Dagen en nachten van Brahma
Het verschijnen en verdwijnen van het heelal
wordt voorgesteld als een uitademing en inademing van ‘de grote
adem’, die eeuwig is en die, omdat hij beweging is, een van
de drie aspecten van het Absolute is; de andere twee zijn abstracte
Ruimte en duur. Als de ‘grote adem’ wordt geprojecteerd,
wordt hij de goddelijke adem genoemd en wordt hij beschouwd als het
ademen van de onkenbare godheid – het ene bestaan – die
als het ware een gedachte uitademt die de Kosmos wordt. (Zie Isis
Ontsluierd.) Zo verdwijnt ook, als de goddelijke adem weer wordt
ingeademd, het Heelal in de schoot van ‘de grote moeder’,
die dan slaapt ‘gewikkeld in haar onzichtbare gewaden’.
– De Geheime Leer, 1:73
Toen HPB passages aanhaalde uit de archaïsche
hindoegeschriften, zoals het Vishnu-Purana, over de kosmische
dagen en nachten die de uitademing en inademing van Brahma* zijn, gebruikte
ze beeldspraak. Brahma kan worden omschreven als een geïndividualiseerd
aspect van de kosmische overziel of Brahman, het individuele goddelijke
beginsel van een kosmische eenheid, of dit nu een zonnestelsel is zoals
het onze of een grotere of kleinere entiteit. Brahma is dus het bezielende,
expansieve substantie-bewustzijn van de natuur in zijn eeuwige periodieke
cyclussen van manifestatie. Hij dient scherp te worden onderscheiden
van mulaprakriti, of beter gezegd pradhana, wortelnatuur, die de schaduw-
of stofzijde van de kosmos is.
*Vgl. Isis Ontsluierd [Isis Unveiled,
2:264-51]; De Geheime Leer, 1:402-14.
Brahma is de mannelijke of gepersonifieerde vorm van
het onzijdige woord brahman (van de werkwoordswortel brih,
die uitzetten, groeien, bevruchten betekent) en vertegenwoordigt het
spirituele, evoluerende energie-bewustzijn van een kosmische eenheid
zoals een zonnestelsel, dat terecht een Ei van Brahma wordt genoemd.
In het algemeen gesproken is Brahma de kosmische
godheid, hoewel het woord in de moderne theosofische geschriften ook
wordt gebruikt om de spirituele entiteit aan te duiden waarvan een planeetketen*
de zeven beginselen vormt, of anders gezegd, de belichaming is. Elke
bol van zo’n planeetketen – en op grotere schaal is dit
van toepassing op het hele zonnestelsel – komt niet alleen overeen
met een van de beginselen van de Brahma van een planeetketen, maar elk
zo’n bol is ook een brandpunt of ‘knooppunt’ waarin
het bewustzijn van die Brahma is gelokaliseerd. Op precies dezelfde
wijze heeft de mens in zijn eigen zevenvoudige constitutie zijn verschillende
knooppunten of centra, waarin het bewustzijn dat van de god in hem uitstraalt,
is gelokaliseerd en waarin het werkt. In feite is zijn innerlijke god
gedurende de perioden van activiteit in een manvantara – in dit
geval tijdens menselijke incarnaties – de Brahma van de mens.
*Een planeetketen bestaat uit zeven (of twaalf) beginselen
of bollen, waarvan er slechts één voor ons op dit gebied
zichtbaar is.
Elk verschijnen van een zonnestelsel (en evenzeer
van een planeetketen) in een manvantarisch gemanifesteerd bestaan is
een uitademing van zijn Brahma of kosmische godheid; zo betekent iedere
inademing van diezelfde Brahma zijn pralaya of rustperiode, het verdwijnen
van het gemanifesteerde wezen naar hogere gebieden. Precies zo is het
met de mens: wanneer hij op aarde is belichaamd, is hij als een zuil
van licht die uit de geest door alle gebieden heen afdaalt tot het fysieke
lichaam wordt bereikt; wanneer hij sterft en zijn constitutie uiteenvalt,
wordt de lichtzuil stap voor stap van beneden naar boven opgetrokken,
tot ze de spirituele gebieden weer bereikt, wat betekent dat ze uit
de lagere kosmische gebieden verdwijnt.
Pralaya – van de werkwoordswortel li,
‘oplossen’, en pra, ‘weg’ of ‘uit’
– is de algemene term voor de toestand van rust of latentie tussen
twee manvantara’s of levenscyclussen, van welke duur ook. Gedurende
de grote of mahapralaya’s verdwijnt ieder wezen of iedere eenheid
die gedifferentieerd was uit het heelal van verschijnselen en wordt
het getransformeerd in de oorzakelijke essentie, die periodiek en in
de eindeloze duur alle uiterlijke manifestaties van de natuur doet ontstaan.
Pralaya is dus het oplossen van het zichtbare in het onzichtbare, het
heterogene in het homogene; met andere woorden, het objectieve heelal
keert terug tot zijn ene fundamentele, oorspronkelijke en eeuwig voortbrengende
oorzaak, om bij de volgende kosmische dageraad weer als een nieuw heelal
te verschijnen, de karmische vrucht van het oude heelal, zijn vroegere
‘zelf’. Voor ons eindige verstand lijkt pralaya een toestand
van niet-zijn – en dat is het ook voor alle bestaansvormen en
wezens op de lagere etherische en stoffelijke gebieden.
Als een zonnestelsel aan het einde van zijn zonnepralaya
uit de kosmische latente toestand verschijnt, en aan zijn manifestaties
vanuit de geest omlaag in de stof begint, is dit het uitademen van dat
kosmische individu of Brahma. Als het zonnemanvantara is geëindigd,
verdwijnen op precies dezelfde manier alle delen van het zonnestelsel
stap voor stap van de lagere gebieden en worden ze successievelijk in
de spirituele rijken teruggetrokken; dan volgt de zonnepralaya, de inademing
van dat kosmische individu. Waar vroeger een zon met zijn planeetketens
bestond, zouden we niets dan ‘lege’ kosmische aether zien,
zoals die nu tussen de sterren bestaat in de uitgestrekte gebieden van
de sterrenruimten.
Verder zijn pralaya en manvantara slechts andere
namen voor de systole en diastole van een kosmos. De systole is het
intrekken, het inademen, het verdwijnen van al wat is, en de diastole
is het omgekeerde: het uitademen of de manifestatie, langs de kosmische
levensladder van de geest tot de grofste stof, van de gebieden van de
zich ontwikkelende entiteit, wat deze ook is – zon, planeetketen,
of zelfs een melkwegstelsel. Systole en diastole worden ook gebruikt
voor de perioden van de zonnevlekken, die het kloppen van het zonnehart
weergeven.
Wanneer een gemanifesteerde entiteit op een of ander
gebied in pralaya gaat, zijn de levensatomen die ze op dat gebied achterlaat
in hun diepe slaap, die zo lang aanhoudt als de pralaya duurt. Wat de
wetenschap nu als lege ruimte opvat, is in werkelijkheid kosmische aether
in een toestand van pralaya; en ieder deel van een dergelijke ruimte,
die ten onrechte leeg wordt genoemd, was al eeuwigheden geleden het
toneel voor het verschijnen van zich manifesterende entiteiten en zal
dit in toekomstige eeuwigheden opnieuw zijn.
Aether moet nooit worden verward met ether. Ze verschillen
evenzeer in wezen en betekenis als de spirituele ziel van een mens verschilt
van zijn astrale lichaam. Aether is praktisch identiek met het Sanskrietwoord
akasa, en beide zijn de hoogste regionen van de anima mundi. Ether is
het grofste of fysieke aspect van aether, en is vaak verwisselbaar met
het astrale licht, dat de neerslag van de anima mundi is of, wat op
hetzelfde neerkomt, van aether. Het hoogste deel van het aurische ei
van de mens is ook zuivere akasa of aether of de spirituele ziel, en
zijn astrale en fysieke delen zijn het lingasarira, dat overeenkomt
met de ether en de lagere astrale substantie, terwijl het fysieke lichaam
de neerslag of het bezinksel van deze laatstgenoemden is.
Tijdens het manvantara manifesteert een kosmische
entiteit zich, als gevolg van krachten die zowel van binnen naar buiten
als van buiten naar binnen werken, op de verschillende gebieden van
de onbegrensde Ruimte; tijdens haar pralaya verdwijnt dezelfde entiteit
uit deze gebieden en rusten haar hogere beginselen in een onvoorstelbare
toestand van nirvanische gelukzaligheid. Zo gaat het ook met de mens
gedurende zijn leven en na de dood, maar op veel kleinere schaal.
Nirvana* is een toestand van volledig, onbelemmerd
bewustzijn, van opgaan in zuiver kosmisch zijn, en het is de wonderbaarlijke
bestemming van hen die bovenmenselijke kennis, zuiverheid en spirituele
verlichting hebben bereikt. Het is in feite de persoonlijk-individuele
vereenzelviging met het spirituele zelf – het hoogste zelf. Het
is ook de toestand van de monadische entiteiten in de periode tussen
de kleinere manvantara’s of ronden van een planeetketen; en vollediger
tussen elke periode van zeven ronden, of dag van Brahma, en de daaropvolgende
dag of nieuwe kalpa van een planeetketen.
*Nirvana, een samengesteld Sanskrietwoord – nir,
een voorzetsel dat uit of weg betekent; vana, het verleden
deelwoord van de werkwoordswortel va, blazen – betekent
letterlijk ‘uitgeblazen’. De betekenis van deze oude Indiase
gedachte is zo slecht begrepen, dat Europese geleerden vele jaren lang
discussieerden over de vraag of ‘uitgeblazen’ feitelijke
vernietiging van de entiteit betekende of niet.
Er zijn verschillende graden van nirvana; één
is zo hoog dat hij onmerkbaar overgaat in de toestand van de kosmische
hiërarch van ons heelal. Nirvana is ook het verdwijnpunt van de
gedifferentieerde stof genoemd. De zuiver nirvanische toestand is de
‘laya van de geest in parabrahman’, een opgaan in parabrahman,
een teruggaan van de geest naar de ideale abstractie van het zijn, dat
niet in een wijziging brengende betrekking staat tot de gemanifesteerde
gebieden waarop ons heelal tijdens deze manvantarische cyclus bestaat.
Paranirvana is dat wat ‘voorbij
nirvana’ is, de periode van kosmische rust of mahapralaya –
de grote nacht van Brahma – de toestand die volgt op het einde
van het manvantara van het zonnestelsel, het saurya-manvantara.6
Zoals een mens zelfbewuste eenwording kan verwerven met de goddelijke
monade die de wortel van zijn wezen is, en zo nirvana bereikt, zo bereiken
het zonnestelsel en alle zelfbewuste entiteiten daarin aan het einde
van het saurya-manvantara een overeenkomstige, maar veel hogere eenwording
met de hiërarch van het galactische heelal, en dit kunnen we omschrijven
als het paranirvana van het zonnestelsel.
Als het universele zonnestelsel zijn manvantarische
einde heeft bereikt en de mahasaurya-pralaya begint, dan worden de drie
dhatu’s – of algemene groepen van kosmische gebieden die
in hun structurele eenheid elk zonnestelsel en ook elk universeel zonnestelsel
vormen – alle uit het bestaan weggevaagd zoals verdroogde bladeren
door de herfstwind, en blijft er niets over dan de ‘volheid’
van de leegte.
Iedere zich manifesterende entiteit in het heelal
is een bewustzijn of monade. Zo is onze zon een zonnemonade, een goddelijk
wezen in zijn hogere delen; en zo is ook elke planeetketen een individu,
een entiteit van geringere spirituele grootte dan een zon, maar niettemin
een kosmisch individu. Ieder atoom is tijdens zijn manifestatie eveneens
een belichaamd individu – een god in zijn hart, een levensatoom
in het tussenliggende deel van zijn constitutie, een scheikundig atoom
in zijn lichaam.
Bron
van het Occultisme, blz. 124-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag