Slaap en dood zijn broeders
. . . als we het bestaan van een hoger of blijvend
ego in ons aannemen – een ego dat we niet moeten verwarren
met wat we het ‘hogere zelf’ noemen – kunnen we
begrijpen dat wat we vaak als dromen beschouwen, die gewoonlijk als
ijdele verbeelding worden gezien, in werkelijkheid losse bladen zijn
die uit het leven en de ervaringen van de innerlijke mens
zijn gescheurd, en dat de vage herinnering daaraan op het moment van
ontwaken min of meer wordt misvormd door ons fysieke geheugen. Dit
laatste ontvangt mechanisch enkele indrukken van gedachten, van feiten
waarvan we getuige waren, en van daden die door de innerlijke
mens tijdens zijn uren van volledige vrijheid zijn verricht. Want
ons ego leeft zijn eigen afzonderlijke leven binnen zijn
gevangenis van klei telkens wanneer het vrijkomt van de kluisters
van de stof, d.w.z. tijdens de slaap van de fysieke mens. Dit ego
is de acteur, de werkelijke mens, het ware menselijke zelf. Maar de
fysieke mens kan tijdens het dromen niet voelen of bewust zijn, want
de persoonlijkheid, de uiterlijke mens, met zijn brein en denkapparaat,
zijn min of meer volledig verlamd.
–
Blavatsky, Een Toelichting op De Geheime Leer, blz. 56
Volgens een oude Griekse zegswijze zijn slaap en
dood broeders. Ze zijn echter niet alleen broeders, voortgekomen uit
hetzelfde weefsel van menselijk bewustzijn, maar ze zijn werkelijk één,
identiek. De dood is een volmaakte slaap, met tussentijdse perioden
van betrekkelijk ontwaken, zoals in devachan, en een volledig menselijk
ontwaken in de daaropvolgende reïncarnatie. De slaap is een onvolmaakte
dood, een voorproef die de natuur ons geeft van de toekomstige dood.
’s Nachts slapen we en daarom sterven we iedere nacht gedeeltelijk.
Men kan inderdaad nog verder gaan en zeggen dat slaap en dood en alle
verschillende processen en inzichten bij inwijdingen slechts verschillende
fasen of werkingen zijn van het bewustzijn, verschillende vormen van
hetzelfde fundamentele iets. De slaap is grotendeels een automatische
werking van het menselijk bewustzijn; de dood is dat ook, maar in een
veel en veel hogere mate, en is een noodzakelijke gewoonte van het bewustzijn,
die ervoor zorgt dat het psychische deel van de constitutie rust krijgt
en tijd voor het verwerken van de ervaringen.
Inwijding is een soort tijdelijke ‘dood’
van de gehele lagere mens, een ‘slaap’ van de lagere psychische
natuur, en een magische intense bewustwording van het hogere psychische
deel, waar het innerlijke licht van het monadische bewustzijn van de
mens dan op straalt. Zo omvat inwijding zowel de slaap als de dood en
gebruikt ze deze functies van het bewustzijn om de ‘innerlijke
mens’ vrij te maken voor de schitterende ervaring op innerlijke
gebieden die inwijding met zich meebrengt.
Iedereen die ooit aan een sterfbed heeft gestaan,
moet sterk onder de indruk zijn gekomen van de buitengewone overeenkomst
tussen het intreden van de dood en het in slaap vallen. Het enige verschil
tussen de dood en de slaap is er een van graad. Net als bij de dood
wordt het bewustzijn tijdens de slaap, na een korte periode van volledige
onbewustheid, de zetel of het actieve brandpunt van vormen van innerlijke
mentale werkzaamheid die we dromen noemen.
In de slaap manifesteert het psychische of persoonlijke
deel van de mens zich niet door middel van de fysieke hersenen; juist
deze afwezigheid van de tussennatuur, deze tijdelijke scheiding, is
de werkelijke oorzaak van de slaap. Het lichaam slaapt omdat de persoonlijke
mens niet langer aanwezig is. Als we ’s nachts gaan slapen, komen
we ongemerkt in een toestand van volledige onbewustheid, alleen omdat
we overdag nog niet hebben geleerd zelfbewust te worden in onze hogere
delen.
In de regel wordt het fysieke lichaam tijdens de
slaap beschermd door een akasische sluier – een verdichting van
de substantie van het aurische ei, die op natuurlijke wijze uitgaat
van het lichaam als het in de rusttoestand komt – waardoor letsel
gewoonlijk wordt voorkomen. Een goed voorbeeld hiervan is het geval
van slaapwandelaars. Er zijn nog andere krachten die daartoe bijdragen,
en een daarvan blijkt uit het interessante feit dat de meeste wezens
een lichaam in rust niet aanraken met de bedoeling het letsel toe te
brengen. En zelfs de ‘levenloze’ natuur is zo gebouwd dat
ze op overeenkomstige wijze met vrede en rust schijnt te reageren. Hierbij
spelen nog andere factoren een rol, maar de voornaamste is de sluier
of muur van akasa die het slapende lichaam omgeeft, waarvan de doeltreffendheid
echter afhangt van de zuiverheid van het leven.
Als een mens slaapt is zelfs in de fysieke hersenen
de vitale draad van leven en bewustzijn nog in trilling en brengt dromen
voort, waarvan sommige hem aangenaam zijn, terwijl andere hem kwellen
en in verwarring brengen. De stralende draad is nog niet gebroken, zodat
het ego, dat het lagere verstand en het lichaam heeft achtergelaten
en zich in de ruimten verheft, kan terugkeren langs deze lichtende draad
die de monade verbindt met de astraal-vitale hersenen van het slapende
lichaam. Wanneer een mens sterft, is dat precies als in een zeer diepe
slaap vallen: totale, heerlijke onbewustheid, behalve dat de levensdraad
wordt verbroken en dan, alsof er een zachte gouden toon klinkt, is de
ziel ogenblikkelijk vrij.
Wat er met een mens gebeurt tijdens de slaap is
een voorbode van wat er met hem zal gebeuren bij de dood. Het persoonlijke
ego komt in een toestand van vergetelheid en zijn bewustzijn wordt teruggetrokken
in het spirituele deel, waar het rust en tijdelijk vrede heeft. Tijdens
de slaap begeven bepaalde delen van de innerlijke constitutie van de
mens zich in de ruimten van het zonnestelsel. Deze reis is natuurlijk
heel kort; soms als een bliksemflits, zoals wanneer men slechts enkele
ogenblikken heeft geslapen. Maar voor het zuivere bewustzijn bestaat
de tijd niet; tijd houdt verband met het stoffelijke bestaan. Sommige
mensen gaan wanneer ze slapen naar de maan, sommigen naar hun ouder-planeet,
anderen naar de zon. En een ander deel van de constitutie flitst heen
en terug naar zijn ouder-ster. Bepaalde andere mensen bezoeken de elementalenwereld
en gaan bijvoorbeeld naar het middelpunt van onze eigen bol.
Tijdens de slaap en na de dood gaat ieder mens naar
die plaatsen die hij zelf heeft verdiend door zijn gedachten en aspiraties,
of door het ontbreken daarvan; met andere woorden, het is allemaal een
kwestie van synchrone vibratie – een mens gaat naar zijn natuurlijke
thuis, hetzij laag of hoog. De oorzaak van die omzwervingen ligt in
essentie in de psychomagnetische aantrekking tot de verschillende plaatsen
in de zonnestelsels, die ‘stations’ zijn langs de wegen
van de circulaties in de kosmos; en omdat het bewustzijn in de loop
van vele eeuwen aan deze wegen is gewend geraakt, volgt elk van de verschillende
delen van de menselijke constitutie in deze circulaties zijn eigen weg.
De dromen tijdens de slaap en die van de toestand
na de dood komen niet alleen sterk overeen, maar zijn identiek –
zowel wat het proces als de feiten betreft. Dromen hangen van twee hoofdfactoren
af: (a) het mechanisme van het psychische bewustzijn, en (b) de twee
soorten krachten die op dit mechanisme inwerken en die de richting bepalen
en de werkingen leiden van het psychische bewustzijn van de dromer.
Van deze twee soorten krachten bestaat de eerste uit de invloeden van
de zon, de maan en de planeten waaronder een mens wordt geboren; en
de tweede bestaat uit de automatische reactie op de gebeurtenissen en
ervaringen die in de waaktoestand hebben plaatsgevonden.
De astrologische invloeden waaronder een mens wordt
geboren bestaan uit de gezamenlijke werking van alle krachten van zon,
maan en planeten in het zonnestelsel; maar in elk afzonderlijk geval
overheersen bepaalde krachten door hun svabhava – en deze svabhava
vloeit samen met de svabhava van de mens zelf omdat ze dezelfde oorsprong
hebben; en omdat deze oorsprong of krachten identiek zijn, werken deze
invloeden het sterkst op hem in. Al hebben alle mensen min of meer gelijke
dromen, toch heeft iedereen dromen van een eigen karakteristieke en
unieke aard.
Anders gezegd, ieder mens is meer in het bijzonder
het voortbrengsel, of staat onder invloed van een van de twaalf logoïsche
krachten van het zonnestelsel. Omdat elke zonnelogos zijn eigen speciale
brandpunt van actie in een van de twaalf heilige planeten heeft, kunnen
we begrijpen dat zowel de planetaire als de solaire invloeden een rol
spelen in het psychische bewustzijn van de slapende mens. Omdat alle
mensen in hun aurische ei een ‘maanlichaam’, d.w.z. een
‘maan-laag’ hebben, beïnvloedt ook de maan het bewustzijn
van de slaper; in feite zijn in de meeste gevallen de maaninvloeden
verreweg het sterkst op de slapende mens.
Toen haar werd gevraagd wat dromen zijn, antwoordde
HPB dat het afhing van de betekenis die men aan die term geeft:
Men kan ‘dromen’ of, zoals wij zeggen,
slaap-visioenen hebben, als men waakt of slaapt. Als het astrale licht
door de kracht van de wil in een schaal of een metalen vat wordt verzameld
en de ogen op een bepaald punt daarin worden gericht met de sterke
wil om te zien, dan heeft dit een visioen of ‘droom’ tot
gevolg, als de persoon enigszins sensitief is. De weerspiegelingen
in het astrale licht ziet men beter met gesloten ogen, en nog duidelijker
in de slaap. Van lichtend wordt het visioen doorzichtig; van normaal
organisch bewustzijn stijgt het op tot een transcendente toestand
van bewustzijn. . . .
Zoals we allemaal weten zijn er veel soorten dromen.
Als we de ‘spijsverteringsdroom’ buiten beschouwing laten,
zijn er hersendromen en geheugendromen, mechanische en bewuste visioenen.
Voor waarschuwende of voorspellende dromen is de daadwerkelijke medewerking
van het innerlijke ego nodig. Ze zijn ook vaak het gevolg van de bewuste
of onbewuste samenwerking van de denkvermogens van twee levende mensen,
of van hun twee ego’s. . . .
[Dat wat droomt is] gewoonlijk het fysieke brein
van het persoonlijke ego, de zetel van het geheugen, dat vonken afgeeft
en verspreidt zoals de nagloeiende sintels van een vuur. Het geheugen
van de slaper is als een zevensnarige eolusharp; zijn geestestoestand
kan worden vergeleken met de wind die over de snaren strijkt.
– Een Toelichting
op De Geheime Leer, blz. 65-6.
De aard van de dromen van een mens wordt bijna geheel
– maar beslist niet helemaal – bepaald door zijn waakleven.
Een klein kind bijvoorbeeld heeft geen echte dromen van welke aard ook;
zijn ervaringen zijn nog te onbeduidend. Zijn denkvermogen en zelfs
zijn hersenen zijn nog niet gereed of volledig gevormd; niettemin zal
het af en toe angstdromen hebben, maar die worden gewoonlijk veroorzaakt
door automatische, psychische reacties in het slapende brein van het
kind op een of andere verstoring die het heeft ondervonden toen het
wakker was.
De meesten van ons hebben dromen die noch erg prettig
noch erg angstwekkend zijn, ze zijn vaak gemengd – onsamenhangend
en verward. De reden is duidelijk, want onze dromen zijn niet anders
dan weerspiegelingen van de uren dat we niet slapen. Soms houdt ons
denken zich bezig met spirituele zaken en met schoonheid en harmonie,
en op andere momenten geeft het zich over aan gedachten van een totaal
tegengestelde aard, die ’s nachts (of na de dood in kamaloka)
in onze dromen tot ons terugkeren.
Alle dromen worden door gedachten veroorzaakt.
Een slecht mens, iemand die zo zelfzuchtig is en die in zijn verbeeldingskracht
en gevoelens zo beperkt en geremd is dat zelden of nooit een vriendelijke
impuls zijn bewustzijn binnenkomt, ondervindt zonder twijfel de reactie:
als hij droomt, wat vaak het geval is, is hij in een emotionele en mentale
hel. Zijn gedachten spoken door zijn brein als wraakgierige geesten
en kwellen zijn dromende bewustzijn. De mens daarentegen die een sterk
verlangen heeft zijn medemensen te helpen, die onpersoonlijk is en verheven
gedachten denkt, heeft zeer zelden een boze droom; als hij al droomt,
heeft hij dromen die de goden hem zouden benijden.
Het bovenstaande geldt niet alleen voor de dromen
van de devachani maar ook voor die van het kamarupa in kamaloka. De
oorzaak is dezelfde: de mentale neerslag of gedachte-impulsen die tijdens
het leven van een mens worden gevormd en zijn mentale structuur zo beïnvloeden
dat ze automatisch op zijn bewustzijn beginnen in te werken. Gedachten
en gevoelens vormen in de loop van de eeuwen niet alleen het karakter,
maar brengen ook geluk en vrede of de nachtmerries van kamaloka.
Dromen van welke aard ook zijn de aardse kant van
het karakter van een mens die in de vorm van beelden weer in het denken
tevoorschijn komt, en dus zijn het ‘gevolgen’ en geen ‘oorzaken’;
daarom wordt devachan de sfeer van gevolgen genoemd en ons aardse bestaan,
waarin de oorzakelijke levensimpulsen hun oorsprong vinden, de sfeer
van oorzaken.* Dat wil niet zeggen dat het aardse leven het enige
gebied van oorzaken is; die uitspraak heeft alleen betrekking op geïncarneerde
mensen, en op de gevolgen die na de dood door hun gedachten, gevoelens
en daden tijdens de belichaming, worden voortgebracht. Noch in devachan
noch wanneer een mens ’s nachts droomt, worden door hem bepaalde
nieuwe gedragslijnen uitgedacht, al is het zo nu en dan wel zo dat de
dromen van een mens, door een reactie op het denken, bewust of onbewust
enige invloed kunnen uitoefenen op de gedachten van de wakende mens.
*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 53-4.
Er schuilt echter een zeker gevaar in als we een
te groot belang hechten aan dromen en hun interpretaties. Dromen zijn
zo nu en dan profetisch, maar voor een groot deel ‘komen
ze uit’ omdat ze de voorboden zijn van de automatische werking
van het bewustzijn, d.w.z. van wat het bewustzijn zelf, als gevolg van
zijn vooroordelen en neigingen, in de toekomst zal teweegbrengen. Daarom
zou men op goede gronden kunnen beweren dat als iemand die quasi-alwetend
is een dromend mens gadeslaat, in alle dromen van die mens zou kunnen
zien wat zijn toekomst wordt. Maar het is duidelijk dat er maar heel
weinig van zulke volmaakte voorspellers of droomuitleggers bestaan!
Echte profetische dromen komen in devachan niet
voor, maar kunnen wel optreden tijdens de slaap, omdat ze voortkomen
uit de opgeslagen kennis van het reïncarnerende ego dat op het
slapende brein een ‘straal’ van een profetisch beeld van
de toekomst probeert te projecteren. Dat gebeurt bij heel zeldzame gelegenheden,
en men moet zulke dromen heel wantrouwend onderzoeken en zich er niet
automatisch door laten leiden. In het algemeen is het veel beter dromen
te negeren, want maar heel weinig mensen zijn innerlijk voldoende ontwaakt
om te weten of een droom een profetisch karakter draagt of slechts een
normale psychische reactie is van het gewoonlijk grillige en verwarde
hersenverstand.*
*Veel dromen kunnen, hoewel ze niet echt profetisch zijn,
niettemin aan degene die zijn eigen mentale en levensprocessen bestudeert,
tenminste iets en mogelijk veel over zijn karakter vertellen. Heel vaak
reageren het lichaam, of de emoties en gevoelens, op het slapende brein
en brengen daarin beelden voort, en degene die door zorgvuldig zelfonderzoek
weet hoe hij deze dromen zonder ziekelijke overdrijving moet uitleggen,
kan nuttige waarschuwingen ontvangen of eraan worden herinnerd dat zijn
leven en gevoelens niet precies zijn wat ze zouden moeten zijn.
Maar zoals gezegd, het is veel verstandiger dromen –
van welke soort ook – te vergeten, tenzij ze zó levendig
van aard zijn en zo’n indruk op ons maken als we wakker zijn,
dat we intuïtief voelen dat we die dromen beter in gedachten kunnen
houden.
Als een mens zijn bewustzijn overdag kan –
en wil – bestuderen en ook de reacties van zijn opmerkzame geest
op de verschillende invloeden van de dagelijkse gebeurtenissen, dan
bezit hij een belangrijke sleutel waardoor hij precies weet wat er met
hem, als bewustzijnscentrum, zal gebeuren zowel tijdens de slaap als
na de dood. Als hij wil weten hoe hij zich zal voelen of wat hij zal
waarnemen op het moment van het sterven, laat hij dan zijn bewustzijn
met zijn wil vastgrijpen en het feitelijke proces van inslapen bestuderen
– als hij dat kan! Geen mens weet op precies dat moment echter
dat hij in slaap valt. Een tijdlang is het hem duidelijk dat hij denkt
en hoe meer hij denkt, des te verder staat de slaap van hem af –
en dan is hij weg, hij slaapt! Op het kritieke moment treedt onmiddellijke
onbewustheid in, al dan niet gevolgd door dromen.
De dood is identiek met dit proces van in slaap
vallen. Het doet er helemaal niet toe hoe we sterven: door ouderdom,
door ziekte, of door geweld. Het moment van de dood brengt altijd gedurende
zekere tijd de onuitsprekelijke vrede van volmaakte onbewustheid met
zich mee, die is als een begin, een voorproefje als het ware, van de
devachanische gelukzaligheid, precies zoals een nauwlettende waarnemer
ervaart als hij in slaap valt.
Tenslotte wil ik nogmaals de aandacht vestigen op
het feit dat de geest automatisch exact blijft functioneren overeenkomstig
de gedachtelijnen die men vóór de slaap of vóór
de dood volgde. Vandaar dat het bijzonder belangrijk is dat onze gedachten
op orde en vredig zijn voor men gaat slapen – of voor men sterft;
en de toegang te weigeren aan elke gedachte van afkeer, haat of boosheid.
Zoals de grote Pythagoras leerde in de verzen die door
zijn leerling Lysis aan hem worden toegeschreven, en die deel uitmaken
van de zogeheten Gulden Verzen van Pythagoras:26
Gun uw zwaar wordende ogen geen slaap,
Aleer u elke daad van deze dag bent nagegaan.
Waarin was ik nalatig? Wat heb ik gedaan? Welke plicht werd niet vervuld?
Bron
van het Occultisme, blz. 677-84
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag