Kosmische werkelijkheid en mahamaya
Het Heelal met alles daarin wordt maya
genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven
van een glimworm tot dat van de zon. In de gedachten van een filosoof
moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken
met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ene
en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een
dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste
wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.
– De Geheime Leer, 1:301
Een moeilijk te bevatten gedachte is de betrekking
tussen maya of, kosmisch gesproken, mahamaya, en de Ruimte en die Werkelijkheid
die vaak wordt aangeduid als parabrahman. Het woord parabrahman wordt
in twee betekenissen toegepast: ten eerste betekent het voorbij brahman,
dat wil zeggen alles wat in de onbegrensde ruimte voorbij het brahman
of de meest verheven hiërarch van ons melkwegstelsel of heelal
is; en in de andere betekenis, die veel minder vaak voorkomt omdat die
werkelijk minder nauwkeurig is, beschouwt men parabrahman als het naamloze
en onzichtbare begin of de top van dat waarover de mens in zijn pogingen
het onbegrijpelijke te begrijpen, spreekt als de godheid.
Parabrahman is daarom geen entiteit. Een entiteit,
hoe groot ook, betekent beperking. Het onbegrensde parabrahman is de
beginloze, eindeloze, tijdloze, onsterfelijke Ruimte – innerlijke
zowel als uiterlijke ruimte. Kortom, het is de eindeloze voortzetting
van het kosmische leven, het kosmische Tat – dat.
Om een voorbeeld te geven: een wezen dat een elektron
van één atoom van mijn lichaam bewoont, zal de tijd die
verloopt in één menselijke seconde als een eeuwigheid
beschouwen, en alles wat zich buiten die seconde bevindt, zou voor deze
atoombewoner parabrahman zijn. Het bewustzijnsstadium dat dit wezen
in zijn evolutie heeft bereikt, is zodanig dat voor hem het atoom zijn
heelal is. Maar denk eens aan de ontelbare aantallen atomen die zich
bevinden binnen dat gedeelte van de ruimte dat door een speldenknop
wordt ingenomen! Het fysieke bestaan van het nietige gebied van materie
dat door een speldenknop wordt ingenomen, zou voor zo’n bewoner
van een elektron de onbegrensde ruimte zijn. Wij zijn net zulke elektronenbewoners
van een veel grotere wereld, en daarom noemen we parabrahman –
zowel in ruimtelijke als in kwalitatieve zin – alles wat zich
voorbij het bereik van ons hoogste spirituele bewustzijn bevindt. Dat
is voor ons parabrahman.
In één opzicht kan parabrahman als
identiek met de abstracte Ruimte worden beschouwd. Deze parabrahman-ruimte
is niet alleen het geheel van hiërarchieën van intelligenties
en bewustzijnen die zich overal in het grenzeloze bevinden, maar bovendien
al hun werkterreinen in het onbegrensde Zijn. De mulaprakriti-kant van
het onbegrensde daarentegen, die het goddelijk-spirituele substantie-aspect
van het onbegrensde zijn is, verschaft de voertuigen voor de hiërarchieën
van goddelijke intelligenties, en wordt daarom mahamaya of grote illusie
genoemd, omdat al deze voertuigen samengesteld en vergankelijk zijn.
Het is duidelijk dat de maya van het enorme aantal
galactische heelallen, verspreid over de gebieden van het grenzeloze,
niet een volslagen illusie betekent in de zin van iets dat geen werkelijk
bestaan heeft. Het betekent echter wel dat alles, groot of klein, van
lange of korte levensduur, vergeleken met de eeuwigheid van voorbijgaande
aard is, beperkt van duur, veranderlijk en daarom alle aspecten en kenmerken
vertoont van een veranderend en onbestendig bestaan – hoewel er
natuurlijk maya’s zijn die zulke lange tijdperken beslaan, dat
ze ons bijna een eeuwigheid toeschijnen.
Parabrahman is de enige Werkelijkheid, het grote
fundament; maar al is al het overige, alles daaronder, maya, toch is
die maya het heelal waarin onze constitutie bestaat – net zo goed
als dat wij door ons meest innerlijke wezen met parabrahman zijn verbonden;
en omdat parabrahman het Al is, is zelfs maya zijn kleed of manifestatievorm.
Mulaprakriti, wortelnatuur, omhult bij wijze van spreken parabrahman,
zoals het menselijk bewustzijn het spirituele bewustzijn van de mens
omhult. In de constitutie van de mens is de monadische essentie het
enige werkelijke deel, niettemin is zijn bewustzijn nu geconcentreerd
in zijn menselijke deel, en het is zijn taak dit deel van hemzelf te
verheffen om één te worden in zelfbewuste vereniging met
het parabrahman of de innerlijke monadische essentie.
In de oude literatuur werden vormen van beeldspraak
gebruikt die, tenzij we hun innerlijke betekenis proberen te ontdekken,
de neiging hebben de aandacht van essentiële zaken af te leiden.
Zo is er bijvoorbeeld over het grenzeloze gezegd dat het ‘het
heelal voortbrengt als een vermaak, als een spel’; het roert zich,
en dan verschijnt het heelal. Deze uitdrukkingen zijn maar zinnebeelden,
suggestief en mooi als we de essentiële waarheid erachter begrijpen.
De uitdrukking dat brahman het heelal als een spel voortbrengt, is bedoeld
om de waarheid duidelijk te maken dat brahman de essentiële Werkelijkheid
is, en dat al het overige van het heelal, dat zich in de loop van kosmische
tijdperken ontwikkelt, een soort schimmenspel is dat aan het oog van
de godheid voorbijflitst.
Maya betekent daarom niet dat de uiterlijke wereld,
zoals het centrale innerlijke bewustzijn die ziet, niet bestaat, want
de uiterlijke wereld zelf ligt besloten in de alomvattende Werkelijkheid
van parabrahman. Als dit niet zo was, zouden we aan de ene kant parabrahman
hebben en aan de andere kant maya, die zo twee tegengestelde of strijdige
energieën of essenties zouden vormen, en dat is onmogelijk omdat
parabrahman het Al is.
Maya bestaat inderdaad; maar omdat parabrahman alles
is, het essentiële zijn, behoort zelfs maya tot zijn essentie.
Dat is de kern van de Advaita-Vedanta-leer, zoals Sankaracharya die
onderwees. We zijn als wezens mayavisch, maar het hart van het hart
van ons is parabrahman: en daarom bevat elk atoom van dit mayavische
kleed dat we dragen zijn eigen fundamentele element of essentie, dat
ook parabrahman is.
We zien dus dat de ware leer van maya niet betekent
dat het heelal illusoir is in de zin dat het niet bestaat, maar alleen
dat voor ons en voor andere entiteiten in andere heelallen de Werkelijkheid
het parabrahman is binnen de tempel van het onbegrensde zelf, onze diepste
essentie.
Het heelal, zowel het zichtbare als het onzichtbare,
is opgebouwd uit hiërarchieën, onderling verbonden groepen
van entiteiten die samen leven en werken en een karmische bestemming
volgen die voor allen min of meer dezelfde is. Deze regel van hiërarchische
structuren geldt voor de hele kosmische oneindigheid. Terwijl één
hiërarchie van het grenzeloze misschien is geëvolueerd tot
het goddelijke, bijna gereed om over te gaan in het Grote Hierna –
parabrahman – om een nieuwe evolutiegang te beginnen op een hoger
gebied en op een toekomstig kosmisch tijdstip, komt in een ander deel
van het grenzeloze een nieuwe hiërarchie tot aanzijn. En dat geldt
niet alleen voor planeten, maar ook voor zonnen, zonnestelsels, melkwegstelsels
of heelallen. De natuur herhaalt zich overal, hoewel, wat de details
betreft, de variaties verbijsterend zijn. Het zijn deze variaties en
details die de maya van het heelal vormen. De essentie van alles is
onbegrensde liefde, harmonie, wijsheid en onbeperkt bewustzijn: dat
is de kern van ieder individueel wezen – waar ook en wanneer ook
– de top van zijn hiërarchie die voor hem zijn brahman is.
Deze brahmans zijn eenvoudig oneindig in aantal
en totaal verschillend wat hun kenmerken en aard van bewustzijn of individualiteit
betreft. Deze oneindige variaties brengen de kosmische maya voort; toch
worden ze, alle tezamen, en opgevat als het Al, vooral in hun hoogste
delen, technisch samengevat als dat.
Men kan dit mysterie niet in menselijke woorden beschrijven. Het God
te noemen is dwaas, want het heelal is vol met goden. Ieder mens is
in zijn innerlijk een god. Ieder atoom is in de kern van zijn hart een
god. Iedere zon in de ruimte is slechts de fysieke manifestatie van
een god; en ieder van ons zal in de verre, verre toekomst uitgroeien
tot zo’n zon. Dit wordt niet bereikt door stukjes ervaring, stukjes
bewustzijn of intelligentie te vergaren, zoals het darwinisme ten onrechte
zegt, maar door tevoorschijn te brengen wat al het parabrahman in ons
is. Dat bedoelde Jezus toen hij zei dat hij één was met
zijn Vader in de Hemel.
Bron
van het Occultisme, blz. 94-7
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag