Manvantara: een droom, een maya
O brahmaan, aan deze aarde en de andere dingen
van het heelal ligt het denkvermogen ten grondslag en ze bestaan op
geen enkel tijdstip los van het denkvermogen. Bijna alle mensen op
deze wereld die het pad van dit heelal van dromen, begoocheling en
egoïsme bewandelen, beschouwen het als werkelijk en genieten
ervan. Het is alleen in chitta (het warrelende denken) dat het heelal
bestaat. . . . Heel wonderbaarlijk zijn de gevolgen of manifestaties
van het denken, zoals de analogie van een kraai en de vruchten van
de palmyra. Zo zien verschillende mensen de ene droom (van het heelal)
op verschillende manieren. Met één tak van sport vermaken
veel jongens zich op verschillende wijzen.
– Laghu-Yoga-Vasishtha, V, 5
Maya of illusie is geen
begoocheling in de gebruikelijke zin van het woord, namelijk iets dat
niet bestaat. De illusie in en om ons is ‘echt’ in die zin
dat ze werkelijk bestaat; onze maya of illusie komt voort uit het feit
dat we de dingen niet zien, en vaak opzettelijk weigeren te zien, zoals
ze werkelijk zijn en zo het slachtoffer worden van het bedrieglijke
spel van onze eigen in verwarring gebrachte innerlijke vermogens. Iemand
bijvoorbeeld die in enig opzicht extreme opvattingen heeft, zit, hoe
oprecht hij ook is, gevangen in het netwerk van zijn eigen misvattingen.
Dit feit alleen al heeft
een geweldige morele betekenis, want het leert ons mild tegenover anderen
te zijn, omdat we de zwakheden van ons eigen bevattingsvermogen kennen
en ook onze sterke vooroordelen en neigingen, waardoor we de dingen
als door een donkere bril zien. De wetenschapper van een eeuw geleden
die er ideeën over het fysieke heelal op na hield die nu onjuist
zijn gebleken, en die fanatiek dacht de waarheid te hebben gevonden,
verkeerde onder de maya van zijn tijd, maar ook onder een maya voortgebracht
door zijn eigen onvolmaakte inzicht. Ook de gelovige die vasthield aan
theologische leerstukken, waarvan de grotere kennis van onze tijd heeft
aangetoond dat ze onjuist of slechts gedeeltelijk juist zijn, leefde
onder een soortgelijke maya. De materialist die beweerde dat de mens
niets meer was dan een levend mechanisme, verkeerde evenzeer in de ban
van de illusie als de gelovige die dacht dat bij het Laatste Oordeel
‘rammelende botten uit alle hoeken van de lucht komen aanvliegen’,
zoals de eens zeer gerespecteerde dr. Watts zong.
We weven, misschien met
diepe mentale en emotionele overtuiging, velerlei bedrieglijke webben
van gedachten en gevoelens, en zijn een tijdlang ervan overtuigd dat
we gelijk hebben om pas later, wanneer we door ervaring wijzer zijn
geworden, in te zien dat we slechts slaven waren van de maya van onze
eigen verkeerde voorstellingen. Sommige wetenschappelijke theorieën
die in deze tijd serieus worden gepropageerd, zijn niet minder mayavisch
dan wat ook maar uit de annalen van de geschiedenis naar voren kan worden
gebracht; maar zolang deze illusies voortduren, of ze wetenschappelijk,
filosofisch, theologisch of iets anders zijn, zijn ze betrekkelijk reëel
voor hen die ze aanhangen.
De leer van maya wordt
in de een of andere vorm door bijna alle grote religieuze en filosofische
scholen van het oude en moderne Hindoestan onderwezen, en valt in het
bijzonder op in de Advaita-Vedanta. Ze is eveneens kenmerkend
voor het boeddhisme – tegenwoordig duidelijker in de noordelijke
scholen van het mahayana dan in het zuidelijke boeddhisme van het hinayana.2
Het woord maya wordt afgeleid
van de werkwoordswortel ma, uitmeten, paal en perk stellen
aan, en krijgt bij uitbreiding de betekenis van beperking, vergankelijke
aard en alles wat niet duurzaam is. We hebben hier dus bijna hetzelfde
onderscheid, dat vaak in bepaalde Europese filosofische scholen wordt
gemaakt, tussen dat wat is, ofwel het Werkelijke, en dat wat slechts
bestaat [Eng. ex-ists], of dat wat een uiterlijke verschijningsvorm
heeft. Het is maar een kleine stap van deze algemene denkbeelden naar
het besef dat alles wat een verschijningsvorm heeft en dus voorbijgaand
is, bedrieglijk is en als zodanig geen eeuwigdurende werkelijkheid bezit.
Uit deze gedachte is in de hindoe-filosofische stelsels en ook in het
boeddhisme het algemene idee gegroeid dat alles wat illusoir is, op
een of andere vreemde manier magisch is, omdat het een valse schijn
heeft die zowel de zintuigen als het denken misleidt.
Kijk naar de mens zelf:
hij is in essentie een goddelijk-spirituele monade die rondtrekt door
alle uiterlijke en dus illusoire werelden en gebieden van het gemanifesteerde
bestaan; deze goddelijk-spirituele monade is zelf eeuwigdurend omdat
ze een druppel is van de kosmische logos, van de kosmische geest, de
Werkelijkheid voor alles in ons heelal. Toch zijn al de verschillende
delen van de menselijke constitutie waarin deze monade zich kleedt,
door hun min of meer onbestendige aard, illusies vergeleken met de goddelijke
monade zelf. Het zou belachelijk zijn over de mens te spreken alsof
hij niet werkelijk is en geen werkelijk bestaan heeft, want dat heeft
hij zeer nadrukkelijk wel; maar alleen zijn verschillende monaden zijn
druppels van de eeuwigheid, en alle overige delen van hem vormen de
‘magie’ die in tijd en ruimte door karma wordt teweeggebracht,
en brengen gezamenlijk alle uiterlijke aspecten van zijn constitutie
voort.
Terwijl de maya van het
lagere deel van elk wezen of ding, of we nu spreken over een melkwegstelsel
of een mens, zonder twijfel bestaat en al wat is voortbrengt, is het
duidelijk dat we niet kunnen zeggen dat de vele en veelsoortige dingen
om ons heen absoluut niet bestaan, en ook zijn ze in absolute zin niet
verschillend en gescheiden van de Werkelijkheid erachter. Als dat zo
was, zouden we daarmee onmiddellijk een onverklaarbare dualiteit in
het leven roepen tussen de fundamentele Werkelijkheid en de gemanifesteerde
illusie, en dan zou het onmogelijk zijn om te verklaren hoe de verschijningsvorm
voortkomt uit het noumenale of het Werkelijke. Volgens deze onjuiste
theorie zouden die twee totaal gescheiden zijn en zou de verschijningsvorm
niet door oorzakelijke schakels met de Werkelijkheid zijn verbonden.
Filosofisch gezien is dus zelfs maya of mahamaya een functie van de
Werkelijkheid – haar sluier – voortkomend uit de Werkelijkheid
zelf en bestemd om zich tenslotte weer met het Werkelijke te verenigen.
Laten we nu een aspect
van de leer van maya bespreken dat in de exoterische filosofische stelsels
gewoonlijk erg oppervlakkig wordt behandeld. Alle gemanifesteerde entiteiten,
werelden en gebieden, kunnen in zeer diepe zin worden beschouwd als
de visioenen of dromen die zijn voortgebracht in en door het kosmische
denkvermogen of de kosmische geest aan het begin van de perioden van
manvantara van het heelal.
In het geval van de mens
is de incarnatie van het spirituele ego een betrekkelijke ‘dood’
voor dat ego, en evenzo is het einde van de belichaming in de stoffelijke
werelden een opnieuw ontwaken van het spirituele ego in een hogere graad
van zelfbewustzijn in en op zijn eigen gebieden en werelden. Op identieke
wijze, en gebruikmakend van de analogie als sleutel, is dat wat we een
manvantara noemen een dood van de kosmische geest – het is in
paradoxale zin een soort devachan of zelfs een kamaloka van de kosmische
geest of het kosmische denkvermogen; en pas als het manvantara eindigt
en de pralaya begint, vervagen deze dromen en visioenen van de kosmische
geest, en ontwaakt zijn veelomvattende bewustzijn opnieuw tot de volle
werkelijkheid van zijn eigen verheven zelf.
We kunnen hieruit twee
conclusies trekken: (a) dat devachan, hoewel dichter bij de Werkelijkheid
vergeleken met de illusie van het aardse leven, niettemin meer een maya
is dan de zelfbewuste en oorzaken scheppende ervaringen van deze aarde;
want de devachanische dromen, hoe mooi en spiritueel ze misschien ook
zijn, zijn tenslotte dromen; en (b) het is pas in het nirvana, in welke
toestand alle maya is ‘uitgeblazen’, dat de spirituele monade
de Werkelijkheid proeft en is bevrijd van haar bedrieglijke dromerij,
die niets anders is dan de uitgebreide ervaringen die het gevolg zijn
van de omzwervingen in het gemanifesteerde bestaan. En zo is het ook
met het heelal en zijn mahamaya.
We zien dus dat alle gemanifesteerde
werelden als verschijnsel werkelijk zijn, omdat ze bestaan
als een illusoire en dus begoochelende activiteit van het kosmische
denkvermogen, en omdat de essentiële Werkelijkheid hun
achtergrond en bron is. Het is belangrijk dit punt te begrijpen, want
we dwalen ver af van de ware leer als we denken dat maya betekent dat
de wereld van de verschijnselen volstrekt niet bestaat. De verschijningswereld
is illusoir en is toch gebaseerd op de Werkelijkheid, omdat ze daaruit
voortvloeit.
Dit is de reden dat de
leer van maya zo gemakkelijk de betekenis heeft gekregen van magische
illusie of de werking van een magische kracht in de natuur. In verscheidene
passages uit de oude filosofieboeken van de hindoes worden bepaalde
kosmische godheden, zoals Varuna of Indra, bekleed met magische vermogens
van ‘misleiding’, en die passages doelen rechtstreeks op
het heelal van verschijnselen als het product van de intelligente fantasie
van de kosmische verbeeldingskracht, die het heelal en alles wat zich
daarin bevindt als een droom doet ontstaan.
Dit wordt goed geïllustreerd
in het volgende fragment uit het Yoga-Vasishtha-Ramayana (hfst.
xii):
Gedurende de tijd dat de grote slaap van mahapralaya
heerst, is Brahm het enige dat blijft als eindeloze ruimte en verheven
vrede. En wanneer Het aan het einde daarvan weer ontwaakt in de vorm
van chit (bewustzijn), denkt Het bij zichzelf ‘Ik ben een lichtstip’,
net zoals u zich in uw dromen elk gewenst beeld vormt. Die lichtstip
neemt weer afmeting aan, ‘Ik ben groot’. Die massa, die
geen echte werkelijkheid heeft, wordt het Brahmanda. Binnen dat Brahmanda
denkt Brahm weer: ‘Ik ben Brahma’, en Brahma wordt daarop
de bestuurder van een uitgestrekt mentaal rijk dat deze wereld is.
In die eerste schepping nam het bewustzijn vele vormen aan; en de
wortelvormen die het bewustzijn in dat begin aannam blijven onveranderlijk
bestaan gedurende de hele kalpa. Dat is de bestemming die de aard
en de wet van de dingen is, terwijl dat oorspronkelijke bewustzijn
voortduurt. Het vormt dat wat onze ruimte en tijd en basiselementen
zijn. Het vormt ze tot wat ze zijn uit asat. Die bestemming
heeft ook de duur van het menselijk leven vastgesteld, die verschilt
in de verschillende yuga’s als gevolg van verschillen in de
graad van zonde en verdienste.
Dezelfde
gedachte is belichaamd in verscheidene passages in de Purana’s
en de Upanishads, in de Rig-Veda en ook in de Bhagavad-Gita.3
Wij mensen zijn onlosmakelijke
delen van het kosmische geheel; en omdat we deelhebben aan al zijn kenmerken
en eigenschappen, volgen we de wetten en werkingen van het heelal waaruit
we zijn voortgekomen. Dit is de reden waarom we niet alleen onderworpen
zijn aan maya, maar dat we dat
in ons hebben als onze goddelijk-spirituele natuur, waardoor het ons
mogelijk is door evolutionaire groei tenslotte zelfbewust het Werkelijke
te kennen.
De betoverende magie van
maya omringt ons aan alle kanten; maar ons eigen diepste innerlijk is
niet-illusie, of is, anders gezegd, het kosmische noumenon, of het hart
van sunyata; en juist op dit diepste innerlijk zinspeelt HPB als ze
over alaya* spreekt als ‘de universele ziel of atman’ –
dat wat niet tot de verschijnselen behoort omdat het nooit opgaat in
de illusie. Zelfs de wetenschappers zijn gaan vermoeden dat de fysieke
stof zelf illusoir is – ‘voornamelijk gaten’. Wat
we fysieke stof noemen is niet substantie per se, maar slechts een voortbrengsel
of een manifestatie van een eraan ten grondslag liggende werkelijkheid,
vergeleken waarmee ons heelal sunya, leeg, is.
*Alaya is een boeddhistische term die vooral in de
noordelijke scholen wordt gebruikt en in feite identiek is met het
hoogste akasa, de top van de anima mundi of kosmische ziel. Het is
een samengesteld Sanskrietwoord, gevormd uit het ontkennende partikel
a, en laya van de werkwoordswortel li,
die oplossen, verdwijnen, betekent. Alaya moet niet worden verward
met alaya-vijñana, een term die vaak wordt aangetroffen in
geschriften van de mahayana-school. Alaya en alaya zijn niet identiek.
Alaya kan mahabuddhi of kosmische buddhi worden genoemd, ofwel de
tweede kosmische logos; terwijl alaya een reservoir, een woning, betekent
en vaak op mystieke manier wordt gebruikt voor een schatkamer van
wijsheid en kennis. Vijñana betekent onderscheidingsvermogen
of vermogen tot redeneren.
In de menselijke constitutie komt alaya-vijñana
overeen met het reïncarnerende ego of het hogere manas, dat de
voorraadschuur is van alle mentale en spirituele ervaringen die door
het menselijke ego in elk van zijn incarnaties zijn vergaard. Het
is daarom de zetel van de verzamelde wijsheid die tot de menselijk-spirituele
natuur van de mens behoort; en is in één opzicht zowel
het doel van zijn toekomstige evolutie als, tegelijkertijd, door de
karmische zaden van het lot die het bevat, de veroorzaker van wederbelichamingen.
Alaya-vijñana is bijna identiek met de vijñanamaya-kosa
van de Vedanta, letterlijk uit denken gevormd omhulsel, die het dichtst
bij de hoogste of anandamaya-kosa staat, omhulsel van bewuste gelukzaligheid,
en deze laatste komt overeen met buddhi; terwijl de atman de top van
de constitutie is.
Sommige
mahayana-geschriften noemen achttien manieren om de leegte of sunyata4
te beschrijven; het doel daarvan is om de onwerkelijkheid of leegte
van alles in de universele natuur, behalve de oorzakelijke Werkelijkheid,
aan te tonen. Het zijn in feite een reeks filosofische paradoxen, die
ons enigszins doen denken aan de Griekse school van Heraclitus, die
‘de Duistere’ werd genoemd, op grond van zijn intellectuele
spitsvondigheid in het uitspreken van paradoxen die zowel het voor als
het tegen van filosofische beginselen duidelijk maakten.
Er wordt door boeddhistische
commentatoren voortdurend op gewezen dat alles wat het begrip leegte
omvat, alleen kan worden doorgrond door middel van prajña, of
het buddhische, intuïtieve begripsvermogen. Leegte is geen theoretisch
begrip dat in een of andere categorie van het logisch denken kan worden
ingepast. Ze blijft onbereikbaar en ondenkbaar, want ze is de uiteindelijke
Werkelijkheid en valt geheel buiten de grenzen van de wereld van manifestaties.
Daarom is ze synoniem geworden met het begrip aldus-heid (tathata).
Leegte en aldus-heid kunnen worden gezien als de mahayana-opvatting
van de Werkelijkheid. Men moet zich niet een beeld ervan vormen, maar
ze intuïtief aanvoelen.
Om terug te komen op de
kosmische intelligentie die het heelal ‘als een droom doet ontstaan’:
we moeten bedenken dat het absolute, met andere woorden het kosmische
denkvermogen, zich niet volledig als maya projecteert, maar alleen zoals
bij het ‘dromen’ – dat wil zeggen, het wordt
niet volledig het heelal van verschijnselen. Dat zou even onjuist zijn
als te veronderstellen dat de spirituele monade in de mens tijdens een
incarnatie volledig in het menselijk lichaam afdaalt. Veeleer is het
zo dat ze vanuit zichzelf een straal projecteert die, juist omdat hij
een deel is en niet de spirituele monade in haar totaliteit, vergeleken
met zijn ouder een betrekkelijke maya is.
Bron
van het Occultisme, blz. 104-9
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag