Interplanetaire omzwervingen
De gnostici onderwezen de planetaire oorsprong
van de monade (ziel) en van haar vermogens. Op haar weg naar de aarde
en daarvan terugkerend moest elke ziel, die in en uit het ‘grenzeloze
licht’ werd geboren, in beide richtingen door de zeven planetaire
gebieden gaan. – De Geheime Leer,
1:637
In de oude religie en filosofie lag veel occulte
waarheid besloten in de bekende uitdrukking: de zeven heilige planeten;
niettemin werden soortgelijke leringen vaak aangeduid met de verwante
uitdrukking de zeven hemelen. Deze twee aspecten van de desbetreffende
leer zijn niet helemaal identiek, al lopen ze parallel; want de zeven
heilige planeten hadden betrekking op de postmortale bestemming van
de rondtrekkende monaden, terwijl de zeven hemelen doelden op de rustperiode
in devachan van de zeven hoofdklassen van monaden.
De heilige hemelen, vaak vermeld als tien of zelfs
elf, wanneer de leer de mensen van bol D betrof, hadden in feite betrekking
op de hogere bollen van onze eigen planeetketen. Men stelde zich voor
dat de mens na de dood opsteeg door een aantal van deze hemelen en door
andere afdaalde, om zich tenslotte weer op aarde te belichamen. Omdat
iedere bol van onze keten echter onder de rechtstreekse controle of
leiding staat van een van de zeven planetaire bestuurders, zien we hoe
nauw de leer van de zeven heilige planeten is verbonden met die van
de zeven hemelen; en hier ligt een heel duidelijke aanwijzing met betrekking
tot de buitenronden of de omzwervingen van de spirituele monade na de
dood naar en door de zeven heilige planeetketens. Geen enkele monade
staat op haar reizen alleen, want ze kan slechts die beproefde karmische
vitale verbindingskanalen volgen die tussen de hemellichamen van het
zonnestelsel bestaan.
Zoals de menigten levensatomen in de constitutie
van de mens niet alleen tot de gemanifesteerde verschijningsvormen daarvan
behoren en die opbouwen, maar ook zelf pelgrims of lerende entiteiten
zijn, zo zijn ook de menigten monaden die tot het zonnestelsel behoren
en daar een deel van zijn, tegelijkertijd individuele pelgrims in dat
zonnestelsel. Zoals de verschillende klassen van levensatomen zich in
de mens door psychomagnetische aantrekking in grote aantallen verzamelen
om een of ander orgaan te vormen, hetzij in zijn innerlijke constitutie
of in zijn fysieke lichaam, zo worden ook de verschillende klassen van
monaden in het zonnestelsel tot elkaar aangetrokken om de planeetketens
te vormen, die in een zeer occulte betekenis de ‘organen’
van het zonnestelsel zijn – en al deze organen bevinden zich binnen
de omringende en omgrenzende sfeer van het aurische ei van de zon.
Bovendien zijn alle gebieden of sferen van het zonnestelsel
en hun verschillende verwante subgebieden en subwerelden, onderling
verbonden door ontelbare contactpunten, centra waardoor de krachten
en substanties van het ene gebied of de ene sfeer overgaan in de volgende.
Dat zijn de layacentra. Elke hemelbol – zelfs ieder atoom –
is in zijn centrale kern of essentie zo’n layacentrum of individueel
contactpunt, dat de verbindingsweg van het individu is met het aangrenzende
hogere of lagere innerlijke gebied of wereld.
Via deze layacentra van een zonne- of planetaire
bol, een mens, of een atoom, kan de laagste of meest dichte stof van
een bepaald gebied of een bepaalde wereld omlaaggaan naar het aangrenzende
lagere gebied en zich daar manifesteren als de meest etherische krachten
ervan – en die krachten komen overeen met zeer etherische stof.
Als we ons eigen gebied als voorbeeld nemen, kunnen we zeggen dat onze
meest etherische kracht of substantie via deze layacentra omhoog kan
gaan naar het aangrenzende hogere gebied, waar ze één
wordt met de dichtste substantie van dat kosmische gebied.
Na enig nadenken zien we dat deze circulaties op
twee manieren kunnen worden beschouwd: ten eerste die circulaties die
plaatsvinden tussen twee gebieden, of twee werelden, en die we ‘opwaarts’
en ‘neerwaarts’ of ‘verticaal’ kunnen noemen;
en ten tweede die onderlinge verbindingslijnen die in en op een gebied
bestaan en werken, en die we ‘horizontale’ circulaties kunnen
noemen.
Op die manier wordt de overgang van gebied naar
gebied of van wereld naar wereld tot stand gebracht, niet alleen na
de dood, maar zelfs tijdens het belichaamde leven. Wanneer de monade
na onze aardketen te hebben verlaten de volgende planeet bereikt, brengt
ze, tijdens haar reis in en door zo’n planeetketen, uit zichzelf
een straal of egoïsche straling voort, die een psychomentale, tijdelijke
‘ziel’ is en die zich daar belichaamt in een voertuig dat
spiritueel, etherisch, astraal, of fysiek van aard is, afhankelijk van
de bol van de keten die wordt betreden. In werkelijkheid is deze straal
een emanatie van het aurische ei van de rondtrekkende monade, die uit
de schoot van de monade voortkomt door de psychomagnetische aantrekking
van de keten die ze voor korte tijd betreedt, en het is deze stralingsemanatie
die een soort lichaam is, die haar in staat stelt zich met geschikte
levensatomen te bekleden, die door de keten worden verschaft, en zo
een korte belichaming tot stand te brengen.
Deze straal, die in zeker opzicht thuishoort op
de planeetketen waarop hij zich manifesteert, gaat door zijn verschillende
cyclische perioden van monadische activiteit tot hij het einde van zijn
levenstermijn op die keten bereikt. Dan wordt hij, net zoals eerder
op aarde gebeurde, op zijn beurt teruggetrokken in de schoot van de
monade, waar hij in zijn eventuele devachan rust. En de hogere beginselen,
die vanuit de kernmonade neerhangen, worden nu weer van deze keten bevrijd
om op weg te gaan naar een andere planeetketen, waarheen ze worden aangetrokken
door de psychomagnetische karmische werking van hun eigen substantie,
terwijl ze de kosmische wegen volgen die voor hen zijn uitgestippeld
in de circulaties in de kosmos.
Deze bezoeken aan de verschillende ketens nadat
de monade onze aardketen heeft verlaten, duren, op enkele uitzonderingen
na, bijzonder kort, omdat de monade in het huidige kleine zonnemanvantara
haar voornaamste karmische bestemming op onze planeetketen heeft. Als
die bestemming voorlopig is bereikt, zal ze zich voor een nieuw klein
zonnemanvantara naar de volgende planeetketen begeven waarheen ze karmisch
wordt aangetrokken.
Op deze manier werkt de monade door en op elk van
de zeven heilige planeetketens: ze doorloopt ze alle achtereenvolgens
tot ze tenslotte de zonneketen bereikt, waarin ze haar ronde maakt langs
de bollen van de zon. Als de spirituele monade aan het einde van haar
omzwervingen komt, begint ze haar terugreis en komt ze in de psychomagnetische
aantrekking die haar langs de circulaties in de kosmos terugvoert naar
de planeetketen aarde, via elk van de zeven heilige planeetketens, maar
in een volgorde tegengesteld aan die van de reis omhoog. Wanneer ze
tenslotte onze planeetketen binnengaat, begint ze haar afdaling door
de bollen A, B en C tot ze opnieuw onze bol D bereikt. Tegen die tijd
bereidt de menselijke monade, anders gezegd het reïncarnerende
ego dat zijn devachan bijna heeft beëindigd, zich voor op haar
nieuwe incarnatie.
Het zich wederbelichamende ego dat zich in deze
aardketen heeft ontwikkeld, hoort thuis op deze keten, omdat deze het
geschikte voertuig is waardoor de spirituele monade zich in deze stoffen
en energieën van allerlei aard van de kosmos tot uitdrukking kan
brengen. Wanneer onze aardketen haar manvantarische loop zal hebben
beëindigd en haar familie van spirituele monaden naar de volgende
planeetketen gaat, dan zal het zich wederbelichamende ego dat thuishoort
op die volgende keten een overheersende invloed gaan uitoefenen op de
spirituele monade, terwijl het zich wederbelichamende ego dat thuishoort
op onze huidige keten, zich zal terugtrekken, d.w.z. zich in zijn manvantarische
nirvana zal bevinden.
Deze spirituele en psychische processen zijn zo
prachtig op elkaar afgestemd door de natuurwetten, en werken alle op
zo natuurlijke wijze samen, dat als het zich wederbelichamende ego op
het punt staat zijn devachanische slaap te beëindigen, de spirituele
monade bijna altijd in dat deel van haar omzwervingen is gekomen, waarin
ze de hoogste bol van de aardketen bereikt. Daarom ondervindt een ego
dat zijn devachanische rusttijd geniet, hetzij deze lang is of kort,
geen moeilijkheden bij het volgen van de ontwakende aantrekkingskrachten
naar de aarde, want de spirituele monade wordt min of meer sterk beïnvloed
door de spirituele toestand of geaardheid van het zich wederbelichamende
ego dat in haar schoot heeft gerust. De duur van de omzwervingen van
de spirituele monade in de buitenronde wordt voor een groot deel hierdoor
bepaald.*
*Vgl. De Esoterische Traditie, hfst.
18, waar het onderwerp meer in detail wordt behandeld.
We hebben tot nu toe de buitenronde beschreven voorzover
die een individuele spirituele monade betreft. Precies dezelfde pelgrimstocht
wordt door de levensgolven of monadische klassen gemaakt wanneer het
einde van het manvantara van onze planeetketen ze vrijmaakt voor hun
buitenronde. Ook de binnenronden worden, zoals gezegd, niet alleen gevolgd
door de verschillende levensgolven van bol naar bol van onze planeetketen,
maar ook door de individuele monaden nadat het fysieke lichaam is gestorven.
We hebben verklaard dat het terrein van de menselijk-dierlijke
monade onze aardbol is, en dat het terrein van de menselijke monade
of het reïncarnerende ego, wat zijn gebied van ervaring betreft,
tot onze planeetketen beperkt is; en verder dat de werkingssfeer van
de spirituele monade ons zonnestelsel is, in het bijzonder de zeven
heilige planeten en onze aarde evenals vier andere ‘verborgen’
planeetketens, terwijl het terrein van de goddelijke monade het melkwegstelsel
of ons thuisheelal is. Het moet hieruit duidelijk zijn dat de menselijk-dierlijke
monade ‘vrijkomt’ van onze bol als het lichaam sterft; en
dat onze spirituele monade ‘vrijkomt’ van onze planeetketen
– en ik spreek hier over de buitenronden van individuele
monaden – wanneer ze de hoogste bol van onze planeetketen heeft
bereikt en verlaten, vóór ze aan haar reis naar de volgende
keten begint.
Omdat een monade of bewustzijnscentrum een kracht
of energie is die uit geest-essentie bestaat, rust ze nooit gedurende
het lange tijdvak van het kosmische manvantara. Het terugtrekken van
één straal van de monade uit een fysieke incarnatie beïnvloedt
die monade in het geheel niet. Het betekent eenvoudig dat de straal
wordt teruggetrokken in de substantie of het wezen van de monade en
daar blijft in zijn devachan of – afhankelijk van het geval –
in zijn nirvana.
De monade is een spiritueel levend wezen, altijd
in beweging overeenkomstig de eigen aard en graad; en deze beweging
is niet alleen blijvend, maar is van dezelfde aard als de kosmische
intelligentie, als we ver genoeg teruggaan. Tijdens het hele leven van
een mens en ook tijdens zijn ervaringen na de dood, is de monade steeds
volledig zelfbewust op haar eigen verheven gebied. Wanneer het postmortale
bestaan van het individu begint, gaat de monade van sfeer naar sfeer
van het zonnestelsel, ‘doorloopt de ronden’ opnieuw in haar
ononderbroken omzwervingen tijdens het zonne-mahamanvantara. Ze gaat
niet alleen door deze sferen omdat ze daar overal thuishoort, en daarom
door haar eigen spirituele en psychomagnetische aantrekkingskracht en
impulsen daarheen wordt aangetrokken, maar ook omdat ze dat zelf spiritueel
wil; want de vrije wil is iets goddelijks en is een ingeboren en onafscheidelijk
kenmerk van de monade.
Een belangrijk punt hier is dat de spirituele monade
na de dood van de mens haar buitenronden in en door het zonnestelsel
op precies dezelfde wijze volgt als een levensatoom – hoewel natuurlijk
in zijn eigen veel lagere werkingssfeer – tijdens het leven van
een mens zijn ‘ronden’ en omzwervingen volgt in en door
de verschillende lagen van het aurische ei van die mens.*
*Zie ‘Transmigration of the life atoms’ van
HPB in The Theosophist, augustus 1883; CW 5:109-177.
Opnieuw zien we de werkelijk prachtige analoge werkingen
van alle delen van de natuur: wat plaatsvindt in de macrokosmische gebieden
of sferen wordt gekopieerd in de microkosmische werelden.
Bron
van het Occultisme, blz. 704-9
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag