Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Antwoorden op vragen

[‘Answers to queries’, Lucifer, december 1887, blz. 325-8; CW 8:292-9]

Een correspondent uit New York schrijft:

. . . De redactie van Lucifer zou mensen die zich aangetrokken voelen tot de beweging die ze steunt een grote dienst bewijzen als ze zou verklaren:

(1) Of van een aspirant-theosoof-occultist verlangd wordt dat hij zijn wereldse banden en plichten, zoals genegenheid voor familie, liefde voor de ouders, vrouw, kinderen, vrienden, enz., opgeeft?

Ik stel deze vraag omdat hier geruchten gaan dat sommige theosofische publicaties dat hebben verklaard, en zou willen weten of er in jullie voorschriften echt zo’n absolute voorwaarde bestaat? Hetzelfde is echter te vinden in het Nieuwe Testament. ‘Wie meer van zijn vader of moeder houdt dan van mij, is mij niet waard, en wie meer houdt van zijn zoon of dochter dan van mij, is mij niet waard’, enz., wordt gezegd in Mattheus (10:37). Verlangen de meesters van de theosofie hetzelfde?

Uw dienaar bij het zoeken naar licht,

L.M.C.

Dit is een heel oude vraag, en een nog oudere aanklacht tegen de theosofie, die in eerste instantie door haar vijanden naar voren werd gebracht. We antwoorden nadrukkelijk, nee; en voegen eraan toe dat geen enkele theosofische publicatie zich aan zo’n leugen en laster schuldig zou kunnen maken. Geen aanhanger van de theosofie, laat staan een leerling van de ‘meesters van de theosofie’ (de chela van een guru), zou ooit op die voorwaarden worden aangenomen. Er waren veel kandidaten, maar slechts ‘enkelen waren uitverkoren’. Tientallen werden geweigerd, eenvoudig omdat ze getrouwd waren en een heilige plicht aan hun vrouw en kinderen hadden te vervullen.1 Van niemand werd ooit gevraagd om zijn vader of moeder in de steek te laten; want hij die, terwijl zijn ouders hem nodig hebben om hen te steunen, hem of haar in de steek laat om zijn egoïstische doeleinden of zijn dorst naar kennis te bevredigen, hoe edel en oprecht dat streven ook is, is de wetenschap der wetenschappen onwaardig, en ‘verdient het niet om een heilige MEESTER te benaderen’.

1. We kennen maar twee gevallen waarin gehuwde ‘chela’s’ werden aangenomen; maar beiden waren brahmanen en hadden kind-vrouwen, volgens de hindoe-gewoonte, en ze waren eerder hervormers dan chela’s, die probeerden om het kind-huwelijk en slavernij af te schaffen. Anderen moesten de toestemming van hun vrouw krijgen voordat ze het ‘pad’ betraden, zoals in India al eeuwenlang gebruikelijk is.

Onze correspondent heeft ongetwijfeld theosofie met het rooms-katholicisme verward, en occultisme met de letterlijke leringen van de Bijbel. Alleen in de rooms-katholieke kerk is het namelijk een verdienstelijke daad geworden, die het dienen van God en Christus wordt genoemd, om ‘vader en moeder, vrouw en kinderen te verlaten’, en elke plicht van een eerlijk mens en burger op te geven, om een monnik te worden. En in het Lucas-evangelie (14:26) leest men de verschrikkelijke woorden die Jezus in de mond worden gelegd: ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn.’

De heilige (?) Hiëronymus onderwijst in een van zijn geschriften:

Indien uw vader voor uw drempel gaat liggen, indien uw moeder voor uw ogen de boezem ontbloot die u heeft gezoogd, trap dan op uw vaders levenloze lichaam, trap op uw moeders BOEZEM, en snel met droge en onbewogen ogen naar de Heer die u roept!1

1. Epistola XIV: Ad Heliodorum Monachum, §2.

Het is dus beslist niet uit een theosofische publicatie dat onze correspondent zo’n schandalige aanklacht tegen de theosofie en de MEESTERS heeft kunnen vernemen – maar veeleer uit een anti-christelijk, of een te dogmatisch ‘christelijk’ geschrift.

Onze Society is nooit ‘roomser dan de paus’ geweest. Ze heeft haar best gedaan om de weg te volgen die door de meesters is uitgestippeld; en als ze in meer dan een opzicht niet erin geslaagd is haar zware taak te vervullen, dan ligt de schuld zeker niet bij de theosofie of haar meesters, maar bij de beperkingen van de menselijke natuur. De voorschriften voor het chelaschap, voor het discipelschap, staan echter in veel Sanskriet- en Tibetaanse boeken. In boek 4 van Kiu-te, in het hoofdstuk over ‘de wetten van upasana’s’ (discipelen), zijn de kwaliteiten die van een ‘normale chela’ verwacht worden:

  1. Volmaakte fysieke gezondheid. [Deze 1ste regel geldt alleen voor de ‘tempel-chela’s’, die volmaakt moeten zijn.]
  2. Volstrekte zuiverheid van denken en lichaam.
  3. Altruïstische intenties; universele naastenliefde; mededogen met alle levende wezens.
  4. Waarheidlievendheid en een onwankelbaar vertrouwen in de wet van karma.
  5. Onverschrokken moed bij het verdedigen van de waarheid, zelfs met gevaar voor eigen leven.
  6. Een intuïtief besef het voertuig te zijn van de gemanifesteerde goddelijke atman (geest).
  7. Kalme onverschilligheid voor, maar een rechtvaardige beoordeling van, alles wat tot de objectieve en vergankelijke wereld behoort.
  8. De zegening van beide ouders en hun toestemming om een upasana (chela) te worden. [Of van één, als de andere is gestorven.]
  9. Het celibaat, en het vrij zijn van alle verplichtingen.

Op de naleving van de laatste twee regels wordt heel streng toegezien. Een mens die geen respect toont voor zijn vader of moeder, of zijn vrouw onrechtvaardig behandelt door haar te verlaten, kan nooit worden aangenomen, zelfs niet als leken-chela.

We hopen dat dit voldoende is. We hebben gehoord van chela’s die zijn tekortgeschoten, omdat ze om een of andere reden zo’n plicht hadden verwaarloosd, en die vervolgens altijd de schuld en de verantwoordelijkheid daarvoor bij de leer van de meesters hebben gelegd. Dit is alleen maar natuurlijk voor zielige en zwakke mensen die niet eens de moed hebben hun eigen fouten te erkennen, of de zeldzame adel om ze in het openbaar toe te geven, maar altijd proberen een zondebok te vinden. We hebben medelijden met hen, en laten hen over aan de wet van vergelding, of karma. Van deze zwakke wezens kan men nooit verwachten dat ze de vijand overwinnen zoals beschreven in het wijze gedicht Kiratarjuniya van Bharavi:

De vijanden die in het lichaam in opstand komen
En moeilijk zijn te overwinnen – de slechte begeerten –
Moeten dapper worden bestreden; wie deze overwint,
Is gelijk een veroveraar van werelden. (11:32.)

– Red.

. . .

We hebben verschillende ingezonden brieven ontvangen die betrekking hebben op de onderwerpen die besproken werden in het artikel ‘Laat ieder mens zijn eigen werk toetsen’ uit ons vorige nummer.1 Er kunnen hierover een paar korte opmerkingen worden gemaakt, niet in antwoord op een van de brieven – die, omdat ze anoniem zijn, en geen visitekaartje van de schrijvers bevatten, niet kunnen worden gepubliceerd (en normaal gesproken wordt er ook geen aandacht aan besteed) – maar op de ideeën en beschuldigingen in een ervan, een brief ondertekend ‘M’. De schrijver ervan springt op de bres voor de kerk. Hij maakt bezwaar tegen de verklaring dat het deze instelling ontbreekt aan het spirituele licht dat nodig is om een echt stelsel van menslievendheid toe te passen. Hij schijnt ook bezwaar te maken tegen het standpunt dat ‘praktijkgerichte mensen op een onverstandige manier doorgaan met ‘goed te doen’, waardoor ze in plaats van goed vaak kwaad doen’, en wijst op de werkers in onze sloppenwijken als een rechtvaardiging van het christendom – die, tussen twee haakjes, in het bekritiseerde artikel in geen enkel opzicht werden aangevallen.

1. Noot vert.: Zie blz. 80-91 van dit deel van H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen.

Hierop antwoorden we, en we herhalen wat er werd gezegd, dat er meer kwaad is gedaan door emotionele liefdadigheid dan sentimentele mensen willen erkennen. Elke student economie is bekend met dit feit dat door iedereen die daarover heeft nagedacht, wordt beschouwd als een waarheid als een koe. Er is geen edeler gevoel denkbaar dan dat wat de onzelfzuchtige filantroop bezielt; maar het punt waar het om gaat wordt niet samengevat in de erkenning van deze waarheid. De praktische resultaten van zijn werk moeten worden onderzocht. We moeten bekijken of hij niet – terwijl hij een klein kwaad wegneemt – de kiem legt voor een groter kwaad.

Het feit dat ‘duizenden in alle steden overal in ons land heel wat inspanningen doen’ om armoede te bestrijden, siert deze werkers. Het heeft niets te maken met hun geloof, want deze mensen zouden hetzelfde doen, wat de heersende dogma’s ook zijn. Het is beslist een heel bedroevende illustratie van de vruchten van eeuwen van dogmatisch christendom dat Engeland zo ondermijnd wordt door ellende en armoede als het geval is – vooral op basis van het bijbelse uitgangspunt dat men de boom naar haar vruchten moet beoordelen! Men zou ook kunnen stellen dat de geschiedenis van de kerken, besmeurd als ze is door de vervolgingen, de onderdrukking van kennis, door misdaden en wreedheid, het nodig maakt dat een nieuwe bladzijde wordt omgeslagen. De moeilijkheden waarop men stuit zijn onoverkomelijk. Het ‘kerkendom’ heeft werkelijk zijn best gedaan om met de tijd mee te gaan door de leringen van de wetenschap te assimileren, en met haar tot een zogenaamde wapenstilstand te komen, maar het is niet in staat de wereld een echt spiritueel ideaal te bieden.

Hetzelfde kerk-christendom valt met vruchteloze volharding het steeds groeiende aantal agnostici en materialisten aan, maar is over de mysteries voorbij het graf even onwetend als zij. Volgens prof. Flint is het voor de kerk noodzakelijk om de leiders van het Europese denken binnen haar gelederen te houden. Door die mensen wordt ze echter als een anachronisme beschouwd. De kerk wordt binnen haar eigen muren verteerd door scepsis; vrijzinnige predikanten zijn nu heel gewoon. Door het voortdurend wegvloeien van vitaliteit is ware religie op een laag pitje komen te staan.

De theosofie is naar voren gekomen om een nieuwe stroom van ideeën en aspiraties in het hedendaagse denken te gieten, kortom om een logische basis te verschaffen voor een verheven ethiek, een wetenschap en filosofie die geschikt is voor de kennis van deze tijd. Puur fysieke filantropie – zonder het denken van het grote publiek te bezielen met nieuwe invloeden en verheffende opvattingen over het leven – is waardeloos. Alleen als de mensheid geleidelijk grote spirituele waarheden in zich opneemt zal de beschaving een radicale verandering ondergaan, en dat zal uiteindelijk leiden tot een veel effectiever middel tegen het kwaad dan om alleen aan de buitenkant de ellende te verlichten. Voorkomen is beter dan genezen.

De maatschappij schept haar eigen verschoppelingen, criminelen en losbollen, en veroordeelt en straft dan haar eigen Frankensteins, veroordeelt haar eigen nageslacht, ‘botten van haar bot’ en ‘vlees van haar vlees’, tot een leven van verdoemenis op aarde. Toch erkent en steunt die samenleving heel hypocriet het christendom – d.w.z. het ‘kerkendom’. Moeten we dan wél of niet concluderen dat dit kerkendom niet tegen de eisen van de mensheid is opgewassen? Het is pijnlijk, maar dit is onmiskenbaar wél het geval in zijn huidige dogmatische vorm die van de mooie in de Bergrede gepredikte ethiek een sodomsappel maakt, een witgepleisterd graf, en niet iets beters.

Bovendien schrijft dezelfde ‘M’ dat Jezus ‘ofwel de zoon van God was of de verachtelijkste bedrieger die ooit deze aarde heeft betreden’, en noemt dit de enige twee mogelijkheden. Wij zeggen dat dit helemaal niet zo is. Of de Jezus van het Nieuwe Testament ooit heeft geleefd of niet, of hij een historische figuur was of eenvoudig een symbolische figuur rond wie de Bijbel allegorieën heeft samengebracht – de Jezus van Nazareth van Mattheus en Johannes vormt het ideaalbeeld dat elke aspirant-wijze en westerse kandidaat-theosoof zou moeten volgen. Dat iemand zoals hij een ‘zoon van God’ was, is even onbetwistbaar als dat hij noch de enige ‘zoon van God’ was, noch de eerste, noch zelfs de laatste in de reeks ‘zonen van God’, of kinderen van de goddelijke wijsheid, op deze aarde.

Die andere uitspraak dat hij [Jezus] in ‘zijn leven ooit over zichzelf heeft gezegd dat hij één is met Jehovah, de Allerhoogste, het centrum van het heelal’, is evenmin juist, hetzij naar de letter of in verborgen mystieke zin. Op geen enkele plaats verwijst Jezus ooit naar ‘Jehovah’; integendeel, hij bekritiseert de mozaïsche wetten en de zogeheten geboden die op de berg Sinaï werden gegeven, en distantieert zichzelf en zijn ‘Vader’ heel duidelijk en nadrukkelijk van de Sinaïtische tribale God. Heel hoofdstuk 5 in Het evangelie volgens Mattheus is een vurig protest van de ‘man van vrede, liefde en menslievendheid’, tegen de wrede, meedogenloze en egoïstische geboden van ‘de krijgsheld’, de ‘Heer’ van Mozes (Exodus 15:3). ‘Jullie hebben gehoord dat er destijds door hen werd gezegd’, – zo en zo – ‘En ik zeg u’, het tegenovergestelde is waar. Christenen die nog steeds vasthouden aan het Oude Testament en de Jehovah van de Israëlieten, zijn in het gunstigste geval schismatische joden. Laat ze dat zijn, als ze dat willen; maar ze hebben niet het recht zichzelf chrestenen te noemen, laat staan christenen.1

1. Zie ‘Het esoterische karakter van de evangeliën’, blz. 91-133 in dit deel van H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen.

Het is een grove onrechtvaardigheid en onjuist om zoals onze anonieme correspondent te beweren dat ‘de vrijdenkers bekendstaan om hun verdorven leven’. Sommige van de edelste figuren, en van de diepste denkers van deze tijd, sieren de gelederen van het agnosticisme, positivisme en materialisme. Laatstgenoemde zijn de ergste vijanden van theosofie en mystiek; maar dit is geen reden waarom men hen niet eerlijk zou behandelen. Kol. Ingersoll, een uitgesproken materialist, en de leider van het vrije denken in Amerika, wordt zelfs door zijn vijanden gezien als een ideale echtgenoot, vader, vriend en burger, een van de edelste figuren die de Verenigde Staten sieren. Graaf Tolstoi is een vrijdenker die langgeleden afstand heeft gedaan van de orthodoxe kerk, maar zijn hele leven is, zoals dat van Christus, een voorbeeld van altruïsme en zelfopoffering. Namen alle ‘christenen’ maar deze beide ‘ongelovigen’ als voorbeeld in hun persoonlijke en maatschappelijke leven. De vrijgevigheid van veel vrijdenkende filantropen staat schrikbarend in contrast met de apathie van de rijke hoogwaardigheidsbekleders van de kerk. De ‘vijanden van de kerk’ ‘ongelovigen’ te noemen is zowel absurd als verachtelijk.

Men vraagt ons: ‘Wat kunt u bieden aan een stervende vrouw die bang is om alleen het DUISTERE ONBEKENDE te betreden?’ Onze christelijke criticus erkent hier openlijk: (a) christelijke dogma’s hebben slechts angst voor de dood gezaaid, en (b) over de toekomstige postmortale toestand weet een orthodoxe gelovige in de christelijke theologie helemaal niets. Het is in feite moeilijk om de bijzondere vorm van gelukzaligheid te begrijpen die de orthodoxie haar gelovigen aanbiedt – namelijk verdoemenis.

De stervende mens – de gemiddelde christen – die somber terugkijkt op zijn leven kan deze zegen nauwelijks waarderen; terwijl de calvinist, iemand die gelooft in voorbeschikking, die is opgevoed met de gedachte dat God hem misschien al sinds het begin van de eeuwigheid heeft voorbestemd voor eeuwigdurende ellende – niet door de schuld van die mens maar eenvoudig omdat hij God is – meer dan gerechtvaardigd is om laatstgenoemde te beschouwen als tien keer erger dan een duivel die door onfrisse menselijke gedachten zou zijn voortgebracht.

Theosofie, daarentegen, onderwijst dat er in de natuur volmaakte, absolute rechtvaardigheid heerst – hoewel de kortzichtige mens niet erin slaagt om dat uit haar details op het stoffelijke en zelfs het psychische gebied op te maken – en dat ieder mens zijn eigen toekomst bepaalt. De ware hel is het leven op aarde, als karmische straf die volgt op het voorafgaande leven waarin de slechte oorzaken werden gelegd. De theosoof vreest geen hel, maar vol vertrouwen verwacht hij rust en gelukzaligheid in de periode tussen twee incarnaties, als beloning voor al het onverdiende lijden dat hij heeft doorstaan in een bestaan waarin hij door karma werd gebracht, en waarin hij in de meeste gevallen even hulpeloos is als een afgerukt blad dat door de tegengestelde windstromen van het maatschappelijke en persoonlijke leven heen en weer wordt geblazen. Er is op verschillende momenten genoeg over de omstandigheden van het postmortale bestaan bekendgemaakt om de lezer daarover goed te informeren. De christelijke theologie heeft over deze brandende vraag niets te zeggen, behalve waar ze haar onwetendheid versluiert met mysteries en dogma’s; maar het occultisme, dat de symboliek van de Bijbel onthult, geeft daarover een diepgaande uiteenzetting.

– Red.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 158-65
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag