Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Ster-engel-verering in de rooms-katholieke kerk

[‘Star-angel worship in the Roman Catholic Church’, Lucifer, juli 1888, blz. 355-65; CW 10:13-32]

[Het onderwerp van dit artikel komt niet voort uit de wens om ‘kritiek te leveren’ op de christelijke religie, iets waarvan Lucifer vaak wordt beschuldigd. We voelen geen grotere vijandigheid tegenover het pausdom dan tegen een ander bestaand dogmatisch en ritualistisch geloof. We denken dat ‘er geen religie hoger dan de waarheid is’. Omdat we onophoudelijk worden aangevallen door de christenen – van wie vooral de rooms-katholieken zo bitter en minachtend zijn – die ons voor ‘afgodendienaars’, ‘heidenen’, en nog meer uitmaken, is het af en toe nodig dat we iets zeggen om ons te verdedigen en de waarheid in ere te herstellen.

Theosofen worden ervan beschuldigd in astrologie en in de deva’s (dhyani-chohans) van de hindoes en noordelijke boeddhisten te geloven. Een al te impulsieve missionaris in de Central Provinces van India heeft ons in feite ‘steraanbidders’, ‘sabeeën’ en ‘duivelaanbidders’ genoemd. Dit is, zoals gebruikelijk, ongegronde laster en een verkeerde voorstelling van zaken. Geen enkele theosoof, geen enkele occultist in de ware betekenis van het woord heeft ooit deva’s, nats, engelen of zelfs planeetgeesten aanbeden. Erkenning van het feitelijke bestaan van zulke wezens – die, hoe verheven ook, nog altijd geleidelijk ontwikkelde en eindige wezens zijn – en zelfs eerbied voor sommigen van hen is nog geen aanbidding [Engels: worship]. Dit laatste woord is een elastische term die door de armoede van de Engelse taal is uitgehold. We spreken een rechterlijk ambtenaar aan met ‘edelachtbare’ [Engels: His worship], maar men kan nauwelijks zeggen dat we hem goddelijke eer bewijzen. Een moeder aanbidt vaak haar kinderen, een man zijn vrouw, en omgekeerd, maar geen van hen bidt tot het voorwerp van zijn aanbidding. In geen van beide gevallen is het van toepassing op de occultisten. De eerbied van een occultist voor bepaalde hoge geesten kan in sommige gevallen heel groot zijn; misschien zelfs zo groot als de eerbied die sommige christenen koesteren voor hun aartsengelen Michaël en Gabriël en hun (St.) Joris van Cappadocië, de geleerde leverancier van Constantijns legers. Maar daar houdt de vergelijking op. Voor theosofen nemen deze planetaire ‘engelen’ geen hogere plaats in dan die welke Vergilius aan hen toewijst:

Ze beschikken over etherische kracht en zijn gevormd
Uit zaden van hemelse afkomst,1

1. Aeneis, 6:730-31.

evenals iedere sterveling. Ze zijn allemaal occulte krachten met macht over bepaalde eigenschappen van de natuur. En als ze eenmaal tot een sterveling zijn aangetrokken, dan helpen ze hem met bepaalde dingen. Maar in het algemeen geldt: hoe minder men met hen te maken heeft des te beter.

Dat is anders bij de rooms-katholieken, onze vrome lasteraars. De papisten aanbidden hen en hebben hen vanaf het begin van het christendom tot op heden goddelijke eer bewezen, en in de volle betekenis van de gecursiveerde woorden, zoals in dit artikel zal worden aangetoond. Zelfs voor de protestanten zijn de engelen in het algemeen, zo niet de zeven engelen van de sterren in het bijzonder, de ‘boodschappers van de Allerhoogste’ en ‘dienende geesten’ op wier bescherming ze een beroep doen, en ze hebben hun eigen plaats in de anglicaanse liturgie.

Het feit dat de engelen van sterren en planeten worden aanbeden door de rooms-katholieken is niet algemeen bekend. De verering ervan maakte veel veranderingen door. Ze werd een paar keer afgeschaft, en dan weer toegestaan. Hier wordt geprobeerd een schets te geven van de korte geschiedenis van haar groei, van de laatste keer dat ze opnieuw werd ingesteld en van de steeds terugkerende inspanningen om deze verering openlijk te verkondigen. De laatste paar jaar kan deze aanbidding als achterhaald worden beschouwd, maar tot op de dag van vandaag werd ze nooit afgeschaft. Daarom zal ik nu bewijzen dat als iemand de naam ‘afgodendienaar’ verdient, het niet de theosofen, occultisten, kabbalisten en astrologen zijn, maar in feite de meeste christenen; die rooms-katholieken, die, naast de ster-engelen, een reeks min of meer twijfelachtige heiligen en de Maagd Maria – van wie de kerk een erkende godin heeft gemaakt – in hun liturgie aanbidden.

De korte stukjes geschiedenis die volgen zijn ontleend aan verschillende betrouwbare bronnen, die de rooms-katholieken moeilijk kunnen ontkennen of verwerpen. Want onze gezaghebbende bronnen zijn: (a) verschillende documenten in het archief van het Vaticaan; (b) diverse werken van vrome en bekende rooms-katholieke schrijvers, ultramontanen in hart en nieren, zowel leken als geestelijken; en ten slotte (c), een pauselijke bul, een beter bewijs is niet te vinden.]

. . .

In het midden van de 8ste eeuw van onze jaartelling verscheen de beruchte aartsbisschop Adalbert van Maagdenburg voor zijn rechters. In de annalen van de magie zijn weinigen zo beroemd als hij. Hij werd ervan beschuldigd – en uiteindelijk veroordeeld door het tweede Concilie van Rome, voorgezeten door paus Zacharias – dat hij tijdens het verrichten van ceremoniële magie gebruikmaakte van de namen van de ‘zeven geesten’ – die in de kerk toen op het toppunt van hun macht stonden – onder andere die van Uriël, met wiens hulp hij erin was geslaagd zijn grootste verschijnselen voort te brengen. Zoals eenvoudig kan worden aangetoond, is de kerk niet per se tegen magie, maar alleen tegen die magiërs die zich niet houden aan haar methoden en regels voor evocatie. Maar omdat de wonderen die door de eerwaarde tovenaar werden verricht, niet zodanig van aard waren dat ze konden worden gerangschikt onder de ‘wonderen door de genade en de glorie van God’, werden ze onheilig verklaard. En omdat de aartsengel Uriël (lux et ignis) door zulke vertoningen in opspraak was gebracht, moest zijn naam in diskrediet worden gebracht. Zo’n schandvlek op een van de ‘tronen’ en ‘boodschappers van de Allerhoogste’ zou het aantal van deze joodse saptarshi tot slechts zes hebben teruggebracht, en zo de hele hemelse hiërarchie in de war hebben gegooid, en dus werd er een heel slimme en sluwe uitvlucht bedacht. Deze was echter niet nieuw, en bleek ook niet erg overtuigend of effectief te zijn.

Er werd verklaard dat de Uriël van bisschop Adalbert, het ‘vuur van God’, niet de aartsengel was die in het apocriefe 2 Ezra wordt genoemd; noch was hij de glorieuze figuur die zo vaak wordt vermeld in de magische boeken van Mozes, vooral in het 6de en 7de boek. De bol of planeet van deze oorspronkelijke Uriël zou volgens Michael Glycas de Byzantijn de zon zijn. Hoe kon dit verheven wezen – de vriend en metgezel van Adam en Eva vóór zijn val, en, later, het maatje van Seth en Henoch, zoals alle vrome christenen weten – hoe kon hij ooit een handje helpen bij tovenarij? Nooit, nooit! Het idee alleen al was absurd.

Daardoor bleef de Uriël die door de kerkvaders zozeer werd vereerd, even zuiver en onaantastbaar als altijd. Het was een duivel met dezelfde naam – een nogal onbekende duivel, want hij wordt nergens vermeld – die de prijs moest betalen voor de kleine verrichtingen van zwarte magie van bisschop Adalbert. Deze ‘slechte’ Uriël is, zoals een bepaalde priester en geloofsverdediger heeft proberen te insinueren, verbonden met een bepaald belangrijk woord van occulte aard, dat gebruikt wordt door en alleen bekend is aan vrijmetselaars van een zeer hoge graad. Omdat de geloofsverdediger het ‘woord’ zelf echter niet kent, is hij grandioos tekortgeschoten om zijn verklaring te bewijzen.

Met het oog op de speciale eerbied die de aartsengel wordt bewezen, was het natuurlijk nodig om hem van alle blaam te zuiveren. St. Ambrosius had Uriël als beschermheer gekozen en bewees hem bijna goddelijke eerbied.1 Ook de beroemde pater Gastaldi,2 de dominicaanse monnik, schrijver en inquisiteur, had in zijn merkwaardige werk ‘Over engelen’ (De angelis) bewezen dat de verering van de ‘zeven geesten’ door de kerk in alle tijden gewettigd was geweest; en dat het nodig was voor de morele steun en het geloof van de kinderen van de (rooms-katholieke) kerk. Kortom, dat hij die deze goden zou verwaarlozen even slecht was als elke ‘heiden’ die dat niet deed.

1. De fide, enz, 2:3:20vn.
2. Noot vert.: Giantommaso Gastaldi, die van 1652 tot 1655 bisschop van Brugneto was.

Hoewel bisschop Adalbert werd veroordeeld en opgehangen, had hij een geduchte aanhang in Duitsland, een groep die de tovenaar niet alleen verdedigde en steunde, maar ook de in ongenade gevallen aartsengel. Daarom werd na het proces de naam Uriël in de missalen gehandhaafd, en bleef de ‘troon’ slechts ‘onder verdenking’ staan. In overeenstemming met haar bewonderenswaardige beleid verklaarde de kerk dat de ‘gezegende Uriël’ niets te maken had met de ‘vervloekte Uriël’ van de kabbalisten, en liet de zaak verder rusten.

Om te laten zien dat er voor zulke uitvluchten veel speelruimte was, hoeven we alleen de occulte leringen over de hemelse menigten in herinnering te roepen. De wereld van het zijn begint bij het spirituele vuur (of de zon) en zijn zeven ‘vlammen’ of stralen. Deze ‘zonen van het licht’, de ‘veelvoudigen’, omdat ze, allegorisch gesproken, behoren tot, en een gelijktijdig bestaan hebben in de hemel en op aarde, gaven de kerk eenvoudig een kapstok om haar duale Uriël aan op te hangen. Bovendien zijn deva’s, dhyani-chohans, goden en aartsengelen allemaal identiek, en hun vele vormen, namen en posities worden naar wens veranderd. De siderische goden van de sabeeën werden de kabbalistische en talmoedische engelen van de joden waarbij hun esoterische namen ongewijzigd bleven; evenzo gingen ze in hun geheel over naar de christelijke kerk als de aartsengelen, die slechts een hogere functie kregen.

Deze namen zijn hun ‘mysterietitels’. Ze zijn in feite zo mysterieus dat de rooms-katholieken zelf niet meer zeker van hun namen zijn nu de kerk ze, in haar zorg om hun nederige oorsprong te verbergen, wel een dozijn keer heeft veranderd. De vrome De Mirville erkent het volgende:

Om, zoals we zouden willen, met precisie en zekerheid te spreken over alles in verband met hun namen [van de engelen] en eigenschappen is geen gemakkelijke taak. Als we dus zeggen dat deze geesten de zeven assistenten zijn die de troon van het Lam omringen en zijn zeven horens vormen; dat de beroemde zevenarmige kandelaar van de tempel hun symbool was . . . wanneer we aantonen dat ze in de Openbaring voorkomen als de zeven sterren in de rechterhand van de Verlosser, of als de engelen die de zeven plagen ontketenen, dan zullen we nogmaals een van die onvolledige waarheden hebben verkondigd die de commentatoren, die op deze ideeën ingaan, gewoonlijk met de grootst mogelijke voorzichtigheid benaderen.1

1. De Mirville, Des esprits, deel 2, blz. 351-2, hoofdstuk ‘de geesten vóór hun val’.

Hier spreekt de schrijver een grote waarheid. Hij zou een nog grotere waarheid hebben gesproken als hij eraan had toegevoegd dat de kerk over geen enkel onderwerp ooit de volledige waarheid heeft verkondigd. Wat zou er anders overblijven van het mysterie dat zo absoluut noodzakelijk is voor het gezag van de zo onbegrijpelijke dogma’s van de heilige ‘bruid’?

Deze ‘geesten’ worden primarios principes genoemd. Maar wat deze eerste beginselen in feite zijn wordt niet uitgelegd. In de eerste eeuwen van het christendom wilde de kerk dat niet; en in deze eeuw weet ze daarover even weinig als haar trouwe leken. Ze heeft het geheim verloren.

De definitieve vaststelling van de namen van deze engelen heeft volgens De Mirville ‘aanleiding gegeven tot controverses die eeuwen hebben geduurd. Tot op de dag van vandaag zijn deze zeven namen een mysterie.’1

1. Op.cit., blz. 353.

Toch zijn ze te vinden in bepaalde missalen en in geheime documenten in het Vaticaan, samen met de astrologische namen die aan velen bekend zijn. Maar omdat de kabbalisten, en onder anderen bisschop Adalbert, sommige daarvan hebben gebruikt, wil de kerk deze titels niet aanvaarden, hoewel ze die wezens aanbidt. De gebruikelijke aanvaarde namen zijn Michaël, de ‘Quis ut Deus’, ‘iemand zoals God’; Gabriël, de ‘kracht (of macht) van God’; Rafaël, of ‘goddelijke deugd’; Uriël, ‘Gods licht en vuur’; Sealtiël, de ‘spraak van God’; Jehudiël, de ‘lof van God’ en Barachiël, de ‘zegen van God’. Deze ‘zeven’ zijn absoluut canoniek, maar ze zijn niet de echte mysterienamen, de magische krachten. En zelfs onder de zojuist genoemde ‘plaatsvervangers’ is Uriël geweld aangedaan en worden de laatste drie als ‘verdacht’ aangemerkt. Niettemin worden ze, hoewel naamloos, nog steeds aanbeden.

Ook is het niet juist om te zeggen dat er in de Bijbel geen spoor van deze drie namen – die zo ‘verdacht’ zijn – is te vinden, want ze worden in sommige van de oude Hebreeuwse boekrollen vermeld. Een van hen wordt genoemd in hoofdstuk 16 van Genesis, de engel die aan Hagar verschijnt; en alle drie verschijnen als ‘de Heer’ (de elohim) aan Abraham in de vlakte van Mamre, als de ‘drie mannen’ die de geboorte van Izaäk aan Sarai aankondigden (Genesis 18). ‘Jehudiël’ wordt bovendien duidelijk genoemd in hoofdstuk 23 van Exodus, als de engel in wie ‘de naam’ (lof in het origineel) van God was (zie vers 21).

Door hun ‘goddelijke eigenschappen’, die tot de vorming van de namen hebben geleid, kunnen deze aartsengelen door een eenvoudige esoterische methode van transmutatie worden geïdentificeerd met de Chaldeeuwse grote goden en zelfs met de zeven manu’s en de zeven rishi’s van India.1 Ze zijn de zeven goden van de sabeeën, en de zeven zetels (tronen) en deugden van de kabbalisten; en nu zijn ze bij de katholieken hun ‘zeven ogen van de Heer’ en de ‘zeven tronen’ geworden, in plaats van ‘zetels’.

1. Hij die iets van de Purana’s en hun allegorieën weet, weet dat de rishi’s, evenals de manu’s, daarin zonen van God, van Brahma, zijn, en zelf ook goden zijn; dat ze mensen werden en, als de saptarshi, veranderen ze in sterren en sterrenbeelden. Uiteindelijk zijn het er eerst 7, daarna 10, dan 14, en ten slotte 21. De occulte betekenis is duidelijk.

Zowel de kabbalisten als de ‘heidenen’ moeten gevleid zijn dat hun deva’s en rishi’s de ‘gevolmachtigde ministers’ van de christelijke God zijn geworden. En nu kan het verhaal ononderbroken worden voortgezet.

Na de misstappen van bisschop Adalbert hadden tot ongeveer de 15de eeuw alleen de namen van de eerste drie van de zeven aartsengelen in de kerk de reputatie van heiligheid. De andere vier bleven als namen uitgebannen.

Wie in Rome is geweest, moet de tempel van de zeven engelen hebben bezocht, die door Michelangelo speciaal voor hen was gebouwd: de beroemde kerk die bekendstaat als ‘Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen en van de Martelaren’. De geschiedenis ervan is opmerkelijk, maar heel weinig bekend bij het publiek dat haar bezoekt. Ze is het echter waard om opgetekend te worden.

In 1460 verscheen er in Rome een grote ‘heilige’, Amadeus van Portugal genaamd. Hij was een edelman uit Lusitania, die al in Portugal beroemd was geworden door zijn profetieën en zalige visioenen.1 Tijdens een daarvan had hij een openbaring gehad. De zeven aartsengelen verschenen aan de heilige man, die zo geliefd was bij de paus dat Sixtus IV hem in feite had toegestaan op de plek van de kerk van St. Pieter in Montorio een franciscanenklooster te bouwen. En toen ze aan hem verschenen onthulden ze hun echte onvervalste mysterienamen. De namen die door de kerk worden gebruikt zijn plaatsvervangers, zeiden ze. Dat was ook zo, en de ‘engelen’ spraken de waarheid.

1. Hij stierf in Milaan in 1482.

Hun contact met Amadeus betrof een bescheiden verzoek. Ze vroegen om officiële erkenning onder hun rechtmatige patroniemen, om openbare verering en om een eigen tempel. Nu had de kerk in haar grote wijsheid deze namen vanaf het begin afgewezen, omdat ze die van de Chaldeeuwse goden waren, en had ze vervangen door astrologische aliassen. Het verzoek kon dus niet worden ingewilligd, want ‘ze waren namen van demonen’, legt Baronius uit. Maar dat waren de ‘plaatsvervangers’ in Chaldea ook voordat ze in de Hebreeuwse engelenleer met een bepaald doel werden omgevormd. En als ze de namen van demonen zijn, vraagt De Mirville nadrukkelijk, ‘waarom worden ze dan toch bij de doop aan christenen en katholieken gegeven?’1 Een feit is dat als de laatste vier in de opsomming demonnamen zijn, dan moeten die van Michaël, Gabriël en Rafaël dat ook zijn.

1. Op.cit., blz. 359.

Maar de ‘heilige’ bezoekers deden in koppigheid niet voor de kerk onder. Op hetzelfde moment dat Amadeus in Rome zijn visioen had, vond er op Sicilië, in Palermo, een ander wonder plaats. Een wonderbaarlijk geschilderde afbeelding van de zeven geesten werd even wonderbaarlijk opgegraven van onder de ruïnes van een oude kapel. Dezelfde zeven mysterienamen die op dat moment aan Amadeus werden onthuld, stonden op het schilderij als inscriptie ‘onder het portret van elke engel’,1 zegt de kroniekschrijver.

1. De Mirville, Op.cit., blz. 355.

Wat in deze tijd van ongeloof de gevoelens van de grote en geleerde leiders van de verschillende parapsychologische organisaties over dit onderwerp ook zijn, paus Sixtus IV was sterk onder de indruk van dit toeval. Hij geloofde even onvoorwaardelijk in Amadeus als Brudenel in de Abessijnse profeet ‘Herr Paulus’.1 Maar dit was in die tijd niet het enige ‘toeval’. De heilige roomse en apostolische kerk was gebaseerd op zulke wonderen, en baseert zich ook nu daarop als op de rots van waarheid; want God heeft haar altijd op het juiste moment van wonderen voorzien.2 Toen op diezelfde dag ook een oude profetie, geschreven in Oud-Latijn en verwijzend naar zowel de vondst als de openbaring, in Pisa werd ontdekt, bracht deze onder de gelovigen heel wat commotie teweeg. De profetie voorspelde voor die tijd namelijk de heropleving van de verering van de ‘engelen van de planeten’. En ook dat tijdens het bewind van paus Clemens VII het klooster van St. François de Paule zou worden gesticht op de plaats van de kleine verwoeste kapel. ‘De gebeurtenis vond plaats zoals voorspeld’,3 roept De Mirville trots, maar hij vergeet dat de kerk de voorspelling liet uitkomen door de daarin vermelde opdracht zelf uit te voeren. Toch wordt dit tot op de dag van vandaag een ‘profetie’ genoemd.

1. ‘Herr Paulus’ – het niet minder wonderbaarlijke voortbrengsel van de nogal verwarde en erg eenzijdige verbeelding van Walter Besant.
2. En passant kan een opmerking worden gemaakt en kunnen vraagtekens worden geplaatst:
De ‘wonderen’ verricht in de schoot van de moederkerk – van de apostolische tot aan de kerkelijke wonderen in Lourdes – zijn, zo niet opmerkelijker dan die toegeschreven aan ‘Herr Paulus’, in ieder geval veel verstrekkender, en dus wat hun gevolgen betreft verderfelijker voor de menselijke geest. Ofwel beide soorten zijn mogelijk, of beide zijn toe te schrijven aan bedrog en gevaarlijke hypnotische en magnetische krachten die sommige mensen bezitten. W. Besant probeert zijn lezers ervan te doordringen dat zijn roman werd geschreven in het belang van dat deel van de samenleving dat zich zo gemakkelijk door het andere deel laat beetnemen. En als dat zo is, waarom heeft hij dan niet al die verschijnselen herleid tot hun oorspronkelijke bron, namelijk het geloof in bovennatuurlijke gebeurtenissen als gevolg van het ingeprente geloof in de wonderen in de Bijbel, en de voortzetting daarvan door de kerk?
Geen enkele Abessijnse profeet, en geen enkele ‘occulte filosoof’, heeft ooit zulke grote aanspraken gemaakt op ‘wonderen’ en goddelijke hulp – of ooit een St. Pieterspenning verwacht – als de ‘Bruid van Christus’, de roomse kerk. Aangezien onze schrijver zo uiterst bezorgd was om de miljoenen Engelsen voor misleiding te behoeden, en hij zo graag de gebruikte verderfelijke middelen aan het licht wilde brengen, waarom heeft hij dan niet eerst geprobeerd om het grotere bedrog te ontmaskeren, vóór zich met de kleine trucs bezig te houden, als die er al zijn? Laat hem eerst aan het Britse publiek het veranderen van water in wijn en de opstanding van Lazarus verklaren op basis van de hypothese dat het voor de helft hypnose en voor de helft goochelarij en bedrog is. Want als één groep wonderen kan worden verklaard door blind geloof en mesmerisme, waarom dan niet ook de andere? Of is het omdat de bijbelse wonderen, waarin door elke protestant en katholiek (de goddelijke wonderen in Lourdes neemt laatstgenoemde op de koop toe) wordt geloofd, niet zo gemakkelijk door een populaire schrijver kunnen worden besproken als de wonderen van een ‘occulte filosoof’ en een spiritistisch medium?
Het vergt geen moed, geen onverschrokken trotsering van de gevolgen, om een hulpeloos en tegenwoordig erg bang beroepsmedium openlijk aan te klagen. Maar al deze eigenschappen en een vurige liefde voor de waarheid op de koop toe, zijn absoluut noodzakelijk als men het bekrompen publiek in zijn hol wil trotseren. Hiervoor zijn de lasteraars van de ‘esoterische boeddhisten’ te voorzichtig en te sluw. Ze zijn alleen op zoek naar gemakkelijk verkregen populariteit bij sarcasten en materialisten. Ze zijn er zeker van dat geen enkel beroepsmedium hen ooit recht in het gezicht enorme lasteraars zal durven noemen, of schadeloosstelling van hen zal proberen te verkrijgen, zolang de wet tegen handlijnkunde hem in het gezicht staart.
Wat de ‘esoterisch boeddhist’ of de ‘occulte filosoof’ betreft, er is nog minder gevaar uit die hoek. De minachting van laatstgenoemde voor alle aspirant-lasteraars is absoluut, en er is meer voor nodig om hen te verontrusten dan de onhandige beschuldigingen van een romanschrijver. En waarom zouden ze zich ergeren? Omdat ze noch beroepsprofeten zijn, noch voordeel hebben bij de St. Pieterspenning, kan de meest kwaadaardige laster hen alleen maar aan het lachen maken. Walter Besant heeft in zijn roman echter een grote waarheid verteld, een echte parel van een vooruitziende blik die hij op een hoop slijk liet vallen: de ‘occulte filosoof’ is niet van plan om ‘zijn licht onder de korenmaat te verbergen’.
3. Op.cit., blz. 355.

Maar pas in de 16de eeuw stemde de kerk ten slotte in om het verzoek van haar ‘hooggeboren’ hemelse eisers op elk punt in te willigen.

Op dat moment – al was er nauwelijks een kerk of kapel in Italië zonder een kopie van de wonderbaarlijke afbeelding in een schilderij of mozaïek, en al was er in feite in 1516 een schitterende ‘tempel voor de zeven geesten’ opgericht en voltooid in de buurt van de verwoeste kapel bij Palermo – waren de ‘engelen’ nog steeds niet tevreden. In de woorden van hun kroniekschrijver: ‘De gezegende geesten waren niet tevreden met alleen Sicilië, en geheime gebeden. Ze verlangden een wereldwijde aanbidding en dat de hele katholieke wereld hen in het openbaar zou erkennen.’1

1. Vgl. Op.cit., blz. 356.

Hemelse bewoners zijn zelf, zo lijkt het, niet helemaal vrij van de ambitie en de ijdelheid van ons stoffelijke gebied! Dit is wat deze ambitieuze ‘bestuurders’ bedachten om hun zin te krijgen.

Antonio Lo Duca, een andere ziener (in de annalen van de rooms-katholieke kerk) was net benoemd tot rector van de ‘tempel van de zeven geesten’ in Palermo. Ongeveer in die periode begon hij dezelfde gelukzalige visioenen te hebben als Amadeus had. De aartsengelen drongen er nu via hem bij de paus op aan om hen te herkennen, en om een officiële en universele eredienst in te stellen met hun eigen namen, precies zoals het was vóór het schandaal van bisschop Adalbert. Zij drongen eropaan om een speciale tempel voor hen alleen te bouwen, en ze wilden deze op de oude plek van de beroemde Thermen van Diocletianus. Volgens de overlevering waren 40.000 christenen en 10.000 martelaren veroordeeld tot de bouw van deze thermen, en ze werden bij deze taak geholpen door zulke beroemde ‘heiligen’ als Marcellus en Thrason. Sindsdien was deze plek echter, zoals vermeld in Bul 55 van paus Pius IV, ‘gereserveerd voor de meest wereldse gebruiken en voor demonische [magische?] rituelen’.1

1. Op.cit., blz. 356.

Maar zoals uit allerlei documenten blijkt, ging niet alles zo vlot als de ‘gezegende geesten’ hadden gewild, en voor de arme Duca was het daardoor een moeilijke tijd. Ondanks de grote steun van de Colonna-familie die al hun invloed aanwendde bij paus Paulus III, en het persoonlijke verzoek van Margaretha van Oostenrijk, de dochter van Karel V, kon aan het verzoek van ‘de zeven geesten’ om dezelfde mysterieuze (en voor ons heel duidelijke) redenen niet worden voldaan, hoewel ze gunstig werden gestemd en overigens in alle opzichten werden vereerd. De moeilijke opdracht van Duca werd in feite pas 34 jaar later met succes bekroond.

Tien jaar eerder, namelijk in 1551, werd echter de voorbereidende zuivering van de thermen verordonneerd door paus Julius III, en was er een eerste kerk onder de naam ‘St. Maria van de engelen’. Maar de ‘gezegende tronen’, die deze naam niet aanstond, ontketenden een oorlog waarin deze tempel werd geplunderd en vernietigd, alsof ze in plaats van verheerlijkte aartsengelen boosaardige kabbalistische ‘geesten’ waren geweest.

Daarna bleven ze, met grotere regelmaat dan tevoren, aan zieners en heiligen verschijnen en riepen nog luider om een speciale plaats voor verering. Ze eisten dat op dezelfde plek (de thermen) opnieuw een tempel zou worden gebouwd die de ‘Kerk van de Zeven Engelen’ moest worden genoemd.

Maar hetzelfde probleem als tevoren deed zich voor. Pausen hadden verklaard dat de oorspronkelijke benamingen demonnamen waren, d.w.z. die van heidense goden, en om ze in de kerkdienst te introduceren zou noodlottig zijn geweest. De ‘mysterienamen’ van de zeven engelen konden niet worden gegeven. Het is waar dat toen de oude ‘wonderbaarlijke’ afbeelding met de zeven namen erop was gevonden, deze namen in kerkdiensten openlijk werden gebruikt. Maar tijdens de Renaissance had paus Clemens XI opdracht gegeven om een speciaal onderzoek naar deze afbeelding in te stellen. Een beroemde astronoom uit die tijd, een jezuïet genaamd Joseph Bianchini, werd met deze delicate opdracht belast. Het resultaat waartoe het onderzoek leidde, was even onverwacht als fataal voor de aanbidders van de zeven goden van de sabeeën; hoewel de paus gebood dat de afbeelding moest worden behouden, gaf hij opdracht om de zeven engelennamen zorgvuldig uit te poetsen. En ‘hoewel deze namen zijn overgeleverd’, en ‘ook al hebben ze niets te maken met’, en zijn ze ‘heel andere dan de namen die door Adalbert’ (de bisschop-tovenaar van Maagdenburg) werden gebruikt, zoals de kroniekschrijver er slim aan toevoegt, toch werd zelfs het noemen ervan verboden in de heilige kerken van Rome.

Deze stand van zaken hield aan van 1527 tot 1561; de rector probeerde de orders van zijn zeven ‘gidsen’ uit te voeren, terwijl de kerk bang was om zelfs de Chaldeeuwse plaatsvervangers voor de ‘mysterienamen’ te aanvaarden, omdat ze door magische praktijken zo waren ‘ontheiligd’. Ons wordt echter niet verteld waarom de mysterienamen, die veel minder bekend waren dan hun plaatsvervangers ooit zijn geweest, niet zijn bekendgemaakt als de gezegende ‘tronen’ ook maar het geringste vertrouwen genoten. Maar het vertrouwen moet werkelijk ‘gering’ zijn geweest, want de ‘zeven aartsengelen’ vroegen 34 jaar lang om rehabilitatie, en weigeren nadrukkelijk om met enige andere naam te worden aangeduid, en toch bleef de kerk doof voor hun wensen. De occultisten verbergen de reden niet waarom ze zijn gestopt om ze te gebruiken: ze zijn gevaarlijk magisch. Maar waarom zou de kerk ze vrezen? Werd de apostelen, en vooral Petrus, niet verteld dat ‘al wat u op aarde bindend verklaart, zal ook in de hemel bindend zijn’ (Matth. 18:18), en hadden ze niet de macht gekregen over elke bekende en onbekende demon? Niettemin kunnen sommige mysterienamen, samen met hun plaatsvervangers nog steeds worden gevonden in de oude roomse missalen (Missale Romanum) die in 1563 zijn gedrukt. Eén ervan staat in de Barberini-bibliotheek met de tekst van hele missen erin, en de verboden echte namen van de zeven ‘grote goden’ van de sabeeën flitsen overal onheilspellend op.

De ‘goden’ verloren opnieuw hun geduld. Ze werkten op een echt jehovistische manier in op hun ‘hardnekkige’ aanbidders, en stuurden een plaag. In 1553 brak een vreselijke epidemie van obsessie en bezetenheid uit, ‘toen bijna heel Rome door de duivel werd bezeten’,1 zegt De Mirville (zonder te vertellen of ook de geestelijken erdoor werden getroffen). Pas toen ging Duca’s wens in vervulling. Zijn zeven inspiratoren werden met hun eigen naam aangeroepen, en ‘de epidemie hield als bij toverslag op en de gezegenden’, voegt de kroniekschrijver eraan toe, ‘bewezen door de goddelijke krachten die ze bezaten nogmaals dat ze niets gemeen hebben met de demonen met dezelfde naam’, d.w.z. de Chaldeeuwse goden.2

1. Op.cit., blz. 356.
2. Maar ze hadden hun macht eerder laten zien door het sturen van oorlog, de vernietiging van de kerk, en ten slotte de epidemie; en een occultist vindt dit niet erg engelachtig.

‘Toen werd Michelangelo in alle haast door Paulus IV naar het Vaticaan geroepen.’1 Zijn schitterende plan werd aanvaard en de bouw van de eerdergenoemde kerk begon. De bouw duurde meer dan drie jaar. In het archief van dit nu beroemde bouwwerk2 kan men lezen dat: ‘het verhaal van de wonderen die zich in die periode voordeden niet kan worden verteld, want het was een onophoudelijk wonder dat drie jaar aanhield.’3 In het bijzijn van al zijn kardinalen beval paus Paulus IV dat de zeven namen, zoals ze oorspronkelijk op de afbeelding stonden in ere moesten worden hersteld, en die staan geschreven op de grote kopie ervan die tot op de dag van vandaag boven het hoogaltaar hangt.

1. Op.cit., blz. 356-7.
2. Noot vert.: Deze tempel wordt nu ‘Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen en van de Martelaren’ genoemd.
3. Op.cit., blz. 357.

De prachtige tempel werd in 1561 aan de zeven engelen gewijd. Het doel van de geesten was bereikt; drie jaar later stierven Michelangelo en Antonio Lo Duca bijna gelijktijdig. Ze waren niet meer nodig.

Duca was de eerste persoon die werd begraven in de kerk. Voor de bouw van deze kerk had hij het grootste deel van zijn leven gestreden en hij wist dit uiteindelijk voor zijn hemelse beschermheren tot stand te brengen. Op zijn graf staat een inscriptie met een samenvatting van de door hem verkregen openbaringen, en ook een lijst van de gebeden en aanroepingen, van de boetedoeningen en vasten die hij gebruikte om de ‘gezegende’ openbaringen en de meer frequente bezoeken van de ‘zeven’ te verkrijgen. In de sacristie kan men tegen een kleine vergoeding inzage krijgen in de documenten die getuigen van de verschijnselen van ‘het wonder dat drie jaar onafgebroken aanhield’, en deze opsommen. Het verslag van de ‘wonderen’ draagt het imprimatur van een paus en verschillende kardinalen, maar dat van de Society for Psychical Research ontbreekt nog. De ‘zeven engelen’ hebben dat laatste hard nodig, want zonder dat zal hun triomf nooit volledig zijn. Laten we hopen dat de geleerde SPR-onderzoekers hun ‘slimme jongen’ binnenkort naar Rome zullen sturen, en dat de ‘gezegenden’ in Cambridge een Duca kunnen vinden.

Maar wat is er met de ‘mysterienamen’ gebeurd die zo voorzichtig werden gebruikt, en wat is er gebeurd met de nieuwe namen? Eerst werd één van de kabbalistische namen vervangen door de naam Eudiël. Slechts honderd jaar later verdwenen in opdracht van kardinaal Albizzi alle zeven namen plotseling. In de oude en eerbiedwaardige kerk van Santa Maria della Pietà op het Piazza Colonna, kan het ‘wonderbaarlijke’ schilderij van de zeven aartsengelen nog steeds worden gezien, maar de namen zijn weggeschrapt en die plaatsen zijn overgeschilderd. Sic transit gloria mundi.1 Kort daarna werd de mis- en vesperdienst van de ‘zeven’ opnieuw uit de gebruikte missalen verwijderd, ondanks het feit dat ‘ze duidelijk verschillen’ van die van de ‘planeetgeesten’ die bisschop Adalbert hadden geholpen. Maar zoals ‘de pij niet de monnik maakt’, zo kan naamsverandering niet voorkomen dat de individuen die deze namen hadden, onveranderd zijn gebleven. Ze worden nog steeds vereerd, en dit is het enige wat ik in mijn artikel wil bewijzen.

1. Vertaling: Aldus gaat de heerlijkheid van de wereld voorbij.

Zal dit worden ontkend? In dat geval moet ik de lezers eraan herinneren dat zelfs nog in 1825 een Spaanse edelman, gesteund door de aartsbisschop van Palermo, Leo XII verzocht om zowel de dienst als de namen in ere te herstellen. De paus verleende toestemming voor de kerkdienst, maar weigerde het gebruik van de oude namen.1

1. Dit wordt geciteerd uit de boeken van markies De Mirville, Des esprits, deel 2, blz. 358. Omdat er nooit een fanatiekere papist en ultramontaan is geweest, kan aan zijn getuigenis nauwelijks worden getwijfeld. Hij lijkt deze afgoderij te verheerlijken en roept luidkeels om de openbare en universele herinvoering ervan.

‘Deze dienst, vervolmaakt en uitgebreid in opdracht van Paulus IV, waarvan het verslag tot op de dag van vandaag bestaat in het Vaticaan en de Minerva, bleef gedurende het hele pontificaat van Leo X bestaan.’ De jezuïeten verheugden zich het meest over het herleven van de oude eredienst, gezien de uitzonderlijke steun die deze hen gaf, want deze verzekerde het succes van hun bekeringsinspanningen in de Filippijnen. Paus Pius V stond Spanje toe dezelfde ‘goddelijke dienst’ te houden, en zegt in zijn bul dat ‘men deze zeven rectoren van de wereld, weergegeven door de zeven planeten, nooit genoeg kan prijzen, en dat . . . het troostrijk is en voor deze eeuw veel goeds belooft dat de verering van deze zeven vurige lichten, en deze zeven sterren, door de genade van God in de christelijke republiek al haar glans herwint.’1

1. De Mirville, Op.cit., blz. 357-8.

Dezelfde ‘heilige paus stond bovendien de nonnen van Matritensis toe het feest te vieren van Jehudiël, de beschermheilige van hun klooster’.1 Of er nu een andere minder heidense naam voor in de plaats is gekomen, weten we niet, en dat doet er ook niet toe.

1. Op.cit., blz. 358.

In 1832 werd in een petitie hetzelfde verzoek om de verering van de ‘zeven geesten van God’ te verbreiden, herhaald, ditmaal gesteund door zevenentachtig bisschoppen en duizenden ambtenaren met imposante titels in de rooms-katholieke kerk. En in 1858 herhaalden ook kardinaal Patrizi en koning Ferdinand II in de naam van alle Italianen dit verzoek; en in 1862 klinkt opnieuw dit verzoek. Zo zijn in de kerk de diensten ter ere van de zeven ‘geest-sterren’ sinds 1825 nooit afgeschaft. Tot op heden bloeien ze volop in Palermo, in Spanje, en zelfs in Rome in de ‘Basiliek van Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen en van de Martelaren’ en de ‘Gesù’ – hoewel ze elders volledig worden onderdrukt; dit alles ‘op grond van Adalberts ketterij’, zoals De Mirville en de andere aanhangers van ster-engel-verering graag vermelden. In werkelijkheid is er geen andere reden dan de reeds genoemde. Zelfs de zeven plaatsvervangers, vooral de laatste vier, zijn te openlijk verbonden met zwarte magie en astrologie.

Schrijvers zoals De Mirville zijn wanhopig. Ze durven niet de kerk de schuld te geven en koelen daarom hun woede op de oude alchemisten en rozenkruisers. Ze dringen er niettemin op aan om de openbare verering ervan opnieuw in te stellen; en de indrukwekkende vereniging die sinds 1862 is opgericht in Italië, Beieren, Spanje en elders voor de herinvoering van de dienst van de zeven geesten in zijn volledigheid en in heel katholiek Europa, geeft hoop dat over een paar jaar de zeven rishi’s van India, die nu gelukkig verblijven in het sterrenbeeld de Grote Beer, door de genade en de wil van een onfeilbare paus van Rome de wettige en vereerde goddelijke beschermheren van het christendom zullen worden.

En waarom niet, want (St.) Joris is tot op de dag van vandaag ‘de beschermheilige van niet alleen het Heilige Rusland, het protestantse Duitsland, het sprookjesachtige Venetië, maar ook van het goede, oude Engeland; en de Engelse soldaten zullen’, volgens W.M. Braithwaite1, ‘zijn eer met het bloed van hun hart hooghouden’. En onze ‘zeven goden’ kunnen toch niet erger zijn dan de gemene Joris van Cappadocië tijdens zijn leven was!

1. W.M. Braithwaite, ‘St. George for Merry England’, Masonic Monthly, nr. 2.

Vandaar dat de christelijke verdedigers van de zeven ster-engelen, met de moed van ware gelovigen, niets ontkennen; in ieder geval bewaarden ze het stilzwijgen telkens wanneer ze ervan beschuldigd werden goddelijke eer aan Chaldeeuwse en andere goden te bewijzen. Ze geven zelfs toe dat deze identiek zijn en erkennen trots dat ze sterren vereren. De beschuldiging is hun gestorven leider, markies De Mirville, door de Franse academici vele keren voor de voeten geworpen, en dit is wat hij hen antwoordt:

We worden ervan beschuldigd dat we sterren aanzien voor engelen. De beschuldiging wint zoveel aan invloed dat we gedwongen zijn serieus erop te reageren. We kunnen deze beschuldiging onmogelijk ontkennen zonder in openhartigheid en moed tekort te schieten, want deze zogenaamde fout wordt zowel in de Schrift als in onze theologie onophoudelijk herhaald. We zullen deze opvatting onderzoeken . . . die vroeger werd goedgekeurd, maar nu in diskrediet is gebracht, en die terecht aan onze ZEVEN BELANGRIJKSTE GEESTEN de heerschappij toeschrijft, niet over de zeven bekende planeten, hetgeen ons wordt verweten, maar over de zeven BELANGRIJKSTE planeten1 – en dat is iets heel anders.2

1. Deze ‘belangrijkste planeten’ zijn de mysterieplaneten van de heidense ingewijden, maar zijn door dogma en priesterschap belachelijk gemaakt.
2. De Mirville, Op.cit., deel 2, blz. 359-60vn.

En de schrijver haast zich om het gezag van Babinet, de astronoom, te citeren, die in een knap artikel in de Revue des deux mondes (mei 1855) probeerde te bewijzen dat er in feite naast de aarde slechts ZEVEN grote planeten zijn.

De ‘zeven belangrijkste planeten’ is een andere erkenning van het aanvaarden van een zuiver occulte lering. Elke planeet is volgens de esoterische leer samengesteld uit zeven beginselen, net als de mens. Dat wil zeggen dat de zichtbare planeet het fysieke lichaam is van het siderische wezen, waarvan de atman of geest, de engel is, of rishi, of dhyani-chohan, of deva, of hoe we hem ook noemen. Deze opvatting is, zoals de occultisten zullen begrijpen (lees in Esoteric Buddhism over de samenstelling van de planeten) volledig occult. Ze is eenvoudig een stelling van de geheime leer, maar dan zonder het element van verafgoding. Zoals ze in de kerk en haar rituelen wordt onderwezen, en vooral in praktijk gebracht, is ze echter pure astrolatrie.

Het is hier niet nodig om het verschil te laten zien tussen de leer, of de theorie, en de praktijk in de heilige rooms-katholieke kerk. De woorden ‘jezuïet’ en ‘jezuïtisme’ zeggen genoeg. De geest van de waarheid heeft de rooms-katholieke kerk eeuwen geleden verlaten, als deze zich al ooit in de buurt daarvan heeft opgehouden. Hierop zal de protestantse kerk, die zo vol is van een broederlijke geest en liefde voor haar zusterkerk, zeggen: Amen. De protestant van wie het hart even vol is van liefde voor Jezus als van afkeer van rituelen en hun moeder, het pausdom, zal grinniken.

De Times van 7 november 1866 heeft als hoofdartikel ‘Een vreselijke beschuldiging’, gericht aan de protestanten; daarin staat:

Onder invloed van de Anglicaanse bisschoppen zijn alle studies die verband houden met theologie weggekwijnd, zodat Engelse bijbelcritici het voorwerp zijn geworden van de minachting van buitenlandse geleerden. Telkens wanneer we het werk van een theoloog opslaan die waarschijnlijk een deken of een bisschop zal worden, zien we niet een ernstige onderzoeker die de resultaten presenteert van eerlijk onderzoek, maar slechts een verdediger die duidelijk zijn werk begonnen is met het vaste besluit om te bewijzen dat zwart wit is ten gunste van zijn eigen orthodoxe stelsel.

Al erkennen de protestanten de ‘zeven engelen’ niet, en, terwijl ze hen goddelijke verering weigeren, voelen ze geen schaamte of angst voor hun namen, zoals de rooms-katholieken, ze maken zich wel schuldig aan een ander soort ‘jezuïtisme’ dat even erg is. Terwijl ze namelijk beweren te geloven dat de Schrift een directe openbaring van God is, waarvan geen zin mag worden veranderd op straffe van eeuwige verdoemenis, beven ze, en schrikken ze terug, voor de ontdekkingen van de wetenschap, en proberen ze hun grote vijand te vriend te houden. Geologie, antropologie, etnologie en astronomie, zijn voor hen wat Uriël, Sealtiël, Jehudiël en Barachiël zijn voor de rooms-katholieke kerk. Het komt op hetzelfde neer. En omdat geen van beide religies zal nalaten om magie, occultisme, en zelfs de theosofie te vervloeken, zwart te maken en te vervolgen, is het alleen maar juist en rechtvaardig dat de studenten van de heilige oude wetenschap op hun beurt de bal terugkaatsen, en beide zonder angst de waarheid blijven vertellen.

MAGNA EST VERITAS ET PREVALEBIT.1

1. Vertaling: De waarheid is groot en zal zegevieren.

HPB


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 3: 1887 – 1889, blz. 398-415
isbn 9789491433191, paperback, eerste druk 2017, bestel boek

© 2017 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag