit versterkt het bewijs dat de christus van de christelijke catacomben een overblijfsel was van de karest van Egypte.

Bovendien was er, zoals Didron aantoont, een afbeelding van Christus waarop zijn lichaam rood was geschilderd!1 Het was een algemeen bekende overlevering dat Christus een rode huidskleur had. Ook dit kan als een overblijfsel van de mummie-christus worden verklaard. Het was een inheems gebruik om de dingen taboe te verklaren door ze rood te kleuren. Het lijk werd met rode oker bestreken, een zeer primitieve manier om de mummie of de gezalfde te maken. Zo vertelt de god Ptah aan Ramses II, dat hij ‘zijn vlees in vermiljoen herschiep’. . . . Dit zalven met rode oker wordt door de Maori’s kura genoemd, die eveneens de karest of christus maakten.

1. Omdat hij kabbalistisch de nieuwe Adam de ‘hemelse mens’ is, en Adam van rode aarde was gemaakt. – HPB

We zien dat het mummiebeeld ook op een andere manier voortleeft wanneer we vernemen dat de goddeloze gewoonte om een mummie met rode ogen te aanbidden, één van de verderfelijke ketterijen en doodzonden was waarvan de tempeliers werden beschuldigd. Hun afgod, Bafomet, zou ook een mummie zijn geweest. . . . De mummie was het vroegste menselijke beeld van christus.

Ik twijfel er niet aan dat de oude Romeinse feesten, Charistia genaamd, oorspronkelijk verband hielden met de karest en de eucharistie, als viering ter ere van de manes [geesten] van hun overleden vrienden en familieleden, ter wille van wie ze eenmaal per jaar naar deze vriendschappelijke bijeenkomst kwamen. Hier moeten we dus het werkelijke verband zoeken tussen de Egyptische christus, de christenen en de Romeinse catacomben. Deze christelijke mysteriën die men uit onwetendheid onverklaarbaar noemt, kunnen alleen door het gnosticisme en door de mythologie worden verklaard. Ze zijn niet onverklaarbaar, zoals hun ondeskundige uitleggers, hoe goed ze ook worden betaald, tegenwoordig beweren. Dat is slechts het kinderachtige excuus van incompetente mensen voor hun eigen machteloze onwetendheid. Zij zijn nooit in het bezit geweest van de gnosis of wetenschap van de mysteriën, waardoor deze dingen aan de hand van hun oorsprong kunnen worden verklaard. Alleen in Egypte kunnen we de zaak tot op de bodem uitzoeken, of de oorsprong van de christus wat zijn aard en naam betreft vaststellen, om ten slotte te ontdekken dat de christus het mummie-symbool was, en dat onze christologie gemummificeerde mythologie is.1

1. Agnostic Annual, 1888, blz. 9-14.

Het voorafgaande is een verklaring op basis van zuiver wetenschappelijk bewijsmateriaal, maar misschien juist door die wetenschap iets te materialistisch, ondanks het feit dat de auteur een bekende spiritist is. Puur occultisme vindt in het christelijke geloof dezelfde mystieke gegevens als in andere religies, hoewel het zijn dogmatische en historische karakter nadrukkelijk verwerpt. Het is een feit dat in de termen Ἰησοῦς ὁ χριστός,1 het lidwoord ὁ, dat ‘christos’ bepaalt, bewijst, dat dit eenvoudig een bijnaam is, zoals die van Phocion, die wordt aangeduid als Φωκίων ὁ χριστός.2 Niettemin was de zo aangesproken figuur (Jezus) – wanneer hij ook geleefd heeft – een grote ingewijde en een ‘zoon van God’.

1. Zie Handelingen 5:42; 9:34; 1 Cor. 3:11, enz.
2. Plutarchus, Levens, Phocion, 10:2.

Want, we herhalen, de bijnaam christos is gebaseerd op, en het verhaal van de kruisiging afgeleid van, gebeurtenissen die eraan voorafgingen. Overal, zowel in India als Egypte, zowel in Chaldea als Griekenland, waren al deze legenden gebaseerd op dezelfde oorspronkelijke gedachte: het vrijwillige offer van de logoi – de stralen van de ene LOGOS, de rechtstreekse gemanifesteerde emanatie van het ene altijd verborgen oneindige en onbekende – waarvan de stralen in de mensheid incarneerden. Ze stemden ermee in om in de stof te vallen, en worden daarom de ‘gevallenen’ genoemd. Dit is één van die grote mysteries die nauwelijks in een tijdschriftartikel kunnen worden besproken, maar in een afzonderlijk boek van mijn hand, De geheime leer, volledig zullen worden behandeld.

We kunnen nog enkele feiten toevoegen aan de etymologie van de twee termen. Omdat χριστός in het Grieks het voltooid deelwoord is van het werkwoord χρίω, ‘gewreven worden op’, zoals een zalf, en het woord ten slotte in de christelijke theologie ‘de gezalfde’ ging betekenen; en omdat kri in het Sanskriet, de eerste lettergreep van de naam Krishna, onder andere de betekenis ‘uitgieten, wrijven over, bedekken met’ heeft,1 kan men van Krishna ook eenvoudig ‘de gezalfde’ maken. Christelijke filologen proberen de betekenis van Krishna’s naam te beperken tot de afleiding krish, ‘zwart’, maar wanneer de Sanskriet- en de Griekse wortels, die besloten liggen in de namen Chrestos, Christos en Chrishna, zorgvuldiger worden vergeleken en geanalyseerd, zal men ontdekken dat die namen allemaal dezelfde oorsprong hebben.2

1. Dit doet denken aan de leer van de MYSTERIËN. De zuivere monade, de ‘god’, incarneerde en werd tijdens de beproevingen van zijn leven, chrestos, of mens. Een reeks van deze beproevingen bracht hem tot de kruisiging van het vlees en ten slotte tot de toestand van christos.
2. De beste bronnen leiden het Griekse christos af van de Sanskrietwortel ghrish ‘wrijven’; dus gharshati, ‘wrijven’ en ghrishta, ‘afgeschaafd, pijnlijk’. Krish, waarvan één betekenis ‘ploegen’ en ‘voren maken’ is, betekent ook ‘pijn veroorzaken’, ‘pijnigen, folteren’, en ghrishti ‘het wrijven’; al deze termen houden verband met de toestand van chrestos en christos. Men moet sterven in chrestos, d.w.z. zijn persoonlijkheid en begeerten doden, elke gedachte aan afgescheidenheid van zijn ‘vader’, de goddelijke geest in de mens, uitwissen, en één worden met het eeuwige en absolute leven en licht (SAT), vóór men de verheerlijkte toestand van christos, de geregenereerde mens, de mens in spirituele vrijheid, kan bereiken.

Böckhs Christian Inscriptions, waarvan er 1287 zijn, bevat geen enkel voorbeeld van een vroegere datum dan de derde eeuw, waarin de naam niet als Chrest of Chreist wordt geschreven.1

1. Massey, The Agnostic Annual, 1888, blz. 12.

Toch kan geen van deze namen alleen op basis van de astronomie en kennis van de tekens van de dierenriem in combinatie met fallische symbolen worden ontraadseld, zoals sommige oriëntalisten aannemen. Want, terwijl de sterrensymbolen van de mystieke figuren of personificaties in de Purana’s of in de Bijbel sterrenkundige functies vervullen, heersen hun spirituele tegenhangers onzichtbaar maar feitelijk over de wereld. Ze bestaan als abstracties op het hogere gebied, als gemanifesteerde ideeën op het astrale, en worden mannelijke, vrouwelijke en androgyne machten op ons lagere gebied. Schorpioen, als Chrestos-Meshiach, en Leeuw, als Christos-Messias, bestonden al lang voor het christelijke tijdperk in de beproevingen en triomfen van de inwijdingsmysteriën, waarbij Schorpioen een symbool was voor die mysteriën, en Leeuw de verheerlijkte triomf van de ‘zon’ van waarheid symboliseerde. De mystieke filosofie van de allegorie wordt goed begrepen door J.R. Skinner, die schrijft:

De ene [chrestos], die voor de verlossing van de wereld in de afgrond [van Schorpioen, of incarnatie in de baarmoeder] afdaalde; dit was de zon die van haar gouden stralen was ontdaan, en gekroond met zwartgemaakte1 stralen als dorens (die dit verlies symboliseren); de andere was de triomferende Messias, gezeten op het hoogste punt van het hemelgewelf, optredend als de Leeuw van de stam Juda. In beide gevallen droeg hij het kruis: eerst als teken van vernedering (als de zoon van geslachtsgemeenschap), en dan met macht erover, als de wet van de schepping, waarbij hij [in het plan van de makers van het dogmatische christendom] Jehovah is.2

1. We nodigen oriëntalisten en theologen uit om de allegorie te herlezen en te bestuderen van Visvakarman – de ‘Allesmakende’, de vedische god, de wereldarchitect, die zich aan zichzelf of de wereld opofferde, nadat hij alle werelden die hij zelf is had opgeofferd, in een ‘Sarvamedha’ (algemeen offer) – en erover na te denken. In de puranische allegorie klaagt zijn dochter, Yoga-siddha, ‘spiritueel bewustzijn’, de vrouw van Surya (de zon) tegen hem over de al te grote schittering van haar echtgenoot; Visvakarman in zijn rol van Takshaka, ‘houthakker en timmerman’, plaatst de zon op zijn draaibank en snijdt een deel van zijn glans weg. Daarna ziet Surya eruit alsof hij met zwarte dorens in plaats van met stralen gekroond is, en wordt hij Vikartana (‘van zijn stralen ontdaan’). Al deze namen zijn termen die gebruikt werden wanneer de kandidaten de beproevingen van inwijding ondergingen. De hiërofant-inwijder vertolkte de rol van Visvakarman, de vader en handswerksman van de goden (de adepten op aarde), en de kandidaat vertolkte Surya, de zon, die al zijn vurige begeerten moest doden en de doornenkroon moest dragen terwijl hij zijn lichaam kruisigde, voordat hij kon herrijzen en in een nieuw leven, als het verheerlijkte ‘Licht van de Wereld’, Christos, kon worden wedergeboren. Geen oriëntalist schijnt ooit de veel te denken gevende analogie te hebben opgemerkt, laat staan dat hij deze toepast!
2. J.R. Skinner, Key to the Hebrew-Egyptian Mystery in the Source of Measures, 1875, blz. 256.

Zoals Skinner vervolgens aantoont, gaven de allegorieën van Johannes, Jezus en zelfs Apollonius van Tyana slechts in het kort ‘verschillende aspecten of omstandigheden’ van de geschiedenis van de zon weer.1 De verklaring, zegt hij,

1. Op.cit., blz. 259. Skinner denkt dat dit ‘helpt verklaren waarom de vertaling en verspreiding van Philostratus’ Leven van Apollonius van Tyana zo hardnekkig werd tegengehouden. Zij die het origineel ervan hebben bestudeerd, moeten wel opmerken dat het Leven van Apollonius uit het Nieuwe Testament is overgenomen, of dat de verhalen van het Nieuwe Testament uit het Leven van Apollonius zijn overgenomen, omdat de manier van opbouw van het verhaal duidelijk identiek is.’ (Op.cit., blz. 260.)

is eenvoudig genoeg, wanneer men bedenkt dat de namen Jezus, in het Hebreeuws יש, en Apollonius, of Apollo, beide namen van de zon aan de hemel zijn, en dat noodzakelijkerwijs de geschiedenis van de ene, terwijl hij door de tekens reist, met de verpersoonlijking van zijn lijden, triomfen en wonderen, slechts de geschiedenis van de andere kon zijn, omdat de gebruikelijke manier om deze tochten door verpersoonlijking te beschrijven wijdverbreid was.1

1. Op.cit., blz. 260.

Het feit dat de wereldse kerk door Constantijn werd gesticht, en dat een deel van zijn verordening was ‘dat de eerbiedwaardige dag van de zon de dag moest zijn die voor de eredienst van Jezus Christus als zon-dag was uitgekozen’, toont aan dat ze in die ‘wereldse kerk’ heel goed wisten ‘dat de allegorie op een sterrenkundige grondslag berustte’,1 zoals de schrijver bevestigt. Dat de Purana’s en de Bijbel beide vol zonne- en sterrenkundige allegorieën staan, is niet in strijd met dat andere feit dat al zulke heilige schriften gesloten boeken zijn voor de ‘gezaghebbende’ (!) wetenschappers. Ook tast het die andere waarheid niet aan dat al deze stelsels niet het werk van sterfelijke mensen zijn, en van oorsprong niet door hen zijn bedacht.

1. Op.cit., blz. 260.

Dus betekent ‘christos’, onder welke naam dan ook, meer dan karest, een mummie, of zelfs de ‘gezalfde’ en de uitverkorene van de theologie. De twee laatstgenoemde zijn beide van toepassing op chrestos, de man van smarten en beproeving, in zijn fysieke, verstandelijke en psychische toestand, en beide houden verband met de Hebreeuwse toestand Meshiach (vanwaar Messias), zoals het woord door Fuerst en door de schrijver van Source of Measures (blz. 255) wordt afgeleid.1 Christos is de gloriekroon van de lijdende chrestos van de mysteriën, en ook van de kandidaat voor de uiteindelijke EENWORDING, tot welk volk of geloof hij ook behoort. Voor de ware volgeling van de GEEST VAN WAARHEID doet het er daarom weinig toe of Jezus, als mens en chrestos, leefde in het tijdperk dat men christelijk noemt, of vóór die tijd, of dat hij helemaal niet heeft bestaan. De adepten, die voor de mensheid leefden en stierven, hebben in alle tijden bestaan, en in de oudheid waren er veel goede en heilige mensen die de bijnaam of titel chrestos droegen vóór Jezus (Jehoshua) ben Pandira werd geboren.2

1. ‘Het Hebreeuwse woord שיח, shiach, heeft als werkwoord de betekenis: in de afgrond afdalen. Als zelfstandig naamwoord betekent hetzelfde woord: afgrond, plaats van dorens. Het causatief deelwoord van dit woord is משיח, of meshiach, of het Griekse messias, of christus, en betekent ‘hij, die in de afgrond doet afdalen’’ (of de hel, in de dogmatiek). (Skinner, Op.cit., blz. 255.) In de esoterische filosofie heeft dit afdalen in de afgrond een heel mysterieuze betekenis. Over de geest ‘christos’, of beter gezegd de ‘logos’ (lees logoi), wordt gezegd dat hij ‘in de afgrond afdaalt’ wanneer hij in het vlees incarneert, en als mens wordt geboren. Nadat de engelen van het licht de elohim (of goden) van hun geheim, het voortbrengende ‘levensvuur’, hebben beroofd, worden eerstgenoemden neergeworpen in de put of afgrond van de stof, door de vriendelijke theologen hel, of de bodemloze put, genoemd. Tot zover de kosmogonie en de antropologie. Tijdens de mysteriën moest de chrestos, de neofiet (als mens), enz., in de crypten van inwijding en beproeving afdalen; en ten slotte werden, tijdens de ‘slaap van Siloam’ of in de uren van de uiteindelijke trancetoestand, de laatste en definitieve mysteries van het zijn aan de nieuwe ingewijde onthuld. Hades, Sheol of Patala zijn allemaal één. In het Oosten vindt nu tijdens de mysteriën nog hetzelfde plaats als 2000 jaar geleden in het Westen.
2. Verschillende klassieken getuigen van dit feit. Lucianus (Iuppiter confutatus, 16) zegt Φωκίων μὲν ὁ χρηστός en Φωκίων ὁ ἐπίκλην (λεγόμενος, bijgenaamd) χρηστός. In Phaedrus (266e) staat geschreven ‘U bedoelt Theodoros de chrestos’ (Τὸν χρηστὸν λέγεις Θεόδωρον). Plutarchus toont hetzelfde; en Χρηστος – Chrestos is de eigennaam (zie het woord in Henricus Stephanus, Thesaurus Graece linguae) van een redenaar en leerling van Herodes Atticus.

Men kan dus terecht concluderen dat Jezus of Jehoshua, evenals Socrates, Phocion, Theodoros en zo vele anderen die de titel chrestos – d.w.z. de ‘goede, de uitmuntende’ – droegen, de zachtaardige en de heilige ingewijde was, die de ‘weg’ naar de toestand van christos wijst, en zo zelf ‘de weg’ werd in het hart van zijn enthousiaste bewonderaars. Zoals alle ‘heldenvereerders’ hebben de christenen geprobeerd alle andere chrestoi, die hun toeschenen als rivalen van hun mens-god, naar de achtergrond te dringen. Maar ook al is de stem van de MYSTERIËN in het Westen al vele eeuwen verstomd, al zijn Eleusis, Memphis, Antium, Delphi en Crissa langgeleden grafkelders geworden van een wetenschap die in het Westen eens even groots was als nu nog in het Oosten, er worden op dit moment opvolgers voor hen voorbereid. We leven in 1887, en de 19de eeuw loopt ten einde. In de 20ste eeuw staan de mensheid vreemde ontwikkelingen te wachten, en deze kan zelfs de laatste met die naam zijn.

Deel 3

Iemand is pas een christen als hij gelooft, of zegt te geloven, in Christus (door zich te laten dopen) en in de verlossing, ‘door het bloed van Christus’. Om als een goed christen te worden beschouwd, moet men, als noodzakelijke voorwaarde geloof betuigen aan de door de kerk uitgevaardigde dogma’s en die belijden; daarna is iedereen vrij om privé en in het openbaar een leven te leiden volgens een gedragscode die volledig tegenovergesteld is aan die van de Bergrede. Het belangrijkste wat van hem wordt geëist is dat hij een blind geloof heeft in, en eerbied voor de leringen van zijn specifieke kerk – of doet alsof hij deze heeft.

‘Geloof is de sleutel van het christendom’, zegt Chaucer, en de straf voor het ontbreken daarvan staat zo duidelijk als woorden het kunnen uitdrukken in Het evangelie volgens Marcus (16:16): ‘Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden verdoemd.’

Het stoort de kerk heel weinig dat in de afgelopen eeuwen grondig speurwerk naar deze woorden in de oudste teksten niets heeft opgeleverd, of dat de recente herziening van de Bijbel bij de waarheidzoekende en waarheidlievende wetenschappers die zich daarmee bezighielden, tot de unanieme overtuiging leidde dat zo’n on-Christus-achtige zin alleen in sommige van de meest recente, frauduleuze teksten staat. Goede christenen hadden de troostende woorden in zich opgenomen, en deze waren de kern van hun menslievende zielen geworden. Als de hoop op eeuwige verdoemenis van iedereen behalve henzelf, ‘de uitverkoren werktuigen van de God van Israël’, werd weggenomen, zou dit gelijkstaan met hen van het leven te beroven. De waarheidlievende en godvrezende herzieners werden bang; ze lieten de vervalste passage (een interpolatie van elf verzen, van het negende tot het twintigste) staan en susten hun geweten met een dubbelzinnige opmerking verscholen in een voetnoot, één die het werk zou opluisteren en de diplomatieke vermogens van de listigste jezuïeten eer zou aandoen. Ze zegt de ‘gelovige’:

De twee oudste Griekse manuscripten en enkele andere bronnen LATEN verzen 9 tot het einde WEG. Sommige bronnen geven aan dit evangelie een ander slot.1

1. Zie Het evangelie volgens Marcus in de Revised edition van de [Engelse] Bijbel, gedrukt voor de universiteiten van Oxford en Cambridge, 1881.

en geeft geen nadere verklaring.

Maar de twee ‘oudste Griekse manuscripten’ laten de verzen – of men dat nu wil of niet – weg, omdat ze nooit hebben bestaan. En de geleerde en waarheidlievende herzieners weten dit beter dan ieder van ons. Toch wordt de gemene leugen gedrukt in de zetel van de protestantse theologie, en laat men haar voortduren en de komende generaties van theologiestudenten verblinden en daardoor hun toekomstige gemeenteleden. Beide groepen kunnen er echter niet door worden misleid, en dat gebeurt ook niet. Toch beweren ze allemaal te geloven in de echtheid van de wrede woorden die een theologische Satan waardig zijn. En deze Satan-Moloch is hun eigen God van oneindige barmhartigheid en rechtvaardigheid in de hemel, en het vleesgeworden symbool van liefde en menslievendheid op aarde, tot één versmolten!

Uw paradoxale wegen zijn werkelijk mysterieus, o kerken van Christus!

Ik ben niet van plan hier de afgezaagde argumenten en de logische ontmaskering van het hele theologische stelsel te herhalen. Dit alles is immers al vele keren gedaan, en op een heel voortreffelijke manier, door de knapste ‘ongelovigen’ van Engeland en Amerika. Maar ik kan in het kort een profetie herhalen die een natuurlijk gevolg is van de huidige staat van het menselijk denken in het christendom. Het geloof in de letter van de Bijbel en in een vleesgeworden Christus zal nog geen kwart eeuw blijven bestaan. De kerken zullen hun geliefde dogma’s moeten opgeven, anders zal de 20ste eeuw getuige zijn van de val en ondergang van het hele christendom en daarmee zelfs van het geloof in een christos als zuivere geest. Alleen al de naam is nu aanstootgevend geworden, en het theologische christendom moet uitsterven, om in haar huidige vorm nooit weer op te staan.

Dit zou op zich de beste oplossing zijn, als er geen gevaar bestond voor de logische reactie die zeker daarop zal volgen: grof materialisme zal het gevolg en resultaat van eeuwen van blind geloof zijn, tenzij het verlies van de oude idealen wordt goedgemaakt door andere idealen, onaantastbaar door hun universaliteit, en gebouwd op de rots van eeuwige waarheden in plaats van op het drijfzand van menselijke verbeelding. Zuivere onstoffelijkheid moet op den duur het verschrikkelijke antropomorfisme van die idealen vervangen in de opvattingen van onze huidige dogmatici. Waarom zouden anders de christelijke dogma’s, de volmaakte tegenhangers van die welke tot andere exoterische en heidense religies behoren, enig recht op superioriteit opeisen? De structuur van al deze religies was gebaseerd op dezelfde sterrenkundige en fysiologische (of fallische) symbolen. Wereldwijd heeft elk religieus dogma zijn astrologische oorsprong in de tekens van de dierenriem en in de zon.

De wetenschap van de vergelijkende symboliek, of van welke theologie dan ook, beschikt slechts over twee sleutels om de mysteries van religieuze dogma’s te ontsluiten en beheerst deze twee maar in beperkte mate. Hoe kan men dan een grenslijn trekken of enig onderscheid maken tussen de religies van bijvoorbeeld Chrishna en Christus, tussen verlossing door het bloed van het ‘oorspronkelijke eerstgeboren mannelijke wezen [purusha]’ van het ene geloof en dat van de ‘eniggeboren zoon’ van de andere en veel jongere religie?

Bestudeer de Veda’s; lees zelfs de oppervlakkige, vaak verwrongen geschriften van onze grote oriëntalisten, en denk na over wat u dan te weten bent gekomen. Zie brahmanen, Egyptische hiërofanten en Chaldeeuwse magiërs, die enkele duizenden jaren vóór onze tijdrekening onderwezen dat de goden zelf slechts stervelingen waren geweest (in vroegere levens) tot ze hun onsterfelijkheid verwierven door hun bloed aan hun hoogste God of heer te offeren. Het Dodenboek leert dat de sterfelijke mens ‘één werd met de goden door het heen en weer stromen van een gemeenschappelijk leven in het gemeenschappelijk bloed van beiden’. Sterfelijke mensen gaven het bloed van hun eerstgeboren zonen als offer aan de goden. In zijn Hinduism, blz. 36, schrijft prof. Monier-Williams, als hij uit het Taittiriya-Brahmana vertaalt: ‘Door middel van het offer verkregen de goden de hemel’. En in het Tandya-Brahmana: ‘De heer van de schepselen [prajapati] bracht zichzelf als offer aan de goden.’ En ook nog in de Satapatha-Brahmana: ‘Hij die dit weet en offert bij de purusha-medha, of het offer van het eerste mannelijke wezen, wordt alles.’

Telkens wanneer ik discussies hoor over de vedische rituelen, en ze ‘walgelijke mensenoffers’ en (letterlijk) kannibalisme worden genoemd, heb ik altijd de neiging om te vragen, wat is het verschil? Toch is er in feite een verschil; want terwijl christenen verplicht zijn om het allegorische (hoewel, indien juist begrepen, hoogst filosofische) drama van de kruisiging in het Nieuwe Testament, en ook dat van Abraham en Izaäk letterlijk aan te nemen,1 leert het brahmanisme zijn volgelingen – althans in zijn filosofische scholen – dat dit (heidense) offer van het ‘eerste mannelijke wezen’ een zuiver allegorisch en filosofisch symbool is. Naar de letter zijn de vier evangeliën eenvoudig licht herziene versies van wat volgens de kerk satanisch plagiaat is (d.m.v. anticipatie) van christelijke dogma’s in heidense religies. Het materialisme heeft het volste recht om in christelijke rituelen dezelfde zinnelijke verering en ‘zonnemythen’ te zien als die men overal elders aantreft. Op grond van een oppervlakkige en op de letter gebaseerde analyse en kritiek vindt prof. Joly dat de swastika, het ansatakruis en het gewone kruis, niets anders dan seksuele symbolen zijn, en hij heeft het recht zo te spreken. Gezien de volgende feiten:

1. Zie ‘The Soldier’s Daughter’ in dit nummer [van Lucifer] door Eerw. T.G. Headley, en let op het wanhopige protest van deze echte christen tegen het letterlijke geloof in de ‘bloedoffers’, ‘verzoening door bloed’, enz., in de Engelse kerk. De reactie begint: nog een teken van deze tijd.

De vader van het heilige vuur droeg [in India] de naam Tvashtri – dit is de goddelijke timmerman die de swastika en de pramantha maakte, waarvan de wrijving het goddelijke kind Agni (in het Latijn Ignis) voortbracht; zijn moeder heette Maya; hijzelf werd akta (gezalfde, of χρηστός) genoemd nadat de priesters de geestrijke soma over zijn hoofd hadden uitgegoten, en over zijn lichaam de door offers gezuiverde boter.1

1. N. Joly, Man before Metals, 1883, blz. 190.

Gezien dit alles heeft hij het volste recht op te merken dat:

De sterke gelijkenis die bestaat tussen bepaalde ceremoniën van de eredienst van Agni en bepaalde rituelen van de katholieke godsdienst kan, althans tot op zekere hoogte, worden verklaard door hun gemeenschappelijke oorsprong. In de toestand van akta (gezalfde), doet Agni aan Christus denken; Maya aan Maria, zijn moeder; Tvashtri aan Jozef, de timmerman van de Bijbel.1

1. Op.cit., blz. 190vn.

Heeft de professor aan de Faculteit voor Natuurwetenschappen van Toulouse iets nader verklaard door de aandacht te vestigen op dat wat iedereen kan zien? Natuurlijk niet. Hij heeft niets aan de menselijke kennis toegevoegd, omdat hij niets over de esoterische betekenis van de allegorie weet, maar hij heeft wél het geloof van veel van zijn leerlingen in de ‘goddelijke oorsprong’ van het christendom en zijn kerk vernietigd en geholpen het aantal materialisten te vergroten. Geen mens kan immers, als hij zich eenmaal aan zulke vergelijkende studies wijdt, de godsdienst van het Westen in enig ander licht zien dan dat van een vage kopie van oudere en edeler filosofieën.

De oorsprong van alle religies – waaronder het joodse christendom – is te vinden in enkele oerwaarheden, waarvan niet één los van alle andere kan worden verklaard, omdat elk daarvan in een of ander detail het complement van de andere is. Alle zijn de min of meer gebroken stralen van dezelfde zon van waarheid, en hun oorsprong moet worden gezocht in de oude verslagen van de wijsheid-religie. Zonder het licht van laatstgenoemde kunnen de grootste wetenschappers slechts haar skelet zien, bedekt met maskers van de verbeelding en grotendeels gebaseerd op verpersoonlijkte tekens van de dierenriem.

Een dikke laag van allegorie en versluiering, de ‘onbegrijpelijke uitspraken’ in verhalen en parabels, verhullen zo de oorspronkelijke esoterische teksten waaruit, zoals men nu weet, het Nieuwe Testament is samengesteld. Waar komen dan de evangeliën, en het leven van Jezus van Nazareth, vandaan? Is niet keer op keer verklaard dat geen menselijk, sterfelijk brein het leven van de joodse hervormer, gevolgd door het afschuwelijke drama op de Calvarieberg, kon hebben bedacht? Op gezag van de esoterische oosterse school zeggen we dat dit alles, wat de naam christos en de sterrenkundig-mystieke allegorieën betreft, van de gnostici kwam, en wat het kabbalistische verband tussen Jezus of Jehoshua en de bijbelse verpersoonlijkingen betreft, van de geschriften van de oude tannaim. Een daarvan is de mystieke esoterische naam Jehovah – niet de huidige onberekenbare God van de joodse leek die over zijn eigen mysteries niets wist, de God die door de nog onwetender christenen wordt aangenomen – maar de samengestelde Jehovah van de heidense inwijding. Dit wordt heel duidelijk bewezen door de gliefen of mystieke combinaties van verschillende tekens die tot op heden in de rooms-katholieke hiërogliefen bewaard zijn gebleven.

De gnostische verslagen gaven in het kort de belangrijkste taferelen weer die sinds mensenheugenis tijdens de inwijdingsmysteriën werden opgevoerd, hoewel zelfs deze, telkens wanneer ze aan perkament of papier werden toevertrouwd, in de vorm van een semi-allegorie werden ingekleed. Maar de oude tannaim, de ingewijden van wie de latere talmoedisten de wijsheid van de kabbala (mondelinge overlevering) verkregen, bezaten de geheimen van de mysterietaal, en in deze taal werden de evangeliën geschreven.1 Alleen hij die het esoterische geheimschrift van de oudheid beheerst – de geheime betekenis van de getallen, ooit het gemeenschappelijke eigendom van alle volkeren – bezit het volledige bewijs van de genialiteit die tot uiting komt in het samenvoegen van zuiver Egyptisch-joodse oudtestamentische allegorieën en namen met die van de heidens-Griekse gnostici, de meest verfijnde mystici van die tijd. Bisschop Newton bewijst dit heel naïef door aan te tonen dat ‘Barnabas, de metgezel van Paulus, in zijn brief (hoofdstuk 9) . . . de naam van de gekruisigde Jezus ontdekt in het getal 318’; Barnabas vindt het namelijk in de mystieke Griekse IHT, waarbij de tau het symbool van het kruis is. Een kabbalist2, de schrijver van een ongepubliceerd manuscript over de ‘Sleutel tot de vorming van de mysterietaal’, maakt hierover een opmerking:

1. Terwijl de drie synoptische evangeliën dus een combinatie van de heidense Griekse en joodse symboliek laten zien, is de Openbaring geschreven in de mysterietaal van de tannaim – het overblijfsel van de Egyptische en Chaldeeuwse wijsheid – en Het evangelie volgens Johannes is zuiver gnostisch.
2. Noot vert.: J.R. Skinner.

Maar dit is slechts een letterspeling van de Hebreeuwse letters jod, chet en sin, vanwaar IHS als het monogram van Christus tot in onze tijd is overgeleverd, en dit leest men als יחש of 381, en de som van de letters geeft 318 of het getal van Abraham en zijn Satan, en van Joshua en zijn Amalek. Het is ook het getal van Jacob en zijn tegenstander zoals kan worden aangetoond. Godfrey Higgins levert de bron voor het getal 608. Het is het getal van de naam Melchizedek, want de waarde van laatstgenoemde is 304 en Melchizedek was de priester van de allerhoogste God, zonder begin of einde van dagen.

De oplossing en het geheim van Melchizedek vindt men in het feit dat

in de oude pantheons de twee planeten, die al eeuwig [een eonische eeuwigheid] hadden bestaan, en eeuwig waren, de zon en de maan, of Osiris en Isis, waren; vandaar de uitdrukking zonder begin of einde van dagen. 304 vermenigvuldigd met twee is 608. De getallen vindt men ook in het woord Seth, die symbool voor het jaar was. Er zijn een aantal bronnen die aangeven dat het getal 888 van toepassing is op de naam Jezus Christus. Zoals gezegd, staat dit tegenover de 666 van de antichrist. . . . De vaste waarde van de naam Joshua was het getal 365, de aanduiding van het zonnejaar, terwijl Jehovah het genoegen had de aanduiding van het maanjaar te zijn, en Jezus Christus was in het christelijke pantheon tegelijkertijd Joshua en Jehovah.

Dit is slechts een illustratie van onze stelling dat de christelijke toepassing van de samengestelde naam Jezus Christus volledig op gnostische en oosterse mystiek is gebaseerd. Het was terecht en te verwachten dat kroniekschrijvers zoals de ingewijde gnostici, die zich tot geheimhouding hadden verplicht, de uiteindelijke betekenis van hun oudste en heiligste leringen zouden versluieren. Het recht van de kerkvaders om het geheel te omhullen met geantropomorfiseerde verzinsels is twijfelachtiger.1

1. ‘De aanspraak die het christendom maakt op goddelijk gezag berust op het onwetende geloof dat de mystieke christus een persoon kon worden en is geworden, terwijl de gnosis bewijst dat de lichamelijke christus slechts een valse voorstelling is van de bovenlichamelijke mens; een voorstellingswijze als historische figuur is en blijft daarom een rampzalige manier om de spirituele werkelijkheid te vervalsen en in diskrediet te brengen’. (G. Massey, ‘Gnostic and historic Christianity’.)

De gnostische schriftgeleerde en kroniekschrijver misleidde niemand. Iedere ingewijde in de oude gnosis – van de voor- of nachristelijke periode – kende heel goed de waarde van elk woord van de ‘mysterietaal’. Deze gnostici, de bezielers van het oorspronkelijke christendom, waren namelijk ‘de meest beschaafde, geleerde en rijke christenen’,1 zoals Gibbon zegt. Noch zij, noch hun volgelingen liepen gevaar om hun eigen teksten naar de letter aan te nemen. Maar dit was anders voor de slachtoffers van de makers van wat nu het orthodoxe en historische christendom wordt genoemd. Hun opvolgers hebben ze allemaal dezelfde fout laten maken als de ‘dwaze Galaten’ die door Paulus werden berispt, en die, zoals hij hun zegt (Gal. 3:1-5), begonnen met (te geloven in) de geest (van christos), en ‘eindigden met te geloven in het vlees’, d.w.z. in een lichamelijke christus. Want dit is de ware betekenis van de Griekse zin,2 ‘ἐναρξάμενοι πνεύματι νῦν σαρκὶ ἐπιτελεῖσθε’. Dat Paulus een gnosticus was, een stichter van een nieuwe sekte van gnosis die, evenals alle andere gnostische sekten, een ‘christus-geest’ erkende, maar die zich verzette tegen haar tegenstanders, de rivaliserende sekten, is duidelijk genoeg voor iedereen behalve dogmatici en theologen.

1. E. Gibbon, The History of the Decline and Fall of the Roman Empire, hfst. 15.
2. Wanneer deze zin wordt geanalyseerd, betekent hij ‘Zult u, die in het begin naar de christus-geest zocht, nu eindigen met te geloven in een christus van vlees’, of hij betekent helemaal niets. Het werkwoord ἐπιτελουμαι heeft niet de betekenis van ‘volmaakt worden’, maar van ‘eindigen met’, iets worden. De levenslange strijd van Paulus tegen Petrus en anderen, en wat hijzelf vertelt over zijn visioen van een spirituele christus en niet van Jezus van Nazareth, zoals in Handelingen, zijn evenzoveel bewijzen hiervan.

Het is niet minder duidelijk dat de oorspronkelijke leringen van Jezus, wanneer hij ook heeft geleefd, alleen in de gnostische leringen konden worden gevonden. Om te voorkomen dat dit werd ontdekt, hebben vervalsers die de geest verlaagden tot de stof, waardoor de edele filosofie van de oorspronkelijke wijsheid-religie ontaardde, van begin af aan uitgebreide voorzorgsmaatregelen getroffen. Alleen al de werken van Basilides, ‘de filosoof die zich wijdde aan de overdenking van goddelijke zaken’, zoals Clemens hem beschrijft – de 24 delen van zijn Interpretaties van de evangeliën – werden op bevel van de kerk allemaal verbrand, vertelt Eusebius ons.1

1. Vgl. Kerkgeschiedenis, 4:7.

Deze Interpretaties werden geschreven toen de evangeliën die we nu hebben, nog niet bestonden,1 en daarom is dit een goed bewijs dat het evangelie, waarvan de leringen aan Basilides werden gegeven door de apostel Mattheus, en door Glaucias, de discipel van Petrus,2 heel anders moet zijn geweest dan in het huidige Nieuwe Testament. Deze leringen kunnen niet beoordeeld worden naar de verwrongen verslagen ervan die Tertullianus het nageslacht heeft nagelaten. Toch toont zelfs het weinige dat deze partijdige fanaticus geeft, aan dat de belangrijkste gnostische leringen, met hun eigen terminologie en voorstellingen, identiek waren met die van de geheime leer van het Oosten. Immers

1. Zie W.R. Cassels, Supernatural Religion, deel 2, afdeling 2, hoofdstuk 6, ‘Basilides – Valentinus’.
2. Clemens van Alexandrië, Stromateis, 7:7.

bij het bespreken van Basilides – ‘de vrome, god-gelijke, theosofische filosoof’, zoals Clemens van Alexandrië hem zag – roept Tertullianus uit: ‘Daarna maakte Basilides, de ketter, zich los.1 Hij beweerde, dat er een hoogste God is, Abraxas genaamd, door wie het denkvermogen [mahat] werd geschapen, dat de Grieken nous noemen. Daaruit emaneerde het woord; uit het woord, de voorzienigheid; uit de voorzienigheid, deugd en wijsheid; uit deze twee werden op hun beurt overheden, machten2 en engelen gemaakt; en daaruit een oneindig aantal scheppingen en uitstralingen van engelen. Hij plaatst de god van de joden als laatste onder de laagste engelen, en onder degenen die deze wereld maakten, en ontkent dat het God zelf is, en beweert dat het slechts één van de engelen is.’3 (Isis ontsluierd, 2:220-1.)

1. In Isis ontsluierd werd de vraag gesteld ‘Werden de denkbeelden van de Frygische bisschop Montanus door de roomse kerk niet ook als KETTERIJ beschouwd? Het is opmerkelijk te zien hoe gemakkelijk die kerk het schelden van de ene ketter, Tertullianus, tegen een andere ketter, Basilides, aanmoedigt, wanneer dat schelden toevallig haar eigen doel dient.’ (Isis ontsluierd, 2:220vn.)
2. ‘Spreekt Paulus zelf niet over ‘overheden en machten in de hemelsferen’ (Efeziërs 3:10; 1:21) en bekent hij niet dat er veel goden en veel heren (kurioi) zijn? En engelen, machten (dunameis) en overheden? (Zie 1 Corinthiërs 8:5; Romeinen 8:38.)’ (Isis ontsluierd, 2:220-1vn.)
3. Tertullianus, De praescriptione haereticorum, appendix ‘Adversus omnes haereses’. Het is ontegenzeglijk te danken aan een bijzonder spitsvondig en handig argument, dat Jehovah – die in de kabbala eenvoudig een van de sefiroth is, de derde macht onder de emanaties (binah) aan de linkerkant – tot de waardigheid van de ene absolute God is verheven. Zelfs in de Bijbel is hij slechts één van de elohim (Zie Genesis 3:22, ‘God, de Heer’ die geen verschil maakt tussen zichzelf en anderen.)

Een ander bewijs voor de bewering dat Het evangelie volgens Mattheus in de gangbare Griekse teksten niet het oorspronkelijke in het Hebreeuws geschreven evangelie is, wordt gegeven door niemand minder dan Hiëronymus.1 Het vermoeden van een geleidelijke en bewuste antropomorfisering van het christusbeginsel vanaf het begin, groeit uit tot overtuiging, wanneer men eenmaal op de hoogte is van een bekentenis in een brief van Hiëronymus2. We vinden daarin het bewijs voor een weloverwogen vervanging van het hele evangelie. Het evangelie dat nu deel uitmaakt van de canon is duidelijk door deze al te ijverige kerkvader herschreven.3 In die brief zegt hij dat hij tegen het einde van de vierde eeuw door ‘hunne gelukzaligheden’ de bisschoppen Chromatius en Heliodorus naar Caesarea werd gezonden met de opdracht de Griekse tekst (de enige die ze ooit hadden) te vergelijken met de oorspronkelijke Hebreeuwse versie die door de nazarenen in hun bibliotheek werd bewaard, en die te vertalen. Hij vertaalde deze, maar onder protest; want, zoals hij zegt, het evangelie vertoonde ‘stof die niet opbouwend maar vernietigend was’.4 ‘Vernietigend’ voor wat? Kennelijk voor het dogma dat Jezus van Nazareth en de christos één zijn: vandaar het risico voor ‘vernietiging’ van de nieuw ontworpen religie.

1. Zie Hiëronymus, De viris illustribus liber, hfst. 3; H. Olshausen, Nachweis der Echtheit sämmtlicher Schriften des Neuen Testaments, blz. 35. De Griekse tekst van Het evangelie volgens Mattheus is de enige die de kerk ooit heeft gebruikt of bezeten.
2. Hiëronymus, Sancti Eusebii Hieronymi Operum, deel 5, ed. Jean Martianay, Parijs, 1706, kol. 445.
3. Dit is geschiedenis. Hoe ver men ging met dat herschrijven van, en knoeien met, de oorspronkelijke gnostische fragmenten die nu het Nieuwe Testament zijn geworden, kan men vaststellen door Supernatural Religion te lezen, waarvan, als ik me niet vergis, meer dan 23 oplagen zijn verschenen. De verzameling bronnen die hiervoor door de schrijver wordt gegeven, is enorm. Alleen al de lijst van Engelse en Duitse bijbelcritici lijkt eindeloos.
4. De belangrijkste details worden in Isis ontsluierd (2:211-4) gegeven. Het geloof in de onfeilbaarheid van de kerk moet echt stekeblind zijn, want anders zou het allang zijn gedood en uitgestorven.

In diezelfde brief geeft de heilige (die zijn bekeerlingen de raad gaf hun vader te doden, de boezem die hen voedde te vertrappen door het lichaam van hun moeder te verpletteren, indien hun ouders een hinderpaal tussen hen en Christus vormden) toe dat Mattheus niet wenste dat zijn evangelie openbaar zou worden gemaakt, en dat het manuscript dus geheim was. Maar terwijl hij ook toegeeft dat dit evangelie ‘in Hebreeuwse letters was geschreven en door zijn eigen hand’ (die van Mattheus), spreekt hij zich op een andere plaats tegen door het nageslacht te verzekeren dat, omdat ermee geknoeid was, en het herschreven was door een discipel van Manichaeus, genaamd Seleucus . . . ‘de oren van de kerk terecht weigerden ernaar te luisteren’.

Geen wonder dat de echte betekenis van de termen chrestos en christos en de verhouding van beide tot ‘Jezus van Nazareth’, een naam afgeleid uit die van Joshua de nazar, nu voor iedereen, met uitzondering van de niet-christelijke occultisten, verloren is gegaan. Zelfs de kabbalisten hebben nu geen oorspronkelijke gegevens meer waarop ze kunnen vertrouwen. De Zohar en de kabbala zijn door christelijke handen omgewerkt, zodat ze nu onherkenbaar zijn; en ware het niet dat er nog een exemplaar van het Chaldeeuwse Boek van de getallen was, dan zouden er niets dan verminkte verslagen overblijven. Laten onze broeders, de zogenaamde christelijke kabbalisten van Engeland en Frankrijk, van wie velen theosofen zijn, niet te heftig protesteren; want dit is geschiedenis (zie Munk).

Het is even dwaas te beweren, zoals sommige Duitse oriëntalisten en critici nu nog steeds doen, dat de kabbala niet bestond vóór de tijd van de Spaanse jood, Moses de León, die ervan beschuldigd wordt deze tekst in de 13de eeuw zelf te hebben verzonnen, als te beweren dat de kabbalistische werken die nu in ons bezit zijn, even authentiek zijn als ze waren toen rabbi Shimon ben Yochai de ‘overleveringen’ aan zijn zoon en volgelingen doorgaf. Geen van deze boeken verkeert in oorspronkelijke staat, geen ervan is aan verminking door christelijke handen ontsnapt. Munk, een van de geleerdste en knapste critici van zijn tijd over dit onderwerp, bewijst het, terwijl hij, evenals wij, protesteert tegen de veronderstelling dat het een van na Christus daterende vervalsing is, want hij zegt:

Het lijkt ons duidelijk dat de samensteller van oude documenten heeft gebruikgemaakt, waaronder die van bepaalde midrashim of verzamelingen van overleveringen en bijbelse uiteenzettingen, die we nu niet bezitten.1

1. Salomon Munk, Mélanges de philosophie juive et arabe, 1859, blz. 276.

Daarna citeert hij Tholuck en voegt eraan toe:

Voor zover we weten is Hai Gaon, die in 1038 stierf, de eerste schrijver die de theorie van de sefiroth ontwikkelde, en daaraan de namen gaf die we nu onder de kabbalisten terugvinden (vgl. Jellinek, Moses ben Schem-tob de Leon, etc., blz. 13, noot 5); deze doctor, die nauwe betrekkingen onderhield met de Syrische en Chaldeeuwse christelijke geleerden, werd door laatstgenoemden in de gelegenheid gesteld kennis van sommige gnostische geschriften te verwerven.1

1. Munk, Op.cit., blz. 276vn.

Deze ‘gnostische geschriften’ en esoterische leringen gingen deel uitmaken van de kabbalistische werken, samen met veel andere meer recente interpolaties die we nu in de Zohar vinden, zoals Munk duidelijk bewijst. De kabbala is nu christelijk, niet joods.

Van de gnostische geschriften – oorspronkelijk voortgekomen uit de oude wijsheid-religie – zijn slechts enkele onherkenbare snippers overgebleven, omdat verschillende generaties heel actieve kerkvaders zich voortdurend bezighielden met het vernietigen van oude documenten en het voorbereiden van nieuwe passages om te worden ingelast in teksten die het overleefden. Maar een greintje zuiver goud blijft altijd schitteren; en hoe verminkt de verslagen misschien ook zijn die door Tertullianus en Epiphanius over de leringen van de ‘ketters’ zijn nagelaten, een occultist kan er toch nog de sporen in vinden van die oorspronkelijke waarheden die eens over de hele wereld tijdens de inwijdingsmysteriën werden meegedeeld. Onder de teksten die de meest te denken gevende allegorieën bevatten, hebben we o.a. de zogenaamde apocriefe evangeliën, en het onlangs ontdekte en tevens waardevolste overblijfsel van de gnostische literatuur, een fragment getiteld Pistis-Sophia, ‘kennis-wijsheid’.

In mijn volgende artikel over het esoterische karakter van de evangeliën hoop ik te kunnen aantonen dat zij die pistis vertalen door ‘geloof’, het helemaal mis hebben. Het woord ‘geloof’ als genade, of iets waarin men moet geloven door onberedeneerd of blind geloof, is een woord dat slechts sinds het christendom bestaat. Paulus heeft deze term in zijn brieven nooit in deze betekenis gebruikt; en Paulus was onmiskenbaar een INGEWIJDE.

HPB


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 91-133
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag