Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Antwoord op mw. Blavatsky’s aantekeningen bij de christelijke esoterie

Abbé Roca

[‘Réponse aux observations de Mme Blavatsky sur l’ésotérisme chrétien’, Le lotus, februari, 1888, blz. 257-71; CW 9:179-93]

1. Er zijn mensen die door niets worden ontmoedigd of uit het veld worden geslagen, omdat ze een geloof hebben, een geloof dat kritisch is onderzocht, en wetenschappelijk vastgesteld. Ik ben een van die mensen.

In plaats van me te beklagen over de opdoffer die ik als warm onthaal en als teken van verwelkoming heb gekregen nadat mijn eerste artikel in Le lotus is verschenen, ben ik aan mw. Blavatsky veel dank verschuldigd voor haar ongedwongen en openhartige manier van spreken. In mijn ogen is dit een teken van haar ondubbelzinnige oprechtheid en openhartigheid, omdat ze niemand ontziet. Niemand zal deze dame ervan verdenken dat ze katholieke priesters paait, die men in ultramontaanse (sommigen zouden zeggen ultramondaine) kringen – waar de religie van Christus alles te verliezen en niets te winnen heeft – zo graag, en om goede redenen, met vleiende woorden toespreekt. Ik ben veel dank verschuldigd aan haar krachtige intellect, haar onbezonnenheid als van een amazone, en haar ongedwongen manier van schrijven om het onderwerp Christus direct aan de orde te stellen ‘met mannelijke kracht’, zoals de redacteur terecht opmerkt, en ‘zonder omhaal van woorden en zonder partijgeest’.

Met mannelijke kracht en zonder omhaal van woorden, daarover bestaat geen twijfel; zonder partijgeest . . . hm! We zullen zien. Vaak is het mogelijk dat er een partijgeest bestaat zonder dat men dat zelf vermoedt. We maken ons zo gemakkelijk illusies! Het is zo moeilijk zich van elk persoonlijk belang te ontdoen, en nog moeilijker om zich los te maken van partijgeest, school, sekte, kerk, kaste, enz.!

Het is niet zonder reden dat Jezus Christus zei: ‘Verzaak uzelf, en zweer niet bij een of andere meester, zodat u zich uitsluitend aan de zuivere waarheid kan houden.’1 In zijn eigen woorden die even uitdrukkelijk zijn als die van de maharaja van Benares, heeft ook onze Christus verklaard: ‘Er is geen religie hoger dan de waarheid.’ U zult dadelijk zien hoe hij zich op dit punt uitdrukt.

1. Vgl. Matth. 5:34.

Mw. Blavatsky, en met haar de chela’s en de theosofen, hebben meesters, de mahatma’s, aangenomen. Ze maken er overigens geen geheim van, en ik neem hen dat niet kwalijk. Uit wat de adepten ons vertellen, lijkt het er zelfs op dat ze bereid zijn om zich als leraren en meesters aan de wereld aan te bieden. Dat ze ons veel kunnen leren, daaraan twijfel ik niet. In het artikel waarop mijn geleerde gesprekspartner reageert, heb ik niets anders gedaan dan eer te bewijzen aan hun wijsheid. Maar wanneer de redacteur van Le lotus, misschien een beetje beneveld door de bedwelmende dampen van deze complimenten, naar mij knikkend en knipogend uitroept ‘wie van ons houdt, volgt ons’, antwoord ik: Geduld; Ik zou best onmiddellijk van u willen houden; dat is gemakkelijk en bovendien volkomen christelijk. Ik wil u ook graag volgen, maar op goede gronden, con pasos contados,1 en terwijl ik goed weet waar ik naartoe ga.

1. Vertaling: met afgemeten stappen; stap voor stap.

Ik bevind me min of meer in de positie van Aristoteles. Voor mij, evenals voor hem, is er iets dat hoger is dan Plato, en dat is de waarheid. De uitdrukking is bekend: ‘Amicus Plato, sed magis amica veritas!’1 Als u dus de waarheid bent, laten we dan vrolijk daarnaar op weg gaan, maar ik moet er absoluut zeker van zijn.

1. Vertaling: Plato is mijn vriend, maar waarheid is een betere vriend.

Het is een feit dat vóór mw. Blavatsky al een andere figuur voor de wereld is verschenen, die zonder omhaal zei: ‘Ik ben de waarheid – Ego sum veritas’! Hij vertelde ons ook: ‘Kom tot mij, zonder angst, vertrouw op mijn woorden, ik ben de meester, de unieke meester, en de enige echte leraar.’ En verder: ‘Ik ben de weg, ik ben het leven, ik ben de opstanding.’1

1. Vgl. Johannes 11:25 en 14:6.

Dit is de taal van Christus, en als hij daarmee niet God zelf openbaarde, zou hij de meest schaamteloze bedrieger blijken te zijn. Men moet ervoor oppassen om in het bijzijn van mw. Blavatsky Christus een bedrieger te noemen, omdat ze zou reageren met een klap recht in het gezicht van de godslasteraar. Trek dus uw eigen conclusies.

U zult het wel met me eens zijn, heren, dat de manier waarop Christus de zaak stelt nog gedurfder en mannelijker is dan die van uw edele leidsvrouw. Hier kan men inderdaad zeggen dat het gebeurt ‘zonder omhaal van woorden en zonder partijgeest’, zonder enig persoonlijk belang van welke aard ook, en met een volmaakte zelfverloochening. De feiten zijn zo duidelijk dat ze in het oog springen en dat u er volledig door wordt gegrepen. Iedereen weet dat het leven van Jezus Christus vele onweerlegbare bewijzen van zijn onbaatzuchtigheid heeft opgeleverd, en dat zijn dood daarvan de duidelijkste bevestiging was, de marturiva tekmhvriou (het ultieme bewijs). Vandaar dat een enigszins omstreden filosoof, J.-J. Rousseau, die overweldigd was door zoveel bewijzen, een keer uitriep: ‘Als het leven en de dood van Socrates die van een wijze zijn, dan zijn het leven en de dood van Jezus die van een God!’ Socrates staat hier symbool voor de hoogste en zuiverste verpersoonlijking van de deugd in het Westen; en ik benadruk dit omdat ik erken dat het Oosten incarnaties van wijsheid heeft gekend die hoger staan dan die van Socrates, en daarom dichter staan bij die incarnatie die 19 eeuwen geleden werd verwezenlijkt in de zoon van Maria. U ziet, ik ben niet zuinig met mijn bewondering voor India.

Verder moet worden opgemerkt dat Jezus Christus zelf verklaart dat het onmogelijk is zijn broeders een grotere toewijding te bewijzen dan die waarvan hij het voorbeeld zou geven door zich volledig voor hen op te offeren: Nemo majorem charitatem habet quam, etc.1 Wanneer een of andere mahatma – Jezus Christus was er niet een, wat mw. Blavatsky er ook van denkt – me kan overtuigen dat er in hem eenzelfde liefde voor ons brandt, dat hij in de wereld is gekomen om dat te bewijzen en tegelijkertijd om te getuigen van de waarheid, dat hijzelf in feite deze goddelijke waarheid is, en de weg die daarheen leidt, en het leven dat het gevolg daarvan is, en de opstanding die deze waarheid en dit leven in ons hart terugbrengt wanneer deze daarin zijn uitgedoofd; wanneer hij me kan verzekeren dat hij die over hem nadenkt over de Vader nadenkt, omdat de Vader en hij slechts één zijn, zodanig dat iemand alleen via hem naar de Vader kan gaan; wanneer hij experimenteel voor mij zal hebben aangetoond, zoals Jezus Christus dat elke dag in mijn ziel doet, ‘dat hij de unieke meester en enige echte leraar is’, dat hij het licht is dat alle mensen verlicht, en het beginsel dat aan de basis van ons denken ligt – ego principium qui loquor vobis;2 wanneer hij bovendien om deze getuigenissen te ondersteunen – en eindeloos veel andere die niet minder bijzonder zijn – zal hebben toegestemd om de beker te drinken die Jezus in Gethsemane heeft gedronken (een beker die heel wat bitterder is dan de gifbeker waaruit Socrates in het Westen dronk, of die bittere bekers waaruit Krishna, Gautama uit Kapilavastu, Siddhartha en alle andere boeddha’s in het Oosten hebben gedronken); wanneer hij, zonder te klagen of te mopperen, sicut agnus,3 zijn lichaam zal hebben overgeleverd, a planta pedis usque ad summum verticis,4 aan de geseling met stokken en zwepen die meedogenloos werden toegebracht door de soldatenbende en het bediendenvolk, en zijn gezicht aan de verwondingen, de klappen en het spugen van de menigte, zijn hoofd en voorhoofd aan de scherpe punten van de doornenkroon, zijn handen en voeten aan de spijkers en hamers van de kruisiging, zijn uitgedroogde lippen aan de kwelling met azijn en aan de bitterheid van de afschuwelijke spons, en, wat nog pijnlijker is, zijn leven – een heel leven vol goede en zegenrijke daden – aan de verloochening door zijn eigen discipelen, aan de beledigingen, het sarcasme, de godslasteringen en verwensingen van de priesters en pausen van zijn tijd; wanneer hij ten slotte alle razernij van die duivelse sabbat, alle uitbarstingen van woede, van onrecht en gruwelijke waanzin, slechts zal beantwoorden met dat verheven gebed: ‘Vader, vergeef hen; ze weten niet wat ze doen!’ . . .

1. Vertaling: Niemand heeft een grotere liefde dan, enz. Vgl. Joh. 15:13.
2. Vertaling: Ik ben het beginsel dat in u spreekt.
3. Vertaling: Als een lam.
4. Vertaling: Van voetzool tot kruin. Vgl. Jesaja 1:6.

Dan, ja dan, mijn geliefde broeders, zal ik meer doen dan van u te houden; ik zal u blindelings volgen, in sprakeloze aanbidding, alles voor u opgeven; zoals ik alles heb opgegeven voor mijn goddelijke meester en Heer, Jezus Christus. Want dan zou Hij u zijn, en zou u één zijn met de Vader; dan zou u de grote illusie die egoïsme heet, hebben doorzien, om u te verenigen, zoals hij, met atma-christos, met het absolute, eeuwige, goddelijke ego; dan zou u, door middel van de nederige en lijdende Christus van vlees, de glorieuze en zegevierende christus-geest tot stand hebben gebracht, en u zou met onze ongeëvenaarde Paulus kunnen uitroepen: ‘Ik leef, maar toch niet! Ikzelf leef niet meer, maar Christus leeft in mij!1 Vivo, iam non ego: Vivit vero in me Christus’!

1. Vgl. Gal. 2:20.

2. O! Geloof me, mevrouw, de echte christenen zijn niet allemaal gestorven met de laatste gnostici, zoals u ten onrechte beweert. Die diepgaande esoterie – die verborgen ligt achter exoterische vormen en onbegrepen dogma’s, en die men overigens terugvindt in de religieuze symbolen van alle heilige tradities zowel in het Westen als in het Oosten – hebben ook wij, zelfs in de rooms-katholieke kerk, behouden, hoe diep ze op dit moment ook is gevallen en in duisternis is gehuld. Als het verheven denkbeeld van dat christelijke ideaal ook dat van de mahatma’s is, dan verdienen ze alle eer! Maar het is ook dat van de kabbalisten en de echte katholieken; ik wou dat ik eraan kon toevoegen van alle theosofen, van alle occultisten en van alle hermetici.

Evenals u maken we onderscheid tussen de χρηστός van het lijden en de χριστός van de heerlijkheid, en we weten – iets wat u niet schijnt te weten – dat de zalving die door u aan Jezus Christus wordt ontzegd over hem is uitgestort met het bloed van zijn eigen opoffering, want elk geofferd wezen is een gewijd of gechristend wezen, en wie zich volledig heeft opgeofferd in het bloedoffer, is volmaakt gezalfd. U bent het overigens met me eens, mevrouw, als u de inwijdingscyclus in herinnering brengt: ‘Geen offerlam’, zegt u terecht, ‘zou zich met de goddelijke en zegevierende Christus kunnen verenigen voordat het dit voorbereidende stadium van de lijdende Christus heeft doorgemaakt.’ Heel goed!

Juist om aan die rituele voorwaarde te voldoen is volgens Johannes ‘het Woord vlees geworden’, en als gevolg daarvan is het in onze tijd, na 19 eeuwen van kruisiging, in staat om voor de ogen van de hele wereld, het goddelijke licht van de christus-geest volledig binnen te gaan, want, zoals de wijze apostel van de Areopagus onderwijst, ‘Christus moet lijden om de heerlijkheid te kunnen binnengaan’ (oportuit Christum pati et it a intrare in gloriam).1 De wet is absoluut en universeel; deze geldt voor Hem die het hoofd, de leider, het ‘principium’ van de mensheid is, en dat geldt ook voor ieder van de monaden, cellen of individuele eenheden van het universele maatschappelijke geheel waarvan die Christus het epigenetische beginsel is. Niemand van ons zal dat verheerlijkte lichaam binnengaan, dat voor mij het gelukzalige nirvana van de boeddhisten is, zonder die weg te gaan die het evangelie de ‘nauwe poort en de smalle weg’ (angusta porta, et via arcta) noemt.2

1. Vgl. Lucas 24:46.
2. Vgl. Matth. 7:14.

Mw. Blavatsky kan nu de werkelijke betekenis van de bekering van Paulus, die ze niet begrepen heeft, inzien. Paulus was een ingewijde van de esseense school van Gamaliël, een echte therapeut, een volmaakte nazarener, zoals hij ons zelf meedeelt. Hij bevond zich precies in de toestand waarin mw. Blavatsky zich nu schijnt te bevinden, en ik ben bang dat ook heel wat chela’s zich daarin bevinden. Evenals de meerderheid van de farizeeën – die geleerde sekte waarvan Paulus een trotse volgeling was – was hij op de hoogte van de glorieuze Christus, verwachtte hij hem, maar hij had hem niet herkend in de gedaante van de smartelijke zoon van Maria, die zijn ideaal en dat van de synagoge zo weinig belichaamde, met zijn doornenkroon, zijn bloedende vlees, met de vernedering van zijn hele leven, met de verbijsterende schande van zijn zogenaamd onterende dood.

Het was aan Gamaliëls leerling gegeven om op de weg naar Damascus zijn glorieuze Christus te ontdekken in de persoon van de Christus van vlees, die in zijn menselijk lichaam leed om alles te verwezenlijken wat door de wet van offers wordt voorgeschreven in de inwijdingscyclus waarover mw. Blavatsky spreekt. Wat aan Paulus werd geopenbaard was helemaal niet de christos van de gnostici, zoals zij zegt, maar juist de chrestos met alle geheimen van zijn vernedering en van zijn vernietiging.

Luister ook naar hem als hij terugkeert uit Damascus: ‘Ik verheerlijk me te weten dat er voor u niets anders bestaat dan Jezus Christus, en wel de gekruisigde Jezus-Christus’ (Nihil me scire glorior inter vos, nisi Jesum-Christum, et hunc crucifixum).1

1. Vgl. 1 Cor. 2:2.

Dan zou de apostel goed hebben uitgekeken om niet, zoals mw. Blavatsky zegt ‘snel korte metten te maken met Petrus’, want Petrus had lang vóór Paulus het geheim van het lijdensverhaal ontcijferd, en hij wist heel goed dat de glorieuze en goddelijke christus-geest als in een cocon in de bebloede Christus verborgen lag. Het bewijs hiervan staat in het evangelie zelf. ‘Wie ben ik volgens jullie?’ vroeg Christus op een dag aan zijn discipelen. Alleen Petrus antwoordde: ‘Ik denk dat u de Christus bent, de zoon van de levende God’ (Credo quia tu es Christus, Filius Dei vivi).1 ‘Gelukkig ben je, Simon Barjona, want wat je daar zegt is niet door een mens aan je geest geopenbaard, maar alleen door de Vader.’ Ik zou willen dat mw. Blavatsky ook naar Damascus kon gaan en op haar weg kon ervaren wat Paulus daar heeft ervaren! Verder heeft ze alles om een volmaakte ingewijde en de grootste christelijke boeddhist te worden.

1. Vgl. Matth. 16:16.

Ik betwist niet dat ze in de esoterie van de hindoes beter thuis is dan ik; maar ik betwijfel, na zorgvuldig naar haar geluisterd te hebben of ze de esoterie van de evangeliën net zo goed kent als ik. Dit is de reden waarom het moeilijk is om het onmiddellijk met haar eens te zijn. Ik weet genoeg van het boeddhisme om haar direct te begrijpen, maar zij weet niet genoeg van het christendom om mij in één keer te begrijpen.

Waarom zou ze anders al die moeite hebben gedaan om van voor mij zoveel eruditie tentoon te spreiden, en mij te herinneren aan de sterrenkundige allegorie en de siderische symboliek, waarin de priesters van de oude tempels alle geheimen van het christendom hadden voorzien? Het is lang geleden dat dr. Sepp – om Strauss en Dupuis te weerleggen – de argumenten tegen de historische Christus die aan die sterrenkundige legende waren ontleend, overtuigend heeft afgedaan. Zoals die geleerde tekstuitlegger opmerkt, is de natuur de echte zwijgende sibille die zo vol is van het Woord dat haar bezielt, dat ze haar orakeluitspraken doet en haar geheimen onthult door middel van alle kosmische verschijnselen die zich voordoen op de verschillende gebieden van onze wetenschappen: ‘Multifariam, multisque modis loquens nobis, etc.’1

1. Vertaling: op vele en verschillende manieren tot ons sprekend, enz.

Om mw. Blavatsky op dit punt antwoord te geven, zou ik enig plagiaat moeten plegen, want ik zou het niet overtuigender weten te verwoorden dan de uitstekende inleiding van dr. Sepps Das Leben Jesu Christi, in het Frans vertaald als La vie de N.-S. Jésus-Christ door Charles Sainte-Foi (een pseudoniem van Éloi Jourdain).

Ik verontschuldig me bij mw. Blavatsky en bij onze lezers dat ik haar en hen verwijs naar dit schitterende monument van onze gnosis.

Ik heb zoveel vertrouwen in de vooruitgang van de kritische wetenschap dat ik nooit over iemand wanhoop, laat staan over de uitstekende denkers tot wie ik me nu richt.

Laten we voor het moment tevreden zijn met de waardevolle verklaring van mw. Blavatsky – die ook die van haar meesters, de mahatma’s, is – namelijk dat er achter de formuleringen van leringen en sacramentele sluiers van alle exoterische religies een hoogste, absolute waarheid staat, een christelijke waarheid die in essentie goddelijk is, ook al wordt ze verschillend geïnterpreteerd, en bijna overal uitgebuit. Dit is al genoeg reden om onze wetenschappers versteld te doen staan, en in het bijzonder om onze geestelijken en ook onze academies stof tot nadenken te geven! Laat men overal maar flink zwoegen, want het brood van de wetenschap vereist meer zweet dan stoffelijk brood.

Ja, priesters, ja, wetenschappers, dezelfde leer geldt zowel in het Oosten als het Westen. ‘De theosofen’, zegt mw. Blavatsky, ‘zullen de mysteries van de katholieke kerk bekendmaken, die in feite dezelfde zijn als die van de brahmanen, hoewel onder andere namen’. Zo zij het! In mijn eerste artikel heb ik voldoende aangegeven dat ik die hoop deel, en dit artikel is daarmee niet in tegenspraak.

3. Wanneer de lijdende Christus klaar zal zijn met het verlossende en bevrijdende werk dat hij voor ons kwam doen, en waarvan – lijkt mij – het einde nabij is; wanneer, dankzij de christelijke beschaving en de nieuwe wetenschappen waarmee door ons een begin wordt gemaakt, wanneer, zeg ik, door al deze lichtpunten, de nederige en lijdende Christus ‘voldoende is verheven’ in het bewustzijn van de mensen die verlost zijn door zijn bloed, dan zal hij volgens eigen zeggen ‘iedereen naar zich aantrekken, zal hij ons meevoeren naar zijn Vader en onze Vader, naar zijn God en onze God’, en in die hemelvaart zal hij de hele wereld meenemen (Cum exaltatus fuero, omnia traham ad meipsum – ascendo ad Deum meum et Deum vestrum, ad Patrem meum et Patrem vestrum).1

1. Vgl. Johannes 12:32 en 20:17.

Moeten we deze tekst toelichten? Luister, men zou dan een parafrase geven van de wet van inwijding die vroeger in de stilte van de tempels plaatsvond, en die, denk ik, bij de mahatma’s en chela’s in hun geheime toevluchtsoorden nog steeds plaatsvindt. Wanneer Christus – door de zuiverende weg van het lijden, de boetedoening en dood – voor de wereld van gedaante zal zijn veranderd, zoals men hem ooit persoonlijk zag doen op de profetische Taborberg, zozeer dat de lijdende Christus de zegevierende Christus zal zijn geworden, door alles wat het relatieve ego of het egoïsme vormt op te offeren aan het absolute ego, en dus in feite de zoon van God zal zijn geworden die hij in alle eeuwigheid is – als het Woord dat van dezelfde substantie is als de Vader en aan hem gelijk is, volgens de canonieke Niceaanse uitdrukking – dan zal hij door zowel het Oosten als het Westen worden erkend, geprezen en verheerlijkt; dan zullen alle heiligdommen zijn oproep laten weerklinken, en zal men deze overal bekendmaken, en van het ene uiteinde van de wereld tot het andere de réveille van zijn komst slaan.

De mensheid, die de barrières omverwerpt die de kerken in kampen verdelen en sektarisch maken, zal vrij en vreedzaam op weg gaan naar de beloofde schaapskooi om de universele familie van de Vader te vormen, onder het unieke leiderschap van een herder die Christus zelf zal zijn, zichtbaar verpersoonlijkt door een paus die niet méér zal lijken op de paus van vandaag dan de paus van Salt Lake lijkt op de paus die nu in het Vaticaan woont.

Spreek ik als een profeet? Helemaal niet. Ik herhaal slechts de orakels, en de woorden van de Messias en van Paulus. Ik ben hooguit een armzalige grammofoon die herhaalt wat me van alle kanten wordt ingefluisterd.

Mevrouw, geloof me, in afwachting van de vervulling van deze profetieën moet u niet te veel aanstoot nemen aan de nederigheid van onze Christus! Een groot mysterie dat voor veel ingewijden niet langer een mysterie is, ligt verborgen achter zijn vernederingen. Let op!

Om de menselijke aard aan te nemen, en daarmee de hele mensheid voor zijn rekening te nemen, met al haar individuele vergankelijke en zich onophoudelijk vernieuwende monaden tijdens hun aardse avontuur, moest Christus in zijn vlees al onze wonden, al onze ellende, al onze persoonlijke en maatschappelijke zwakheden op zich nemen, en moest hij daarvoor boeten aan een kruis in stromen van maagdelijk bloed, dat in de ogen van de Vader absoluut zuiver is. Om deze gevallen wereld weer te verheffen, die in het Westen dieper is gezonken dan in het Oosten – en dat is de reden waarom de aardas, zoals u weet, schuin staat – was een hefboom nodig. Die hefboom, die veel krachtiger is dan die waar Archimedes om had gevraagd, is de arm van Christus, die arm die we ‘de onoverwinnelijke rechterhand van de Vader’ noemen.

Door de werking daarvan ontwikkelt Europa zich, verheft ze zich ethisch; ze ontwaakt, ze begint zich te roeren; ziet u dat niet? Haar wijsheid groeit, ze klimt op, ze zal zich binnenkort op diezelfde hoogte bevinden waar Azië op haar wacht. De mahatma’s, die hun blik op ons hebben gericht, hebben die opgaande beweging aan het werk gezien in de onrust van onze revoluties, en ze zeggen tegen elkaar: Dit is het psychologische moment, laten we onze arme broeders een reddende hand reiken, en in hun duisternis onze lichtbakens aansteken. En dat is de reden waarom u, gehoorzamend aan de opdracht van de ‘broeders’, zojuist 135 afdelingen heeft kunnen oprichten, die evenzoveel centra van licht zijn, niet alleen in Parijs, maar bijna in alle hoeken van de wereld. En wanneer hierdoor het Oosten en het Westen elkaar zullen hebben ontmoet en omarmd, zullen ze vervolgens, Arcades ambo,1 samen glorieus opstijgen naar het koninkrijk van de hemel dat ze hier op aarde verwezenlijken, en het goddelijke Jeruzalem waarover de ziener van Patmos sprak zal op ons neerdalen, om te worden bewoond door mensen die als goden zullen zijn, en door goden die als mensen zullen zijn, zoals zelfs onze Christus heeft gezegd: ‘Ego dixi; vos Dii estis!’ (Ik heb gezegd: jullie zijn goden!).2

1. Noot vert.: Dit betekent: beide Arcadiërs. Dit is mogelijk een verwijzing naar Vergilius, Ecloge 7:4, waarin twee schaapherders worden genoemd die even bekwaam zijn in het zingen.
2. Joh. 10:34.

Ik ben er volkomen van overtuigd dat als ik in mijn eerste artikel mijn gedachtegang volledig had kunnen ontwikkelen – daarvoor zou een heel boek nodig zijn, en dat boek zal verschijnen, want ik ben het aan het schrijven – dan zou mw. Blavatsky niet gedacht hebben dat ik haar en de adepten uitnodigde om zich naar de ‘heilige berg’ te begeven door eenvoudig de weg naar het keizerlijk pauselijke Rome te nemen, ‘waar nog steeds de Satan van de zeven heuvels heerst’, om zoals Saint-Yves te spreken. Ze zou daarentegen hebben begrepen dat ‘we allemaal moeite moeten doen om in hetzelfde tempo de weg te gaan die naar Meru leidt’.

Deze religieuze synthese, en de maatschappelijke harmonie en goddelijke gelukzaligheid die daaruit zullen voortvloeien, zullen zich hier op aarde voorlopig niet voordoen, zegt ze: ‘We bevinden ons nog maar aan het begin van kaliyuga, waarvan de eerste 5000 jaar nog niet zijn verstreken, terwijl het in totaal 4320 eeuwen zal duren, en pas aan het einde van die cyclus zal de kalki-avatara verschijnen.’ Ik ontken dat niet. Helaas! Ik geloof zelfs dat ze gelijk heeft; ik heb niet de kennis van zaken om dit te kunnen beoordelen. Maar, gegrond of niet, die berekeningen zijn niet in tegenspraak met wat ze mijn ‘optimistische verwachting’ noemt.

Ik heb eenvoudig willen spreken over het tijdperk waarin het dankzij de vooruitgang die bij ons is geboekt door het religieuze bestuur en de christelijke beschaving – die we te danken hebben aan het feit dat er een geheel nieuwe kijk op ons heilige evangelie ontstaat – mogelijk zal zijn om deze obstakels weg te nemen, ik bedoel de bergen fouten, vooroordelen en begeerten die tot nu toe hebben verhinderd dat het Oosten en het Westen elkaar waarderen en het met elkaar kunnen vinden. Deze obstakels, deze barrières zijn, zoals iedereen tegenwoordig begrijpt, het politieke werk van de keizer. Al onze tegenslagen komen van dat monster, dat de Satan is over wie onze gelijkenissen spreken. U zult dadelijk horen wat Jezus-Christus zelf hierover zegt.

Maar eerst wil ik nog eens de triomfkreet herhalen die vier jaar geleden, als het klaroengeschal van de wachter ’s morgens vroeg, in het centrum van Parijs weerklonk: ‘In de 20ste eeuw zal de oorlog dood zijn, zullen de grenzen dood zijn, zullen de legers dood zijn, zullen de keizers dood zijn’, enz. Een enorme menigte, verzameld bij het Château-d’Eau, was laaiend enthousiast door de vurige bezieling van die profetische woorden, en de echo’s verspreidden die emotie tot in de verre omtrek. Moeten we zeggen dat Victor Hugo, die vooral geniaal was in zijn voorgevoelens en vooruitziende blik, en dat Parijs, Frankrijk, Europa – de christelijke wereld van het ene uiteinde tot het andere – zich voeden met illusies en optimistische dromen koesteren? Overal in het Westen en in heel Amerika roert zich de werkelijke geest van Christus, daar kunt u zeker van zijn! De christelijke wereld kan niet langer bestaan zonder te begrijpen dat ze aan Christus toebehoort. ‘Mens agitat molem.’1 Haar Verlosser had die geest, en Paulus zou in onze tijd maatschappelijk gezien gelijk hebben: ‘Non estis vestri, vos estis Christi.’2 O mensen, Christus houdt u in zijn greep! Op de slottoren van Vincennes sprak de pythia de waarheid toen ze 110 jaar geleden via de staatsgevangene Diderot deze bevlogen woorden naar de wereld slingerde: ‘Deus, ecce Deus’3 ‘Volkeren sta op, de verlossing is nabij!’

1. Vertaling: ‘de geest brengt de massa in beweging’.
2. Vertaling: ‘u bent niet van uzelf, u bent van Christus’.
3. Vertaling: ‘God, zie God’.

Ziet u, geachte mevrouw, als u recht wilt doen aan het stelsel van onze verlossing en de geest van de grondlegger ervan, dan moet u twee dingen doen: ten eerste moet u niet van ‘een kwestie van principes en leringen een kwestie van personen of de geestelijkheid maken’, zoals een van uw briljante landgenoten, mw. Swetchine, heeft gezegd. De rooms-katholieke kerk bevindt zich misschien niet meer op de hoogte van het heilige evangelie, maar dat wil nog niet zeggen dat het evangelie zelf iets van zijn wetenschappelijke, religieuze en maatschappelijke waarde heeft verloren. Het kan zijn dat de christelijke geestelijkheid diep is gezonken, maar haar decadentie impliceert absoluut niet die van het katholicisme. Het zou goed zijn om in dit verband Rosmini-Serbati te lezen! . . . In de tweede plaats moeten we rekening houden met de betreurenswaardige toestand waarin het Westen zich bevond toen onze messias het tijdperk van onze verlossing – zowel in religieus, maatschappelijk, economisch als politiek opzicht – kwam inluiden.

Maar wie kan zeggen hoeveel verschrikkelijke verwoestingen in de opvattingen van het volk en in het hart van de Romeinse wereld zijn aangericht door de satanische invloed van het imperialisme die vele eeuwen lang is uitgeoefend? Wie kan zeggen met welke ondeugden Europa is geïnjecteerd door het afschuwelijke idee dat ‘geweld boven recht gaat’ – dat mensen tiranniseert en afstompt, die overal lijfeigenen zijn, geketend door de boeien van meer dan één soort slavernij – en dat overal de kern is van alle intellectuele, morele en lichamelijke ellende, ‘errantes et iacentes sicut oves non habentes pastorem’,1 zoals Jezus Christus zei.

1. Vertaling: ‘ronddwalend en verspreid levend, als schapen die geen herder hebben’. Vgl. 1 Petrus 2:25.

Hoewel Kaïn, Irshu, Nimrod, die echte vaders van het imperialisme, van Aziatische afkomst waren, was het niet het Verre Oosten maar het Westen dat geteisterd werd door het onheil dat werd ontketend door die grote schurken, door die eerste scheurmakers van het goddelijke en maatschappelijke recht dat over de hele mensheid had geheerst tot zij kwamen. De oosterse volkeren zagen die wervelwind van onheil aan de horizon snel kleiner worden en koers zetten naar die verre stranden die onze bergen en zeeën omringen.

Daarom hebben enkele kerkvaders opgemerkt dat Christus, toen hij op de grens tussen het Westen en het Oosten aan het kruis stierf, zijn gezicht, zijn open ogen en zijn uitgestrekte armen naar het Westen had gericht. En er moet worden opgemerkt dat de wetsregels van Ram toen nog niet waren geschonden en in Azië nog steeds niet volledig zijn geschonden, terwijl er bij ons geen enkel spoor meer van over is, sinds Julius Caesar de laatste overblijfselen ervan in het druïdische Gallië heeft gesmoord. De opmerkzame lezer ziet misschien in dat de grote wet van de tempels van Abraham precies die is waarover de verlosser sprak: ‘Ik ben niet gekomen om haar af te schaffen, maar om haar te doen herleven om haar tot vervulling te brengen’ – overal op aarde (Non veni solvere, sed adimplere).1

1. Vgl. Matth. 5:17.

Mw. Blavatsky is te goed ingewijd in de geheimen van de oude heiligdommen om onbekend te zijn met het feit dat de hindoevolkeren al lang vóór Jezus Christus bepaalde maatschappelijke stadia hadden doorlopen en dat onze Messias is gekomen om ons op onze beurt die stadia te laten doorlopen om het evenwicht tussen die twee grote delen van de menselijke familie, dat zo lang verstoord was, weer te herstellen. Ze weet dat vóór die verstoring de hele wereld, zoals Mozes zegt, één en dezelfde religieuze taal, één en dezelfde maatschappelijke structuur had: ‘Terra autem erat tunc unius labii et eorundem sermonum’.1

1. Vertaling: ‘Toen had de aarde één taal en gebruikte dezelfde woorden’. Vgl. Gen. 11:1.

Ik ga iets zeggen dat niet al mijn broeder-priesters zullen begrijpen, en dat de meer onwetenden waarschijnlijk zullen veroordelen: ‘Het Oosten kende messiassen en christussen die zich als mens volledig hadden ontwikkeld, toen het Westen, door tussenkomst van Mozes en de profeten, alleen nog maar de beloften van haar toekomstige religieuze en maatschappelijke verlossing had ontvangen.’

Er is gezegd dat ‘de joden, dankzij de wetgever van de Sinaï, economisch op het niveau van India stonden toen onze Messias kwam’. Dat is mogelijk, zelfs waarschijnlijk; maar waaraan niet kan worden getwijfeld, is dat de westerse volkeren die door de invloed van het Romeinse imperialisme te gronde waren gericht, nogal achtergebleven waren. Merk ook op dat, zolang onze maatschappelijke evolutie, onze religieuze verlossing, en onze economische bloei zullen voortduren, de toestand van de joden, de hindoes, en de Chinezen onveranderd zal blijven, of als ze al verandert dan is dat niet om vooruitgang te boeken. Ze zullen wachten; ze zijn nog steeds aan het wachten. En waar wachten ze op? Ik denk niet dat ik me vergis: ze wachten tot wij met hen in dezelfde pas kunnen lopen. Dan zal het moment aanbreken om de mars vooruit naar de Paradesa van Ram te hervatten, waarheen we samen met hen zullen terugkeren, hand in hand, hetzelfde triomflied zingend.

En op deze manier wordt me duidelijk dat de christelijke preken geen succes hebben buiten de kring die door de vroegste priesterschap van onze kerk moest worden geëvangeliseerd: ‘predik eerst het evangelie aan de verloren schapen van het huis van Israël’, of van Ram (de familie van Israël behoort tot de stam van Abraham en de oorspronkelijke spelling van Abraham is Abram, d.w.z. Ab-Ram, voortgekomen uit Ram). Mw. Blavatsky schept er genoegen in om partij te kiezen tegen Christus en tegen onze kerk op grond van de vruchteloosheid van onze inspanningen in het Oosten. Ze beschouwt die mislukking als een nederlaag van het christendom, terwijl deze, wanneer ze in het juiste licht wordt gezien, juist de messiaanse stelling bevestigt. Met statistieken in de hand beroept ze zich op de verklaring van de eerbiedwaardige bisschop Temple, bevestigt deze en merkt op dat ‘sinds het begin van deze eeuw de moslims 200 miljoen bekeerlingen hebben gemaakt, zonder daaraan een cent uit te geven, terwijl de christelijke zendelingen maar 3 miljoen mensen hebben bekeerd.’ ‘Een teken van de tijd!’ roept ze uit.

Oh ja! Een teken van de tijd, als men weet hoe men het moet interpreteren, een duidelijk teken dat ons religieuze bestel thuishoort in het Westen, en maar weinig van doen had met het Oosten in de vorm van onze christelijke kerken tot nu toe. Maar wacht! Laat de gedachte rusten dat ze een verlossende rol heeft gespeeld voor alle volkeren die te gronde werden gericht en tot martelaars werden gemaakt door de keizerlijke rovers. Dat zult u later zien! U zult zien hoe ze die tol – onze aardbol als geheel – onder de zweep van de glorieuze Christus zal laten draaien.

Ik zou een groot aantal overwegingen hieraan kunnen toevoegen. Ik laat hier vier grote pagina’s weg uit het concept dat ik aan het uitwerken ben. Ik ben er nog niet mee klaar. Laat ik daarom snel de puntjes op de i zetten, want we komen hier op gevaarlijk terrein.

Zolang het werk van de bevrijding onder ons voortduurt, zal het heilige evangelie van de verlossing onze rooms-katholieke, Griekse, protestantse, anglicaanse, Angelsaksische en Anglo-Amerikaanse kerken niet verlaten; maar wanneer, volgens de belofte van de bevrijder, het christendom het imperialisme in al zijn politieke vormen zal hebben geveld en vernietigd, zal men grootse dingen zien!1

1. De redactie van Le lotus is, zoals op de eerste bladzijde duidelijk is uitgelegd, niet verantwoordelijk voor de opvattingen van zijn schrijvers. We maken de censors in de landen waarheen Le lotus wordt gestuurd erop attent dat dit de woorden van een tegenstander zijn, maar dat wijzelf ons niet met politiek bezighouden. – Red. Le lotus

Ik heb beloofd u de stem van Christus te laten horen. Nu is een goede gelegenheid, luister dus: ‘Het beginsel van bruut en crimineel geweld zal uit de wereld worden verdreven.’ Met andere woorden, en dat zijn die van het evangelie: ‘Princeps huius mundi ejicietur foras!’1 Satan-Caesar zal naar alle kanten wegvluchten, zijn bolwerken zullen worden verwoest, zijn instellingen vernietigd, zijn wetten afgeschaft. ‘Ik heb die verschrikkelijke wereld overwonnen (ego vici mundum)!’2 Alle economische, religieuze of maatschappelijke instellingen die niet door mijn hemelse Vader zijn gemaakt, en waarvan de fundamenten niet gebaseerd zijn op rechtvaardigheid en goddelijke waarheden, zullen worden ontworteld, volkomen uitgeroeid: Omnis plantatio quam non plantavit Pater meus coelestis, eradicabitur!3 Vanaf die dag, begint het oordeel, en het kritieke moment is aangebroken: ‘Nunc judicium est mundi, νῦν κρίσις κόσμου τούτου.’4

1. Joh. 12:31: ‘Nu zal de heerser van deze wereld uitgebannen worden.’
2. Joh. 16:33.
3. Matth. 15:13: ‘Elke plant die niet door mijn hemelse Vader is geplant, zal met wortel en al worden uitgerukt.’
4. Joh. 12:31: ‘Nu wordt het oordeel over de wereld geveld.’

Als ik over voldoende ruimte kon beschikken, zou ik niet maar vijf of tien of honderd teksten citeren. Ik zou de profeten, Christus, en zijn apostelen en de kerkvaders van de oorspronkelijke kerk en alle overgeleverde werken van de karmelieten en franciscanen in herinnering roepen, en met hun bliksem en donder een boek kunnen vullen. Maar dan zou ik slechts herhalen wat ik al in La fin de l'ancien monde heb gepubliceerd, en men hoort zichzelf niet te citeren.

Als de priesters wisten hoe ze de naargeestige gelijkenissen en onheilspellende profetieën in ons evangelie die betrekking hebben op het einde van de wereld en het einde der tijden esoterisch moeten lezen; als ze de symbolische betekenis konden begrijpen van bergen die ineenstorten, de wereld die beeft, de zon die zo zwart wordt als een zak steenkolen, de maan die niet langer licht weerkaatst, sterren die worden gedoofd, vallende sterren, engelen die trompetten laten schallen, de grond die zich opent, het laatste oordeel dat bokken van schapen zal scheiden . . . dan zouden ze zien dat deze wonderen al voor driekwart zijn gerealiseerd, in vormen die in het Vaticaan en in onze sacristieën ongetwijfeld niet werden verwacht, maar die niettemin de exacte vervulling zijn van de transcendente beloften van onze goddelijke verlosser. Ze zouden ook begrijpen dat de wereld en het tijdperk waarover Jezus Christus sprak, nooit dat waren wat wij arme exegeten hebben gedacht, maar de wereld en het tijdperk van de beruchte Caesar en zijn afschuwelijke beleid betekenden; een wereld en een tijdperk waarvoor Jezus weigerde te bidden – non pro mundo rogo!1 – eenvoudig omdat hij kwam om haar te vernietigen; een wereld en een tijd, ten slotte, die niets anders zijn dan die waarover enerzijds Johannes en anderzijds Tacitus duidelijk hebben gezegd: Totus mundus in maligno positus est2 – corrumpere et corrumpi saeculum est.3

1. Joh. 17:9: ‘Ik bid niet voor de wereld.’
2. 1 Joh. 5:19: ‘De hele wereld is in de macht van hem die het kwaad zelf is.’
3. Vertaling: ‘Het tijdperk is corrupt en bedorven.’

Ik ben zo vrij aan mw. Blavatsky te vragen – gezien de toestand van algemene verwarring, van maatschappelijk verval, politieke ontbinding en kerkelijke versnippering waarin het oude Europa als geheel tegenwoordig verkeert (vooral Frankrijk, juist omdat ze de oudste dochter en de soldaat van Christus is) – of ze nog steeds denkt dat mijn ‘verwachting optimistisch is’ en dat Victor Hugo zich iets wijsmaakte toen hij zei dat ‘in de 20ste eeuw aan dit alles een einde zal komen’. Denkt ze dat de ineenstorting van die verrotte structuur nog lang kan worden bezworen door de wanhopige pogingen van hem die zijzelf de Mohammed van het Westen noemt, temeer omdat hij goed kan opschieten met ‘de man van ijzer’, die hij onlangs heeft onderscheiden met de titel ‘ridder van Christus’, tot stomme verbazing van alle katholieken?

Ik herhaal, ik denk dat het moment nabij is, heel nabij.

Caesar, dat is het obstakel, dat is de vijand! Zodra dat monster is overwonnen, zal alles veranderen. Ik wil niet zeggen dat één klaroenstoot genoeg zal zijn om alle volkeren te verzamelen onder leiding van één herder. Maar in ieder geval zal de weg vrij zijn en het Westen en het Oosten zullen daarop samen voortgaan onder leiding van dezelfde christus-geest, en we zullen, lang leve God, ten slotte werkelijk de Paradesa opnieuw binnengaan! De toekomst is van ons, dankzij de wijze strategie van onze verlosser, en dankzij het lijden van de chrestos.

De mensheid heeft een schitterende toekomst vóór zich. We zouden niet begrepen worden, noch u, mevrouw, noch ik, als we die glorieuze toekomst hier zouden ontvouwen.

Mw. Blavatsky spreekt me veel minder tegen dan ze denkt. Ik neem de woorden yliaster en sat terug waar ze niet mee instemt, om aan haar de term telesme voor te leggen die door Hermes-Trismegistus werd gebruikt. Zal ze deze accepteren? Ik betwijfel het. Er is in onze armzalige taal geen term om aan te geven wat ik wil zeggen; maar ze moet me hebben begrepen, en dat is genoeg.

Buiten God aanvaardt ze niets, helemaal niets, zelfs geen wiskundig punt. Ze heeft gelijk. Maar als men geen pantheïst is – en mw. Blavatsky is dat evenmin als ik – dan moet men zich duidelijk uitdrukken zodat onze lezers ons niet als pantheïsten beschouwen. Laten we dus, om elkaar beter te begrijpen, zeggen dat God immanent is in de kosmos, door en in alles aanwezig, maar toch van alles verschilt. Bent u tevreden, mevrouw? Ja toch? Nou, dat ben ik ook.

Maar, ik begrijp echt niet dat ze me kan aanvallen op de drievoudige betekenis die we canoniek aan onze Heilige Schrift toekennen. De gnosis, zegt ze, geeft in overeenstemming met de guptavidya zeven sleutels, en niet slechts drie, om de zeven mysteries te onthullen. Weet mw. Blavatsky niet dat de christelijke leer in essentie op alle punten drieledig is terwijl de boeddhistische leer zevenvoudig is? Dit betekent daarom nog niet dat we de werkelijke basis van het oosterse stelsel ontkennen evenmin als u de werkelijke basis van het westerse stelsel zou moeten ontkennen. We hebben uw theorie vereenvoudigd en samengevat, zonder haar te verdraaien. Onze drie sleutels zijn gelijkwaardig aan de zeven van u en omvatten ze, zoals de zeven van u gelijkwaardig zijn aan onze drie die ze onderverdelen.

Iedereen weet dat de witte straal wordt ontleed in drie primaire kleuren die zelf onderling gecombineerd, door een nieuwe ontleding, de zeven kleuren van de regenboog voortbrengen. Wanneer Paulus, de werkelijke vader van onze heilige wetenschap de mens analyseert, ziet hij in hem eveneens drie belangrijke elementen die hij geest, ziel en lichaam noemt: ‘integer spiritus et anima et corpus’; de boeddhisten, die de mens nog verder analyseren, ontdekken zeven beginselen in hem. Er is hier geen tegenstrijdigheid. U heeft gelijk en wij ook. Uw zeven liggen besloten in onze drie en onze drie liggen besloten in uw zeven. Zo luidt ons dogma, aangepast aan ons verstand en de door ons gevolgde indelingen, minder subtiel en minder scherpzinnig dan die van u, maar ook eenvoudiger omdat ze meer rudimentair zijn. We belijden en vereren in God een unieke essentie, waaruit drie verschillende personen voortkomen, drie verschillende beginselen van handeling, die het schepsel aandrijven door zeven werkingen die we de zeven manifestaties of de zeven gaven van de Parakleet noemen. In dit alles zit iets wat aan de zeven verschillende toestanden van uw prajña doet denken, die op hun beurt overeenkomen met de zeven toestanden van de stof, en de zeven vormen of zeven klassen van de verschijnselen van kracht.

Ik wil graag geloven, mevrouw, dat het slechts nodig is dat we elkaar beter begrijpen, om elkaar beter te kunnen waarderen, en, wie weet, als God het wil, om misschien wat goeds te doen voor de armen van het Westen . . . en ook voor de armen van het Oosten, want, en dat weet u beter dan ik, daar, niet ver van de mahatma’s, zijn ook arme mensen.

Abbé Roca, kanunnik


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 194-211
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag