Het proces van wederbelichaming
De ‘zielen’ van de overledenen gaan
na dit aardse lichaam te hebben verlaten door veel andere stadia van
bestaan, zoals ze zich ook in vele andere bevonden voor ze als mannen
en vrouwen hier werden geboren. De volledige waarheid over dit mysterie
is alleen aan de hoogste adepten bekend; maar zelfs de nederigste
neofiet kan zeggen dat ieder van ons richting geeft aan zijn toekomstige
geboorten en elke volgende beter of slechter maakt overeenkomstig
zijn huidige inspanningen en verdiensten.
– HPB in The Theosophist,
februari 1881, blz. 103; CW 3:29
Continuïteit door middel van elkaar opvolgende
bestaansperioden van de zich wederbelichamende monade in verschillende
voertuigen of rupa’s, is de essentie van de leer van wedergeboorte.
Voordat de werkelijke fysieke reïncarnatie
op deze aardbol plaatsvindt, bereiken de psychospirituele krachten die
het ego tijdens zijn postmortale omzwervingen naar de schoot van de
spirituele monade hadden aangetrokken, een punt waarop ze relatief uitgeput
raken; tegelijk beginnen nieuwe aantrekkingskrachten naar de lagere
sferen te werken die het ego tot terugkeer naar de aarde aanzetten.
Als het zich wederbelichamende ego zijn straal ‘omlaag’
zendt, onweerstaanbaar aangetrokken door de weer ontwakende herinneringen
aan een vroegere incarnatie, wordt het geleidelijk psychomagnetisch
aangetrokken naar de gebieden waar het vroeger leefde, en tenslotte
gaat het het meest fysieke deel van de planeetketen aarde binnen –
dat in feite de atomaire wereld van bol D is, waaronder de inter- en
intra-atomaire ‘ethers’. Tijdens zijn geleidelijke afdaling
uit de spirituele gebieden beginnen de lagere delen van zijn aurische
ei in beweging te komen. Tegelijk daarmee begint het bewustzijn van
het ego vanuit de droomtoestand te verzinken in onbewustheid en begint
de periode van voorbereiding voorafgaande aan de wedergeboorte. In deze
tijd vormt het aurische ei, dat aangezet door het ontwakende karma automatisch
en instinctief handelt, in zichzelf geleidelijk de vage omtrekken van
de astrale vorm, en deze laatste zoekt langzaam zijn weg naar het gezin
of de vrouw waartoe de karmische psychomagnetische aantrekking het sterkst
is.
In dit verband zal de volgende passage uit de ES
Instructions 3 (CW 12:609-10&vn), uitgegeven door
HPB, van waarde blijken:
Het lingasarira blijft bij het fysieke lichaam en
valt tegelijk daarmee uiteen. Dan moet een astrale entiteit worden
geschapen, een nieuw lingasarira moet worden gereedgemaakt, om de
drager te worden van alle vroegere tanha’s en van het toekomstige
karma. Hoe gebeurt dit? Ook de schim (van de seancekamer), de ‘heengegane
engel’, vergaat geleidelijk en verdwijnt op zijn beurt* als
een entiteit of volledig beeld van de vroegere persoonlijkheid en
laat in de kamalokische wereld van gevolgen alleen de afdruk achter
van zijn verkeerde daden en zondige gedachten en handelingen, die
in de terminologie van de occultisten bekend zijn als de tanhische
of menselijke elementalen. Wanneer deze elementalen deel gaan uitmaken
van het samenstel van de astrale vorm van het nieuwe lichaam waarin
het ego na zijn vertrek uit de devachanische toestand overeenkomstig
de karmische wet moet binnengaan, bouwen ze de nieuwe astrale entiteit
op die in het aurische omhulsel wordt geboren en waarvan vaak wordt
gezegd: ‘karma wacht met zijn leger skandha’s op de drempel
van devachan’. Want zodra aan de devachanische toestand van
beloning een einde is gekomen, wordt het ego onverbrekelijk verbonden
met (of beter gezegd volgt in het spoor van) de nieuwe astrale vorm.
Beide worden karmisch gedreven naar het gezin of de vrouw uit wie
het kinderlichaam zal worden geboren, dat door karma is gekozen
om het voertuig te worden van het ego dat zojuist uit de devachanische
toestand is ontwaakt. Vervolgens wordt de nieuwe astrale
vorm, die gedeeltelijk bestaat uit de zuivere akasische essentie van
het aurische ei, en gedeeltelijk uit de aardse elementen van strafbare
zonden en verkeerde daden van de vorige persoonlijkheid, in de vrouw
getrokken. Als deze eenmaal daar is, modelleert de natuur rondom de
astrale vorm de foetus van vlees uit de bouwstoffen van het mannelijke
zaad in de vrouwelijke bodem. Op die manier groeit uit de essentie
van een vergaan zaad de vrucht of het eidolon van het dode zaad, waarbij
de fysieke vrucht op haar beurt in zichzelf een nieuwe vrucht en nieuwe
zaden voor toekomstige planten voortbrengt.
*Dit gebeurt in korte of langere tijd, afhankelijk van
de mate waarin de persoonlijkheid (van wie de schim nu het bezinksel
is) spiritueel of stoffelijk was. Als het spirituele overheerste, zal
de larva, of de schim, heel snel uiteenvallen; maar als de
persoonlijkheid heel materialistisch was, kan het kamarupa eeuwen blijven
bestaan en – in sommige, hoewel zeer uitzonderlijke gevallen –
zelfs blijven leven met behulp van enkele van zijn verspreid voorkomende
skandha’s, die na verloop van tijd alle in elementalen worden
omgezet. Zie De Sleutel tot de Theosofie, blz. 143 en verder;
in dat boek konden onmogelijk details worden gegeven, maar daarin wordt
over de skandha’s gesproken als de kiemen van karmische gevolgen.
– HPB
De tanhische elementalen kunnen ook worden omschreven
als een emotionele en mentale gedachteneerslag, zoals Patañjali
deed; na de tweede dood – en voordat het ego devachan binnengaat
– blijft hun afdruk bestaan op de verschillende soorten levensatomen
die op alle lagere gebieden van de menselijke constitutie hadden gefunctioneerd.
Sommige van deze tanhische elementalen of levensatomen trekken rond
en worden tenslotte psychomagnetisch weer aangetrokken tot het reïncarnerende
ego tijdens het proces van opbouw van een nieuwe astrale vorm, voorafgaande
aan de wedergeboorte. Andere behoren tot de monadische substanties van
het aurische ei en blijven daarin dus in een latente toestand, om pas
te ontwaken wanneer de devachani devachan verlaat. Daarna werken deze
slapende tanhische elementalen samen, in combinatie met de andere levensatomen
die hebben rondgezworven, om de nieuwe astrale vorm op te bouwen waarover
HPB spreekt; en vooral deze twee klassen van tanhische levensatomen
of elementalen vormen de skandha’s* van de mens in zijn komende
incarnatie. En deze skandha’s zijn de verschillende groepen van
mentale, emotionele, psychovitale en fysieke kenmerken die, wanneer
ze alle bijeenzijn, de nieuwe persoonlijkheid vormen door middel waarvan
de hogere mens of egoïsche individualiteit werkt. Ze
beginnen zich langzaam te herenigen en krijgen tijdens de wordingsperiode
elk de voor hen geschikte functie en plaats, zetten het proces van hun
‘vormgeving’ voort in de moederschoot en komen na de geboorte
tenslotte volledig tot ontwikkeling, terwijl de entiteit volwassen wordt.27
*Een Sanskrietwoord dat bundels of verzamelingen betekent.
Het vormgeven van de astrale mens vindt plaats binnen
het aurische ei van de ex-devachani. Vanaf het moment dat het ego de
devachanische toestand verlaat, wordt de astrale vorm geleidelijk vollediger,
duidelijker afgebakend, naarmate de zich voorbereidende entiteit het
binnengaan in de moederschoot nadert. De straal van het reïncarnerende
ego treedt eerst de aura binnen en later de schoot van de aanstaande
moeder door middel van de groeiende astrale vorm, die ontstaat in en
uit het meest geschikte levenscentrum of levensatoom dat latent in het
aurische ei van de binnenkomende entiteit aanwezig is.
De term astrale vorm duidt niet zozeer op een werkelijk
lichaam (zoals we ons dat voorstellen in onze fysieke wereld), maar
meer op een verzameling etherische levensatomen in het aurische ei,
die in het begin vaag en schaduwachtig is, maar geleidelijk een min
of meer definitieve menselijke vorm aanneemt die meestal buitengewoon
klein is. We moeten onze aandacht echter niet te veel richten op afmeting
en vorm maar veeleer op krachten en energieën in het aurische ei
die min of meer in een brandpunt van activiteit zijn verzameld.
Vóór de wedergeboorte wordt de entiteit
dus aangetrokken tot het gezin waar naartoe ze door haar karma wordt
aangetrokken of gestuwd; als de noodzakelijke fysiologische activiteiten
op het juiste moment plaatsvinden, voltrekt de conceptie zich en begint
de groei van het embryo.
Als de straling of de straal van het reïncarnerende
ego dit gebied bereikt, wikkelt het zich geleidelijk in de fysieke substantie
en brengt daardoor een verbinding tot stand met de menselijke voortplantingscel.
Die verbinding ontstaat door de elektromagnetische, of beter gezegd
psychomagnetische, affiniteit tussen de zich wederbelichamende straal
en de levende kiemcel. Iedere kiemcel is een bundel innerlijke krachten
en substanties die zich uitstrekken van het goddelijke tot het fysieke,
en is daarom de ‘neerslag’ op ons gebied van een psycho-etherische
straling. Met andere woorden, de kiemcel is een belichaming van de punt
van een straal die zijn oorsprong vindt in de onzichtbare werelden en
door affiniteit contact maakt met de fysieke stof, en zo een verzameling
moleculen van levende substantie stimuleert een voortplantingscel te
worden.
Deze verzameling moleculen vormt het eerste of beginstadium
van de neerslag of verschijning op het fysieke gebied van de werking
van de straalpunt. We zien dat de kiem- of voortplantingscellen niet
door het lichaam van de ouder worden ‘geschapen’, maar daarin
verschijnen en daardoor werken vanuit de zich belichamende egoïsche
‘van buiten’ komende kracht of entiteit – de ouder
is daarbij de gastheer of overbrenger. De vitale kiemcel, hetzij van
de man of de vrouw, is oorspronkelijk een integrerend deel van het modellichaam,
dat een elektromagnetisch lichaam is van astrale substantie behorend
tot het gebied net boven het fysieke; en om deze astrale vorm wordt
het fysieke lichaam cel voor cel, been voor been, kenmerk voor kenmerk,
opgebouwd.
Wanneer het levensatoom als uitverkoren straalpunt
wordt versterkt door de neerdalende energieën van de reïncarnerende
straal, betreedt het door psychomagnetische aantrekking het astrale
lichaam van de vader en wordt na verloop van tijd in het betreffende
fysieke orgaan als een astrale neerslag afgezet. Het wordt op die wijze
tot een kiemcel verstoffelijkt. In de moeder verloopt dit proces van
astrale precipitatie in grote lijnen op dezelfde wijze, en in beide
gevallen gaat het om een neerslag van dezelfde straal: het is zelfs
zo dat elke ouder in zijn of haar daarvoor bestemde orgaan levensatomen
bevat die in vroegere levens behoorden tot en gebruikt werden door het
reïncarnerende ego.
De vrouwelijke ouder is het voertuig van wat de
vegetatieve of passieve kant van de straalpunt kan worden genoemd en
de mannelijke ouder is het voertuig van de positieve of actieve kant.
De straalpunt schijnt zich in tweeën te splitsen om zich later
na de bevruchting van de kiemcel weer te verenigen door samenvoeging
van de positieve en negatieve kant. We hebben hier te maken met subtiele
astrale krachten, die hun eigen wetten gehoorzamen en die in hun activiteit
niet worden belemmerd door de grofstoffelijke wereld waarin onze lichamen
zich bevinden.
We kunnen het bovenstaande in enigszins andere taal
weergeven: het meer stoffelijke deel van de nieuwe astrale vorm treedt
eerst de aura en dan de schoot van de vrouw binnen, waarin het een levende
eicel voortbrengt en een passende omgeving vindt; tegelijkertijd flitst
het innerlijke en meer manasische deel van de astrale vorm, dat het
meer etherische deel is van de straalpunt van het reïncarnerende
ego, naar de mannelijke ouder en brengt in zijn daarvoor bestemde fysiologische
orgaan de positieve levenskiem voort. De vader zaait het zaad, de moeder
ontvangt het, koestert het en brengt het tot geboorte.
De menselijke ego’s die op incarnatie wachten
zijn buitengewoon talrijk, zodat er tientallen entiteiten kunnen zijn
die kinderen van één bepaald paar zouden kunnen worden,
maar op een bepaald fysiologisch moment is er altijd één
die de sterkste aantrekking tot de aanstaande moeder heeft, en het is
deze astrale vorm die het kind wordt. Er zijn veel gevallen
waarin de astrale vorm, die dus bij wijze van spreken in twee richtingen
‘uitstraalt’, zijn voortgang naar fysieke geboorte geblokkeerd
vindt omdat de man en de vrouw celibatair zijn, of geen kinderen willen,
of om een andere reden.* In zulke gevallen probeert de astrale vorm
aangezet door karma en de natuurwetten het nogmaals. Mocht de eerste
omgeving een mislukking blijken, dan kan het reïncarnerende ego
door karmische banden in andere levens tot een ander paar worden aangetrokken.
*Ik wil erop wijzen dat wanneer de conceptie eenmaal
heeft plaatsgevonden en het embryo begint te groeien, elke poging om
zijn ontwikkeling te stuiten of het te vernietigen eenvoudig moord is.
In de leer van de esoterische filosofie wordt het maar in heel geringe
mate als minder slecht beschouwd dan moord op een volwassen mens –
iets minder, alleen omdat zo’n vernietiging of abortus plaatsvindt
voordat het zelfbewustzijn van het slachtoffer een kans heeft gehad
om tot bloei te komen.
Het reïncarnerende ego heeft in zeker opzicht
heel weinig keuze in deze kwestie, als we hiermee bedoelen een weloverwogen
kiezen van zijn toekomstige familie. Een keuze zoals wij die opvatten
bestaat bijna niet, omdat het reïncarnerende ego nog maar net devachan
heeft verlaten en is verzonken in de betrekkelijke onbewustheid van
de voorbereidingsperiode die aan de geboorte voorafgaat, en zich dus
niet in een positie bevindt om zelfbewust te kiezen. Het is karma die
de dingen van begin tot einde beheerst; en karma is, abstract gezien,
onfeilbaar in zijn werking.
Ieder mens is omgeven door zijn eigen emotionele,
hartstochtelijke en psychovitale atmosfeer, die deel uitmaakt van de
lagere delen van zijn aurische ei. Deze atmosfeer leeft, vibreert met
variërende intensiteit, en heeft haar eigen psycho-aurische individualiteit
of trillingsfrequentie. Het is daarom duidelijk dat de straalpunt, die
ook zijn eigen frequentie bezit, min of meer langs magnetische krachtlijnen
wordt aangetrokken tot de atmosfeer van de ouder of ouders die een trillingsgetal
heeft of hebben dat het meest overeenkomt met het zijne en met wie zijn
karmische affiniteit het sterkst is. Om het beeld af te ronden zou ik
eraan kunnen toevoegen dat zowel haat als hevige psychische afkeer –
die beide een soort omgekeerde liefde zijn – soms een heel sterke
psycho-aurische aantrekking teweegbrengen en dat verklaart de bedroevende
situatie van ouder en kind die elkaar afstoten.
Wanneer de astrale vorm zich definitief heeft verenigd
met de menselijke eicel, begint de groei als foetus. De lagere of grovere
delen van de astrale vorm worden het lingasarira van het kind, in combinatie
met de twee algemene klassen van tanhische elementalen; terwijl zijn
hogere delen, de voertuigen van de ‘straal’ van het reïncarnerende
ego (naarmate het embryo en later het kind groeit) de tussenliggende
delen van de menselijke constitutie worden.
We moeten altijd de belangrijke rol in het oog houden
die het aurische ei van het reïncarnerende ego speelt in alle verschillende
stappen die aan de wedergeboorte voorafgaan. De astrale vorm begint
zijn eerste groei binnen het zich wederbelichamende aurische ei, bereidt
zich daarin voor, wordt gedurende de prenatale processen door de essenties
daarvan voortdurend ‘gevoed’, en brengt na verloop van tijd
de stadia van geboorte, kleutertijd, jeugd en volwassenheid voort; want
het aurische ei is in feite de gemanifesteerde mens, opgevat als de
vitale aurische prana’s die uit de verschillende brandpunten van
de reïncarnerende monade stromen.
Wanneer de straalpunt van het zich wederbelichamende
ego, dat zelf een straal is van de spirituele monade, zijn eigen tussensfeer
bereikt, daalt hij niet verder in de stof af. Maar zijn psychomagnetische
straal, die een sterkere binding heeft met de stoffelijke werelden,
daalt nog verder af, en wekt de levensatomen tot activiteit op elk van
de gebieden tussen dat van het zich wederbelichamende ego en de astraal-fysieke
stof van onze aarde.
Hier zien we dus dat het ‘leven’ of
het kenmerkende van elk deel van de samengestelde menselijke constitutie
op zijn eigen gebied blijft, maar dat het zijn eigen levenssurplus uitzendt
naar het gebied daaronder, tot tenslotte het fysieke gebied wordt bereikt,
waar de punt van de straal de levensatomen van dit gebied om zich heen
verzamelt, en de fysieke kiemcel opbouwt of vormt. Het zou geheel onjuist
zijn te veronderstellen dat het zich wederbelichamende ego zich in de
kiemcel bevindt of op een gebied dat slechts weinig minder fysiek is
dan het onze. Het proces is een nauwkeurige analogie van wat er plaatsvindt
bij de opbouw van de bollen van een planeetketen, waar de overdracht
van het levenssurplus van het ene kosmische gebied naar het andere in
en door sferen van substantie plaatsvindt.
Bron
van het Occultisme, blz. 692-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag