Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Manvantara: een droom, een maya


O brahmaan, aan deze aarde en de andere dingen van het heelal ligt het denkvermogen ten grondslag en ze bestaan op geen enkel tijdstip los van het denkvermogen. Bijna alle mensen op deze wereld die het pad van dit heelal van dromen, begoocheling en egoïsme bewandelen, beschouwen het als werkelijk en genieten ervan. Het is alleen in chitta (het warrelende denken) dat het heelal bestaat. . . . Heel wonderbaarlijk zijn de gevolgen of manifestaties van het denken, zoals de analogie van een kraai en de vruchten van de palmyra. Zo zien verschillende mensen de ene droom (van het heelal) op verschillende manieren. Met één tak van sport vermaken veel jongens zich op verschillende wijzen.
    – Laghu-Yoga-Vasishtha, V, 5

Maya of illusie is geen begoocheling in de gebruikelijke zin van het woord, namelijk iets dat niet bestaat. De illusie in en om ons is ‘echt’ in die zin dat ze werkelijk bestaat; onze maya of illusie komt voort uit het feit dat we de dingen niet zien, en vaak opzettelijk weigeren te zien, zoals ze werkelijk zijn en zo het slachtoffer worden van het bedrieglijke spel van onze eigen in verwarring gebrachte innerlijke vermogens. Iemand bijvoorbeeld die in enig opzicht extreme opvattingen heeft, zit, hoe oprecht hij ook is, gevangen in het netwerk van zijn eigen misvattingen.

Dit feit alleen al heeft een geweldige morele betekenis, want het leert ons mild tegenover anderen te zijn, omdat we de zwakheden van ons eigen bevattingsvermogen kennen en ook onze sterke vooroordelen en neigingen, waardoor we de dingen als door een donkere bril zien. De wetenschapper van een eeuw geleden die er ideeën over het fysieke heelal op na hield die nu onjuist zijn gebleken, en die fanatiek dacht de waarheid te hebben gevonden, verkeerde onder de maya van zijn tijd, maar ook onder een maya voortgebracht door zijn eigen onvolmaakte inzicht. Ook de gelovige die vasthield aan theologische leerstukken, waarvan de grotere kennis van onze tijd heeft aangetoond dat ze onjuist of slechts gedeeltelijk juist zijn, leefde onder een soortgelijke maya. De materialist die beweerde dat de mens niets meer was dan een levend mechanisme, verkeerde evenzeer in de ban van de illusie als de gelovige die dacht dat bij het Laatste Oordeel ‘rammelende botten uit alle hoeken van de lucht komen aanvliegen’, zoals de eens zeer gerespecteerde dr. Watts zong.

We weven, misschien met diepe mentale en emotionele overtuiging, velerlei bedrieglijke webben van gedachten en gevoelens, en zijn een tijdlang ervan overtuigd dat we gelijk hebben om pas later, wanneer we door ervaring wijzer zijn geworden, in te zien dat we slechts slaven waren van de maya van onze eigen verkeerde voorstellingen. Sommige wetenschappelijke theorieën die in deze tijd serieus worden gepropageerd, zijn niet minder mayavisch dan wat ook maar uit de annalen van de geschiedenis naar voren kan worden gebracht; maar zolang deze illusies voortduren, of ze wetenschappelijk, filosofisch, theologisch of iets anders zijn, zijn ze betrekkelijk reëel voor hen die ze aanhangen.

De leer van maya wordt in de een of andere vorm door bijna alle grote religieuze en filosofische scholen van het oude en moderne Hindoestan onderwezen, en valt in het bijzonder op in de Advaita-Vedanta. Ze is eveneens kenmerkend voor het boeddhisme – tegenwoordig duidelijker in de noordelijke scholen van het mahayana dan in het zuidelijke boeddhisme van het hinayana.2

Het woord maya wordt afgeleid van de werkwoordswortel ma, uitmeten, paal en perk stellen aan, en krijgt bij uitbreiding de betekenis van beperking, vergankelijke aard en alles wat niet duurzaam is. We hebben hier dus bijna hetzelfde onderscheid, dat vaak in bepaalde Europese filosofische scholen wordt gemaakt, tussen dat wat is, ofwel het Werkelijke, en dat wat slechts bestaat [Eng. ex-ists], of dat wat een uiterlijke verschijningsvorm heeft. Het is maar een kleine stap van deze algemene denkbeelden naar het besef dat alles wat een verschijningsvorm heeft en dus voorbijgaand is, bedrieglijk is en als zodanig geen eeuwigdurende werkelijkheid bezit. Uit deze gedachte is in de hindoe-filosofische stelsels en ook in het boeddhisme het algemene idee gegroeid dat alles wat illusoir is, op een of andere vreemde manier magisch is, omdat het een valse schijn heeft die zowel de zintuigen als het denken misleidt.

Kijk naar de mens zelf: hij is in essentie een goddelijk-spirituele monade die rondtrekt door alle uiterlijke en dus illusoire werelden en gebieden van het gemanifesteerde bestaan; deze goddelijk-spirituele monade is zelf eeuwigdurend omdat ze een druppel is van de kosmische logos, van de kosmische geest, de Werkelijkheid voor alles in ons heelal. Toch zijn al de verschillende delen van de menselijke constitutie waarin deze monade zich kleedt, door hun min of meer onbestendige aard, illusies vergeleken met de goddelijke monade zelf. Het zou belachelijk zijn over de mens te spreken alsof hij niet werkelijk is en geen werkelijk bestaan heeft, want dat heeft hij zeer nadrukkelijk wel; maar alleen zijn verschillende monaden zijn druppels van de eeuwigheid, en alle overige delen van hem vormen de ‘magie’ die in tijd en ruimte door karma wordt teweeggebracht, en brengen gezamenlijk alle uiterlijke aspecten van zijn constitutie voort.

Terwijl de maya van het lagere deel van elk wezen of ding, of we nu spreken over een melkwegstelsel of een mens, zonder twijfel bestaat en al wat is voortbrengt, is het duidelijk dat we niet kunnen zeggen dat de vele en veelsoortige dingen om ons heen absoluut niet bestaan, en ook zijn ze in absolute zin niet verschillend en gescheiden van de Werkelijkheid erachter. Als dat zo was, zouden we daarmee onmiddellijk een onverklaarbare dualiteit in het leven roepen tussen de fundamentele Werkelijkheid en de gemanifesteerde illusie, en dan zou het onmogelijk zijn om te verklaren hoe de verschijningsvorm voortkomt uit het noumenale of het Werkelijke. Volgens deze onjuiste theorie zouden die twee totaal gescheiden zijn en zou de verschijningsvorm niet door oorzakelijke schakels met de Werkelijkheid zijn verbonden. Filosofisch gezien is dus zelfs maya of mahamaya een functie van de Werkelijkheid – haar sluier – voortkomend uit de Werkelijkheid zelf en bestemd om zich tenslotte weer met het Werkelijke te verenigen.

Laten we nu een aspect van de leer van maya bespreken dat in de exoterische filosofische stelsels gewoonlijk erg oppervlakkig wordt behandeld. Alle gemanifesteerde entiteiten, werelden en gebieden, kunnen in zeer diepe zin worden beschouwd als de visioenen of dromen die zijn voortgebracht in en door het kosmische denkvermogen of de kosmische geest aan het begin van de perioden van manvantara van het heelal.

In het geval van de mens is de incarnatie van het spirituele ego een betrekkelijke ‘dood’ voor dat ego, en evenzo is het einde van de belichaming in de stoffelijke werelden een opnieuw ontwaken van het spirituele ego in een hogere graad van zelfbewustzijn in en op zijn eigen gebieden en werelden. Op identieke wijze, en gebruikmakend van de analogie als sleutel, is dat wat we een manvantara noemen een dood van de kosmische geest – het is in paradoxale zin een soort devachan of zelfs een kamaloka van de kosmische geest of het kosmische denkvermogen; en pas als het manvantara eindigt en de pralaya begint, vervagen deze dromen en visioenen van de kosmische geest, en ontwaakt zijn veelomvattende bewustzijn opnieuw tot de volle werkelijkheid van zijn eigen verheven zelf.

We kunnen hieruit twee conclusies trekken: (a) dat devachan, hoewel dichter bij de Werkelijkheid vergeleken met de illusie van het aardse leven, niettemin meer een maya is dan de zelfbewuste en oorzaken scheppende ervaringen van deze aarde; want de devachanische dromen, hoe mooi en spiritueel ze misschien ook zijn, zijn tenslotte dromen; en (b) het is pas in het nirvana, in welke toestand alle maya is ‘uitgeblazen’, dat de spirituele monade de Werkelijkheid proeft en is bevrijd van haar bedrieglijke dromerij, die niets anders is dan de uitgebreide ervaringen die het gevolg zijn van de omzwervingen in het gemanifesteerde bestaan. En zo is het ook met het heelal en zijn mahamaya.

We zien dus dat alle gemanifesteerde werelden als verschijnsel werkelijk zijn, omdat ze bestaan als een illusoire en dus begoochelende activiteit van het kosmische denkvermogen, en omdat de essentiële Werkelijkheid hun achtergrond en bron is. Het is belangrijk dit punt te begrijpen, want we dwalen ver af van de ware leer als we denken dat maya betekent dat de wereld van de verschijnselen volstrekt niet bestaat. De verschijningswereld is illusoir en is toch gebaseerd op de Werkelijkheid, omdat ze daaruit voortvloeit.

Dit is de reden dat de leer van maya zo gemakkelijk de betekenis heeft gekregen van magische illusie of de werking van een magische kracht in de natuur. In verscheidene passages uit de oude filosofieboeken van de hindoes worden bepaalde kosmische godheden, zoals Varuna of Indra, bekleed met magische vermogens van ‘misleiding’, en die passages doelen rechtstreeks op het heelal van verschijnselen als het product van de intelligente fantasie van de kosmische verbeeldingskracht, die het heelal en alles wat zich daarin bevindt als een droom doet ontstaan.

Dit wordt goed geïllustreerd in het volgende fragment uit het Yoga-Vasishtha-Ramayana (hfst. xii):

Gedurende de tijd dat de grote slaap van mahapralaya heerst, is Brahm het enige dat blijft als eindeloze ruimte en verheven vrede. En wanneer Het aan het einde daarvan weer ontwaakt in de vorm van chit (bewustzijn), denkt Het bij zichzelf ‘Ik ben een lichtstip’, net zoals u zich in uw dromen elk gewenst beeld vormt. Die lichtstip neemt weer afmeting aan, ‘Ik ben groot’. Die massa, die geen echte werkelijkheid heeft, wordt het Brahmanda. Binnen dat Brahmanda denkt Brahm weer: ‘Ik ben Brahma’, en Brahma wordt daarop de bestuurder van een uitgestrekt mentaal rijk dat deze wereld is. In die eerste schepping nam het bewustzijn vele vormen aan; en de wortelvormen die het bewustzijn in dat begin aannam blijven onveranderlijk bestaan gedurende de hele kalpa. Dat is de bestemming die de aard en de wet van de dingen is, terwijl dat oorspronkelijke bewustzijn voortduurt. Het vormt dat wat onze ruimte en tijd en basiselementen zijn. Het vormt ze tot wat ze zijn uit asat. Die bestemming heeft ook de duur van het menselijk leven vastgesteld, die verschilt in de verschillende yuga’s als gevolg van verschillen in de graad van zonde en verdienste.

Dezelfde gedachte is belichaamd in verscheidene passages in de Purana’s en de Upanishads, in de Rig-Veda en ook in de Bhagavad-Gita.3

Wij mensen zijn onlosmakelijke delen van het kosmische geheel; en omdat we deelhebben aan al zijn kenmerken en eigenschappen, volgen we de wetten en werkingen van het heelal waaruit we zijn voortgekomen. Dit is de reden waarom we niet alleen onderworpen zijn aan maya, maar dat we dat in ons hebben als onze goddelijk-spirituele natuur, waardoor het ons mogelijk is door evolutionaire groei tenslotte zelfbewust het Werkelijke te kennen.

De betoverende magie van maya omringt ons aan alle kanten; maar ons eigen diepste innerlijk is niet-illusie, of is, anders gezegd, het kosmische noumenon, of het hart van sunyata; en juist op dit diepste innerlijk zinspeelt HPB als ze over alaya* spreekt als ‘de universele ziel of atman’ – dat wat niet tot de verschijnselen behoort omdat het nooit opgaat in de illusie. Zelfs de wetenschappers zijn gaan vermoeden dat de fysieke stof zelf illusoir is – ‘voornamelijk gaten’. Wat we fysieke stof noemen is niet substantie per se, maar slechts een voortbrengsel of een manifestatie van een eraan ten grondslag liggende werkelijkheid, vergeleken waarmee ons heelal sunya, leeg, is.

*Alaya is een boeddhistische term die vooral in de noordelijke scholen wordt gebruikt en in feite identiek is met het hoogste akasa, de top van de anima mundi of kosmische ziel. Het is een samengesteld Sanskrietwoord, gevormd uit het ontkennende partikel a, en laya van de werkwoordswortel li, die oplossen, verdwijnen, betekent. Alaya moet niet worden verward met alaya-vijñana, een term die vaak wordt aangetroffen in geschriften van de mahayana-school. Alaya en alaya zijn niet identiek. Alaya kan mahabuddhi of kosmische buddhi worden genoemd, ofwel de tweede kosmische logos; terwijl alaya een reservoir, een woning, betekent en vaak op mystieke manier wordt gebruikt voor een schatkamer van wijsheid en kennis. Vijñana betekent onderscheidingsvermogen of vermogen tot redeneren.

In de menselijke constitutie komt alaya-vijñana overeen met het reïncarnerende ego of het hogere manas, dat de voorraadschuur is van alle mentale en spirituele ervaringen die door het menselijke ego in elk van zijn incarnaties zijn vergaard. Het is daarom de zetel van de verzamelde wijsheid die tot de menselijk-spirituele natuur van de mens behoort; en is in één opzicht zowel het doel van zijn toekomstige evolutie als, tegelijkertijd, door de karmische zaden van het lot die het bevat, de veroorzaker van wederbelichamingen. Alaya-vijñana is bijna identiek met de vijñanamaya-kosa van de Vedanta, letterlijk uit denken gevormd omhulsel, die het dichtst bij de hoogste of anandamaya-kosa staat, omhulsel van bewuste gelukzaligheid, en deze laatste komt overeen met buddhi; terwijl de atman de top van de constitutie is.

Sommige mahayana-geschriften noemen achttien manieren om de leegte of sunyata4 te beschrijven; het doel daarvan is om de onwerkelijkheid of leegte van alles in de universele natuur, behalve de oorzakelijke Werkelijkheid, aan te tonen. Het zijn in feite een reeks filosofische paradoxen, die ons enigszins doen denken aan de Griekse school van Heraclitus, die ‘de Duistere’ werd genoemd, op grond van zijn intellectuele spitsvondigheid in het uitspreken van paradoxen die zowel het voor als het tegen van filosofische beginselen duidelijk maakten.

Er wordt door boeddhistische commentatoren voortdurend op gewezen dat alles wat het begrip leegte omvat, alleen kan worden doorgrond door middel van prajña, of het buddhische, intuïtieve begripsvermogen. Leegte is geen theoretisch begrip dat in een of andere categorie van het logisch denken kan worden ingepast. Ze blijft onbereikbaar en ondenkbaar, want ze is de uiteindelijke Werkelijkheid en valt geheel buiten de grenzen van de wereld van manifestaties. Daarom is ze synoniem geworden met het begrip aldus-heid (tathata). Leegte en aldus-heid kunnen worden gezien als de mahayana-opvatting van de Werkelijkheid. Men moet zich niet een beeld ervan vormen, maar ze intuïtief aanvoelen.

Om terug te komen op de kosmische intelligentie die het heelal ‘als een droom doet ontstaan’: we moeten bedenken dat het absolute, met andere woorden het kosmische denkvermogen, zich niet volledig als maya projecteert, maar alleen zoals bij het ‘dromen’ – dat wil zeggen, het wordt niet volledig het heelal van verschijnselen. Dat zou even onjuist zijn als te veronderstellen dat de spirituele monade in de mens tijdens een incarnatie volledig in het menselijk lichaam afdaalt. Veeleer is het zo dat ze vanuit zichzelf een straal projecteert die, juist omdat hij een deel is en niet de spirituele monade in haar totaliteit, vergeleken met zijn ouder een betrekkelijke maya is.

 


Bron van het occultisme, blz. 104-9

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag