Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Slaap en dood zijn broeders


. . . als we het bestaan van een hoger of blijvend ego in ons aannemen – een ego dat we niet moeten verwarren met wat we het ‘hogere zelf’ noemen – kunnen we begrijpen dat wat we vaak als dromen beschouwen, die gewoonlijk als ijdele verbeelding worden gezien, in werkelijkheid losse bladen zijn die uit het leven en de ervaringen van de innerlijke mens zijn gescheurd, en dat de vage herinnering daaraan op het moment van ontwaken min of meer wordt misvormd door ons fysieke geheugen. Dit laatste ontvangt mechanisch enkele indrukken van gedachten, van feiten waarvan we getuige waren, en van daden die door de innerlijke mens tijdens zijn uren van volledige vrijheid zijn verricht. Want ons ego leeft zijn eigen afzonderlijke leven binnen zijn gevangenis van klei telkens wanneer het vrijkomt van de kluisters van de stof, d.w.z. tijdens de slaap van de fysieke mens. Dit ego is de acteur, de werkelijke mens, het ware menselijke zelf. Maar de fysieke mens kan tijdens het dromen niet voelen of bewust zijn, want de persoonlijkheid, de uiterlijke mens, met zijn brein en denkapparaat, zijn min of meer volledig verlamd.

     – Blavatsky, Een Toelichting op De Geheime Leer, blz. 56

Volgens een oude Griekse zegswijze zijn slaap en dood broeders. Ze zijn echter niet alleen broeders, voortgekomen uit hetzelfde weefsel van menselijk bewustzijn, maar ze zijn werkelijk één, identiek. De dood is een volmaakte slaap, met tussentijdse perioden van betrekkelijk ontwaken, zoals in devachan, en een volledig menselijk ontwaken in de daaropvolgende reïncarnatie. De slaap is een onvolmaakte dood, een voorproef die de natuur ons geeft van de toekomstige dood. ’s Nachts slapen we en daarom sterven we iedere nacht gedeeltelijk. Men kan inderdaad nog verder gaan en zeggen dat slaap en dood en alle verschillende processen en inzichten bij inwijdingen slechts verschillende fasen of werkingen zijn van het bewustzijn, verschillende vormen van hetzelfde fundamentele iets. De slaap is grotendeels een automatische werking van het menselijk bewustzijn; de dood is dat ook, maar in een veel en veel hogere mate, en is een noodzakelijke gewoonte van het bewustzijn, die ervoor zorgt dat het psychische deel van de constitutie rust krijgt en tijd voor het verwerken van de ervaringen.

Inwijding is een soort tijdelijke ‘dood’ van de gehele lagere mens, een ‘slaap’ van de lagere psychische natuur, en een magische intense bewustwording van het hogere psychische deel, waar het innerlijke licht van het monadische bewustzijn van de mens dan op straalt. Zo omvat inwijding zowel de slaap als de dood en gebruikt ze deze functies van het bewustzijn om de ‘innerlijke mens’ vrij te maken voor de schitterende ervaring op innerlijke gebieden die inwijding met zich meebrengt.

Iedereen die ooit aan een sterfbed heeft gestaan, moet sterk onder de indruk zijn gekomen van de buitengewone overeenkomst tussen het intreden van de dood en het in slaap vallen. Het enige verschil tussen de dood en de slaap is er een van graad. Net als bij de dood wordt het bewustzijn tijdens de slaap, na een korte periode van volledige onbewustheid, de zetel of het actieve brandpunt van vormen van innerlijke mentale werkzaamheid die we dromen noemen.

In de slaap manifesteert het psychische of persoonlijke deel van de mens zich niet door middel van de fysieke hersenen; juist deze afwezigheid van de tussennatuur, deze tijdelijke scheiding, is de werkelijke oorzaak van de slaap. Het lichaam slaapt omdat de persoonlijke mens niet langer aanwezig is. Als we ’s nachts gaan slapen, komen we ongemerkt in een toestand van volledige onbewustheid, alleen omdat we overdag nog niet hebben geleerd zelfbewust te worden in onze hogere delen.

In de regel wordt het fysieke lichaam tijdens de slaap beschermd door een akasische sluier – een verdichting van de substantie van het aurische ei, die op natuurlijke wijze uitgaat van het lichaam als het in de rusttoestand komt – waardoor letsel gewoonlijk wordt voorkomen. Een goed voorbeeld hiervan is het geval van slaapwandelaars. Er zijn nog andere krachten die daartoe bijdragen, en een daarvan blijkt uit het interessante feit dat de meeste wezens een lichaam in rust niet aanraken met de bedoeling het letsel toe te brengen. En zelfs de ‘levenloze’ natuur is zo gebouwd dat ze op overeenkomstige wijze met vrede en rust schijnt te reageren. Hierbij spelen nog andere factoren een rol, maar de voornaamste is de sluier of muur van akasa die het slapende lichaam omgeeft, waarvan de doeltreffendheid echter afhangt van de zuiverheid van het leven.

Als een mens slaapt is zelfs in de fysieke hersenen de vitale draad van leven en bewustzijn nog in trilling en brengt dromen voort, waarvan sommige hem aangenaam zijn, terwijl andere hem kwellen en in verwarring brengen. De stralende draad is nog niet gebroken, zodat het ego, dat het lagere verstand en het lichaam heeft achtergelaten en zich in de ruimten verheft, kan terugkeren langs deze lichtende draad die de monade verbindt met de astraal-vitale hersenen van het slapende lichaam. Wanneer een mens sterft, is dat precies als in een zeer diepe slaap vallen: totale, heerlijke onbewustheid, behalve dat de levensdraad wordt verbroken en dan, alsof er een zachte gouden toon klinkt, is de ziel ogenblikkelijk vrij.

Wat er met een mens gebeurt tijdens de slaap is een voorbode van wat er met hem zal gebeuren bij de dood. Het persoonlijke ego komt in een toestand van vergetelheid en zijn bewustzijn wordt teruggetrokken in het spirituele deel, waar het rust en tijdelijk vrede heeft. Tijdens de slaap begeven bepaalde delen van de innerlijke constitutie van de mens zich in de ruimten van het zonnestelsel. Deze reis is natuurlijk heel kort; soms als een bliksemflits, zoals wanneer men slechts enkele ogenblikken heeft geslapen. Maar voor het zuivere bewustzijn bestaat de tijd niet; tijd houdt verband met het stoffelijke bestaan. Sommige mensen gaan wanneer ze slapen naar de maan, sommigen naar hun ouder-planeet, anderen naar de zon. En een ander deel van de constitutie flitst heen en terug naar zijn ouder-ster. Bepaalde andere mensen bezoeken de elementalenwereld en gaan bijvoorbeeld naar het middelpunt van onze eigen bol.

Tijdens de slaap en na de dood gaat ieder mens naar die plaatsen die hij zelf heeft verdiend door zijn gedachten en aspiraties, of door het ontbreken daarvan; met andere woorden, het is allemaal een kwestie van synchrone vibratie – een mens gaat naar zijn natuurlijke thuis, hetzij laag of hoog. De oorzaak van die omzwervingen ligt in essentie in de psychomagnetische aantrekking tot de verschillende plaatsen in de zonnestelsels, die ‘stations’ zijn langs de wegen van de circulaties in de kosmos; en omdat het bewustzijn in de loop van vele eeuwen aan deze wegen is gewend geraakt, volgt elk van de verschillende delen van de menselijke constitutie in deze circulaties zijn eigen weg.

De dromen tijdens de slaap en die van de toestand na de dood komen niet alleen sterk overeen, maar zijn identiek – zowel wat het proces als de feiten betreft. Dromen hangen van twee hoofdfactoren af: (a) het mechanisme van het psychische bewustzijn, en (b) de twee soorten krachten die op dit mechanisme inwerken en die de richting bepalen en de werkingen leiden van het psychische bewustzijn van de dromer. Van deze twee soorten krachten bestaat de eerste uit de invloeden van de zon, de maan en de planeten waaronder een mens wordt geboren; en de tweede bestaat uit de automatische reactie op de gebeurtenissen en ervaringen die in de waaktoestand hebben plaatsgevonden.

De astrologische invloeden waaronder een mens wordt geboren bestaan uit de gezamenlijke werking van alle krachten van zon, maan en planeten in het zonnestelsel; maar in elk afzonderlijk geval overheersen bepaalde krachten door hun svabhava – en deze svabhava vloeit samen met de svabhava van de mens zelf omdat ze dezelfde oorsprong hebben; en omdat deze oorsprong of krachten identiek zijn, werken deze invloeden het sterkst op hem in. Al hebben alle mensen min of meer gelijke dromen, toch heeft iedereen dromen van een eigen karakteristieke en unieke aard.

Anders gezegd, ieder mens is meer in het bijzonder het voortbrengsel, of staat onder invloed van een van de twaalf logoïsche krachten van het zonnestelsel. Omdat elke zonnelogos zijn eigen speciale brandpunt van actie in een van de twaalf heilige planeten heeft, kunnen we begrijpen dat zowel de planetaire als de solaire invloeden een rol spelen in het psychische bewustzijn van de slapende mens. Omdat alle mensen in hun aurische ei een ‘maanlichaam’, d.w.z. een ‘maan-laag’ hebben, beïnvloedt ook de maan het bewustzijn van de slaper; in feite zijn in de meeste gevallen de maaninvloeden verreweg het sterkst op de slapende mens.

Toen haar werd gevraagd wat dromen zijn, antwoordde HPB dat het afhing van de betekenis die men aan die term geeft:

Men kan ‘dromen’ of, zoals wij zeggen, slaap-visioenen hebben, als men waakt of slaapt. Als het astrale licht door de kracht van de wil in een schaal of een metalen vat wordt verzameld en de ogen op een bepaald punt daarin worden gericht met de sterke wil om te zien, dan heeft dit een visioen of ‘droom’ tot gevolg, als de persoon enigszins sensitief is. De weerspiegelingen in het astrale licht ziet men beter met gesloten ogen, en nog duidelijker in de slaap. Van lichtend wordt het visioen doorzichtig; van normaal organisch bewustzijn stijgt het op tot een transcendente toestand van bewustzijn. . . .

Zoals we allemaal weten zijn er veel soorten dromen. Als we de ‘spijsverteringsdroom’ buiten beschouwing laten, zijn er hersendromen en geheugendromen, mechanische en bewuste visioenen. Voor waarschuwende of voorspellende dromen is de daadwerkelijke medewerking van het innerlijke ego nodig. Ze zijn ook vaak het gevolg van de bewuste of onbewuste samenwerking van de denkvermogens van twee levende mensen, of van hun twee ego’s. . . .

[Dat wat droomt is] gewoonlijk het fysieke brein van het persoonlijke ego, de zetel van het geheugen, dat vonken afgeeft en verspreidt zoals de nagloeiende sintels van een vuur. Het geheugen van de slaper is als een zevensnarige eolusharp; zijn geestestoestand kan worden vergeleken met de wind die over de snaren strijkt.

     – Een Toelichting op De Geheime Leer, blz. 65-6.

De aard van de dromen van een mens wordt bijna geheel – maar beslist niet helemaal – bepaald door zijn waakleven. Een klein kind bijvoorbeeld heeft geen echte dromen van welke aard ook; zijn ervaringen zijn nog te onbeduidend. Zijn denkvermogen en zelfs zijn hersenen zijn nog niet gereed of volledig gevormd; niettemin zal het af en toe angstdromen hebben, maar die worden gewoonlijk veroorzaakt door automatische, psychische reacties in het slapende brein van het kind op een of andere verstoring die het heeft ondervonden toen het wakker was.

De meesten van ons hebben dromen die noch erg prettig noch erg angstwekkend zijn, ze zijn vaak gemengd – onsamenhangend en verward. De reden is duidelijk, want onze dromen zijn niet anders dan weerspiegelingen van de uren dat we niet slapen. Soms houdt ons denken zich bezig met spirituele zaken en met schoonheid en harmonie, en op andere momenten geeft het zich over aan gedachten van een totaal tegengestelde aard, die ’s nachts (of na de dood in kamaloka) in onze dromen tot ons terugkeren.

Alle dromen worden door gedachten veroorzaakt. Een slecht mens, iemand die zo zelfzuchtig is en die in zijn verbeeldingskracht en gevoelens zo beperkt en geremd is dat zelden of nooit een vriendelijke impuls zijn bewustzijn binnenkomt, ondervindt zonder twijfel de reactie: als hij droomt, wat vaak het geval is, is hij in een emotionele en mentale hel. Zijn gedachten spoken door zijn brein als wraakgierige geesten en kwellen zijn dromende bewustzijn. De mens daarentegen die een sterk verlangen heeft zijn medemensen te helpen, die onpersoonlijk is en verheven gedachten denkt, heeft zeer zelden een boze droom; als hij al droomt, heeft hij dromen die de goden hem zouden benijden.

Het bovenstaande geldt niet alleen voor de dromen van de devachani maar ook voor die van het kamarupa in kamaloka. De oorzaak is dezelfde: de mentale neerslag of gedachte-impulsen die tijdens het leven van een mens worden gevormd en zijn mentale structuur zo beïnvloeden dat ze automatisch op zijn bewustzijn beginnen in te werken. Gedachten en gevoelens vormen in de loop van de eeuwen niet alleen het karakter, maar brengen ook geluk en vrede of de nachtmerries van kamaloka.

Dromen van welke aard ook zijn de aardse kant van het karakter van een mens die in de vorm van beelden weer in het denken tevoorschijn komt, en dus zijn het ‘gevolgen’ en geen ‘oorzaken’; daarom wordt devachan de sfeer van gevolgen genoemd en ons aardse bestaan, waarin de oorzakelijke levensimpulsen hun oorsprong vinden, de sfeer van oorzaken.* Dat wil niet zeggen dat het aardse leven het enige gebied van oorzaken is; die uitspraak heeft alleen betrekking op geïncarneerde mensen, en op de gevolgen die na de dood door hun gedachten, gevoelens en daden tijdens de belichaming, worden voortgebracht. Noch in devachan noch wanneer een mens ’s nachts droomt, worden door hem bepaalde nieuwe gedragslijnen uitgedacht, al is het zo nu en dan wel zo dat de dromen van een mens, door een reactie op het denken, bewust of onbewust enige invloed kunnen uitoefenen op de gedachten van de wakende mens.

*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 53-4.

Er schuilt echter een zeker gevaar in als we een te groot belang hechten aan dromen en hun interpretaties. Dromen zijn zo nu en dan profetisch, maar voor een groot deel ‘komen ze uit’ omdat ze de voorboden zijn van de automatische werking van het bewustzijn, d.w.z. van wat het bewustzijn zelf, als gevolg van zijn vooroordelen en neigingen, in de toekomst zal teweegbrengen. Daarom zou men op goede gronden kunnen beweren dat als iemand die quasi-alwetend is een dromend mens gadeslaat, in alle dromen van die mens zou kunnen zien wat zijn toekomst wordt. Maar het is duidelijk dat er maar heel weinig van zulke volmaakte voorspellers of droomuitleggers bestaan!

Echte profetische dromen komen in devachan niet voor, maar kunnen wel optreden tijdens de slaap, omdat ze voortkomen uit de opgeslagen kennis van het reïncarnerende ego dat op het slapende brein een ‘straal’ van een profetisch beeld van de toekomst probeert te projecteren. Dat gebeurt bij heel zeldzame gelegenheden, en men moet zulke dromen heel wantrouwend onderzoeken en zich er niet automatisch door laten leiden. In het algemeen is het veel beter dromen te negeren, want maar heel weinig mensen zijn innerlijk voldoende ontwaakt om te weten of een droom een profetisch karakter draagt of slechts een normale psychische reactie is van het gewoonlijk grillige en verwarde hersenverstand.*

*Veel dromen kunnen, hoewel ze niet echt profetisch zijn, niettemin aan degene die zijn eigen mentale en levensprocessen bestudeert, tenminste iets en mogelijk veel over zijn karakter vertellen. Heel vaak reageren het lichaam, of de emoties en gevoelens, op het slapende brein en brengen daarin beelden voort, en degene die door zorgvuldig zelfonderzoek weet hoe hij deze dromen zonder ziekelijke overdrijving moet uitleggen, kan nuttige waarschuwingen ontvangen of eraan worden herinnerd dat zijn leven en gevoelens niet precies zijn wat ze zouden moeten zijn.

Maar zoals gezegd, het is veel verstandiger dromen – van welke soort ook – te vergeten, tenzij ze zó levendig van aard zijn en zo’n indruk op ons maken als we wakker zijn, dat we intuïtief voelen dat we die dromen beter in gedachten kunnen houden.

Als een mens zijn bewustzijn overdag kan – en wil – bestuderen en ook de reacties van zijn opmerkzame geest op de verschillende invloeden van de dagelijkse gebeurtenissen, dan bezit hij een belangrijke sleutel waardoor hij precies weet wat er met hem, als bewustzijnscentrum, zal gebeuren zowel tijdens de slaap als na de dood. Als hij wil weten hoe hij zich zal voelen of wat hij zal waarnemen op het moment van het sterven, laat hij dan zijn bewustzijn met zijn wil vastgrijpen en het feitelijke proces van inslapen bestuderen – als hij dat kan! Geen mens weet op precies dat moment echter dat hij in slaap valt. Een tijdlang is het hem duidelijk dat hij denkt en hoe meer hij denkt, des te verder staat de slaap van hem af – en dan is hij weg, hij slaapt! Op het kritieke moment treedt onmiddellijke onbewustheid in, al dan niet gevolgd door dromen.

De dood is identiek met dit proces van in slaap vallen. Het doet er helemaal niet toe hoe we sterven: door ouderdom, door ziekte, of door geweld. Het moment van de dood brengt altijd gedurende zekere tijd de onuitsprekelijke vrede van volmaakte onbewustheid met zich mee, die is als een begin, een voorproefje als het ware, van de devachanische gelukzaligheid, precies zoals een nauwlettende waarnemer ervaart als hij in slaap valt.

Tenslotte wil ik nogmaals de aandacht vestigen op het feit dat de geest automatisch exact blijft functioneren overeenkomstig de gedachtelijnen die men vóór de slaap of vóór de dood volgde. Vandaar dat het bijzonder belangrijk is dat onze gedachten op orde en vredig zijn voor men gaat slapen – of voor men sterft; en de toegang te weigeren aan elke gedachte van afkeer, haat of boosheid. Zoals de grote Pythagoras leerde in de verzen die door zijn leerling Lysis aan hem worden toegeschreven, en die deel uitmaken van de zogeheten Gulden Verzen van Pythagoras:26

Gun uw zwaar wordende ogen geen slaap,
Aleer u elke daad van deze dag bent nagegaan.
Waarin was ik nalatig? Wat heb ik gedaan? Welke plicht werd niet vervuld?

 


Bron van het occultisme, blz. 677-84

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag