Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Kosmische werkelijkheid en mahamaya


Het Heelal met alles daarin wordt maya genoemd, want alles daarin is tijdelijk, van het kortstondige leven van een glimworm tot dat van de zon. In de gedachten van een filosoof moet het Heelal met zijn vergankelijke steeds wisselende vormen, vergeleken met de eeuwige onbeweeglijkheid van het ene en de onveranderlijkheid van dat beginsel, niet meer zijn dan een dwaallichtje. Toch heeft het Heelal genoeg werkelijkheid voor de bewuste wezens daarin, die even onwerkelijk zijn als het Heelal zelf.
    – De Geheime Leer, 1:301

Een moeilijk te bevatten gedachte is de betrekking tussen maya of, kosmisch gesproken, mahamaya, en de Ruimte en die Werkelijkheid die vaak wordt aangeduid als parabrahman. Het woord parabrahman wordt in twee betekenissen toegepast: ten eerste betekent het voorbij brahman, dat wil zeggen alles wat in de onbegrensde ruimte voorbij het brahman of de meest verheven hiërarch van ons melkwegstelsel of heelal is; en in de andere betekenis, die veel minder vaak voorkomt omdat die werkelijk minder nauwkeurig is, beschouwt men parabrahman als het naamloze en onzichtbare begin of de top van dat waarover de mens in zijn pogingen het onbegrijpelijke te begrijpen, spreekt als de godheid.

Parabrahman is daarom geen entiteit. Een entiteit, hoe groot ook, betekent beperking. Het onbegrensde parabrahman is de beginloze, eindeloze, tijdloze, onsterfelijke Ruimte – innerlijke zowel als uiterlijke ruimte. Kortom, het is de eindeloze voortzetting van het kosmische leven, het kosmische Tatdat.

Om een voorbeeld te geven: een wezen dat een elektron van één atoom van mijn lichaam bewoont, zal de tijd die verloopt in één menselijke seconde als een eeuwigheid beschouwen, en alles wat zich buiten die seconde bevindt, zou voor deze atoombewoner parabrahman zijn. Het bewustzijnsstadium dat dit wezen in zijn evolutie heeft bereikt, is zodanig dat voor hem het atoom zijn heelal is. Maar denk eens aan de ontelbare aantallen atomen die zich bevinden binnen dat gedeelte van de ruimte dat door een speldenknop wordt ingenomen! Het fysieke bestaan van het nietige gebied van materie dat door een speldenknop wordt ingenomen, zou voor zo’n bewoner van een elektron de onbegrensde ruimte zijn. Wij zijn net zulke elektronenbewoners van een veel grotere wereld, en daarom noemen we parabrahman – zowel in ruimtelijke als in kwalitatieve zin – alles wat zich voorbij het bereik van ons hoogste spirituele bewustzijn bevindt. Dat is voor ons parabrahman.

In één opzicht kan parabrahman als identiek met de abstracte Ruimte worden beschouwd. Deze parabrahman-ruimte is niet alleen het geheel van hiërarchieën van intelligenties en bewustzijnen die zich overal in het grenzeloze bevinden, maar bovendien al hun werkterreinen in het onbegrensde Zijn. De mulaprakriti-kant van het onbegrensde daarentegen, die het goddelijk-spirituele substantie-aspect van het onbegrensde zijn is, verschaft de voertuigen voor de hiërarchieën van goddelijke intelligenties, en wordt daarom mahamaya of grote illusie genoemd, omdat al deze voertuigen samengesteld en vergankelijk zijn.

Het is duidelijk dat de maya van het enorme aantal galactische heelallen, verspreid over de gebieden van het grenzeloze, niet een volslagen illusie betekent in de zin van iets dat geen werkelijk bestaan heeft. Het betekent echter wel dat alles, groot of klein, van lange of korte levensduur, vergeleken met de eeuwigheid van voorbijgaande aard is, beperkt van duur, veranderlijk en daarom alle aspecten en kenmerken vertoont van een veranderend en onbestendig bestaan – hoewel er natuurlijk maya’s zijn die zulke lange tijdperken beslaan, dat ze ons bijna een eeuwigheid toeschijnen.

Parabrahman is de enige Werkelijkheid, het grote fundament; maar al is al het overige, alles daaronder, maya, toch is die maya het heelal waarin onze constitutie bestaat – net zo goed als dat wij door ons meest innerlijke wezen met parabrahman zijn verbonden; en omdat parabrahman het Al is, is zelfs maya zijn kleed of manifestatievorm. Mulaprakriti, wortelnatuur, omhult bij wijze van spreken parabrahman, zoals het menselijk bewustzijn het spirituele bewustzijn van de mens omhult. In de constitutie van de mens is de monadische essentie het enige werkelijke deel, niettemin is zijn bewustzijn nu geconcentreerd in zijn menselijke deel, en het is zijn taak dit deel van hemzelf te verheffen om één te worden in zelfbewuste vereniging met het parabrahman of de innerlijke monadische essentie.

In de oude literatuur werden vormen van beeldspraak gebruikt die, tenzij we hun innerlijke betekenis proberen te ontdekken, de neiging hebben de aandacht van essentiële zaken af te leiden. Zo is er bijvoorbeeld over het grenzeloze gezegd dat het ‘het heelal voortbrengt als een vermaak, als een spel’; het roert zich, en dan verschijnt het heelal. Deze uitdrukkingen zijn maar zinnebeelden, suggestief en mooi als we de essentiële waarheid erachter begrijpen. De uitdrukking dat brahman het heelal als een spel voortbrengt, is bedoeld om de waarheid duidelijk te maken dat brahman de essentiële Werkelijkheid is, en dat al het overige van het heelal, dat zich in de loop van kosmische tijdperken ontwikkelt, een soort schimmenspel is dat aan het oog van de godheid voorbijflitst.

Maya betekent daarom niet dat de uiterlijke wereld, zoals het centrale innerlijke bewustzijn die ziet, niet bestaat, want de uiterlijke wereld zelf ligt besloten in de alomvattende Werkelijkheid van parabrahman. Als dit niet zo was, zouden we aan de ene kant parabrahman hebben en aan de andere kant maya, die zo twee tegengestelde of strijdige energieën of essenties zouden vormen, en dat is onmogelijk omdat parabrahman het Al is.

Maya bestaat inderdaad; maar omdat parabrahman alles is, het essentiële zijn, behoort zelfs maya tot zijn essentie. Dat is de kern van de Advaita-Vedanta-leer, zoals Sankaracharya die onderwees. We zijn als wezens mayavisch, maar het hart van het hart van ons is parabrahman: en daarom bevat elk atoom van dit mayavische kleed dat we dragen zijn eigen fundamentele element of essentie, dat ook parabrahman is.

We zien dus dat de ware leer van maya niet betekent dat het heelal illusoir is in de zin dat het niet bestaat, maar alleen dat voor ons en voor andere entiteiten in andere heelallen de Werkelijkheid het parabrahman is binnen de tempel van het onbegrensde zelf, onze diepste essentie.

Het heelal, zowel het zichtbare als het onzichtbare, is opgebouwd uit hiërarchieën, onderling verbonden groepen van entiteiten die samen leven en werken en een karmische bestemming volgen die voor allen min of meer dezelfde is. Deze regel van hiërarchische structuren geldt voor de hele kosmische oneindigheid. Terwijl één hiërarchie van het grenzeloze misschien is geëvolueerd tot het goddelijke, bijna gereed om over te gaan in het Grote Hierna – parabrahman – om een nieuwe evolutiegang te beginnen op een hoger gebied en op een toekomstig kosmisch tijdstip, komt in een ander deel van het grenzeloze een nieuwe hiërarchie tot aanzijn. En dat geldt niet alleen voor planeten, maar ook voor zonnen, zonnestelsels, melkwegstelsels of heelallen. De natuur herhaalt zich overal, hoewel, wat de details betreft, de variaties verbijsterend zijn. Het zijn deze variaties en details die de maya van het heelal vormen. De essentie van alles is onbegrensde liefde, harmonie, wijsheid en onbeperkt bewustzijn: dat is de kern van ieder individueel wezen – waar ook en wanneer ook – de top van zijn hiërarchie die voor hem zijn brahman is.

Deze brahmans zijn eenvoudig oneindig in aantal en totaal verschillend wat hun kenmerken en aard van bewustzijn of individualiteit betreft. Deze oneindige variaties brengen de kosmische maya voort; toch worden ze, alle tezamen, en opgevat als het Al, vooral in hun hoogste delen, technisch samengevat als dat. Men kan dit mysterie niet in menselijke woorden beschrijven. Het God te noemen is dwaas, want het heelal is vol met goden. Ieder mens is in zijn innerlijk een god. Ieder atoom is in de kern van zijn hart een god. Iedere zon in de ruimte is slechts de fysieke manifestatie van een god; en ieder van ons zal in de verre, verre toekomst uitgroeien tot zo’n zon. Dit wordt niet bereikt door stukjes ervaring, stukjes bewustzijn of intelligentie te vergaren, zoals het darwinisme ten onrechte zegt, maar door tevoorschijn te brengen wat al het parabrahman in ons is. Dat bedoelde Jezus toen hij zei dat hij één was met zijn Vader in de Hemel.

 


Bron van het occultisme, blz. 94-7

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag