Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Interplanetaire omzwervingen


De gnostici onderwezen de planetaire oorsprong van de monade (ziel) en van haar vermogens. Op haar weg naar de aarde en daarvan terugkerend moest elke ziel, die in en uit het ‘grenzeloze licht’ werd geboren, in beide richtingen door de zeven planetaire gebieden gaan.    – De Geheime Leer, 1:637

In de oude religie en filosofie lag veel occulte waarheid besloten in de bekende uitdrukking: de zeven heilige planeten; niettemin werden soortgelijke leringen vaak aangeduid met de verwante uitdrukking de zeven hemelen. Deze twee aspecten van de desbetreffende leer zijn niet helemaal identiek, al lopen ze parallel; want de zeven heilige planeten hadden betrekking op de postmortale bestemming van de rondtrekkende monaden, terwijl de zeven hemelen doelden op de rustperiode in devachan van de zeven hoofdklassen van monaden.

De heilige hemelen, vaak vermeld als tien of zelfs elf, wanneer de leer de mensen van bol D betrof, hadden in feite betrekking op de hogere bollen van onze eigen planeetketen. Men stelde zich voor dat de mens na de dood opsteeg door een aantal van deze hemelen en door andere afdaalde, om zich tenslotte weer op aarde te belichamen. Omdat iedere bol van onze keten echter onder de rechtstreekse controle of leiding staat van een van de zeven planetaire bestuurders, zien we hoe nauw de leer van de zeven heilige planeten is verbonden met die van de zeven hemelen; en hier ligt een heel duidelijke aanwijzing met betrekking tot de buitenronden of de omzwervingen van de spirituele monade na de dood naar en door de zeven heilige planeetketens. Geen enkele monade staat op haar reizen alleen, want ze kan slechts die beproefde karmische vitale verbindingskanalen volgen die tussen de hemellichamen van het zonnestelsel bestaan.

Zoals de menigten levensatomen in de constitutie van de mens niet alleen tot de gemanifesteerde verschijningsvormen daarvan behoren en die opbouwen, maar ook zelf pelgrims of lerende entiteiten zijn, zo zijn ook de menigten monaden die tot het zonnestelsel behoren en daar een deel van zijn, tegelijkertijd individuele pelgrims in dat zonnestelsel. Zoals de verschillende klassen van levensatomen zich in de mens door psychomagnetische aantrekking in grote aantallen verzamelen om een of ander orgaan te vormen, hetzij in zijn innerlijke constitutie of in zijn fysieke lichaam, zo worden ook de verschillende klassen van monaden in het zonnestelsel tot elkaar aangetrokken om de planeetketens te vormen, die in een zeer occulte betekenis de ‘organen’ van het zonnestelsel zijn – en al deze organen bevinden zich binnen de omringende en omgrenzende sfeer van het aurische ei van de zon.

Bovendien zijn alle gebieden of sferen van het zonnestelsel en hun verschillende verwante subgebieden en subwerelden, onderling verbonden door ontelbare contactpunten, centra waardoor de krachten en substanties van het ene gebied of de ene sfeer overgaan in de volgende. Dat zijn de layacentra. Elke hemelbol – zelfs ieder atoom – is in zijn centrale kern of essentie zo’n layacentrum of individueel contactpunt, dat de verbindingsweg van het individu is met het aangrenzende hogere of lagere innerlijke gebied of wereld.

Via deze layacentra van een zonne- of planetaire bol, een mens, of een atoom, kan de laagste of meest dichte stof van een bepaald gebied of een bepaalde wereld omlaaggaan naar het aangrenzende lagere gebied en zich daar manifesteren als de meest etherische krachten ervan – en die krachten komen overeen met zeer etherische stof. Als we ons eigen gebied als voorbeeld nemen, kunnen we zeggen dat onze meest etherische kracht of substantie via deze layacentra omhoog kan gaan naar het aangrenzende hogere gebied, waar ze één wordt met de dichtste substantie van dat kosmische gebied.

Na enig nadenken zien we dat deze circulaties op twee manieren kunnen worden beschouwd: ten eerste die circulaties die plaatsvinden tussen twee gebieden, of twee werelden, en die we ‘opwaarts’ en ‘neerwaarts’ of ‘verticaal’ kunnen noemen; en ten tweede die onderlinge verbindingslijnen die in en op een gebied bestaan en werken, en die we ‘horizontale’ circulaties kunnen noemen.

Op die manier wordt de overgang van gebied naar gebied of van wereld naar wereld tot stand gebracht, niet alleen na de dood, maar zelfs tijdens het belichaamde leven. Wanneer de monade na onze aardketen te hebben verlaten de volgende planeet bereikt, brengt ze, tijdens haar reis in en door zo’n planeetketen, uit zichzelf een straal of egoïsche straling voort, die een psychomentale, tijdelijke ‘ziel’ is en die zich daar belichaamt in een voertuig dat spiritueel, etherisch, astraal, of fysiek van aard is, afhankelijk van de bol van de keten die wordt betreden. In werkelijkheid is deze straal een emanatie van het aurische ei van de rondtrekkende monade, die uit de schoot van de monade voortkomt door de psychomagnetische aantrekking van de keten die ze voor korte tijd betreedt, en het is deze stralingsemanatie die een soort lichaam is, die haar in staat stelt zich met geschikte levensatomen te bekleden, die door de keten worden verschaft, en zo een korte belichaming tot stand te brengen.

Deze straal, die in zeker opzicht thuishoort op de planeetketen waarop hij zich manifesteert, gaat door zijn verschillende cyclische perioden van monadische activiteit tot hij het einde van zijn levenstermijn op die keten bereikt. Dan wordt hij, net zoals eerder op aarde gebeurde, op zijn beurt teruggetrokken in de schoot van de monade, waar hij in zijn eventuele devachan rust. En de hogere beginselen, die vanuit de kernmonade neerhangen, worden nu weer van deze keten bevrijd om op weg te gaan naar een andere planeetketen, waarheen ze worden aangetrokken door de psychomagnetische karmische werking van hun eigen substantie, terwijl ze de kosmische wegen volgen die voor hen zijn uitgestippeld in de circulaties in de kosmos.

Deze bezoeken aan de verschillende ketens nadat de monade onze aardketen heeft verlaten, duren, op enkele uitzonderingen na, bijzonder kort, omdat de monade in het huidige kleine zonnemanvantara haar voornaamste karmische bestemming op onze planeetketen heeft. Als die bestemming voorlopig is bereikt, zal ze zich voor een nieuw klein zonnemanvantara naar de volgende planeetketen begeven waarheen ze karmisch wordt aangetrokken.

Op deze manier werkt de monade door en op elk van de zeven heilige planeetketens: ze doorloopt ze alle achtereenvolgens tot ze tenslotte de zonneketen bereikt, waarin ze haar ronde maakt langs de bollen van de zon. Als de spirituele monade aan het einde van haar omzwervingen komt, begint ze haar terugreis en komt ze in de psychomagnetische aantrekking die haar langs de circulaties in de kosmos terugvoert naar de planeetketen aarde, via elk van de zeven heilige planeetketens, maar in een volgorde tegengesteld aan die van de reis omhoog. Wanneer ze tenslotte onze planeetketen binnengaat, begint ze haar afdaling door de bollen A, B en C tot ze opnieuw onze bol D bereikt. Tegen die tijd bereidt de menselijke monade, anders gezegd het reïncarnerende ego dat zijn devachan bijna heeft beëindigd, zich voor op haar nieuwe incarnatie.

Het zich wederbelichamende ego dat zich in deze aardketen heeft ontwikkeld, hoort thuis op deze keten, omdat deze het geschikte voertuig is waardoor de spirituele monade zich in deze stoffen en energieën van allerlei aard van de kosmos tot uitdrukking kan brengen. Wanneer onze aardketen haar manvantarische loop zal hebben beëindigd en haar familie van spirituele monaden naar de volgende planeetketen gaat, dan zal het zich wederbelichamende ego dat thuishoort op die volgende keten een overheersende invloed gaan uitoefenen op de spirituele monade, terwijl het zich wederbelichamende ego dat thuishoort op onze huidige keten, zich zal terugtrekken, d.w.z. zich in zijn manvantarische nirvana zal bevinden.

Deze spirituele en psychische processen zijn zo prachtig op elkaar afgestemd door de natuurwetten, en werken alle op zo natuurlijke wijze samen, dat als het zich wederbelichamende ego op het punt staat zijn devachanische slaap te beëindigen, de spirituele monade bijna altijd in dat deel van haar omzwervingen is gekomen, waarin ze de hoogste bol van de aardketen bereikt. Daarom ondervindt een ego dat zijn devachanische rusttijd geniet, hetzij deze lang is of kort, geen moeilijkheden bij het volgen van de ontwakende aantrekkingskrachten naar de aarde, want de spirituele monade wordt min of meer sterk beïnvloed door de spirituele toestand of geaardheid van het zich wederbelichamende ego dat in haar schoot heeft gerust. De duur van de omzwervingen van de spirituele monade in de buitenronde wordt voor een groot deel hierdoor bepaald.*

*Vgl. De Esoterische Traditie, hfst. 18, waar het onderwerp meer in detail wordt behandeld.

We hebben tot nu toe de buitenronde beschreven voorzover die een individuele spirituele monade betreft. Precies dezelfde pelgrimstocht wordt door de levensgolven of monadische klassen gemaakt wanneer het einde van het manvantara van onze planeetketen ze vrijmaakt voor hun buitenronde. Ook de binnenronden worden, zoals gezegd, niet alleen gevolgd door de verschillende levensgolven van bol naar bol van onze planeetketen, maar ook door de individuele monaden nadat het fysieke lichaam is gestorven.

We hebben verklaard dat het terrein van de menselijk-dierlijke monade onze aardbol is, en dat het terrein van de menselijke monade of het reïncarnerende ego, wat zijn gebied van ervaring betreft, tot onze planeetketen beperkt is; en verder dat de werkingssfeer van de spirituele monade ons zonnestelsel is, in het bijzonder de zeven heilige planeten en onze aarde evenals vier andere ‘verborgen’ planeetketens, terwijl het terrein van de goddelijke monade het melkwegstelsel of ons thuisheelal is. Het moet hieruit duidelijk zijn dat de menselijk-dierlijke monade ‘vrijkomt’ van onze bol als het lichaam sterft; en dat onze spirituele monade ‘vrijkomt’ van onze planeetketen – en ik spreek hier over de buitenronden van individuele monaden – wanneer ze de hoogste bol van onze planeetketen heeft bereikt en verlaten, vóór ze aan haar reis naar de volgende keten begint.

Omdat een monade of bewustzijnscentrum een kracht of energie is die uit geest-essentie bestaat, rust ze nooit gedurende het lange tijdvak van het kosmische manvantara. Het terugtrekken van één straal van de monade uit een fysieke incarnatie beïnvloedt die monade in het geheel niet. Het betekent eenvoudig dat de straal wordt teruggetrokken in de substantie of het wezen van de monade en daar blijft in zijn devachan of – afhankelijk van het geval – in zijn nirvana.

De monade is een spiritueel levend wezen, altijd in beweging overeenkomstig de eigen aard en graad; en deze beweging is niet alleen blijvend, maar is van dezelfde aard als de kosmische intelligentie, als we ver genoeg teruggaan. Tijdens het hele leven van een mens en ook tijdens zijn ervaringen na de dood, is de monade steeds volledig zelfbewust op haar eigen verheven gebied. Wanneer het postmortale bestaan van het individu begint, gaat de monade van sfeer naar sfeer van het zonnestelsel, ‘doorloopt de ronden’ opnieuw in haar ononderbroken omzwervingen tijdens het zonne-mahamanvantara. Ze gaat niet alleen door deze sferen omdat ze daar overal thuishoort, en daarom door haar eigen spirituele en psychomagnetische aantrekkingskracht en impulsen daarheen wordt aangetrokken, maar ook omdat ze dat zelf spiritueel wil; want de vrije wil is iets goddelijks en is een ingeboren en onafscheidelijk kenmerk van de monade.

Een belangrijk punt hier is dat de spirituele monade na de dood van de mens haar buitenronden in en door het zonnestelsel op precies dezelfde wijze volgt als een levensatoom – hoewel natuurlijk in zijn eigen veel lagere werkingssfeer – tijdens het leven van een mens zijn ‘ronden’ en omzwervingen volgt in en door de verschillende lagen van het aurische ei van die mens.*

*Zie ‘Transmigration of the life atoms’ van HPB in The Theosophist, augustus 1883; CW 5:109-177.

Opnieuw zien we de werkelijk prachtige analoge werkingen van alle delen van de natuur: wat plaatsvindt in de macrokosmische gebieden of sferen wordt gekopieerd in de microkosmische werelden.

 


Bron van het occultisme, blz. 704-9

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag