Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Theosofie of jezuïtisme?

[‘Theosophy or jesuitism?’, Lucifer, juni 1888, blz. 261-72; CW 9:291-307]

Kies dan nu wie u wilt dienen: de goden van uw voorouders ten oosten van de Eufraat, of de goden van de Amorieten.
Jozua 24:15

Het dertiende nummer van Le lotus, het erkende blad van de theosofie, bevat naast veel andere interessante artikelen een artikel van mw. Blavatsky in antwoord op abbé Roca. De eminente schrijfster, die beslist de geleerdste vrouw is die we kennen,1 bespreekt de volgende vraag: ‘Heeft Jezus ooit bestaan?’2 Ze vernietigt de christelijke legende, althans de details ervan, met onweerlegbare teksten die door religieuze historici gewoonlijk niet worden geraadpleegd.

Dit artikel veroorzaakt veel opschudding in het katholieke en joods-katholieke kamp: we zijn hierover niet verbaasd, want de argumenten van de schrijfster zijn moeilijk te ontkrachten, zelfs als men gewend zou zijn om ingewikkelde theologische discussies te voeren. – Paris, avondkrant, 12 mei 1888

1. Het eenvoudige individu met die naam bedankt de redacteur van Paris: niet zozeer voor de flatterende woorden maar voor de grote verrassing dat de naam ‘Blavatsky’ voor de verandering niet wordt voorafgegaan of gevolgd door een van de gebruikelijke beledigende betitelingen en bijvoeglijk naamwoorden die de hoogbeschaafde Engelse en Amerikaanse kranten en hun gentlemen-redacteurs zo graag koppelen aan de genoemde familienaam. – Red.
2. De vraag is eerder: Heeft de ‘historische’ Jezus ooit bestaan? – Red
.

De aanleiding tot de reeks artikelen – naar één waarvan werd verwezen in bovenstaand citaat uit een bekende Franse avondkrant – was een artikel van abbé Roca1 in Le lotus, waarvan een vertaling werd gepubliceerd in het januarinummer van Lucifer.

1. Zie blz. 165 in dit deel van H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen.

Het schijnt dat deze artikelen veel sluimerende vijandigheden hebben wakker gemaakt. Ze schijnen vooral het kamp van de jezuïeten in Frankrijk diep te hebben getroffen. Verschillende correspondenten hebben gewaarschuwd voor het gevaar dat theosofen lopen door zulke venijnige en machtige vijanden tegen zich op te zetten. Sommige van onze vrienden willen dat we over deze onderwerpen het stilzwijgen bewaren. Dat is echter niet het beleid van Lucifer, en dat zal het ook nooit zijn. Daarom wordt van de huidige gelegenheid gebruikgemaakt om eens en voor altijd de standpunten mee te delen die theosofen en occultisten met betrekking tot de Sociëteit van Jezus innemen. Tegelijkertijd krijgen al degenen die in de grote woestenij van voorbijgaande genoegens en holle gebruiken een ideaal nastreven dat de moeite waard is om voor te leven, de keuze tussen de twee nu opnieuw opkomende machten – de alfa en de omega aan de twee tegengestelde uiteinden van het rijk van het vluchtige, vruchteloze bestaan – THEOSOFIE en JEZUÏTISME.

Op het gebied van religieuze en verstandelijke activiteiten zijn deze twee de enige lichtbronnen – een goede en een kwade ster – die opnieuw schijnen vanachter de nevelen van het verleden, en opkomen aan de horizon van verstandelijke inspanning. In deze tijd zijn ze de enige twee machten die iemand die dorst naar het verstandelijke leven, kunnen bevrijden uit de kleverige modder in het stilstaande water dat bekendstaat als de moderne samenleving, zo verstard in haar schijnheilige praat, zo saai en eentonig in haar hamsterachtige rondgang in de tredmolen van vaste gebruiken. Theosofie en jezuïtisme zijn de twee tegengestelde polen, de ene ver boven, de andere zelfs ver onder het stilstaande water van dat moeras. Beide bieden macht. De ene aan het spirituele, de andere aan het psychische en verstandelijke ego in de mens. Eerstgenoemde is ‘de wijsheid die van boven is . . . eerst zuiver, dan vredelievend, zachtaardig . . . vol mededogen en met goede vruchten, onpartijdig en zonder schijnheiligheid’, terwijl laatstgenoemde ‘de wijsheid is die niet van boven komt, maar aards is, zinnelijk, DUIVELS’.1 De ene is de macht van het licht, de andere die van duisternis. . . .

1. Jacobus 3:15, 17.

De volgende vraag zal zeker worden gesteld: ‘Waarom moet iemand tussen die twee kiezen? Kan men niet in de wereld blijven, en een goed christen zijn, van welke kerk ook, zonder tot een van deze polen te worden aangetrokken?’ Dit kan men ongetwijfeld nog een paar jaar doen. Maar de cyclus nadert snel de uiterste grens van zijn keerpunt. Een van de drie grote kerken van het christendom is opgesplitst in splintergroeperingen, waarvan het aantal jaarlijks toeneemt; en een huis dat onderling verdeeld is, zoals de protestantse kerk – MOET VALLEN. De derde, de rooms-katholieke, de enige die tot nu toe erin geslaagd schijnt te zijn om ongeschonden te blijven, raakt van binnenuit snel in verval. Ze wordt volledig ondermijnd, en wordt verslonden door de vraatzuchtige bacteriën die door Loyola zijn voortgebracht.

Ze is nu niet meer dan een sodomsappel, mooi voor sommigen om naar te kijken, maar vanbinnen volledig verrot door ontbinding en verval. Rooms-katholicisme is maar een naam. Als kerk is het een schim van het verleden en een masker. Ze is absoluut en onlosmakelijk verbonden met, en geketend door de Sociëteit van Ignatius van Loyola; want, zoals Lord Robert Montagu terecht zegt, de rooms-katholieke kerk is nu ‘het grootste geheime genootschap ter wereld, waarnaast de vrijmetselarij maar een dwerg is’. Het protestantisme wordt langzaam maar zeker verraderlijk besmet door Latijnse gebruiken. De nieuwe rituele sekten van de High Church, en zulke figuren onder haar geestelijkheid zoals dominee Rivington, zijn hiervan een onmiskenbaar bewijs. In het huidige tempo van de succesvolle invoering van Latijnse gebruiken onder de rijken, zal de Engelse aristocratie over nog eens 50 jaar zijn teruggekeerd tot het geloof van koning Karel II, en haar slaafse kopiist – de middenklassen – zal haar voorbeeld hebben gevolgd. En dan gaan de jezuïeten alleen en oppermachtig over de christelijke delen van de wereld heersen, want ze zijn zelfs binnengeslopen in de Griekse kerk.

Het is zinloos om te beweren dat jezuïtisme en rooms-katholicisme wezenlijk van elkaar verschillen, want laatstgenoemde is nu opgenomen in en onlosmakelijk samengevoegd met eerstgenoemde. Dit wordt openlijk bevestigd in de herderlijke brief van 1876 door de bisschop van Kamerijk:

Klerikalisme, ultramontanisme en jezuïtisme zijn een en hetzelfde – d.w.z. rooms-katholicisme – en de verschillen daartussen zijn gemaakt door de vijanden van de religie. Er was een tijd [voegt monseigneur de kardinaal eraan toe] dat in Frankrijk een bepaalde theologische opvatting over het gezag van de paus algemeen werd aangenomen. . . . Ze was beperkt tot ons land, en was van recente oorsprong. De burgerlijke macht legde anderhalve eeuw lang officieel haar gezag op. Zij die deze opvattingen huldigden, werden gallicanen genoemd, en zij die ertegen protesteerden, ultramontanen, omdat het centrum van hun leer aan de overzijde van de Alpen, in Rome, lag. Tegenwoordig is het onderscheid tussen de twee scholen niet langer geoorloofd. Er kan geen theologisch gallicanisme meer bestaan, omdat de kerk deze opvatting niet langer tolereert. Ze is plechtig en onherroepelijk veroordeeld door het Oecumenisch Concilie van het Vaticaan. MEN KAN NU GEEN KATHOLIEK ZIJN ZONDER ULTRAMONTAAN – EN JEZUÏET – TE ZIJN.

Een duidelijke verklaring, en even kil als duidelijk.

De herderlijke brief veroorzaakte een zekere ophef in Frankrijk en in de katholieke wereld, maar werd al snel vergeten. En omdat er twee eeuwen zijn verstreken sinds de beruchte beginselen van de jezuïeten openbaar werden gemaakt (waarover we dadelijk zullen spreken), heeft de ‘zwarte militie’ van Loyola ruim de tijd gehad om door middel van leugens de terechte beschuldigingen zo succesvol te ontkennen, dat zelfs nu, wanneer de huidige paus de uitspraak van de bisschop van Kamerijk grandioos heeft bevestigd, de rooms-katholieken zoiets nauwelijks zullen geloven. Vreemde vertoning van de onfeilbaarheid van de paus! Op 23 juli 1773 hief de ‘onfeilbare’ paus Clemens XIV (Ganganelli) de jezuïetenorde op, en toch herleefde ze weer; door de ‘onfeilbare’ paus Pius VII werd ze op 7 augustus 1814 in ere hersteld. De ‘onfeilbare’ paus Pius IX bewoog zich gedurende zijn lange pontificaat tussen de Scylla en Charybdis van het vraagstuk van de jezuïeten; zijn onfeilbaarheid hielp hem daarbij heel weinig. En nu verheft de ‘onfeilbare’ Leo XIII (noodlottig getal!) de jezuïeten opnieuw tot het toppunt van hun onheilspellende en banale glorie.

Het recente Brevet van de paus (nauwelijks twee jaar oud), gedateerd 13 juli (hetzelfde noodlottige getal) 1886, is een gebeurtenis waarvan het belang nooit kan worden overschat. Het begint met de woorden Dolemus inter alia [We betreuren onder andere], en herstelt de jezuïeten in alle rechten van de Orde die ooit waren herroepen. Het was een manifest en een duidelijke openlijke belediging van alle christelijke volkeren van de nieuwe en de oude wereld. Uit een artikel van Louis Lambert in de Gaulois (18 augustus 1886) vernemen we: ‘In 1750 waren er 40.000 jezuïeten over de hele wereld. In 1800 stelde men hun aantal officieel op slechts 1000 man. In 1886 was hun aantal tussen 7000 en 8000.’ Aan dit laatste bescheiden aantal kan terecht worden getwijfeld, want overal

Waar u iemand ontmoet die gelooft in de heilzame aard van onwaarheden, of het goddelijk gezag van twijfelachtige zaken, en die denkt dat hij om het goede doel te dienen de hulp van de duivel moet inroepen, daar is een volgeling van de Onheilige Ignatius,

zegt Carlyle, en voegt er over die zwarte militie van Ignatius aan toe:

Ze hebben aan de moderne talen een nieuw zelfstandig naamwoord gegeven. Het woord jezuïtisme geeft nu, in alle landen, een denkbeeld weer waarvoor in de natuur geen prototype bestond. Pas in de laatste eeuwen had de menselijke ziel die gruwel voortgebracht, of hoefde ze die te benoemen. Ze hebben werkelijk grote dingen bereikt in de wereld, en een resultaat behaald dat we ontzagwekkend kunnen noemen.1

1. Thomas Carlyle, Latter Day Pamphlets – Jesuitism, 1850.

En nu sinds ze opnieuw zijn geïnstalleerd in Duitsland en elders, zullen ze nog grotere en ontzagwekkender resultaten behalen. De toekomst kan namelijk het best worden voorspeld op basis van het verleden. Helaas, in dit jubileumjaar van de paus schijnen de beschaafde delen van de mensheid – zelfs de protestantse – dat verleden helemaal te zijn vergeten. Laten zij die beweren dat ze minachting hebben voor de theosofie, het mooie kind van het vroeg-Indo-Europese denken en het Alexandrijnse neoplatonisme, buigen voor de monsterlijke Vijand van de Eeuw, maar laten ze daarbij niet zijn geschiedenis vergeten.

Het is merkwaardig om te zien hoe hardnekkig de Orde alles wat op occultisme lijkt sinds de oudheid, en theosofie sinds de oprichting van onze Society, heeft aangevallen. De Moren en de joden van Spanje voelden het gewicht van de onderdrukkende hand van het Obscurantisme niet minder dan de kabbalisten en alchemisten van de middeleeuwen. Men zou denken dat de esoterische filosofie en vooral de occulte kunsten, of magie, een gruwel waren voor deze goede heilige vaders. En ze wilden ook dat de wereld dit zou geloven. Maar als men een studie maakt van de geschiedenis en het werk van hun eigen schrijvers, gepubliceerd met het imprimatur van de Orde, wat ontdekt men dan? Dat de jezuïeten niet alleen het occultisme hebben beoefend, maar ook, meer dan enige andere groep mensen, ZWARTE MAGIE in haar ergste vorm,1 en dat ze daaraan in grote mate hun macht en invloed ontlenen!

1. Mesmerisme of hypnose is een belangrijk aspect van het occultisme. Het is magie. De jezuïeten waren ermee bekend en beoefenden haar eeuwen vóór Mesmer en Charcot. – Red.

Om het geheugen van onze lezers op te frissen, zal nog eens geprobeerd worden een korte samenvatting te geven van het doen en laten van onze goede vrienden. Voor wie geneigd is om te lachen, en de heimelijke en werkelijk helse middelen die door ‘de zwarte militie van Ignatius’ werden gebruikt te ontkennen, kunnen we feiten vermelden.

In Isis ontsluierd (2:415vn) werd over deze heilige broederschap gezegd dat

Hoewel ze pas in 1535-1540 was opgericht, werd er al in 1555 een algemeen protest tegen haar aangetekend.

En nu maakt

Die geslepen, geleerde, gewetenloze, vreselijke ziel van het jezuïtisme, zich binnen de organisatie van de roomse kerk [opnieuw] langzaam maar zeker meester van alle invloed en spirituele kracht die ze nog heeft. . . . Waar en in welk land vinden we in de hele oudheid iets dat lijkt op deze orde, of dat haar zelfs maar benadert? . . . Al onmiddellijk na haar ontstaan diende de verontwaardigde openbare moraal haar protest in tegen deze orde. Nauwelijks 15 jaar waren verlopen nadat de bul die de oprichting ervan goedkeurde, was uitgevaardigd, toen haar leden reeds van de ene plaats naar de andere werden verdreven. Portugal en de Nederlanden ontdeden zich van hen in 1578, Frankrijk in 1594, Venetië in 1606, Napels in 1622. In 1816 werden ze uit St. Petersburg verdreven, en in 1820 uit heel Rusland.1

1. Isis ontsluierd, 2:415.

De schrijfster wijst de lezers erop dat dit, wat in 1875 werd geschreven, nog steeds en zelfs nog meer van kracht is in 1888. Ten tweede, de beweringen die volgen en tussen aanhalingstekens staan, kunnen allemaal worden geverifieerd. En ten derde, de beginselen (principii) van de jezuïeten die nu naar voren worden gebracht, zijn ontleend aan authentiek verklaarde manuscripten of folio’s gedrukt door verschillende leden van deze befaamde organisatie. Daarom kunnen ze veel gemakkelijker in het British Museum en de Bodleian Library worden gecontroleerd en geverifieerd dan in onze werken.

Vele zijn overgenomen uit het grote boek in quarto1 dat werd gepubliceerd op gezag van, en geverifieerd en vergeleken door de vertegenwoordigers van het Franse parlement. De daarin opgenomen uitspraken werden verzameld en aan de koning aangeboden, opdat, zoals de Arrêt du Parlement du 5 Mars 1762 het uitdrukt, ‘de oudste zoon van de kerk opmerkzaam zou worden gemaakt op de verdorvenheid van deze leer. . . . Een leer die volmacht geeft tot stelen, liegen, meineed, onzuiverheid, elke hartstocht en misdaad, die moord, vader- en koningsmoord onderwijst, en de godsdienst omverwerpt om die te vervangen door bijgeloof – door tovenarij, heiligschennis, ongeloof en afgoderij te begunstigen.’ Laten we dan de denkbeelden van de jezuïeten over magie eens onderzoeken. Antonius Escobar zegt in zijn geheime instructies over dit onderwerp:

‘Het is geoorloofd . . . gebruik te maken van de met behulp van de duivel verkregen wetenschap, mits het behoud en gebruik van die kennis niet afhankelijk zijn van de duivel, want de kennis is op zichzelf goed, en de zonde waardoor ze werd verkregen is voorbij.’2

Waarom zou dus een jezuïet niet evengoed de duivel bedriegen, zoals hij elke leek bedriegt?

De goede pater Escobar zegt:

Astrologen en waarzeggers zijn al of niet verplicht de beloning voor hun voorspelling terug te geven als de gebeurtenis niet plaatsvindt. Ik erken dat eerstgenoemde opvatting me helemaal niet bevalt, omdat de astroloog of voorspeller die zich met alle ijver heeft toegelegd op de duivelse kunst die voor zijn doel nodig is, zijn plicht heeft vervuld, ongeacht het resultaat. Evenmin als de arts verplicht is zijn honorarium terug te geven . . . indien zijn patiënt mocht sterven, is de astroloog verplicht het door hem in rekening gebrachte bedrag te restitueren . . . behalve wanneer hij geen moeite heeft gedaan, of niet op de hoogte was van de duivelse kunst; want wanneer hij zijn best heeft gedaan, heeft hij geen bedrog gepleegd.’3

Busembaum en Lacroix zeggen in Theologia moralis4:

‘Handlijnkunde kan als geoorloofd worden beschouwd, indien men uit de lijnen en indelingen van de handen de gesteldheid van het lichaam kan opmaken, en met waarschijnlijkheid de neigingen en eigenschappen van de ziel kan inschatten.’5

Van deze edele broederschap, waarvan veel predikanten de laatste tijd zo krachtig hebben ontkend dat ze ooit geheim is geweest, is overtuigend bewezen dat ze dat wel is. Haar statuten zijn door de jezuïet Polancus in het Latijn vertaald, en in 1558 bij die Sociëteit in Rome gedrukt. ‘Ze werden zorgvuldig geheimgehouden; aan de meeste jezuïeten zelf waren slechts fragmenten ervan bekend. Ze zagen niet het licht vóór 1761, toen ze op bevel van het Franse parlement [in 1761 en 1762] in het beruchte proces van pater Lavalette werden gepubliceerd.’6 . . . De jezuïeten beschouwen het als een van de grootste verdiensten van hun orde dat Loyola, met een speciale memorie aan de paus, een verzoekschrift tot heroprichting van dat afgrijselijke en verafschuwde instrument tot massale afslachting – het beruchte tribunaal van de inquisitie – heeft gesteund.

Deze jezuïetenorde is nu in Rome almachtig. Ze hebben opnieuw een plaats gekregen in de congregatie voor bijzondere kerkelijke zaken, in het Departement van het Secretariaat van de Paus en in het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De pauselijke regering was, vóór Victor Emanuel Rome innam, jarenlang geheel in hun handen.7

1. Fragmenten uit deze Arrêt werden verzameld in een werk in 4 delen, 12 mo., dat in 1762 in Parijs verscheen met als titel Extraits des assertions dangereuses et pernicieuses en tout genre. In een werk getiteld Réponse aux assertions deden de jezuïeten een poging om de feiten die door de commissie van het Franse parlement in 1762 waren verzameld, in twijfel te doen trekken als grotendeels kwaadwillige verzinsels. ‘Teneinde de juistheid van deze beschuldiging te onderzoeken’, zegt de schrijver van The Principles of the Jesuits, ‘zijn de bibliotheken van de twee universiteiten [Oxford en Cambridge], van het British Museum en van het Sion College, doorzocht om de geciteerde schrijvers te vinden; en telkens wanneer het werk werd gevonden, werd de juistheid van het citaat vastgesteld.’
2. Theologia moralis, Leiden, 1663, deel 4, boek 28, afd. 1, de praecept. 1, hfst. 20, n. 184, blz. 25.
3. Op.cit., afd. 2, de praecept. 1, probl. 113, n. 584, blz. 77.
4. Theologia moralis, nunc pluribus partibus aucta à R.P. Claudio Lacroix, Societatis Jesu, Keulen, 1757.
5. Deel 2, boek 3, pars. 1, tr. 1, hfst. 1, dub. 2, resol. 8. Wat jammer dat bij de godsdienstig/wetenschappelijke vervolging van het medium Slade, die onlangs plaatsvond in Londen, de raadsman van de verdediging niet eraan heeft gedacht deze orthodoxe legalisatie van het ‘bedriegen door handlijnkunde of op andere wijze’ te citeren.
6. G.B. Nicolini, History of the Jesuits, Londen, 1854, hfst. 2, blz. 30.
7. Isis ontsluierd, 2:415-8.

Wat was de oorsprong van die orde? Dat kan in enkele woorden worden verteld. Op 16 augustus 1534 werd een ex-officier en ‘Ridder van de Maagd’ uit het gebied rond de Golf van Biskaje, en de eigenaar van het prachtige kasteel van Casa Solar – Ignatius van Loyola1 – de held van de volgende gebeurtenis. In de ondergrondse kapel van de kerk van Montmartre nam hij, omringd door enkele priesters en theologiestudenten, hun geloften af om hun hele leven te wijden aan de verspreiding van het rooms-katholicisme door welke middelen dan ook, goede of slechte; en zo kon hij een nieuwe orde vestigen. Loyola stelde aan zijn zes belangrijkste metgezellen voor dat hun orde militant zou moeten zijn, om te vechten voor de belangen van de Heilige stoel van het rooms-katholicisme. Twee middelen werden aangewend om het doel te bereiken: het onderwijs van de jeugd, en bekeringsijver (het apostolaat). Dit was tijdens het bewind van paus Paulus III, die zijn volledige medewerking aan het nieuwe plan gaf. Vandaar dat in 1540 de beroemde pauselijke bul werd gepubliceerd – Regimini militantis ecclesiae (de heerschappij van de strijdende, of militante kerk) – waarna de Orde snel in aantal en kracht begon toe te nemen.

1. Of met zijn echte naam, ‘St. Inigo de Biskajer’.

Tegen de tijd dat Loyola stierf, telde de Sociëteit meer dan duizend jezuïeten, hoewel toelating tot hun gelederen bijzonder moeilijk zou zijn. Een andere beroemde en unieke bul, uitgegeven door paus Julius III in 1552, gaf de Orde van Jezus een hoge positie en hielp haar aan een snelle groei. Ze plaatste de Sociëteit buiten en boven de jurisdictie van het plaatselijke kerkelijke gezag, stond de Orde haar eigen wetten toe, en ze mocht één hoogste gezag erkennen, namelijk dat van haar generaal-overste, wiens verblijfplaats toen in Rome was. De gevolgen van zo’n regeling waren fataal voor de rest van de kerk die niet tot de Orde behoorde. Hoge prelaten en kardinalen moesten heel vaak buigen voor een eenvoudige ondergeschikte van de Sociëteit van Jezus. Haar generaals kregen altijd de overhand in Rome, en genoten het onbeperkte vertrouwen van de paus, die op die manier vaak een instrument werd in handen van de Orde.

In die dagen toen de politieke macht een van de rechten van de ‘plaatsvervanger van God’ was, werd de macht van de sluwe Sociëteit vanzelfsprekend enorm groot. In naam van de paus veroorloofden de jezuïeten zich ongekende privileges, die ze op ruime schaal genoten tot het jaar 1773. In dat jaar publiceerde paus Clemens XIV een nieuwe bul, Dominus ac Redemptor (de Heer en verlosser), waarin de beroemde Orde werd opgeheven. Maar de paus bleek hulpeloos tegenover deze nieuwe Frankenstein, de kwade geest die een van de ‘predikanten van God’ had opgeroepen. De organisatie zette haar bestaan in het geheim voort, ondanks het feit dat ze door verschillende pausen en wereldse autoriteiten van elk land werden vervolgd. In 1801, onder de nieuwe alias van de ‘Congregatie van de Sacré Coeur de Jésus’, was ze al doorgedrongen tot, en werd ze getolereerd in, Rusland en Sicilië.

Zoals al is gezegd, werd de Orde van Jezus in 1814 door een nieuwe bul van Pius VII in ere hersteld, hoewel haar recente privileges, zelfs die onder de leken-geestelijken, haar werden onthouden. De wereldse machthebbers in Frankrijk en elders waren sindsdien gedwongen de jezuïeten te tolereren en rekening met ze te houden. Het enige wat ze konden doen was hen bijzondere privileges te onthouden en de leden van die Sociëteit evenals andere geestelijken te onderwerpen aan de wetten van het land. Maar, geleidelijk en onmerkbaar slaagden de jezuïeten erin om zelfs van de leken-autoriteiten speciale gunsten te verkrijgen. Napoleon III gaf hen toestemming om alleen al in Parijs zeven middelbare scholen te openen, voor het onderwijs van jongeren. De enige voorwaarde daarvoor was dat deze scholen onder het gezag en toezicht van plaatselijke bisschoppen zouden staan. Maar de vestigingen waren nog maar nauwelijks geopend of de jezuïeten overtraden die regel. De episode met de aartsbisschop Darboy is bekend. Toen hij de jezuïetenschool in de Rue de la Poste (Parijs) wilde bezoeken, werd hem de toegang geweigerd, en de poorten waren op bevel van de overste voor hem gesloten. De bisschop diende een klacht in bij het Vaticaan. Het antwoord liet echter zo lang op zich wachten dat de jezuïeten in feite meester van de situatie bleven en niet onder enige jurisdictie van anderen vielen.

En lees nu wat Lord R. Montagu zegt over hun daden in het protestantse Engeland, en oordeel zelf:

Denk aan . . . de Sociëteit van Jezus – met haar nihilistische aanhangers in Rusland, haar socialistische bondgenoten in Duitsland, haar Fenians en nationalisten in Ierland, haar handlangers en slaven in haar macht. Denk aan die Sociëteit die niet heeft geaarzeld om volkeren tot de meest bloedige oorlogen te bewegen, om zo haar doelen te bereiken, en die iemand die haar geheim kent en niet haar slaaf wil zijn, zal opsporen, in diskrediet brengen en bij elke stap tegenwerken, uit de sluwe overweging dat hij daardoor gek zal worden, of een einde aan zijn leven zal maken, zodat het geheim met hem wordt begraven. Denk aan een Sociëteit die zo’n duivels plan kan bedenken en zich erop laat voorstaan, en zeg dan of dit van ons niet een wanhopige inspanning vraagt. . . . Als u achter de schermen had kunnen kijken. . . . dan zou u nog alles moeten ontrafelen wat er door onze regering wordt gedaan, en de aaneenschakeling van leugens moeten wegnemen waarmee hun daden worden verborgen. Herhaalde pogingen zullen u hebben geleerd dat er geen openbare figuur bestaat op wie u kunt steunen. Omdat Engeland zich ‘tussen de bovenste en de onderste molensteen’ bevindt, worden nu alleen aanhangers of slaven naar voren geschoven, en het spreekt vanzelf dat de jezuïeten, die zo ver zijn gekomen, nieuwe molenstenen hebben voorbereid voor het moment dat de huidige zullen zijn verdreven, en vervolgens nog jongere molenstenen om daarna te komen en macht over het land uit te oefenen.1

1. Recent Events and a Clue to Their Solution, 1886, blz. 76-7.

In Frankrijk bloeiden de zaken van de zonen van Loyola tot de dag waarop het ministerie van Jules Ferry hen dwong zich van het strijdtoneel terug te trekken. Velen herinneren zich nog de nutteloze striktheid van de politiemaatregelen, en de slimme ensceneringen door de jezuïeten zelf. Dit droeg alleen maar bij aan hun populariteit bij bepaalde klassen. Ze verkregen daardoor een aureool van martelaarschap, en waren verzekerd van de sympathie van elke vrome en dwaze vrouw in het land.

En wat kan het grote publiek in Europa en Amerika verwachten nu paus Leo XIII aan de goede paters, de jezuïeten, alle privileges en rechten die ooit aan hun voorgangers waren verleend, weer heeft teruggegeven? Te oordelen naar de bul wordt de volledige heerschappij, moreel en fysiek, over elk land waar er rooms-katholieken zijn, toegekend aan de zwarte militie. In deze bul erkent de paus namelijk dat van alle religieuze broederschappen die nu bestaan, die van de jezuïeten hem het dierbaarst is. Hij komt woorden te kort om de vurige liefde die hij (paus Leo) voor hen voelt duidelijk genoeg te kunnen uitdrukken, enz. Zo hebben ze in elk opzicht de zekerheid van de steun van het Vaticaan. En omdat zij hem leiden, zien we zijne heiligheid koketteren en flirten met elke grote Europese potentaat, van Bismarck tot de gekroonde hoofden van het continent en Engeland. Gezien de steeds grotere invloed van Leo XIII, in moreel en politiek opzicht, is die zekerheid voor de jezuïeten van grote betekenis.

Voor meer details wordt de lezer verwezen naar bekende schrijvers zoals Lord Robert Montagu in Engeland, en op het continent: Edgard Quinet: l’Ultramontanisme; Michelet: Le prêtre, la femme et la famille; Paul Bert: La morale des jésuites; Friedrich Nippold: Handbuch der Neuesten Kirchengeschichte en Welche Wege führen nach Rome?, enz.

Laten we intussen niet de waarschuwende woorden vergeten die we ontvingen van een van onze theosofen, wijlen dr. Kenneth Mackenzie, die over de jezuïeten zegt:

‘Hun spionnen zijn overal, in alle rangen van de maatschappij, en ze kunnen geleerd en wijs, of eenvoudig en dwaas lijken, afhankelijk van hun instructies. Er zijn jezuïeten van beide geslachten en alle leeftijden, en het is een bekend feit dat leden van de orde van hoge komaf en verfijnde opvoeding als bedienden werken in protestantse families, en andere soortgelijke dingen doen ter bevordering van de doeleinden van de Sociëteit. We kunnen niet genoeg op onze hoede zijn, want de hele Sociëteit, die is gebaseerd op de wet van onmiddellijke gehoorzaamheid, kan haar kracht met onfeilbare, noodlottige nauwkeurigheid op ieder gewenst punt richten.’1

De jezuïeten beweren dat ‘de Sociëteit van Jezus niet door mensen is bedacht, maar dat ze uitging van hem wiens naam ze draagt. Want Jezus zelf heeft de leefregel die de Sociëteit volgt, beschreven, eerst door zijn voorbeeld, en later door zijn woorden.’2

Laten alle vrome christenen dan luisteren, en kennisnemen van deze zogenaamde ‘leefregel’ en voorschriften van hun God, zoals die door de jezuïeten in praktijk worden gebracht. Petrus Alagona zegt:

‘Volgens Gods gebod is het geoorloofd een onschuldig mens te doden, te stelen of ontucht te plegen . . . (Ex mandato Dei licet occidere innocentem, furari, fornicari), want hij is de Heer van leven en dood en van alle dingen, en daarom is het onze plicht tegenover hem zijn gebod na te komen.’3

‘Iemand die tot een religieuze orde behoort en korte tijd met een zondig doel zijn kleed aflegt, begaat geen afschuwelijke zonde, en haalt zich niet de straf van de kerkban op de hals.’4

Johannes Baptistus Taberna (Synopsis theologiae practicae) behandelt de volgende vraag: ‘Is een rechter verplicht het smeergeld terug te geven dat hij heeft ontvangen om een vonnis uit te spreken?’ Antwoord: ‘Indien hij het smeergeld heeft ontvangen om een onrechtvaardig vonnis uit te spreken, mag hij het waarschijnlijk behouden. . . . Deze mening wordt gedeeld en verdedigd door 58 doctoren’ (jezuïeten).5

We zullen hiermee nu niet doorgaan. Bijna al deze voorschriften zijn zo walgelijk verdorven, huichelachtig en demoraliserend dat men vele ervan onmogelijk kon drukken, behalve in het Latijn.6 (Isis ontsluierd, 2:418-9.)

1. Royal Masonic Cyclopaedia, blz. 369.
2. Imago primi saeculi Societatis Jesu, Antwerpen, 1640, boek 1, hfst. 3, blz. 64.
3. Petrus Alagona, St. Thomae Aquinatis Summae Theologiae Compendium, Ex prima secundae, Quaest., 94.
4. Antonius Escobar, Universae theologiae moralis receptiores absque lite sententiae, deel 1, Leiden, 1652 (ed. Bibl. Acad. Cant.), boek 3, afd. 2, probl. 44, n. 212. ‘Idem sentio, et breve illud tempus ad unius horae spatium traho. Religiosus itaque habitum demittens assignato hoc temporis interstitio, non incurrit excommunicationem, etiamsi dimittat non solum ex causa turpi, scilicet fornicandi, aut clam aliquid abripiendi, sed etiam ut incognitus ineat lupanar’ (probl. 44, n. 213).
5. Keulen, 1736, pars. 2, tr. 2, hfst. 31.
6. Zie The Principles of the Jesuits, Developed in a Collection of Extracts from their own Authors, London, 1839.

Maar wat moeten we denken van de toekomst van de samenleving als ze in woord en daad door deze doortrapte organisatie zal worden beheerst! Wat moeten we verwachten van een publiek dat, hoewel het de bovengenoemde beschuldigingen kent, en weet dat ze niet overdreven zijn maar betrekking hebben op historische feiten, de jezuïeten niettemin tolereert – zo niet bewondert – terwijl het altijd klaarstaat om theosofen en occultisten met minachting te beschouwen? Diezelfde jezuïeten dragen ertoe bij dat theosofie door onverdiende laster en spot wordt achtervolgd, en veel theosofen durven hun geloof in de filosofie van arhatschap nauwelijks te bekennen. Geen enkele Theosophical Society heeft het publiek ooit gedreigd met moreel verval en de volledige en vrije uitoefening van de zeven hoofdzonden onder het mom van heiligheid en door Jezus te worden geleid! Ook zijn haar regels niet geheim, maar voor iedereen openbaar, want ze leven in het volle daglicht van waarheid en oprechtheid. En hoe zit het in dit opzicht met de jezuïeten?

‘Jezuïeten die behoren tot de hoogste categorie,’ zegt nogmaals Louis Lambert, ‘hebben volledige en absolute vrijheid van handelen, zelfs tot moord en brandstichting. Aan de andere kant worden die jezuïeten die schuldig worden bevonden aan de geringste poging om de Sociëteit van Jezus in gevaar te brengen of te compromitteren, genadeloos gestraft. Ze mogen de meest ketterse boeken schrijven, mits ze niet de geheimen van de Orde onthullen.’

En deze ‘geheimen’ zijn onmiskenbaar van heel verschrikkelijke en gevaarlijke aard. Vergelijk een paar van deze christelijke voorschriften en regels voor het toetreden tot deze Sociëteit van ‘goddelijke oorsprong’, zoals wordt geclaimd, met de regels voor toelating tot de geheime genootschappen (tempelmysteries) van de heidenen.

‘Een broeder-jezuïet heeft het recht om iedereen te doden die gevaarlijk voor het jezuïtisme kan blijken te zijn.’

‘Zonen van katholieken en christenen mogen hun vaders, wanneer deze hen van het geloof willen afbrengen, aanklagen voor de misdaad van ketterij, al weten ze dat hun ouders daarvoor zullen worden verbrand en ter dood gebracht, zoals Tolet leert. . . . En niet alleen mogen ze aan hen voedsel weigeren . . . maar ze hebben ook het recht hen te doden.’1

Het is bekend dat keizer Nero nooit om inwijding in de mysteriën heeft durven vragen, omdat hij Agrippina had vermoord!

In afdeling 14 van Principles of the Jesuits vinden we onder Moord, de volgende christelijke beginselen, die pater Henri Henriquez ons op het hart drukt: ‘Als een overspelige man, zelfs al zou hij geestelijke zijn . . . door de echtgenoot van haar wordt aangevallen, en de aanvaller doodt . . . wordt hij niet als abnormaal beschouwd (non videtur irregularis).’2

‘Als een vader [die in ballingschap is] de staat en de samenleving in het algemeen kwaad doet, en er geen andere middelen zouden bestaan om zo’n nadeel af te wenden, dan zou ik de mening van de eerdergenoemde auteurs goedkeuren’ (dat een zoon zijn vader doodt), zegt afdeling 15 over Moord en vadermoord.3

‘Het is een geestelijke, of iemand van de godsdienstige orde, geoorloofd een lasteraar te doden die afschuwelijke beschuldigingen tegen hemzelf of tegen zijn godsdienst dreigt te verspreiden’,4 luidt de door de jezuïet Franciscus Amicus gegeven regel.

Moord in welke vorm ook [of zelfs eenvoudige onkuisheid] was bij zowel de Egyptenaren als de Grieken een van de meest onoverkomelijke belemmeringen om te worden ingewijd.5

1. F. Stephen Fagundez, In praecepta decalogi, Leiden, 1640, deel 1, boek 4, hfst. 2, n. 7, 8.
2. Summae theologiae moralis, Venetië, 1600 (ed. Coll. Sion), deel 1, boek 14, de Irregularitate, hfst. 10, n. 3., blz. 869.
3. Mening van Juan de Dicastillo, De justitia et jure, Antwerpen, 1641, boek 2, tr. 1, disp. 10, dub. 1, n. 15.
4. Cursus theologici, Duaci, 1642, deel 5, disp. 36, sect. 5, n. 118, blz. 544.
5. Isis ontsluierd, 2:427-8.

Het zijn deze ‘vijanden van de mensheid’, zoals ze worden genoemd, die hun oude privileges om in het duister te werken opnieuw hebben verkregen, en ze manipuleren en vernietigen elke hindernis die ze op hun pad vinden – volkomen ongestraft. Maar ‘een gewaarschuwd mens telt voor twee’. Onderzoekers van het occultisme moeten weten dat, terwijl de jezuïeten door hun listen kans hebben gezien om de wereld in het algemeen, en de Engelsen in het bijzonder, te laten denken dat er niet zoiets als magie bestaat, deze slimme en sluwe intriganten zelf magnetische kringen houden en magnetische schakels vormen door concentratie van hun gezamenlijke wil als ze een specifiek doel willen bereiken, of een bepaalde belangrijke figuur willen beïnvloeden. Ze maken overvloedig gebruik van hun rijkdom om hen bij elk project te helpen. Hun rijkdom is enorm. Toen ze onlangs uit Frankrijk werden verbannen, brachten ze zoveel geld mee, waarvan ze een deel omzetten in Engelse fondsen, dat die meteen stegen tot hun nominale waarde, iets waar de Daily Telegraph toen op heeft gewezen.

Ze zijn in hun doel geslaagd. De kerk is voortaan een willoze marionet, en de paus een armzalig zwak instrument in de handen van deze orde. Maar hoe lang nog? De dag kan aanbreken dat hun rijkdom hun met geweld zal worden ontnomen, en zijzelf genadeloos zullen worden vernietigd te midden van de vervloekingen en het applaus van alle landen en volkeren. Er is een nemesis-karma, hoewel het vaak toelaat dat kwaad en zonde eeuwenlang met succes blijven bestaan. Het is van hun kant ook een vergeefse poging om de theosofen, hun onverzoenlijke vijanden, te bedreigen, want laatstgenoemden vormen misschien de enige organisatie in de hele wereld die niet bang voor hen hoeft te zijn. Ze kunnen proberen, en misschien lukt dat, om individuele leden te vernietigen. Ze zouden een vergeefse poging doen, ook al zijn ze sterk en machtig, als ze de Society zouden aanvallen. Theosofen zijn even goed beschermd als zijzelf, zelfs beter dan zij. Voor de hedendaagse wetenschapper, voor al degenen die niets weten, en die niet geloven wat ze over WITTE en ZWARTE magie horen, zal het bovenstaande onzin lijken. Laat dat zo zijn, maar Europa zal binnenkort de zware hand van laatstgenoemde ervaren, en ervaart deze nu al.

Theosofen worden overal belasterd en bespot door de jezuïeten en hun aanhangers. Ze worden beschuldigd van afgoderij en bijgeloof, en niettemin lezen we in dezelfde ‘beginselen’ van de paters jezuïeten:

De juiste opvatting is dat het geoorloofd is alle levenloze en redeloze dingen te aanbidden [zegt pater Gabriël Vasquez als hij afgoderij behandelt.] Indien de leer die we hebben vastgesteld goed wordt begrepen, mag niet alleen een geschilderde afbeelding en elk heilig voorwerp dat door het openbare gezag voor de verering van God is bestemd, gelijktijdig met God worden aanbeden als zijn afbeelding, maar ook elk ander ding van deze wereld, ongeacht of het levenloos en redeloos, of met rede begiftigd is.1

1. Gabriël Vasquez, De cultu adorationis libri tres, Mainz, 1614, boek 3, disp. 1, hfst. 2.

Dit is het rooms-katholicisme, identiek en voortaan één met het jezuïtisme, zoals blijkt uit de herderlijke brief van de kardinaal bisschop van Kamerijk, en paus Leo. Dit is een regel die, of ze nu wel of niet eer doet aan de christelijke kerk, tenminste kan worden gebruikt en geciteerd door elke hindoe, Japanner, of iedere andere ‘heidense’ theosoof, die zijn oorspronkelijke geloof nog niet heeft opgegeven.

Maar we moeten afsluiten. Er is een profetie in het heidense Oosten over het christelijke Westen, die, wanneer ze in begrijpelijk Engels wordt weergegeven, als volgt luidt:

Wanneer de veroveraars van alle oude volkeren op hun beurt worden veroverd door een leger van zwarte draken verwekt door hun zonden en ontstaan uit verval, dan is het moment van bevrijding voor die oude volkeren aangebroken.

Het is gemakkelijk om in te zien wie de ‘zwarte draken’ zijn. En deze zullen op hun beurt zien dat hun macht wordt bedwongen en dat er met geweld een einde aan wordt gemaakt door de bevrijde legioenen. Misschien zal er dan een nieuwe invasie van een Atilla uit het verre Oosten komen. Op een dag zullen miljoenen Chinezen en Mongolen het in verval geraakte Europa binnenvallen als een onstuitbare stortvloed van heidenen en moslims die zijn uitgerust met alle moordwapens die door de beschaving zijn uitgevonden en door de helse Westerse geest van handel en winstbejag aan de Chinezen van het Oosten zijn opgedrongen, en die bovendien tot in de perfectie zijn getraind door christelijke moordenaars. Dit zal het resultaat zijn van het werk van de jezuïeten, die hopelijk de eerste slachtoffers ervan zullen zijn.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 383-98
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag