Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Wat is waarheid?

[‘What is truth?’, Lucifer, februari 1888, blz. 425-33; CW 9:30-42]

Waarheid is de stem van de natuur en van de tijd
Waarheid is de verontrustende raadgever in ons
Niets is ervan verstoken, ze komt van de sterren,
De gouden zon, en elke bries die waait . . .
– W. Thompson Bacon, Thoughts in Solitude

De onsterfelijke zon van de schone waarheid is
Soms verscholen achter de wolken; niet dat haar licht
Zelf gebreken vertoont, maar het is verduisterd
Door mijn zwakke vooroordeel, mijn onvolmaakte geloof
En de duizend oorzaken
Die de groei van goedheid belemmeren . . .
– Hannah More, Daniel: A Sacred Drama, deel 2, 98-103

‘Wat is waarheid?’ vroeg Pilatus aan iemand die, als de aanspraken van de christelijke kerk ook maar bij benadering juist zijn, het moet hebben geweten. Maar hij bleef zwijgen. En de waarheid die hij niet bekendmaakte bleef voor zijn latere volgelingen evenals voor de Romeinse landvoogd ongeopenbaard. Het stilzwijgen van Jezus, bij deze en andere gelegenheden, belet zijn huidige volgelingen niet om te handelen alsof ze de hoogste en absolute waarheid hebben ontvangen. Het belet hen ook niet aan het feit voorbij te gaan dat ze woorden van wijsheid hadden gekregen die maar een deel van de waarheid bevatten, verborgen in gelijkenissen en duistere maar mooie spreuken.1

1. Jezus zei tegen de ‘twaalf’: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld, maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen’ (Marcus 4:11).

Deze gedragslijn leidde geleidelijk tot dogmatisme en stellige beweringen. Dogmatisme in kerken, dogmatisme in de wetenschap, dogmatisme overal. De mogelijke waarheden, die vaag werden waargenomen in de wereld van abstracties, worden, evenals waarheden die worden afgeleid op basis van waarneming en experiment in de wereld van de stof, in de vorm van goddelijke openbaring en wetenschappelijke autoriteit opgedrongen aan gewone mensen die het te druk hebben om zelf na te denken. Maar vanaf de dagen van Socrates en Pilatus tot aan onze tijd van massale ontkenning staat diezelfde vraag nog open: bestaat er zoiets als de absolute waarheid waarover enige partij of mens kan beschikken? De rede antwoordt: ‘Die bestaat niet.’ Er is geen plaats voor absolute waarheid over welk onderwerp dan ook in een wereld die, evenals de mens zelf, eindig en van omstandigheden afhankelijk is. Maar er zijn relatieve waarheden en daarvan moeten we zo goed mogelijk gebruikmaken.

In elke eeuw zijn er wijzen geweest die de absolute waarheid kenden en toch slechts relatieve waarheden konden onderwijzen. Tot nog toe heeft namelijk niemand, geboren uit een sterfelijke vrouw van onze mensheid, de volledige en uiteindelijke waarheid aan iemand anders bekendgemaakt of zou dat hebben kunnen doen. Ieder van ons moet die (voor hem) uiteindelijke kennis in zichzelf vinden. Omdat geen twee denkers volledig gelijk kunnen zijn, moet ieder de hoogste verlichting door middel van zichzelf ontvangen, overeenkomstig zijn eigen kwaliteiten, en niet van een menselijk licht. De grootste levende adept kan van de universele waarheid slechts zoveel openbaren als het denkvermogen waarop hij inwerkt in zich kan opnemen, en niets meer. ‘Tot homines, quot sententiae’ (zoveel mensen, zoveel meningen) – is een onsterfelijke waarheid. Er is maar één zon, maar haar stralen zijn talloos. De gevolgen die worden voortgebracht zijn weldadig of schadelijk overeenkomstig de aard en samenstelling van de objecten waarop ze schijnen. Polariteit is universeel, maar dat wat polariseert bevindt zich in ons bewustzijn. Naarmate ons bewustzijn zich meer verheft naar de absolute waarheid, zullen wij mensen deze in ons opnemen. Het menselijk bewustzijn is daarentegen slechts de zonnebloem van de aarde. Terwijl de plant verlangt naar de warme stralen, kan ze zich alleen naar de zon keren en al ronddraaiend de baan volgen van het onbereikbare hemellichaam; haar wortels houden haar in de bodem vast, en de helft van haar leven wordt in de schaduw doorgebracht. . . .

Toch kan ieder van ons relatief gezien de zon van de waarheid bereiken, zelfs op deze aarde, en haar warmste en meest rechtstreekse stralen in zich opnemen, hoe gedifferentieerd die ook zijn na hun lange reis door de fysieke deeltjes in de ruimte. Om dit te bereiken zijn er twee methoden. Op het fysieke gebied kunnen we onze mentale polariscoop gebruiken, en door het analyseren van de eigenschappen van elke straal de zuiverste kiezen. Op het gebied van spiritualiteit moeten we om de zon van de waarheid te bereiken heel serieus werken aan de ontwikkeling van onze hogere natuur. We weten dat door in onszelf geleidelijk de begeerten van onze lagere persoonlijkheid te verlammen, en daardoor de stem van ons zuiver fysiologische denkvermogen uit te schakelen – dat denkvermogen dat afhankelijk en onscheidbaar is van zijn hulpmiddel of voertuig, de organische hersenen – de dierlijke mens in ons kan plaatsmaken voor de spirituele mens. En zodra laatstgenoemde uit zijn latente toestand is gewekt, groeien de hoogste spirituele zintuigen en inzichten in ons en ontwikkelen zich tegelijk met de ‘goddelijke mens’. Dit is wat de grote adepten, de yogi’s in het Oosten en de mystici in het Westen, altijd hebben gedaan en nog steeds doen.

Maar we weten ook dat op enkele uitzonderingen na geen wereldse mens, geen materialist, ooit zal geloven in het bestaan van zulke adepten, of zelfs in de mogelijkheid van zo’n spirituele of psychische ontwikkeling. De oude dwaas zei in zijn hart: ‘Er is geen God.’ De tegenwoordige dwaas zegt: ‘Er zijn geen adepten op aarde, ze zijn verzinsels van onze zieke verbeelding.’ Omdat we dit weten, haasten we ons om onze lezers van het ongelovige-Thomas-type gerust te stellen. We verzoeken hen in dit tijdschrift ander materiaal te lezen dat meer bij hun opvattingen past, zoals de diverse door verschillende auteurs geschreven artikelen over hylo-idealisme.1

1. Bijvoorbeeld het stukje ‘Autocentrisme’ over dezelfde ‘filosofie’, of de brief over de top van de hylo-idealistische piramide in dit nummer van Lucifer. Het is een protestbrief van de geleerde stichter van de genoemde school tegen een door ons gemaakte fout. Hij klaagt dat we zijn naam ‘koppelen’ aan die van Herbert Spencer, Darwin, Huxley en anderen, wat betreft het onderwerp atheïsme en materialisme, omdat de genoemde lichten in de psychologie en de natuurwetenschap door dr. Lewins worden beschouwd als te flikkerend, en te ‘compromitterend’ en zwak, om de benaming atheïsten of zelfs agnostici te verdienen. Zie ‘Correspondence’ in twee kolommen, en het antwoord van ‘De tegenstander’.

Lucifer probeert zijn lezers van welk ‘denkstelsel’ ook tevreden te stellen, en toont zich even onpartijdig tegenover theïsten en atheïsten, mystici en agnostici, christenen en heidenen. Artikelen zoals onze hoofdartikelen, ons commentaar op Licht op het pad, enz., zijn niet bestemd voor materialisten. Ze richten zich tot theosofen of lezers die in hun hart weten dat de meesters van wijsheid echt bestaan; en dat, hoewel absolute waarheid niet van deze wereld is en op hogere gebieden moet worden gezocht, er nog altijd, zelfs op onze dwaze altijd draaiende kleine aardbol, dingen zijn waarover men in de westerse filosofie zelfs nog niet droomt.

We keren terug tot ons onderwerp. Uit het bovenstaande volgt dus dat hoewel voor velen van ons ‘algemene abstracte waarheid de grootste zegen’ is, zoals ze dat ook voor Rousseau was, we ons intussen met relatieve waarheden moeten tevredenstellen. In feite zijn we op zijn best een armzalig groepje stervelingen dat zelfs voor een relatieve waarheid altijd bang is, bang dat ze ons samen met onze kleine zielige vooroordelen zal verslinden. Wat absolute waarheid betreft, de meesten van ons zijn evenmin in staat om die te begrijpen, als om de maan te bereiken op een fiets. Ten eerste, omdat de absolute waarheid net zo onwrikbaar is als de berg van Mohammed die weigerde om voor de profeet van zijn plaats te komen zodat hij zelf ernaartoe moest gaan. En we moeten zijn voorbeeld volgen als we zelfs maar een beetje dichter bij die waarheid willen komen. Ten tweede, omdat het koninkrijk van absolute waarheid niet van deze wereld is, terwijl we zelf te veel van deze wereld zijn. En ten derde, omdat de mens, ondanks dat hij in de verbeeldingskracht van de dichter

. . . de abstractie is
Van alle perfectie, waaraan het vakmanschap
Van de hemel heeft vormgegeven . . . ,

in feite een armzalige bundel anomalieën en paradoxen is, een lege windzak opgeblazen met zijn eigen belangrijkheid, met tegenstrijdige en gemakkelijk beïnvloedbare opinies. Tegelijkertijd is hij een arrogant en zwak schepsel, en hoewel hij voortdurend bang is voor één of andere wereldse of hemelse autoriteit, is hij niettemin

. . . als een boze aap,
Die zulke fantastische toeren uithaalt ten overstaan van de hoge hemel
Dat die de engelen aan het huilen maken.1

1. Shakespeare, Maat voor maat, 2de bedrijf, 2de toneel.

De waarheid is een juweel met veel facetten, die men onmogelijk allemaal tegelijk kan waarnemen, en geen twee mensen, hoe graag ze de waarheid ook willen ontdekken, kunnen zelfs maar één van deze facetten op dezelfde manier zien. Wat kan er dan worden gedaan om hen te helpen deze waar te nemen? Omdat de fysieke mens, aan alle kanten beperkt en gehinderd door illusies, de waarheid niet kan bereiken door middel van het licht van zijn aardse waarnemingen, zeggen we: ontwikkel in uzelf de innerlijke kennis.

Sinds de tijd dat het orakel van Delphi tegen de onderzoeker zei ‘Mens ken uzelf’, werd er nooit een grotere waarheid onderwezen. Zonder zo’n inzicht zal de mens zelfs voor veel relatieve waarheden eeuwig blind blijven, laat staan voor absolute waarheid. De mens moet eerst zichzelf kennen, d.w.z. de inzichten verwerven die ons nooit bedriegen, voor hij enige absolute waarheid kan beheersen. Absolute waarheid is het symbool van eeuwigheid, en geen eindig denkvermogen kan ooit het eeuwige bevatten; daarom kan geen enkele waarheid ooit volledig tot zo’n denkvermogen doordringen. Om de staat te bereiken waarin de mens haar ziet en beseft, moeten we de zintuigen van de uiterlijke mens van klei uitschakelen. Men zegt misschien dat dit een moeilijke taak is, en de meeste mensen zullen, in dat geval, ongetwijfeld liever tevreden zijn met relatieve waarheden. Maar zelfs het benaderen van aardse waarheden vereist in de eerste plaats liefde voor de waarheid omwille van haarzelf, omdat die waarheid anders niet zal worden herkend. En wie houdt in deze eeuw van de waarheid omwille van haarzelf? Wie van ons is bereid naar haar te zoeken, haar te aanvaarden en ernaar te leven in een samenleving waarin alles wat men wil laten slagen op uiterlijke schijn moet worden gebaseerd, en niet op de werkelijkheid, op arrogantie en niet op innerlijke waarden?

We zijn ons volledig bewust van de problemen om waarheid te verkrijgen. De mooie hemelse maagd daalt alleen neer op een (voor haar) geschikte bodem, de bodem van een onpartijdig, onbevooroordeeld denkvermogen, verlicht door zuiver spiritueel bewustzijn, en beide komen in beschaafde landen zelden voor. In onze eeuw van stoom en elektriciteit, waarin de mens leeft met een krankzinnige snelheid die hem nauwelijks de tijd geeft om na te denken, laat hij meestal toe dat hij van de wieg tot het graf naar beneden wordt getrokken, en wordt genageld aan het procrustesbed van gewoonten en gebruiken. Gebruiken zijn zonder meer aangeboren LEUGENS, want ze betreffen altijd het ‘veinzen van gevoelens overeenkomstig een algemeen aanvaarde norm’ (F.W. Robertsons definitie), en waar sprake is van veinzen, daar kan geen waarheid zijn. Hoe diepzinnig de opmerking van Byron is, dat ‘waarheid een juweel is dat op grote diepte wordt gevonden, terwijl aan het oppervlak van deze wereld alle dingen worden gewogen op de valse weegschaal van gewoonten’, is het best bekend aan hen die moeten leven in de verstikkende atmosfeer van zulke maatschappelijke gebruiken, en die zelfs wanneer ze bereid zijn en hun best doen om te leren, de waarheden waarnaar ze verlangen toch niet durven te aanvaarden uit angst voor de woeste moloch die de maatschappij wordt genoemd.

Kijk om u heen, lezer; bestudeer de verslagen gegeven door wereldbekende reizigers, denk aan de gezamenlijke waarnemingen van literaire denkers, en aan de gegevens van wetenschap en statistiek. Maak voor uw geestesoog een beeld van onze moderne maatschappij, van de tegenwoordige politiek, van de hedendaagse religie en van het huidige leven in het algemeen. Breng u de gebruiken en de gewoonten in herinnering van elk beschaafd ras en volk onder de zon. Observeer het doen en laten en de morele houding van de mensen in de beschaafde centra van Europa, Amerika en zelfs van het verre Oosten en de kolonies, overal waar de blanke man de ‘zegeningen’ van de zogenaamde beschaving heeft gebracht. En nadat u dit alles de revue heeft laten passeren, sta er dan even bij stil en denk na, en noem dan als u kunt dat gezegende Eldorado, die uitzonderlijke plek op de aardbol, waar WAARHEID een geëerde gast is, en LEUGEN en SCHIJN verbannen paria’s zijn? DAT KUNT U NIET. Ook niemand anders kan dat, tenzij hij bereid en vastbesloten is om aan deze grote hoeveelheid leugens die op elk terrein van het nationale en sociale leven heerst, zijn steentje bij te dragen.

‘Waarheid!’ riep Carlyle uit, ‘waarheid, al zouden de hemelen mij verpletteren als ik haar volg, geen leugens, zelfs wanneer het hele hemelse luilekkerland de beloning voor afvalligheid zou zijn.’ Dit zijn edele woorden. Maar hoeveel mensen denken in onze 19de eeuw na, en durven te spreken zoals Carlyle dat deed? Heeft niet de grote meerderheid een voorkeur voor het ‘paradijs van lanterfanten’, een luilekkerland van harteloos egoïsme? Deze meerderheid deinst laf en doodsbang terug voor de vage contouren van elke nieuwe en onpopulaire waarheid, alleen uit angst dat mw. Harris de bekeerlingen van de waarheid zou aanklagen en mw. Grundy hen zou veroordelen tot de marteling om stukje bij beetje door haar moordlustige tong verscheurd te worden.

Egoïsme, de eerstgeborene van onwetendheid, en het gevolg van de leer die zegt dat voor ieder pasgeboren kind een nieuwe ziel, gescheiden en verschillend van de universele ziel, wordt ‘geschapen’; dit egoïsme is de onoverkomelijke muur tussen het persoonlijke zelf en de waarheid. Het is de vruchtbare moeder van alle menselijke ondeugden, van de leugen geboren uit de noodzaak om te huichelen, en van hypocrisie geboren uit de wens om de leugen te verbergen. Het is de uitwas die met de leeftijd groeit en sterker wordt in elk menselijk hart waarin het alle betere gevoelens heeft verslonden. Egoïsme doodt elke edele impuls in onze natuur, en is de enige godheid die geen ontrouw of desertie van zijn volgelingen vreest. Daarom zien we dat egoïsme oppermachtig is in de wereld van de zogenaamde hogere kringen. Als gevolg daarvan leven we, bewegen we, en hebben we ons bestaan in deze god van duisternis onder zijn drievoudige aspect van schijn, bedrog en leugens, genaamd FATSOEN.

Is dit waar en een feit, of is het laster? Waar u ook kijkt, van de top van de sociale ladder tot aan de onderkant van de maatschappij, zult u zien dat in elk volk en ieder individu wordt gehuicheld en bedrog wordt gepleegd uit dierbaar eigenbelang. Landen hebben door stilzwijgende overeenkomst besloten dat egoïstische motieven in de politiek ‘edele nationale aspiraties, vaderlandsliefde’, enz., moeten worden genoemd, en de burger beschouwt dit in zijn familiekring als een ‘huiselijke deugd’. Ego ïsme kan, of het nu het verlangen naar uitbreiding van het grondgebied voortbrengt, of concurrentie in zakendoen ten koste van onze medemens, nooit als een deugd worden beschouwd. We zien goed van de tongriem gesneden BEDROG en BRUUT GEWELD – de Jachin en Boaz van elke internationale tempel van Salomo – diplomatie genaamd, en we noemen haar bij de juiste naam. Want de diplomaat buigt diep voor deze twee pijlers van nationale glorie en politiek, en brengt hun vrijmetselaarssymboliek – ‘met [sluwe] kracht zal mijn huis worden gebouwd’ – dagelijks in praktijk. Dat wil zeggen, door bedrog verkrijgt hij wat hij niet door middel van geweld kan krijgen. Moeten we hem toejuichen? Een kwalificatie om diplomaat te zijn, namelijk ‘handigheid en bedrevenheid in het bemachtigen van voordelen’ voor het eigen land ten koste van andere landen, kan moeilijk worden bereikt door de waarheid te spreken, maar wél door een geslepen en misleidende tong; en daarom noemt Lucifer zo’n handelwijze een levende en evidente LEUGEN.

Maar het is niet alleen in de politiek dat gewoonte en egoïsme het erover eens zijn om bedrog en leugens als deugden te bestempelen, en om degene die het beste liegt met openbare standbeelden te belonen. Elke klasse van de samenleving leeft van de leugen, en zou zonder deze uiteenvallen. Ontwikkelde, god- en rechtvrezende aristocraten, die even gek zijn op verboden vruchten als elke man van de straat, zijn verplicht om van ’s morgens tot ’s avonds te liegen om wat ze graag hun ‘kleine zonden’ noemen te verbergen; zonden die echter door de waarheid als grof immoreel gedrag worden beschouwd. De groep middenklassers bedient zich volop van valse lachjes, valse praatjes en wederzijds verraad. Voor de meerderheid is religie een dun laagje klatergoud geworden dat over het lijk van spiritueel geloof is geworpen. De baas gaat naar de kerk om zijn bedienden te misleiden; de uitgehongerde kapelaan – die iets predikt waarin hij niet meer gelooft – misleidt zijn bisschop; en de bisschop misleidt zijn God.

Politieke en maatschappelijke kranten zouden hun voordeel kunnen doen door de onsterfelijke vraag van Georges Dandin als motto te nemen: ‘Wie van ons tweeën wordt hier bedrogen?’ Zelfs de wetenschap, eens de reddingsboei van de waarheid, heeft opgehouden de tempel van de naakte feiten te zijn. Bijna eensgezind streven de wetenschappers nu ernaar hun collega’s en het publiek te dwingen één of ander persoonlijk stokpaardje of een nieuwerwetse theorie te aanvaarden, die dan glans zal geven aan hun eigen naam en faam. Een wetenschapper is in onze tijd net zo bereid om bewijzen de kop in te drukken die schadelijk zijn voor een gangbare wetenschappelijke hypothese, als een missionaris in heidens gebied, of een predikant in eigen land, om zijn gemeente ervan te overtuigen dat de moderne geologie een leugen is, en evolutie maar ijdelheid en een kwelling voor de geest.

Zo is de stand van zaken in 1888, en toch wordt ons door bepaalde kranten de les gelezen omdat we dit jaar niet alleen in droefgeestige kleuren zien!

De leugen heeft zich zozeer verbreid – gesteund door gewoonten en gebruiken – dat zelfs de chronologie mensen aanzet tot liegen. De toevoegsels n.Chr. en v.Chr. die door joden en heidenen, in Europa en zelfs in de Aziatische landen, door zowel materialisten en agnostici als christenen in hun eigen land, worden geplaatst na de jaartallen, zijn een leugen die wordt gebruikt om een andere LEUGEN te bekrachtigen.

Waar vinden we dan relatieve waarheid? Als ze in de eeuw van Democritus al aan hem verscheen in de vorm van een godin die op de bodem van een put lag, en wel zo diep dat er weinig hoop was op haar bevrijding, dan hebben we onder de huidige omstandigheden enig recht om te geloven dat ze minstens even ver verborgen ligt als de altijd onzichtbare donkere kant van de maan. Dit is misschien de reden waarom liefhebbers van verborgen waarheden onmiddellijk als dwazen worden beschouwd. Hoe dan ook, Lucifer zal zich in geen geval en onder geen enkele bedreiging ooit overgeven aan enige universele en stilzwijgend erkende, en algemeen gebruikte leugen. Lucifer zal zich aan zuivere, eenvoudige feiten houden en daarbij proberen de waarheid te verkondigen, wanneer ze ook maar wordt gevonden, en zonder lafhartig masker. Fanatisme en onverdraagzaamheid kunnen natuurlijk als orthodox en goed beleid worden beschouwd. En het aanmoedigen van maatschappelijke vooroordelen en persoonlijke stokpaardjes ten koste van waarheid kan natuurlijk als de juiste weg worden beschouwd om een publicatie te verzekeren van succes. Het zij zo! De redactieleden van Lucifer zijn theosofen en ze hebben als hun motto gekozen: Vera pro gratiis (waarheid gaat voor vriendschap).

Ze zijn zich er goed van bewust dat de plengoffers en offerandes van Lucifer aan de godin van de waarheid géén aangename, geurige rook verspreiden in de neuzen van de heren van de pers, en de schitterende ‘zoon van de ochtend’ ruikt evenmin aangenaam in hun neusgaten. Hij wordt genegeerd, zoal niet misbruikt, want – veritas odium parit (de waarheid zaait haat). Zelfs zijn vrienden beginnen op hem te vitten. Ze zien niet in waarom het niet een puur theosofisch tijdschrift zou moeten zijn, met andere woorden, waarom het weigert om dogmatisch en bekrompen te zijn. In plaats van elke centimeter ruimte aan theosofische en occulte leringen te wijden, stelt het zijn bladzijden open ‘voor publicatie van de meest bespottelijke, diverse en tegenstrijdige leringen’. Dit is de voornaamste beschuldiging, waarop we antwoorden: waarom niet? Theosofie is goddelijke kennis, en kennis is waarheid: elk waar feit, elk oprecht woord vormt dus een essentieel onderdeel van theosofie. Iemand die bedreven is in goddelijke alchemie, of zelfs maar enigszins is gezegend met een onderscheidingsvermogen voor waarheid, zal deze evengoed in een onjuiste als in een juiste bewering vinden en eraan onttrekken. Hoe klein het gouddeeltje ook is dat is zoekgeraakt in een ton afval, het is nog steeds het edelmetaal, en waard om te worden uitgegraven, zelfs al kost het wat extra moeite. Zoals gezegd is het vaak even nuttig om te weten wat iets niet is, als om te weten wat het wel is.

De gemiddelde lezer kan nauwelijks hopen in een sektarische publicatie enig feit te vinden tussen alle voor- en tegenargumenten, want de presentatie ervan is óf in de ene richting óf in de andere zeker bevooroordeeld, en de weegschaal wordt geholpen om over te hellen naar het kamp waarop het specifieke beleid van de redactie gericht is. Een theosofisch tijdschrift is dus misschien de enige publicatie waarin iemand tenminste mag hopen de onbevooroordeelde waarheid en feiten te vinden, hoewel toch slechts bij benadering. De naakte waarheid wordt in Lucifer vanuit vele oogpunten weerspiegeld, want geen enkel filosofisch of religieus standpunt wordt door zijn bladzijden geweerd. En omdat elke filosofie en religie, hoe onvolledig, onbevredigend en zelfs dwaas sommige daarvan af en toe ook zijn, in een of andere vorm op waarheid en feiten moeten zijn gebaseerd, heeft de lezer zo de gelegenheid om te vergelijken, te analyseren, en te kiezen uit de verschillende filosofieën die hierin worden besproken.

Lucifer biedt zoveel facetten van het ene universele juweel als zijn beperkte ruimte toelaat, en zegt tegen zijn lezers: ‘Kies nu wie je zou willen dienen: de goden die zich bevonden aan de andere kant van de rivier die de verstandelijke vermogens en de goddelijke kennis van de mens verzwolg, of de goden van de Amorieten van gewoonte en maatschappelijke leugens, of misschien de Heer van het (hoogste) zelf – de stralende vernietiger van de duistere macht van illusie?’1 Die filosofie die leidt tot een vermindering in plaats van een toename van het totaal aan menselijk lijden, is toch zeker de beste.

1. Vgl. Jozua 24:14-15.

In elk geval is er de keuzemogelijkheid, en alleen daarom hebben we onze bladzijden opengesteld voor elk soort bijdragen. Daarom vindt u daarin de opvattingen van een christelijke geestelijke die in zijn God en Christus gelooft, maar die de verderfelijke interpretaties en de opgelegde dogma’s van zijn eerzuchtige, trotse kerk afwijst, naast de leringen van de hylo-idealist, die God, ziel en onsterfelijkheid ontkent, en die in niets anders gelooft dan zichzelf. De grootste materialisten zullen gastvrijheid vinden in ons tijdschrift; ja zelfs zij die niet geaarzeld hebben om bladzijden ervan te vullen met honende en persoonlijke uitspraken over onszelf, en kwetsende opmerkingen over onze dierbare leringen van de theosofie. Als een tijdschrift voor vrijdenkers, met een atheïst als redacteur, een artikel opneemt van een mysticus of een theosoof ter ere van zijn occulte standpunten en het mysterie van parabrahman, en het slechts van enkele terloopse opmerkingen voorziet, dan zullen we zeggen dat Lucifer zijn gelijke heeft gevonden. Als een christelijk tijdschrift of zendelingenblad in bescheiden stilte een artikel van de pen van een vrijdenker aanvaardt, waarin het geloof in Adam en zijn rib wordt bespot, en het christendom (het geloof van de uitgever) wordt bekritiseerd, dan zal het van het kaliber van Lucifer zijn geworden en kan worden gezegd dat het werkelijk die graad van tolerantie heeft bereikt waardoor het op gelijke hoogte met elke theosofische publicatie kan worden geplaatst.

Maar zolang géén van deze bladen zoiets doet, zijn ze allemaal sektarisch, fanatiek, en onverdraagzaam, en kunnen ze nooit waarheid en rechtvaardigheid weergeven. Ze werpen Lucifer en zijn redactie misschien allerlei beschuldigen toe, maar ze kunnen beide niet raken. In feite is de redactie van dat tijdschrift trots op zulke kritiek en beschuldigingen, want ze geven aan dat de theosofie volledig vrij is van elk soort fanatisme en arrogantie, en dat komt door de goddelijke schoonheid van de leringen die ze verkondigt.

Zoals gezegd, theosofie geeft iedereen een eerlijke kans om gehoord te worden. Ze beschouwt geen enkele mening – mits die oprecht is – als volkomen onwaar. Ze respecteert mensen die nadenken, tot welke denkrichting ze ook behoren. Terwijl ze altijd klaarstaat om ideeën en meningen te bestrijden die alleen verwarring kunnen veroorzaken zonder iets bij te dragen aan de filosofie, laat ze de vertolkers ervan persoonlijk geloven in wat ze willen, en doet recht aan hun ideeën als ze goed zijn. In feite kunnen de conclusies of gevolgtrekkingen van een filosofisch schrijver volledig tegengesteld zijn aan de opvattingen en leringen die wij uiteenzetten; niettemin kunnen zijn uitgangspunten en verklaringen van feiten heel juist zijn, en andere mensen kunnen dan hun voordeel doen met een tegenovergestelde filosofie, zelfs indien wijzelf die verwerpen, en geloven dat we iets hogers en nog dichter bij de waarheid bezitten. In ieder geval is ons standpunt nu verduidelijkt, en alles wat in de voorgaande bladzijden gezegd is, rechtvaardigt en verklaart ons redactionele beleid.

Als we dit nu samenvatten, dan kunnen we over absolute en relatieve waarheid slechts herhalen wat we eerder hebben gezegd. Met uitzondering van een bepaalde hoogspirituele en verheven geestestoestand, waarin de mens één is met het UNIVERSELE DENKVERMOGEN, kan hij op aarde niets anders bereiken dan relatieve waarheid of waarheden, uit welke filosofie of religie dan ook. Zelfs als de godin die op de bodem van de put verblijft, daaruit tevoorschijn zou komen, zou ze de mens toch niet meer kunnen geven dan wat hij in zich op kan nemen. Intussen kan iedereen naast die put gaan zitten, die KENNIS wordt genoemd, en in de diepte staren, in de hoop in de donkere wateren tenminste het mooie spiegelbeeld van de waarheid te zien. Hierin schuilt een zeker gevaar, zoals Richter heeft opgemerkt. Soms kan de plek waarop we ons concentreren een bepaalde waarheid weerkaatsen zoals een spiegel, en zo de geduldige student belonen. Maar, zo voegt de Duitse denker eraan toe: ‘Ik heb gehoord dat sommige filosofen op hun zoektocht naar waarheid, bedoeld om haar eer te betuigen, hun eigen beeld in het water hebben gezien en dat in plaats van de waarheid hebben aanbeden.’ . . .

Om zo’n ramp te vermijden – iets wat iedere stichter van een religieuze of filosofische school is overkomen – zien de redactieleden er uiterst nauwkeurig op toe de lezer niet alleen die waarheden aan te bieden die ze in hun eigen persoonlijke hersenen weerspiegeld zien. Ze bieden het publiek een ruime keuze aan en weigeren fanatisme en onverdraagzaamheid te vertonen, die de voornaamste bakens zijn op het pad van sektarisme. Maar terwijl zo ruim mogelijke marges tot vergelijking in acht worden genomen, kunnen onze tegenstanders niet verwachten hun gezicht weerspiegeld te zien in het heldere water van onze Lucifer, zonder opmerkingen of terechte kritiek op de meest opvallende gelaatstrekken daarvan, indien ze in strijd zijn met theosofische inzichten.

Dit geldt echter alleen voor wat binnen het omslag van dit openbare tijdschrift verschijnt, en voor zover het de louter verstandelijke aspecten van filosofische waarheden betreft. Wat de diepere spirituele, en men zou bijna kunnen zeggen religieuze, overtuigingen betreft, zou geen enkele echte theosoof deze moeten verlagen door ze aan een openbare bespreking te onderwerpen, maar hij zou ze eerder als een schat moeten bewaren, en ze diep moeten verbergen in het heiligdom van z’n meest innerlijke ziel. Zulke overtuigingen en leringen zouden nooit overhaast bekendgemaakt moeten worden, omdat ze dan onvermijdelijk gevaar lopen om ontheiligd te worden door de ruwe behandeling van onverschillige en kritische mensen. Ze zouden ook niet moeten worden belichaamd in een of andere publicatie, behalve als hypothesen die ter overweging aan het denkende deel van het publiek worden aangeboden.

Zodra theosofische waarheden een bepaalde grens van speculatie overstijgen, zouden ze beter verborgen kunnen blijven voor het publieke oog, want het bewijs van ‘onzichtbare zaken’ is geen bewijs, behalve voor degene die het ziet, hoort en voelt. Dat moet niet buiten het ‘heilige der heiligen’ worden gesleept, de tempel van het onpersoonlijke goddelijke ego, of het inwonende ZELF. Terwijl elk feit dat buiten zijn waarneming ligt, op zijn best, zoals we hebben aangetoond, slechts een relatieve waarheid kan zijn, kan een straal van de absolute waarheid zich alleen weerspiegelen in de zuivere spiegel van zijn eigen vlam – ons hoogste SPIRITUELE BEWUSTZIJN. En hoe kan de duisternis (van illusie) het LICHT begrijpen dat daarin schijnt?


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 270-81
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag