Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Antwoord van abbé Roca op de beweringen van mw. Blavatsky tegen de christelijke esoterie

[‘Réponse de l’abbé Roca aux allégations de Mme Blavatsky contre l’ésoterisme chrétien’, Le lotus, juni 1888, blz. 129-50; CW 9:343-70]

1. Laten we het tactvol zeggen, we worden door mw. Blavatsky nogal in verwarring gebracht, en weten nauwelijks wat we met haar aan moeten. Als we vinden dat ze ons ruw behandeld heeft – en ik ben niet de enige die dat verklaart – dan komt dat omdat ‘we nogal overgevoelig zijn’. We beschouwen de strelingen van een hand, waarvan de vriendelijkheid zo boeddhistisch is dat ze ‘zelfs een hond niet zou slaan om hem te laten stoppen met blaffen’, als een opdoffer. Het zuchtje wind van haar ‘schijnt ons een wervelwind toe’ en wat slechts een briesje is, schijnt voor ons een gure noordenwind te zijn, o arme rietstengel van La Fontaine.

Laten we verdergaan. Zulke misvattingen kan men desnoods begrijpen; maar wat men op geen enkele manier kan begrijpen is hoe dezelfde persoon, in de ogen van mw. Blavatsky, tegelijkertijd ‘een geloofsverdediger’, een katholieke priester, een eenvoudige pastoor voor wie men helaas moeite heeft gedaan, kan zijn, en een abbé die ‘zijn muts van de orthodoxe en paapse kerk aan de wilgen heeft gehangen’, en die ‘terwijl hij de echte esoterie van de brahmanen en de boeddhisten, van de heidense en christelijke gnostici, en ook van de authentieke Chaldeeuwse kabbala negeert, en niets weet van de leringen van de theosofen . . . een eigen soort christendom heeft gemaakt, een eigen soort esoterie’. Ze voegt eraan toe: ‘Ik moet bekennen dat ik hem niet begrijp.’

Ik kan dat best geloven! Noch ik, noch iemand anders in de wereld, beste mevrouw, zal ooit begrijpen hoe dezelfde man op hetzelfde moment ‘een geloofsverdediger’, een arme pastoor die het niet verdient dat men moeite voor hem doet, en een abbé die zijn ‘orthodoxe en paapse muts’ heeft afgezet, kan zijn. Deze omschrijvingen zijn onderling tegenstrijdig, zoals licht niet samengaat met duisternis.1

1. Kan het niet zijn dat deze omschrijvingen ontleend zijn aan de brieven zelf, de ‘Aantekeningen’ van Roca? Ze lijken misschien tegenstrijdig in zijn ‘Aantekeningen’ en in zijn vaardige schrijfstijl, en wanneer de lezer noch mijn antwoorden, noch zijn brieven – ware literaire caleidoscopen – onder ogen heeft. De redactie van Le lotus zou er goed aan doen om onze correspondentie te publiceren, vanaf de eerste brief van Roca tot de laatste, samen met mijn antwoorden. De brochure zou interessant zijn, en het publiek zou beter kunnen beoordelen wie van ons ongelijk heeft. – H.P. Blavatsky

Ik zal over mw. Blavatsky niet zeggen ‘dat ze tegen de wind en op goed geluk praat’, zoals ze over mij zegt; maar het lijkt er toch erg veel op, en op meer dan één plaats. Oordeel zelf: als ik mijn stem ook maar een beetje verhef, dan neem ik voor haar meteen ‘een dreigende toon’ aan. Toch heeft ze vriendelijk erkend dat ik ‘een zachtmoedigheid heb die niet christelijk is – want christenen’, zegt ze, ‘zijn in hun polemieken noch nederig noch zachtaardig – maar wel boeddhistisch’.

Ze zou dus tevreden moeten zijn . . . maar nee hoor. Ze neemt het me kwalijk dat ik als een boeddhist spreek. Die taal uit mijn mond heeft voor haar geen waarde. Mijn eerbetuiging heeft op haar het effect ‘van een kokanjemast die wordt opgericht om allerlei christelijke prullaria te dragen die een apostolische en roomse hand er overvloedig aan heeft bevestigd [goed! deze keer ben ik weer eenvoudig priester geworden], of van een indo-theosofische pop opgetuigd met [nota bene] pauselijke amuletten.’

Mw. Blavatsky is moeilijk tevreden te stellen. ‘Verre van beneveld te zijn door de bedwelmende dampen van mijn complimenten’, hebben die complimenten haar van streek gemaakt. ‘Ik erken’, zegt ze, ‘met mijn ‘openhartigheid’ en mijn ongedwongen manier van spreken – dat ik slechts een groter wantrouwen voel.’ En wat word ik zwart in haar ogen! Luister naar de dilemma’s waarvan ze de vier horens voortdurend op mij richt: ‘Ofwel abbé Roca wil me per se niet begrijpen, of hij heeft een bepaald doel voor ogen. . . . Ik denk dat ik het begrijp. . . . Hij praat tegen de wind en op goed geluk; of hij wil me in een hoek drijven, om me te dwingen om tekst en uitleg te geven, om van mij een stellig antwoord te verkrijgen’ . . . . en mij daardoor in de ogen van de christenen te compromitteren, ‘onder wie ik nieuwe vijanden zou maken en daarmee zou veel gewonnen zijn’.

Dit is wat ze ‘mijn opzet’ noemt. Wat ben ik toch doortrapt! Schurk abbé Roca, kan er zoveel sluwheid in die slechte man schuilen? Het doet er niet toe! De slechterik zal er niet in slagen om mw. Blavatsky om de tuin te leiden. ‘De redactie van de Franse Lotus is misschien misleid, maar de redactrice van de Engelse Lucifer heeft het duidelijk doorzien.’ Consuls, slaap rustig aan de voet van het Capitool! Er zijn wachters daarboven, en jullie zullen luide kreten horen als de Galliërs proberen om met ladders de muren te bestormen.1

1. De ganzen [oies, in het Frans] hebben het Capitool gered, maar de gezalfden [oints, in het Frans] hebben Rome verloren. – H.P. Blavatsky

Mijn God! Wat heb ik die goede dame aangedaan, om haar in zo’n toestand te brengen? Het is waar dat ik een katholieke priester ben (hoewel ik misschien ‘mijn muts aan de wilgen heb gehangen’). En die priesters, ze kent ze door en door! Had ze niet ‘een levenslange ervaring met bovengenoemde priesters’? Men heeft mij ooit gezegd dat de ‘Christusverering’ sommige zielen zoveel angst inboezemt dat ze aan christofobie en priesterfobie gaan lijden. Laten we hopen dat dit nooit het geval zal zijn met de boeddhisten, van wie de zachtmoedigheid onveranderlijk is.1

1. De abbé vergist zich opnieuw. Ik lijd noch aan ‘christofobie’ – want volgens mij is de onpersoonlijke christos van de gnosis identiek aan de goddelijke geest van verlichting – noch aan ‘priesterfobie’, want voor sommige priesters heb ik het grootste respect. Maar ik wantrouw de geestelijken in het algemeen, zowel het witte boordje van de protestanten als het zwarte gewaad van de katholieke priesters. De theologische haat is mij persoonlijk bekend in al zijn verbetenheid. Maar, omdat ik doordrongen ben van boeddhistische beginselen, haat ik niemand, zelfs mijn vijanden niet. Heeft men een hekel aan de bliksem, omdat men een bliksemafleider op het dak zet? – H.P. Blavatsky

Maak u niet ongerust en wind u niet op over mijn persoon. Er is geen reden voor zoveel paniek. De abbé Roca is helemaal niet zoals u zich hem voorstelt, en hij is zelfs bedroefd deze kopzorgen te hebben veroorzaakt. Geloof me, beste mevrouw, dat ik noch ‘tegen de wind en op goed geluk praat’, zoals ik hoop te bewijzen, noch u een gemene poets probeer te bakken, zoals u overigens hierna zult zien. Uw angsten zijn ongegrond; u zoekt iets achter de schermen waar er helemaal niets is, behalve misschien een grote dosis naïviteit.

Ik zou mw. Blavatsky graag vertellen wat deze arme abbé Roca werkelijk is, als ze hem overigens niet al beter had beoordeeld dan hij dat tot nu toe zelf heeft kunnen doen. De eerste beoordeling van die dame was de juiste. Ze zou er goed aan hebben gedaan zich daaraan te houden. Ja, ze had meer gelijk dan ik eerst dacht, toen ze me een optimist noemde. Ik erken het nu; ik ben meer dan een optimist, ik ben een simplistisch denkend mens die zich gemakkelijk iets wijsmaakt, gewend als ik ben om alles te beschouwen door het prisma van het heilige evangelie van Jezus Christus.

2. Het valt me erg zwaar, zelfs op dit moment dat mw. Blavatsky toch zo goed alle puntjes op de i heeft gezet, om mijn bewondering en waardering voor haar iets te verminderen. Nee! Ik kan niet, ik wil niet langer geloven dat zij en haar meesters zijn wat zij zo duidelijk beweert dat ze zijn.

Denk u eens in! Ik was zulke heerlijke verwachtingen gaan koesteren bij de komst van deze hindoe-theosofie, bij de eerste klanken van deze oosterse stemmen afkomstig uit de heiligdommen van de Himalaya, en die in onze christelijke kerken zulke harmonische echo’s opwekten.1 Ik wilde zo graag geloven dat deze nieuwe zaaiers degenen waren van wie Joseph de Maistre dacht de voetstappen te horen op de hellingen van de omliggende bergen. Ik hield ze voor de evangelische arbeiders over wie Christus tegen zijn discipelen sprak: ‘De oogst is groot, maar arbeiders zijn er weinig; vraag dus de eigenaar van de oogst, de hemelse Vader, of hij arbeiders wil sturen om de oogst binnen te halen’ (vgl. Lucas 10:2, Joh. 4:35ev). Ik wilde mezelf ervan overtuigen dat de ‘broeders’ de missionarissen waren die de profeten hadden aangekondigd, en die, zoals Maleachi ons verzekert, zouden komen om het hart van de vaderen (van het Oosten) nader te brengen tot het hart van de kinderen (van het Westen), en het hart van de kinderen tot het hart van de vaderen, onze roemrijke voorouders uit de vroegste tijden (Mal. 4:5-6, en Matth. 11:14).2

1. Dit is echt te veel van het goede! Hoezo ‘oosterse stemmen afkomstig uit de heiligdommen van de Himalaya . . . die in uw ‘christelijke kerken zulke harmonische echo’s opwekten’, terwijl de priesters van die kerken ze, zodra ze ze in Amerika of India hoorden, hekelden als de STEM VAN SATAN! Dat is een rozenwater-gevoel, een optimisme dat tegen alle bewijzen ingaat. – H.P. Blavatsky
2. De hindoe-theosofie – en abbé Roca weet dit beter dan wie dan ook – wordt door zijn kerk bestempeld als afkomstig uit de hel. De katholieke bisschoppen van Bombay, Calcutta en andere grote Indiase steden, waren zo bang voor de harmonie van deze stemmen, dat ze vanaf de eerste dag de gelovigen dwongen om hun oren dicht te stoppen met watten. Ze dreigden iedereen te excommuniceren ‘die het hol van de tovenaars die zich pas hadden ontscheept uit Amerika, van die gevolmachtigde ambassadeurs van de vijand van God en van de grote opstand, zouden benaderen’ (sic). Let wel, dit werd in 1879 door de aartsbisschop van Calcutta gezegd. Een andere waardige en heilige man, een apostolische zendeling in Simla, die misschien – geheel ten onrechte – bang was voor enige ‘concurrentie’, kondigde mijn aankomst in die landelijke residentie van de onderkoningen van India midden in een preek aan als die van ‘de Pythia van de Grote Vervloekte’ (in de stijl van De Mirville en Des Mousseaux). Waren al deze ‘goede geestelijken’ dan doof, dat ze de harmonische stemmen zelfs zo dichtbij de Himalaya niet hoorden? Is het niet waar dat de nakomelingen van uw ‘roemrijke voorouders uit de vroegste tijden’ – en waarom zouden we aan (de heilige) Cyrillus van bloedige nagedachtenis en (de heilige) Eusebius van leugenachtige nagedachtenis, niet de heilige vaders van de inquisitie, de Torquemada en Co. toevoegen? – ons al 12 jaar overal achtervolgen, en onze reputatie aan flarden scheuren omdat ze niet meer de macht hebben om ons lichaam met hun martelwerktuigen uiteen te rukken? Al die stapels boeken en brochures, afkomstig van de missionarissen, die vol staan met de zwartste laster, de meest schaamteloze leugens, de meest laaghartige insinuaties, zijn dus niets anders dan een droom? Toch staan ze in de bibliotheek in Adyar. – H.P. Blavatsky

En wat zou ik me vergissen! Uw taal bedroeft me, mevrouw, en zal niemand van ons in heel Europa blij maken, behalve misschien in Turkije.

Er zouden dus, als de boeddhisten zich niet vergissen en ze zich niet aan laster schuldig maken, twee theosofieën zijn, de ene christelijk en de andere heidens, zoals ik weet dat er twee soorten mystiek zijn, en volgens Görres zelfs drie; en ook twee soorten gnosis of gnostiek en twee soorten occultisme, de ene orthodox en de andere heterodox, en ook twee kabbala’s, de ene dateert van vóór Ezra, de ander van na hem; en tot slot, twee soorten magie, de ene wit, de andere zwart.

Maar dan zou mw. Blavatsky, in plaats van mij aan haar lezers te presenteren als iemand zonder enige kennis over esoterie, en absoluut onwetend over alle theosofie, lijkt mij, meteen moeten vaststellen dat mijn theosofie en mijn esoterie niets gemeen hebben met die van haar meesters,1 eenvoudig omdat de mijne christelijk zijn en de hare heidens.2

1. De esoterie van onze meesters (laten we liever zeggen hun goddelijke filosofie) is die van de grootste HEIDENEN van de oudheid. Elders spreekt abbé Roca met minachting over die term. Ik zal daar later op ingaan. Intussen vraag ik me af of er in het hele universum iemand (afgezien van de onwetende missionarissen) met minachting over de religie van Socrates, Plato, Anaxagoras of Epictetus durft te spreken! Ik zou beslist de eerste zijn om de voorkeur te geven aan de positie van een dienaar van een heidense Plato, of een Epictetus (zelf een slaaf), boven de functie van de hoogste kardinaal van een Alexander of Caesar Borgia, of zelfs van een Leo XIII. – H.P. Blavatsky
2. Dat heb ik op alle mogelijke manieren gedaan. Men hoeft slechts mijn twee ‘Aantekeningen’ te lezen om zich daarvan te overtuigen. Ja, er zijn twee theosofieën – de ene universeel (de onze), de andere sektarisch (de uwe). Ja, er zijn twee kabbala’s, de ene is samengesteld door Shimon ben Yochai in de Zohar in de tweede eeuw (wij zeggen de eerste), die de echte kabbala van de ingewijden is, die verloren is gegaan en waarvan het origineel te vinden is in het Chaldeeuwse Boek van de getallen; en de andere, die welke is te vinden in de Latijnse vertalingen in uw bibliotheken, een door Moses de León in de 13de eeuw verminkte kabbala, een vervalsing samengesteld door de Spaanse jood, geholpen door en onder de directe inspiratie van de Syrische en Chaldeeuwse christenen, op basis van in de midrashim bewaarde overleveringen en de nog bestaande fragmenten van de echte Zohar. En dat is de reden waarom men daarin de drie-eenheid en andere christelijke dogma’s terugvindt, en waarom de rabbi’s, die geen kans hebben gezien de hoofdstukken van de authentieke kabbala in hun familie te bewaren, niets willen weten van die van Moses de León (die van Rosenroth en Co.) en om die kabbala lachen. Zie liever wat Munk hierover zegt. De mystiek en de kabbala waarop de abbé en anderen hun gegevens baseren, zijn dus afkomstig van Moses de León, net als hun stelsel van de sefiroth afkomstig is van Tholuck (Commentatio de vi quam graeca philosophia in theologiam tum Muhammedanorum tum Judaeorum exercuerit, blz. 24 en 31), hun grote autoriteit. Het was Hai Gaon (gestorven in 1038), die als eerste het stelsel van de sefiroth zoals we het nu kennen ontwikkelde, d.w.z. een stelsel dat, zoals de Zohar en andere kabbalistische boeken, in de middeleeuwen werd gefilterd in een gnosis die door de christenen van de eerste eeuwen al was verminkt. – H.P. Blavatsky

Overigens, als ze mij bij het begin van haar weerlegging geen recht heeft gedaan, dan heeft ze dat aan het einde toch welwillend gedaan, en ik dank haar daarvoor.

Dit is wat ze zegt: ‘dat komt, ook al lijken we dezelfde taal te spreken, omdat onze denkbeelden over de waarde en betekenis van de christelijke esoterie, van de brahmaans-boeddhistische esoterie, en die van de gnostici, lijnrecht tegenover elkaar staan’. (Wie zal het zeggen? Ik ben er nog niet echt van overtuigd, en ik zal verderop zeggen waarom.) Ze vervolgt: ‘Hij ontleent zijn conclusies en zijn esoterische gegevens aan bronnen die ik niet zou kennen, omdat ze van recente oorsprong zijn [niet zo recent, mevrouw, zoals u zult zien], terwijl ik tot hem spreek in de taal van de oude ingewijden en hem de conclusies geef van de oude esoterie.’

Waarop ik antwoord dat men desnoods best kan erkennen dat de twee esoterieën naast elkaar bestaan, omdat fouten waarschijnlijk even oud zijn als de waarheid, althans op onze aarde; maar dat de gewijzigde bron in geen geval ouder kan zijn dan de zuivere bron.1

1. Precies. Omdat de christelijke theologie de jongste is, en omdat zelfs het jodendom van Ezra slechts 400 jaar ouder is, volgt dat de Indo-Europese bron, waaruit de arhats van Gautama hebben gedronken, en die ouder is, de zuivere bron moet zijn, terwijl alle anderen zijn gewijzigd. Het lijkt er dus op dat we het soms volkomen met elkaar eens zijn. – H.P. Blavatsky

Mw. Blavatsky zou ons, als ze gelijk had, een goede dienst hebben bewezen, en aan haar meesters de slechtst mogelijke, door onze ogen te openen, zoals zij heeft gedaan, voor het heidendom van hun leringen. Die term is ernstig, maar zij heeft die als eerste gebruikt (let wel!), en dwingt mij om haar te herhalen.1

1. Ik ontken dat niet. Omdat ik noch christen, noch jood of moslim ben, moet ik noodzakelijkerwijs een heiden zijn, als de wetenschappelijke etymologie van dat woord iets betekent. Abbé Roca wekt de indruk dat hij zich verontschuldigt voor het gebruik van die term die hij herhaalt. Men zou zeggen dat hij probeert de lezers te laten geloven dat het slechts een schrijffout of verspreking was, of wat al niet! Dit is helemaal niet zo. Wat is de oorsprong van het woord heiden [in het Frans payen]? Paganus [Lat.] betekende, in de eerste eeuwen, een inwoner van een dorp [een bewoner van de heide], een boer [Frans: paysan] als u wilt, iemand die, omdat hij te ver woonde van de centra van de nieuwe bekeringsijver, het geloof van zijn voorouders had behouden (misschien wel een groot geluk voor hem). Alles wat afwijkt van de priesterlijke theologie is volgens de Latijnse kerk heidens, afgodisch, en komt van de duivel. Maar wat kan ons de etymologie van Rome schelen, die door de omstandigheden aan andere volkeren werd opgedrongen? Ik ben een democraat in de ware zin van het woord. Ik heb respect voor de dorpelingen, de mensen die leven op het land en in de natuur, de eerlijke arbeider die door de rijken wordt vernederd. En ik zeg hardop dat ik liever een heiden onder de boeren ben dan een rooms-katholiek onder de kerkvorsten, om wie ik me heel weinig bekommer, zolang ik ze op mijn weg niet tegenkom. Dit is opnieuw een kleine misrekening van abbé Roca. Zie de eerste noot op blz. 235. – H.P. Blavatsky

Als de beweringen die ik ga reproduceren gegrond zijn, zou daaruit duidelijk volgen dat De Saint-Yves volkomen gelijk had toen hij schreef: ‘Er zal een tijd komen dat de nieuwe joods-christelijke missionarissen [en niet heidens-boeddhistische] opnieuw een volmaakte overeenstemming van wetenschap en liefde tot stand zullen brengen met alle andere religieuze centra van de aarde.’1

1. Saint-Yves d’Alveydre, Mission des juifs, 1884, hfst. 4, blz. 198.

Deze joods-christelijke missionarissen zullen noodzakelijkerwijs de rechtmatige erfgenamen blijken te zijn van de Egyptisch-Chaldeeuwse priesterkaste, want Mozes was, zoals iedereen weet, ingewijd in alle gnosis van de heiligdommen van Egypte (‘Et eruditus est Moyses omni sapientia Aegyptiorum . . . .’ – Handelingen 7:22); laatstgenoemde heiligdommen waren op hun beurt via een opgaande weg verbonden met die oorspronkelijke en mysterieuze kerk van de eerstgeborenen ‘quorum nomina sunt inscripta in caelis’,1 volgens de plechtige leer van Paulus (vgl. Hebr. 12:23). De stadia van die glorieuze genealogie zijn gemakkelijk te volgen in het schitterende werk van de schrijver van de Mission.

1. Vertaling: van wie de namen in de hemel zijn opgetekend.

Mw. Blavatsky kan hieruit opmaken dat de bronnen waaruit katholieken putten niet van recente datum zijn, zoals ze zo graag zegt.1

1. Het spijt me hem nogmaals en altijd te moeten tegenspreken. Mijn opvatting is dat de bronnen waarop de katholieken zich baseren heel recent zijn in vergelijking met de Veda’s en zelfs met het boeddhisme. De ‘plechtige leer’ van Paulus dateert uit de 6de of 7de eeuw – toen zijn Brieven, herzien en grondig verbeterd, ten slotte werden opgenomen in de canon van de evangeliën, nadat ze daaruit enkele eeuwen waren verbannen – en niet uit het jaar 60. Waarom zou Petrus anders zijn vijand Paulus hebben vervolgd en aangeduid met de naam Simon Magus, een naam die evenals die van een Torquemada of Merlijn een soortnaam was geworden? – H.P. Blavatsky

De stelling van markies De Saint-Yves zou zelfs zegevierend tevoorschijn kunnen komen uit de beweringen van mijn geleerde tegenspreekster.1 Ik zou daarmee een illusie armer zijn. Ik zou gesterkt zijn in mijn diep christelijke overtuigingen.

1. Ik ben bang dat de stelling van (markies) De Saint-Yves niet zegevierender uit mijn handen zal komen dan de rooskleurige dromen en het optimisme van mijn geëerde correspondent. De bronnen die men daarin aantreft reiken niet verder dan de persoonlijke opvattingen van de geleerde schrijver. Ik heb nooit het hele boek gelezen, maar het was voor mij genoeg om de eerste bladzijden ervan te lezen en een boekbespreking door één van zijn fervente bewonderaars, om me ervan te overtuigen dat noch de esoterische gegevens van de heilige literatuur van de brahmanen, noch het exoterische onderzoek van de sanskritisten, noch de fragmenten uit de geschiedenis van de Indo-Europeanen van Bharatavarsha, dat niets, absoluut niets dat bekend is over de grootste pandits van dat land, of zelfs aan de Europese oriëntalisten, de ‘stelling’, waarmee abbé Roca me confronteert, ondersteunt. Het is een boek dat geschreven is om als geleerde fictie de werken van Jules Verne te overtreffen, en de abbé zou evengoed de werken van Edgar Poe, de Jules Verne van de Amerikaanse mystiek, naar voren kunnen brengen om door mij te worden ‘tegengesproken’. Het werk heeft geen enkele historische of zelfs overgeleverde basis. De ‘biografie’ van Rama daarin is even fictief als het idee dat het kaliyuga de gouden eeuw is. De schrijver is ongetwijfeld een man met veel talent, maar zijn sterke verbeelding is opmerkelijker dan zijn geleerdheid. De hindoe-theosofen zijn bereid de handschoen op te nemen als deze hen wordt toegeworpen. Laat abbé Roca of een andere bewonderaar van de Mission de moeite nemen om alle passages waarin Rama en de andere helden van de oude Aryavarta worden genoemd, op een rijtje te zetten. Laten ze hun beweringen onderbouwen met historische bewijzen en de namen van de oude schrijvers (waarvan men in dit werk geen spoor vindt). De hindoe- en andere theosofen zullen daarop antwoorden en één voor één alle stenen verwijderen uit het bouwwerk dat gebaseerd is op de fonetische etymologie van de naam Rama waarvan de schrijver een echte toren van Babel heeft gemaakt. We zullen alle historische, theologische, filologische en vooral logische bewijzen geven. Rama had niets te maken met de Pi-Ramiden (!!), ook niets met Ramses, zelfs niet met Brahma of de brahmanen in de gewenste betekenis; en nog minder met ‘Ab-Ramiden’ (!!?). Waarom niet ook met Ram-bouillet, of ‘Le Dimanche des Rameaux’? De Mission des juifs is een heel mooie roman, een bewonderenswaardige fantasie; maar de Rama die daarin wordt aangetroffen is evenmin de Rama van de hindoes als dat de walvis die Jona heeft opgeslokt de zoölogische walvis is die zich ophoudt in de noordelijke en zuidelijke wateren. Ik verzet me er helemaal niet tegen als de christenen de walvis en Jona willen slikken, maar ik weiger absoluut om de Rama van de Mission des juifs te slikken. De basisgedachte van dat werk zou die Engelsen bevallen die het als een eer beschouwen om te bewijzen dat het Britse volk in rechte lijn afstamt van de tien stammen van Israël; van die stammen die verloren waren voordat ze werden geboren, want de joden hebben nooit meer dan twee stammen gehad, waarvan één slechts een kaste was, de stam van Juda, en de andere, die van Lévi, de priesterkaste. De andere waren slechts de gepersonifieerde tekens van de dierenriem. Wat kan Rama met dat alles te maken hebben? – H.P. Blavatsky

De hindoe-theosofen zouden dan hun bijdrage hebben geleverd. Wat de theosofie zelf betreft, ze zou zeker niets van haar universele karakter verliezen. Mw. Blavatsky erkent zelf dat ‘theosofie noch het boeddhisme, noch het christendom, het jodendom, de islam, het hindoeïsme of enige ander isme is: ze is de esoterische synthese van alle bekende religies en filosofieën’. Het is waar dat ze in haar ogen niet meer het christendom is; maar ik denk dat ze zich op dit punt vergist. Volgens mij is de ware theosofie niet te onderscheiden van het echte christendom, van het integrale, wetenschappelijke christendom, zoals de opvatting is van de schrijver van de Mission, en ook van verlichte katholieken, orthodoxe kabbalisten, en de johannieten van de orthodoxe school van Joachim van Fiore, van Johannes van Parma, van de franciscanen en de karmelieten, aan wie Renan de geleerdste van zijn kritische werken heeft gewijd, en dat is beslist niet zijn Vie de Jésus. (Zie Renan, ‘Joachim de Flore et l’évangelie éternel’, gepubliceerd in de Revue des deux mondes, deel 64, te beginnen bij de eerste aflevering van het nummer van 1 juli 1866, blz. 94-142.)

3. Ik had in mijn kinderlijke onschuld gehoopt – heb ik het in mijn eerste artikelen opgenomen in Le lotus niet vaak genoeg gezegd en herhaald? – dat de ‘wijzen’ van de Himalaya zelf ook zouden meewerken aan de bouw van die mooie en glorieuze theosofisch-christelijke synthese. Was het een droom? Moet ervan worden afgezien? Welnee, tenminste nog niet, niet zo snel!

Mw. Blavatsky gaat niet behoedzaam te werk; ze slaat snel en fel toe: ‘Ik heb een domper gezet’, zegt ze, ‘op de rooskleurige verwachtingen die schitterden in het vuur van zijn eerste brief’ . . . omdat ze ‘de eenvoudig beleefde complimenten van een christelijke en een Franse abbé aan het adres van de heidense mahatma’s niet serieus kon nemen’. De term staat er, maar ik cursiveer haar, en daar is een goede reden voor.

Ah! Mevrouw, wat u als eenvoudige complimenten heeft opgevat was toch geen lokmiddel! Het was een oprechte uiting, zo niet een goed gefundeerde overtuiging, en op zijn minst een vurig verlangen en een wens die helemaal in uw voordeel is. Indien nodig, zou Christus het heel goed kunnen stellen zonder de boeddhisten, maar de boeddhisten kunnen het beslist niet zonder hem stellen, . . . en u bent, neem ik aan, niet van plan om hem te laten gaan, intelligent als u bent.1 Ik wanhoop niet om het misverstand uit de weg te ruimen. En daarvan is zeker sprake.

1. Ik zal antwoorden dat Boeddha 600 jaar ouder is dan Jezus (die wordt verward met de christos). De boeddhisten – van wie het religieuze stelsel een vaste vorm heeft aangenomen sinds hun laatste concilie, dat enkele eeuwen vóór het eerste concilie van de christelijke kerk plaatsvond – hebben het heel goed kunnen stellen zonder de Christus die door de kerk was bedacht. Ze hebben hun Boeddha, die hun Christus is. Hun religie, die in morele verhevenheid alles overtreft wat er tot nu toe in deze wereld was bedacht of werd gepredikt, is ouder dan het christendom, en alles wat er aan goeds in de Bergrede zit, d.w.z. alles wat in de evangeliën is te vinden, stond al eeuwenlang in de aforismen van Gautama Boeddha, in die van Confucius, en in de Bhagavad Gita. Wat bedoelt abbé Roca dan als hij zegt dat de boeddhisten ‘het beslist niet zonder hem [Christus] kunnen stellen’, als ze dat al ruim 2000 jaar hebben gedaan? Wat probeerde hij te insinueren door op dezelfde manier over mij te spreken? Ik heb de eer om hem te vertellen dat er een tijd was dat ik dacht zoals hij; er was een tijd toen ik dom genoeg was om dingen te geloven die mij nooit waren bewezen. Maar nu ik bijna 60 ben geloof ik niet meer daarin, en is het niet waarschijnlijk dat ik me laat lijmen met mooie praatjes. Nee, er is geen enkel ‘misverstand’. Als hij, ondanks dat ik alle puntjes op de i zet, me niet wil begrijpen, dan doet hij dat met kwade opzet. Kan het zijn dat hij een onmogelijke polemiek wil rekken, omdat hij mijn argumenten niet met even sterke bewijzen kan beantwoorden en toch het laatste woord wil hebben? In dat geval zal ik met genoegen het veld ruimen. Ik heb echt geen tijd of zin om tegen windmolens te strijden. – H.P. Blavatsky

Van geen enkel woord dat ik heb gepubliceerd, heb ik spijt, gezien de harmonie in Le lotus en elders, want, terwijl ik enerzijds lelijke opdoffers heb gekregen en onaangenaam ben bespot, heb ik anderzijds het voordeel dat ik mijn goede wil, mijn grote tolerantie en volledig christelijke – zo niet boeddhistische – broederschap heb kunnen laten blijken.

Mijn geachte correspondente is ervan overtuigd dat ze mijn gedachtebouwsel omver heeft geworpen. Ze zegt: ‘Het is door een zuchtje wind als een kaartenhuis ingestort . . . en dat is niet mijn schuld.’ Wiens schuld is het dan? Het is evenmin de mijne, en ik zou bedroefd zijn als ik mw. Blavatsky had gedwongen om dat fundament te ondermijnen, want dan zou ze zichzelf hebben benadeeld en niet mij. Het is waar dat ze mijn hoop zou hebben vernietigd. Het is ook waar dat ze mijn hart zou hebben gebroken als Fransman, Europeaan en priester van Jezus Christus. Maar door dezelfde klap zou ze zichzelf hebben vernietigd. En zou ze, in dat geval, met dat resultaat zoveel hebben gehad om zich mee te feliciteren?1

1. De abbé is echt overgevoelig. Ik bedank hem voor zijn heel christelijke bezorgdheid om mijn eenvoudige persoon; maar met het risico om nogmaals ‘zijn hart te breken’, gebiedt de waarheid me te zeggen dat ik zijn koppigheid helemaal niet begrijp, om ondanks mijn protesten te jammeren over mijn lot. Helaas voor hem is mijn aard weinig zachtzinnig. Hij zal me niet verbeteren. Maar als hij zou doorgaan met zijn jeremiades op de melodie van ‘Ma tante Aurore’ [vert.: mogelijk wordt verwezen naar de opera met die titel van François-Adrien Boieldieu die in 1803 in Parijs in première ging], zou hij de lezers van Le lotus nog minder verheffen dan mijzelf. Laat hij dus tot rust komen, en laat zijn gekwetste hart getroost worden. Wie mij wil vernietigen zal dat niet lukken. Ik loop geen enkel gevaar. Anderen, sterker dan hij, hebben geprobeerd me te laten zwichten voor hun ideeën, of om me te breken. Maar ik schijn de dikke huid van een tartaar te hebben; noch dreigementen versierd met de bloemen van zijn retoriek en doorspekt met de bleekroze tinten van zijn poëzie, noch complimenten over ‘mijn intelligentie’, zullen me beïnvloeden. Ik waardeer zijn wens om de twee esoterieën – de christelijke esoterie en die van de oude ingewijden van het verzonken Atlantis – te laten versmelten. Dat neemt niet weg dat ik inzie dat zijn wens op luchtkastelen is gebaseerd. De twee esoterieën hebben het door de eeuwen heen heel goed zonder elkaar kunnen stellen, en ze kunnen de rest van het kaliyuga, zonder te veel met elkaar in botsing te komen, naast elkaar bestaan. Kaliyuga is het zwarte en noodlottige tijdperk, het tijdperk van duistere oorzaken en gevolgen. Toch wordt het in Frankrijk voorgesteld als de gouden eeuw, een van die fouten die abbé Roca aanvaardt met die goedgelovigheid die zo kenmerkend voor hem is. – H.P. Blavatsky

4. Kijk maar. Wat kan men dan verwachten? Als men Christus zijn grote overwinningen gaat ontzeggen? Als men de beschaving die onder zijn auspiciën begint, terugdraait? Als men zijn altaren in het Westen omverwerpt? Als men zijn naam van onze aardbodem wegvaagt? Pas op! Renan, dezelfde Renan die mw. Blavatsky tegen mij aanvoert, zou hen toeroepen: ‘Als men die naam nu van de aarde zou wegvagen, dan zou deze tot in haar diepste kern schudden!’ (Vie de Jésus).

Te laat! Hij is de meester: zijn geest is voor altijd onze universele geest geworden, zijn ziel is overgegaan in onze ziel. Christus en het christendom zijn voortaan één. De beginselen van zijn heilige evangelie, alle denkbeelden van broederschap, tolerantie, solidariteit, eenheid, wederzijds respect en zoveel andere dingen die in verband staan met de glorieuze trilogie van onze onsterfelijke revolutie, maken zich op om te triomferen samen met de beginselen van de moderne beschaving, die de weldaden naar alle delen van de wereld zal brengen, zelfs naar het Oosten dat het christendom nog niet begrijpt, en dat het in zijn wieg in het Westen zou willen verstikken. O God wees genadig!

Goeie hemel! Wat een onderneming! Een van mijn ideeën is ‘grotesk’ genoemd; en hoe zouden we dit idee dan moeten noemen, als het waar is dat het in zo’n hoofd is opgekomen? Ziet men niet wat er gebeurt? Wat een onrust overal! En we zijn nog maar bij het begin van de nieuwe dag. De zon die de Christus is, ‘de solaire Christus’, zoals de kabbalisten zeggen, die zon is nog niet voor ons opgegaan; maar de dageraad is mooi, vol met stralen, heerlijke geuren en hoop! En zou men de opmars van die ster willen tegenhouden! Dat zou dwaas zijn! Nee, noch de Seine, noch enige andere rivier in Europa, zal zien wat de Nijl zag, in de woorden van Lefranc de Pompignan:

De Nijl zag langs haar oevers
De donkere bewoners van de woestijn.
Met woeste kreten scholden ze
Naar de stralende ster van het heelal.

Toen gebeurde er immers iets wat de dichter in hetzelfde couplet bezingt:

Zinloze wandaad, eigenaardige razernij!
Terwijl die barbaarse monsters
Hun onbeschaamde kreten uitstootten,
Wierp de God, die zijn weg vervolgde,
Een vloed van licht
Op zijn duistere lasteraars!

Dat is niet mogelijk. Nee, nee! Het christendom zal zo’n poging niet hoeven af te wijzen. Dat kan niet zijn wat mw. Blavatsky heeft willen zeggen.1

1. De abbé vergist zich. Dat was precies mijn gedachte. De ‘duistere lasteraars’, over wie hij spreekt zijn de christenen van de eerste eeuwen; die boevenbende van catecheten, haveloze en vuile dieven, bijeengebracht uit alle riolen van de Romeinse provincies, en die zich voordeed als de ‘erewacht’ van hunne heiligheden de Cyrillussen van moorddadige nagedachtenis, de slagers van de heilige kerk, die bijna 17 eeuwen lang als bloeddorstige knuppel fungeerden. – H.P. Blavatsky

5. Dit zijn echter verschrikkelijke beweringen, of beter gezegd onbeschaamde ontkenningen; maar die volgens mij te begrijpen zijn, en ik zal u vertellen hoe.

‘De door de kerk uitgevonden Christus ontken ik volledig’, roept ze uit, ‘evenals alle leringen, alle interpretaties en alle oude en moderne dogma’s over die figuur. . . . Ik heb een hevige afkeer van de Christusverering van de kerken. Ik haat die dogma’s en leringen die het christosideaal hebben ontluisterd door er een absurde en groteske antropomorfe fetisj van te maken. . . . de gekruisigde Jezus was niets anders dan een illusie, en zijn levensverhaal een allegorie. . . . Voor mij was Jezus Christus – d.w.z., de mens-god van de christenen, een kopie van de avatara’s van elk land, zowel van de Krishna van de hindoes als van de Egyptische Horus – nooit een historische figuur. Hij is een vergoddelijkte personificatie van het verheerlijkte archetype van de grote hiërofanten van de tempels, en zijn levensverhaal dat in het Nieuwe Testament wordt verteld, is een allegorie . . .’1

1. Precies, de abbé heeft een opmerkelijk geheugen. – H.P. Blavatsky

Deze ontkenningen zijn ongetwijfeld ernstig, en het is duidelijk dat er met deze woorden en op deze basis geen schikking mogelijk is, en men niet hoeft te hopen op overeenstemming tussen christenen en boeddhisten.1

1. De abbé heeft gelijk. Er kan geen overeenstemming worden bereikt tussen de dogmatische christusverering van de kerken met haar antropomorfe god, en de oosterse esoterici. Het echte christendom stierf met de gnosis. – H.P. Blavatsky

Maar men kan gelukkig de zaak omdraaien en vanuit een andere hoek bekijken, en op een goede manier oplossen. We zullen het proberen. Er is één woord dat me meer in verlegenheid brengt dan alle andere genoemde termen; het is het woord dat ik hierboven heb gecursiveerd, in de uitspraak van mw. Blavatsky dat zijzelf en de mahatma’s HEIDENEN zijn. Maar moeten we dat vreemde taalgebruik serieus nemen? Ik denk van niet. Er moet daarin iets dubbelzinnigs, een verwisseling van zaken, zijn.

Ik denk dat er in de wereld niets minder heidens is dan de opvattingen van de ‘broeders’ en hun adepten.1 Mijn edele gesprekspartner zal het me zeggen als ik me vergis, nadat ze mij de eer heeft bewezen om heel aandachtig naar me te luisteren. Ik verzoek haar dringend om goed over de zaak na te denken, en vooral niet te vermoeden dat er achter mijn woorden een valstrik verborgen ligt. Mijn taal is openhartig, helder als bergkristal.

1. Ik zal voor de laatste keer uitleggen wat ik bedoel. De ‘broeders’ en ‘adepten’, die geen christenen, joden of moslims zijn, zijn noodzakelijkerwijs, evenals ikzelf, heidenen voor alle christenen; zoals laatstgenoemden, en vooral de rooms-katholieken, voor de ‘broeders’ pure afgodendienaars zijn. Is dat duidelijk genoeg? De Christus van abbé Roca zei: ‘Sla niet de weg naar de heidenen in, en bezoek geen Samaritaanse stad’ (Matth. 10:5), en daarom ben ik verbaasd dat een christelijke abbé zo weinig waarde hecht aan het gebod van zijn meester! – H.P. Blavatsky

Laten we eens kijken, beste mevrouw, beseft u wel goed welke betekenis in het Europese denken en volgens al onze woordenboeken (zie o.a. Quicherat, dat ik zojuist opnieuw heb geraadpleegd) aan het woord heiden wordt gehecht? De heidenen, in het Latijn pagani, van pagus, een dorp of gehucht, waren de pago-dedite, de dorpelingen, de mensen die leven op het land, de onwetende afgodendienaars, die de heilige tekens, de religieuze symbolen beschouwen als goddelijke werkelijkheden. Hoe kan men denken dat de mahatma’s en mw. Blavatsky dat soort mensen zijn? Ik ben overtuigd van het tegendeel.1

1. Beste meneer, ik ben zoals altijd bedroefd om uw zoete illusie te moeten verdrijven. Ik had die les in etymologie echt nodig, en ik dank abbé Roca daarvoor. Intussen ben ik van mening – hoewel ik niet zo indiscreet ben om zijn leeftijd te vragen – dat ik alles wat hij me zojuist heeft geleerd al wist vóór zijn moeder hem heeft geholpen om zijn eerste broek aan te trekken. De pagani of heidenen zouden onwetend kunnen zijn in de ogen van mensen die zelf nog onwetender zijn – zij die de ezel van Bileam, de walvis van Jona en de slang die op zijn staart liep voor zoete koek slikken – maar ze waren daarom niet méér onwetend. Als de meest serieuze boeken over Plato, Homerus, Pythagoras, Vergilius, enz., hen ‘heidense filosofen en dichters’ noemen, dan bevinden de adepten zich in goed gezelschap. Het lesje is zowel nutteloos als vergezocht. Ik ben een heiden voor de christenen, en ik ben er trots op. Ik heb het elders al gezegd: ik ben liever een heiden in het gezelschap van Plato en Pythagoras dan een christen in het gezelschap van de pausen. – H.P. Blavatsky

Dit is duidelijk niet wat deze geleerde vrouw wilde verklaren, evenmin als dat ze de bedoeling had om anti-christelijk te zijn, toen ze Christus, de god-mens, zo slecht behandelde, van wie ze niet kan inzien dat hijzelf, helder en duidelijk, zijn historische bestaan aantoont, door het experimentele bewijs dat de filosoof gebruikte toen hij beweging aantoonde door voor de ogen van zijn ontkenners te wandelen. Christus leeft bij ons anders dan als een lege abstractie, want hij is bezig om onze wereld in beweging te brengen en de twee polen om te keren, onaanzienlijken tot aanzien te brengen, en neer te halen wie in de hoogte leven, zoals hij had verklaard.1 Hebben we dan ogen om niets te zien?

1. Vgl. Job 5:11, en Jesaja 26:5.

Ik weet wat mw. Blavatsky hierop kan zeggen . . . We komen daar zo op. Intussen confronteer ik haar met haar eigen woorden, die deze keer goed en juist zijn: ‘Ik heb’, zegt ze, ‘het meest diepgaande respect voor het transcendente denkbeeld van de universele christos (of Christus), die evenzeer in de ziel van een Bosjesman en een Zulu woont als in de ziel van abbé Roca.’ Goed, u zult zien dat we ten slotte een oplossing voor het probleem zullen vinden door de zaak wetenschappelijk aan te pakken, en misschien worden we het wel helemaal eens. ‘Des te beter’, zou ik haar kunnen nazeggen.

De problemen die ze heeft om een vleesgeworden Christus te aanvaarden, zoals ze zegt, zullen niet altijd aanhouden, hoop ik. Haar ogen zijn gemaakt om duidelijk te zien.1

1. Laten we dat hopen. En juist omdat mijn ogen duidelijk hebben gezien, misschien wel vóór mijn achtenswaardige correspondent geboren was, heb ik geen zin om terug te vallen in de Egyptische duisternis van kerkelijke dogma’s. Ik zal de bedenksels van Irenaeus, van Eusebius, van Hiëronymus, of van Augustinus nooit aanvaarden. De ‘orthodoxe gnosis’ is in mijn ogen godslasterlijk, een afschuwelijke nachtmerrie die de goddelijke geest verandert in een lijk van rottend vlees en hem mooie kleertjes aandoet. Ik erken alleen de gnosis van Marcion, Valentinus en anderen zoals zij. Er zal een dag komen dat de oosterse esoterie dezelfde dienst aan het christelijke Europa zal verlenen als Apollonius van Tyana in Korinthe aan zijn discipel Menippus. De gouden staf zal worden uitgestrekt in de richting van de kerk van Rome, en de demon die de beschaafde volkeren sinds Constantijn heeft gevampiriseerd zal zijn spookachtige, duivelse vorm van incubus en succubus weer aannemen. Laat het zo zijn! Om mani padme hum! – H.P. Blavatsky

Ongetwijfeld kan een ‘persoonlijke betiteling niet voor een ideëel beginsel worden gebruikt’, zolang het in de toestand van een abstract ideaal blijft. Maar is de χριστός, of de universele Christus, die in onze ziel leeft, voor haar slechts een idee, een absoluut onpersoonlijk beginsel? Ik weet heel goed dat ze ja heeft gezegd, zoals ze ook heeft gezegd dat de mahatma’s heidenen zijn. Er is hier sprake van verwarring die moet worden weggenomen.

6. Volgens de orthodoxe gnosis is Christus: de zoon die is voortgebracht voor alle eeuwigheid in het heerlijke mysterie van de innerlijke processie van de goddelijke essentie; hij is het levende woord, in substantie één met de Vader, waarover Johannes spreekt; hij is het ‘licht uit licht’ van het symbool van Nicea, bezongen in elke liturgie of sekte van de christelijke kerken (met uitzondering van de filioque van de Grieks-orthodoxe en de Russisch-orthodoxe kerk).1 Datzelfde levende woord werd, eeuwig en buiten de essentieel goddelijke kring, ontvangen door ochmah, of het geëmaneerde vrouwelijke beginsel,2 of ook de levende wijsheid, vlekkeloos, en bevrucht door ain sof3 die het mannelijke beginsel is – voortgekomen uit God – en die de Heilige Geest wordt genoemd (misschien wel het akasa4 van de hindoes).5

1. Maar de filioque van de Grieks-orthodoxe en de Russisch-orthodoxe kerk is die welke het dichtst bij de esoterie van het Oosten staat. – H.P. Blavatsky
2. Als de abbé met ‘ochmah’ chokhmah – wijsheid – bedoelt (soms fonetisch weergegeven als hochmah), dan maakt hij weer een grote fout. Chokhmah is niet ‘het vrouwelijke beginsel’, maar het mannelijke, want het is de ‘Vader’, Jah, terwijl binah, intelligentie of Jehovah, het vrouwelijke beginsel, ‘de moeder’, is. Hier is de bovenste driehoek van de 10 sefiroth:

Kether is het bovenste punt (ehjeh, het zijn). Het microprosopus, de zoon, emaneert uit de twee sefiroth, chokhmah (of beter gezegd chokhma, want de letter h werd door de christelijke kabbalisten toegevoegd) en binah, de twee onderste punten van de driehoek. Maar waar heeft de abbé de kabbala eigenlijk bestudeerd? – H.P. Blavatsky
3. Ain sof was nooit ‘het mannelijke beginsel’ evenmin als parabrahman. Ain sof is het onbegrijpelijke, het absolute, en heeft geen geslacht. De eerste les in de Zohar onderwijst ons dat ain sof (het niet-zijn, want het is absoluut zijn, per se) niet kan scheppen. En omdat ain sof het heelal (dat slechts een weerspiegeling van ain sof op het objectieve gebied is) niet kan scheppen, kan deze nog minder iets voortbrengen. – H.P. Blavatsky
4. Akasa is niet de Heilige Geest, want dan zou akasa shekinah zijn, terwijl akasa het noumenon van het kosmische zevenvoud is waarvan ether de ziel is. Shekinah is een vrouwelijk beginsel evenals de Heilige Geest dat was bij de eerste christenen en de gnostici. Jezus zei in het Evangelie van de Hebreeën: ‘En onmiddellijk nam mijn moeder de Heilige Geest mij mee en droeg me aan een van de haren van mijn hoofd naar de grote berg genaamd Tabor’ [Origenes, Commentaar op het evangelie van Johannes, deel 2]. Als dat alles is wat jullie, ‘katholieke priesters’, aan jullie kudden onderwijzen, dan kan ik jullie daarmee niet feliciteren, en beklaag ik hen. Het lijkt erop dat de abbé toch gelijk heeft als hij zegt dat zijn Christus ‘de twee polen heeft omgekeerd, onaanzienlijken tot aanzien heeft gebracht, en wie in de hoogte leven heeft neergehaald’ (zie eerder). Dat is met de hele kabbala en de sefiroth gebeurd, en ook met de hersenen van de kabbalisten. – H.P. Blavatsky
5. Mw. Blavatsky kent evengoed als wie dan ook de esoterische waarde van dat heilige hiërogram: dat, wanneer het van binnenuit wordt gesplitst, en geeft, die wanneer ze uiterlijk naast elkaar worden gezet het getal 10 vormen, het symbolische getal voor de hele schepping.

Wij katholieke priesters onderwijzen dat diezelfde Zoon, ditzelfde Woord, vleesgeworden is: Verbum caro factum est (Johannes 1:14 – geloofsbelijdenis van Nicea). Hier is het in een paar woorden: Deze enige Zoon, dit Woord ontvangen in alle eeuwigheid door de Vader-Moeder die God is, en voortgebracht door ain sof, , in de schoot van ochmah, , is naar onze aarde, aan de zuidpool van de schepping, gekomen, om een lichaam en een ziel zoals de onze aan te nemen, maar niet een geest, let wel, niet een menselijke persoonlijkheid. Er zijn geen twee personen in de god-mens; er is alleen de persoon van de eeuwige zoon, vanaf het begin, zoals hij zichzelf (Johannes 8:25) omschrijft; maar er zijn twee naturen, de aannemende natuur die geheel goddelijk is, en de aangenomen natuur die van u is, mevrouw, die de mijne is, zoals ze die van de Bosjesman en de Zulu is, en zoals ze die van de grootste misdadigers is die men op aarde kent.

De mens had niets te maken met die conceptie; dat mysterie voltrok zich in het binnenste van een maagd, en kon zich alleen daarin voltrekken. Die maagd was namelijk niemand anders dan ochmah, het vrouwelijke beginsel zelf, de echtgenote van ain sof, de onbevlekte wijsheid bekleed met een lichaam,1 als voorbereiding om hetzelfde woord, dat ze van de Heilige Geest aan de noordpool van de schepping had ontvangen, de menselijke natuur te laten binnengaan;2 en ze is opnieuw gekomen, onder de naam Maria, om dat woord te ontvangen aan de zuidpool om het binnen het bereik van de gevallenen te brengen.

1. Iedere ingewijde weet dat geesten zich bekleden om af te dalen, en zich van hun omhulsels ontdoen om opnieuw op te stijgen.
2. Ik heb al de eer gehad om abbé Roca te vertellen dat zijn ‘ochmah’ (chokhmah dus, alstublieft) een mannelijk beginsel, de ‘vader’, is. Zou hij van de Maagd Maria het bebaarde macroprosopus willen maken? Laat hij de Zohar opslaan en daarin de hiërarchie van de sefiroth bestuderen, alvorens dingen te zeggen en te schrijven die onmogelijk zijn. Dit is wat de Zohar van Rosenroth, zoals vertaald door Ginsburg, zegt: chokhmah of ‘wijsheid’ (חכמה), de actieve en mannelijke kracht (of beginsel), in de cyclus van de goddelijke namen weergegeven door Jah (יה). Zie Jesaja (26:4): ‘Vertrouw op Jah, יה, enz.’ Of Jah nu vertaald is met de ‘Eeuwige’, zoals in de Franse Bijbel van Ostervald, of met de ‘Here God’, zoals in de Engelse versie, het is altijd God, de Vader, en niet de godin-moeder, Maria. – H.P. Blavatsky

Vandaar de uitdrukking die zo vaak terugkomt bij de kerkvaders: ‘Prius conceperat in mente quam in corpore, prius in caelis quam in terris.’1 Ik zeg slechts dingen die volkomen begrijpelijk zijn, zo niet voor iedereen, dan in ieder geval voor een ruimdenkende geest zoals die van mw. Blavatsky.

1. Vertaling: Eerst ontvangen in de geest dan in het lichaam, eerst in de hemel dan op aarde.

Ik voorzie wat ze zal antwoorden; in wezen staat het al in haar artikel. Ze zal zeggen: de incarnatie van het goddelijke in de mensheid is ‘de apotheose van de mysteriën van inwijding. Het vleesgeworden woord is het erfgoed van de hele mensheid, enz.’ Niets is meer waar; die taal is absoluut katholiek. Ook wat ze eraan toevoegt is waar: ‘Het ‘vos dii estis’ [jullie zijn goden] is van toepassing op iedere man die uit een vrouw geboren is.’ Dit is de manier waarop wij het uitleggen in het licht van de Zohar:

De astrale mensheid, of de oorspronkelijke en universele Adam-Eva, vormde vóór haar zondeval, een compleet en homogeen geheel waarvan Christus de goddelijke geest was, zo niet de ziel. De ziel ervan was veeleer ochmah, of de onbevlekte wijsheid. De val vond plaats – ik zal hier niet aangeven wat de oorzaak of de aard ervan is, zodat er niet twee controverses tegelijk worden opgerakeld. Dat feit, dat mw. Blavatsky welbekend is, maar dat door haar anders wordt verklaard, had het uiteenvallen van dat lichaam tot gevolg, als men met die term het natuurlijke gestel van de spirituele of noord-pool kan aanduiden. Mijn tegenstandster zou zich anders uitdrukken; ze zou zeggen dat de mensheid van een toestand van homogeniteit waarin ze zich in de hemel bevond, overging in een toestand van heterogeniteit waarin ze zich op aarde bevindt. Het zij zo. Ik ben best bereid om hier het denkbeeld van de zonde, dat ons dogma met zich meebrengt, te negeren. In ieder geval was ze genoodzaakt het onderwerp ‘de oorsprong van het kwaad1 te bespreken, wat voor haar heel pijnlijk was. Ze heeft zich zo goed mogelijk eruit gered, maar niet glansrijk.2 De kabbala verklaart het veel beter, en The Eternal Gospel, gedrukt in Londen in 1857 (Trübner and Co, 60 Paternoster Row) werpt een helder licht op dat mysterie. Het is van weinig belang voor het hoofdpunt van onze discussie.

1. Zie blz. 44 van dit deel van H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen.
2. Het is niet aan mij om te zeggen of ik mezelf er glansrijk uit heb gered. Ik weet tenminste altijd waar ik het over heb, en ken de werkelijke waarde en betekenis van de woorden en namen die ik gebruik, wat bij abbé Roca niet altijd het geval is. Het spijt me dit te moeten zeggen, maar alvorens anderen les te geven, is het misschien goed om eerst de elementaire kabbala te bestuderen. – H.P. Blavatsky

Het is een feit dat het kwaad de aarde verwoest, en dat we allemaal eronder lijden. De boeddhisten zijn door hun stelsel genoodzaakt om aan God een bijzonder vaderschap toe te schrijven, waarbij ze het ‘jullie zijn goden’ op hun manier interpreteren. Niet alleen een Bosjesman of een Zulu, maar zelfs een Cartouche, een Mandrin of een Troppmann1 kan de titel ‘zoon van God’ voor zich opeisen en zich toeëigenen. Een mooi gezelschap!2 De christelijke leer neemt tenminste, zonder die arme wezens hun vaderlijk erfgoed te ontzeggen, een voorzorgsmaatregel door hen fatsoenlijk gedrag voor te schrijven. Ze biedt hen de middelen, die zowel redelijk als rechtvaardig en eenvoudig zijn, om de toestand van hun oorspronkelijke heiligheid te herstellen: U bent gevallen, verlaagd; het is gemakkelijk te herrijzen. Klamp u opnieuw vast aan de Christus van wie u zich heeft afgesneden. U hoeft zich niet naar de hemel te verheffen om hem te bereiken: hij is naar de aarde afgedaald en naar u toegekomen. Hij is binnen uw eigen natuur, in uw eigen vlees. Elke cel, elke alveole, elke monade, die uit haar hemelse lichaam is afgedaald naar de lagere regionen, verbindt zich opnieuw daarmee door zich aan te sluiten bij de kerk die volgens Paulus (Efez. 1:23) het werkelijke aardse lichaam van de Christus-mens is – het georganiseerde lichaam waarin de Christus-geest verborgen ligt, zoals de vlinder in de pop. En dit is het hele mysterie van de incarnatie! Wat is daar absurd aan?3

1. Noot vert.: Dit zijn drie beruchte Franse misdadigers.
2. Een ‘gezelschap’ dat niet slechter is dan dat van David, moordenaar en overspelige, van wie men Jezus heeft laten afstammen. En een ‘gezelschap’ dat ook niet slechter is dan dat van degene die aan de Eeuwige verschijnt, zoals het boek Job ons vertelt: ‘Op een dag kwamen de kinderen van God hun opwachting maken bij de Heer, en ook Satan bevond zich onder hen’ (Job 1:6, 2:1), Satan, de mooiste van de zonen van God. Als Satan, evenals u, ik, of Troppmann, niet de zoon van God was, of beter gezegd van de essentie van het absolute goddelijke beginsel, zou uw God dan het oneindige en het absolute zijn? Men moet niet vergeten, zelfs tijdens een dispuut, om logisch te denken. – H.P. Blavatsky
3. Ik merk op dat abbé Roca zich nogmaals bedient van boeddhistische, Vedanta-, esoterische en theosofische beginselen, en daarin slechts de termen parabrahman en adi-buddha vervangt door de naam ‘Christus’. In Engeland zou men zeggen dat hij zich amuseert door kolen naar Newcastle te brengen. Ik ben niet tegen de leer, want ze is de onze, maar wel tegen de beperking die de christenen zich veroorloven. Ze nemen namelijk meteen patent op iets wat al onder andere namen erkend en onderwezen werd in een tijd toen zelfs de moleculen van de christenen nog niet door de ruimte zweefden. – H.P. Blavatsky

In welk opzicht is dit dogma in strijd met het verstand? In welk opzicht staat het iemand tegen die het christus-beginsel, of de universele Christus, erkent? Als men het bestaan van die Christus ontkent, dan zou het inderdaad onmogelijk worden om elkaar te begrijpen.

7. Juist dit zou ik willen weten van mijn waardige correspondente, alvorens de discussie nog verder voort te zetten.1 Dit is niet precies dezelfde vraag als die waarop mw. Blavatsky reeds geantwoord heeft door te zeggen dat ‘een goddelijke christus (of christos) nooit in een menselijke vorm heeft bestaan, behalve in de verbeelding van de godslasteraars die een universeel en volledig onpersoonlijk beginsel tot vlees hebben gemaakt. . . . dat degene die zou willen zeggen ‘ego sum veritas’ nog geboren moet worden.’ Op dit moment is de vraag, die ik belangrijker acht, iets anders, namelijk: Bestaat de christos, ongeacht of dat in de hemel is of op aarde, en ongeacht of dat in goddelijke of menselijke vorm is?

1. De abbé zal die dan alleen moeten voortzetten. Ik trek me terug en weiger absoluut om de discussie nóg langer te maken. Laat hij eerst het abc van de esoterie en de kabbala leren, en dan zullen we verder zien. – H.P. Blavatsky

Ik heb de eer mw. Blavatsky te laten weten dat ik haar, zelfs als haar verstandelijke en beeldende vermogens het haar niet mogelijk maken om te begrijpen of te erkennen dat het Christus-beginsel de vleesgeworden Christus of de mens-god kan worden, nog steeds als een christen zou beschouwen,1 en wel om deze reden:

1. Iedereen heeft het recht om van mij te denken wat hij wil, maar een illusie zal nooit een werkelijkheid zijn. Ik heb evengoed het recht om de paus als een boeddhist te beschouwen, maar daar kijk ik wel voor uit; iemand is niet een boeddhist alleen maar omdat hij dat wil. – H.P. Blavatsky

In ons heilige evangelie dat ze – net als Strauss, of bijna zoals hij – beschouwt als het maçonnieke ritueel van alle clichés van het menselijk denken, staan – opgetekend uit de mond van onze verlosser Jezus Christus, die ze beschouwt als een ideaalbeeld van de aardse mensheid – de gezegende woorden die ik in haar voordeel interpreteer; en ik ben blij om ze met recht op haar te kunnen toepassen – althans, dat denk ik. Luister naar deze goddelijke uitspraak:

‘En iedereen die iets ten nadele van de Mensenzoon [de mens-god] zegt zal worden vergeven; maar wie kwaadspreekt van de Heilige Geest [de Christus-geest], zal niet worden vergeven, noch in deze wereld [het huidige tijdperk, dat wordt afgesloten], noch in de komende [het tijdperk dat in onze tijd begint].’1 Het is heel opmerkelijk dat deze woorden door de vier evangelisten zijn herhaald.2 De reden is dat ze heel belangrijk zijn. De versie volgens Marcus is de meest liberale van allemaal. Deze verklaart dat alles wat tegen de Mensenzoon wordt gezegd, al zouden het godslasteringen zijn, zal worden vergeven, als het maar niet gericht is tegen de Heilige Geest.

1. Matth. 12:32; Marcus 3:28-9; Lucas 12:10; en vgl. 1 Joh. 5:16.
2. Des te opmerkelijker omdat ze elkaar op alle andere punten tegenspreken. – H.P. Blavatsky

Er is echter niets dat me het recht geeft te denken dat mw. Blavatsky godslasteringen tegen de Heilige Geest heeft geuit: ik zou eerder het tegenovergestelde beweren.1 Daarom ben ik niet degene die haar raca zou noemen – nooit, nooit!

1. ‘Om een hazenpeper te bereiden, moet u eerst een haas vangen.’ Om een persoon van ‘godslastering’ te beschuldigen moet u eerst bewijzen dat die persoon gelooft in datgene waartegen ze lastert. Aangezien ik niet geloof in de openbaring van de inhoud van de twee Testamenten, en de geschriften van Mozes en van de apostelen voor mij niet heiliger zijn dan een roman van Zola, en de Veda’s en de Tripitaka volgens mij veel meer waarde hebben, zie ik niet in hoe ik zou kunnen worden beschuldigd van ‘godslastering’ tegen de Heilige Geest. U lastert zelf door haar ‘een mannelijk beginsel’ te noemen in plaats van een vrouwelijk beginsel. Raca zijn degenen die op hun ‘Concilies’ de hersenschimmen van de ‘kerkvaders’ aanvaarden als rechtstreekse inspiratie van die Heilige Geest. De geschiedenis leert ons dat die beroemde kerkvaders elkaar vermoordden in hun vergaderingen, met elkaar vochten en ruzieden zoals sjouwers, samenzworen en de mensheid overlaadden met schande. De heidenen schaamden zich voor hen. Iedere nieuwe bekeerling die zich had laten vangen, maar die zijn waardigheid en een greintje gezond verstand had behouden, keerde, zoals keizer Julianus, terug tot zijn oude goden. Laat dat soort gedachten, die me weinig raken, dus achterwege. Ik ken de geschiedenis te goed, en veel beter dan u uw Zohar kent, meneer de abbé. – H.P. Blavatsky

Ze kan zich ervan overtuigen door de woorden van onze Heer zelf, dat Christus niet een ‘jaloerse en wrede afgod is die de mensen die niet voor hem buigen voor eeuwig verdoemt’, omdat zelfs die belediging vergeving zal vinden in de oneindige genade van het hart van die God-mens.

Ik ben bang dat de woordenwisselingen die mw. Blavatsky met christelijke priesters heeft gehad, en die over en weer heel levendig moeten zijn geweest, want ze zegt dat ze de prijs betaald heeft voor haar ervaringen met ‘bovengenoemde priesters’, veel hebben bijgedragen om in haar denken het beeld van Jezus Christus te vervormen. We moeten erkennen dat velen onder ons, predikers van zijn zachtmoedige evangelie, in onze tijd niet erg uitblinken in een diepgaande kennis van de mysteries van Christus, en dat onze tolerantie niet altijd – zoals zou moeten – in overeenstemming is met die van zijn hart. Het is bijvoorbeeld zeker dat de verschrikkelijke Christus van de inquisitie, ons eigen werk, niet heeft bijgedragen om de echte Christus, die van de Bergrede en het visioen van Tabor, aan te bevelen of sympathiek te laten overkomen.1 Het is eveneens zeker dat veel mensen helaas een gruwelijke hekel hebben gekregen aan de Christus van ons priesters! Hij wiens voorbeeld we niet hebben gevolgd, terwijl hij ons had gezegd: ‘Exemplum enim dedi vobis, ut quemadmodum ego feci vobis, ita et vos faciatis.’2

1. Nog een fout. Er zijn goede en slechte priesters zowel in het boeddhisme als onder de christenen. Ik heb een hekel aan de priesterkaste, en wantrouw haar; maar ik heb absoluut niets tegen de afzonderlijke individuen waaruit ze bestaat. Het is de hele instelling, waar ik een afschuw van heb, zoals ieder eerlijk mens heeft, die geen huichelaar of blinde fanaticus is. De meerderheid is zo verstandig om te zwijgen; maar mijn overtuigingen geven me de moed om te spreken en te zeggen wat ik denk. – H.P. Blavatsky
2. Johannes 13:15: Ik heb een voorbeeld gegeven; wat ik voor jullie heb gedaan, moeten jullie ook doen.

8. Ik besluit, althans voor nu, door de religieuze hulde naar voren te brengen die mw. Blavatsky, misschien onbewust, brengt aan ons heilige evangelie. Ze zegt: ‘Het Nieuwe Testament bevat ongetwijfeld diepe esoterische waarheden, maar het is nog altijd een allegorie.’ Het woord allegorie zal in het vocabulaire van deze exegeet op een dag vervangen worden door ‘archetypisch werk’. De archetypen hebben hier in alle gevallen, zoals bij Plato, het kenmerk dat ze een allegorie zijn en tegelijkertijd de nauwkeurige uitdrukking van een historische werkelijkheid. Dan zal ze dat schitterende feit beseffen dat ze in een voetnoot noemt: ‘Elke handeling van de Jezus van het Nieuwe Testament, elk woord dat men aan hem toeschrijft, elke gebeurtenis die hij zou hebben meegemaakt tijdens de drie jaar van de opdracht die men hem laat volbrengen, berust op het programma van de inwijdingscyclus, een cyclus gebaseerd op de precessie van de equinoxen en de tekens van de dierenriem.’1

1. Ik breng helemaal geen hulde aan uw ‘heilige evangelie’; vergeet het maar! Datgene waaraan ik hulde breng is niet langer zichtbaar voor uw kerk en evenmin voor uzelf. Omdat die kerk al in de eerste eeuwen het witgepleisterde graf is geworden waarover in de evangeliën wordt gesproken, ziet ze het masker aan voor de werkelijkheid, en haar persoonlijke interpretaties voor de stem van de Heilige Geest. Wat uzelf betreft, meneer de abbé, u die achter het masker vaag de verborgen persoon bespeurt, u zult deze nooit leren kennen, omdat uw inspanningen in de tegenovergestelde richting gaan. U probeert de kenmerken van het verborgen onbekende af te drukken op het masker, in plaats van laatstgenoemde weg te rukken. – H.P. Blavatsky

Ja, dat geloof ik echt! Hoe zou het anders kunnen zijn geweest? Dit alles berust niet alleen op dat programma, maar vervult het en moest het vervullen. De christelijke esoterici vertellen de reden van die harmonie;1 ze kennen en onderwijzen dat Jezus Christus de historische realisatie is van alle deugd en alle profetische inzichten die vóór zijn komst in de wereld hadden geschitterd, die de zieners van elk heiligdom hadden verlicht en die waren verspreid in de natuur zelf die sprak door de stem van orakels, en door middel van pythonessen, sibillen, vrouwelijke druïden, enz. Luister naar Paulus’ woorden over dit onderwerp: ‘Multifariam multisque modis olim Deus loquens patribus in prophetis: novissime diebus istis locutus est nobis in Filio, quem constituit heredem universorum, per quem fecit et saecula.’2 Men zou dit hele prachtige hoofdstuk moeten citeren, en lezen in het licht van de Zohar.3

1. Tot nu toe heb ik in de opvattingen van de christelijke esoterici alleen maar disharmonie gehoord, disharmonie en verwarring. Zoals blijkt uit uw ochmah. – H.P. Blavatsky
2. Hebr. 1:1-2: Op velerlei wijzen en langs velerlei wegen heeft God in het verleden tot de voorouders gesproken door de profeten, maar nu de tijd ten einde loopt heeft hij tot ons gesproken door zijn Zoon, die hij heeft aangewezen als enige erfgenaam en door wie hij de wereld heeft geschapen.
3. Ja inderdaad! Is dat ‘het licht van de Zohar’ dat straalt uit de lantaarn van uw eigen esoterie? Dat licht is nogal flauw, vrees ik; een echt dwaallichtje. We hebben daarvan zojuist een bewijs gezien! – H.P. Blavatsky

We weten bovendien dat Jezus Christus het voorwerp was van de verwachtingen, voorspellingen en verlangens van alle generaties vóór hem, niet alleen in Israël, zoals Jeremia zegt (14:14, 17),1 maar in de hele wereld, bij alle volkeren, zonder uitzondering, zoals Mozes zei: ‘Et ipse erit expectatio gentium.’2

1. Dat is nog eens een mooi bewijs! Een Jeremia die zei: ‘Die profeten verkondigen leugens, en dat in mijn naam [die van Jehovah, hun God]. Ik heb hen niet gezonden, hun niets opgedragen, niet tot hen gesproken. De visioenen die ze profeteren zijn leugens, waarzeggerij, holle woorden en eigen verzinsels’ (Jer. 14:14). Omdat de profeten van de heidenen nooit in naam van Jehovah hebben geprofeteerd, tot wie richt die profetie – als het er één is – zich dan als het niet tot uw ‘roemrijke voorouders, de kerkvaders’ is? Uw citaat is ongelukkig gekozen, meneer de abbé. Vers 17 zegt ‘de maagdelijke dochter, mijn volk’, en bedoelt daarmee het volk Israël en niet de Maagd Maria. Lees alstublieft de Hebreeuwse tekst, en citeer niet de Latijnse vertaling die door Hiëronymus en anderen is verminkt. Het is de messias van de joden – die nooit in Jezus werd herkend – die het ‘voorwerp was van de verwachtingen en voorspellingen’ van het volk Israël; en het is de kalki-avatara, Vishnu, de adi-buddha, enz., naar wie in het hele Oosten en door het Indiase volk met ‘verlangen’ wordt uitgekeken. Tegenover de Vulgaat, die u citeert, zou ik 50 teksten kunnen stellen die het bouwwerk vernietigen dat door uw ‘illustere voorouders’ met zoveel sluwheid is opgetrokken. Maar echt, laten we medelijden hebben met de lezers van Le lotus. – H.P. Blavatsky
2. Gen. 49:10: En hij zal de verwachting van de volkeren zijn.

Hoe zou Christus hebben gereageerd op die universele verwachting, hoe zou hij het programma van de oude inwijdingscyclus hebben vervuld, als ook maar één tekst, één enkel punt van het ideaalbeeld door een jota of tittel werd geschonden? Daarom zei hij: ‘. . . iota unum, aut unus apex non praeteribit a lege, donec omnia fiant.’1

1. Matth. 5:18: Elke jota, elke tittel in de wet blijft van kracht, totdat alles zal zijn gebeurd.

Ik ben het ermee eens dat de inwijdingscyclus, waarvan mw. Blavatsky zo goed op de hoogte is, een andere verwachting heeft gewekt dan die welke tot nu toe onder invloed van Christus tot stand is gebracht.1 Ja, maar het werk van de Verlosser van de wereld is nog niet voorbij; zijn opdracht is nog niet voltooid; ze is nog maar net begonnen. . . . We staan nog maar aan het eerste begin van het heilige evangelie, en zijn in de voorbereidende fase. Onze theologie is nog in haar eerste stadium en onze beschaving is alleen nog maar geschetst en nog heel ruw. Laat de Christus-geest-liefde, de beloofde heilige geest, komen! Hij is in de wolken, hij nadert, hij daalt af door de dikke mist van ons verstand en de ijzige onverschilligheid van ons hart. Hij keert terug, precies zoals hij heeft gezegd, en in hetzelfde lichaam zoals hij in de taal van zijn gelijkenissen heeft voorspeld.2 Hoeveel zielen zijn er niet die, met Tolstoi, de zachte bries voelen van een nieuwe lente! En hoeveel andere die, met Lady Caithness, de stralende dageraad van het nieuwe tijdperk bespeuren!

1. Dat is uitstekend, dat meen ik. De bekentenis komt een beetje laat, maar beter laat dan nooit. – H.P. Blavatsky
2. Wanneer de ‘taal van de gelijkenissen’ op de juiste manier wordt begrepen, en als alles wat in de evangeliën aan Caesar – de heidenen – toebehoort, Caesar (het boeddhisme, brahmanisme, lamaïsme en andere ‘ismen’) zal zijn teruggegeven, dan kunnen we deze discussie hervatten. In afwachting van die gelukkige dag. . . . – H.P. Blavatsky

De wederkomst vindt precies plaats zoals Jezus haar heeft voorspeld.

Ik zal hier stoppen. Als mw. Blavatsky het echt wil, zullen we hierop terugkomen, en misschien zal ik gelukkig genoeg zijn om deze edele ziel – die een heilige dorst naar goddelijke waarheid heeft, en die Christus vereert zonder het te weten – te voorzien van de wetenschappelijke bewijzen waar ze zo luidkeels om vraagt.1

1. Ik vergeef abbé Roca graag zijn kleine versprekingen, op voorwaarde dat hij zijn kabbala serieuzer bestudeert. Mijn ‘edele ziel’ vraagt helemaal niets van mijn spitsvondige correspondent; en als die ziel ‘luidkeels’ ergens om vraagt, dan is het opdat men haar overtuigingen niet verdraait of opdat men haar met rust laat. Ik vergeef abbé Roca zijn ‘wetenschappelijke bewijzen’. De wetenschap kan voor mij niet buiten de waarheid bestaan. Laat hij zijn overtuigingen behouden, zelfs dat de eeuwige Vader (chokhma) zijn vrouwelijke beginsel is, want ik leg de mijne aan niemand op. Ik kan hem op mijn erewoord verzekeren dat niets dat hij over Boeddha, de ‘broeders’ of de esoterie van het Oosten zou zeggen, mijn hart zou breken. Het zou me slechts aan het lachen maken.
En nu ik al zijn punten hebben beantwoord, en al zijn hersenschimmen heb bestreden, vraag ik dat de zitting wordt opgeheven en het debat wordt gesloten. Ik heb de eer abbé Roca met respect vaarwel te zeggen, en zal hem weer spreken in een betere wereld, in het nirvana – dichtbij de troon van Boeddha. – H.P. Blavatsky

Beste mevrouw, laten we elkaar wederzijds onze kleine spitsvondigheden vergeven. Wat wilt u? Hoewel de preek van de volmakingen en zaligsprekingen voor ons is gehouden – voor u op de berg van Gaya bijna 3000 jaar geleden, en voor mij op de berg van Galilea minder dan 2000 jaar geleden – zijn onze aangeboren zwakheden nog altijd aan de gevallen mensheid te wijten: Homo sum; humani nihil a me alienum puto.1

1. Publius Terentius Afer, Heauton Timorumenos, 1:1:25. Vertaling: ‘Ik ben een mens en niets menselijks is mij vreemd.’

Abbé Roca, kanunnik


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 230-55
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag