Wederbelichaming van een planeetketen
De geboorte van de hemellichamen in de Ruimte
wordt vergeleken met een menigte ‘pelgrims’ bij het feest
van de ‘vuren’. Op de drempel van de tempel verschijnen
zeven asceten met zeven brandende wierookstokjes. Daaraan ontsteekt
de eerste rij pelgrims hun wierookstokjes. Daarna begint elke asceet
zijn stokje om zijn hoofd rond te zwaaien en voorziet de anderen van
vuur. Zo gaat het ook met de hemellichamen. Een layacentrum wordt
door de vuren van een andere ‘pelgrim’ aangestoken en
tot leven gewekt, waarna het nieuwe ‘centrum’ de ruimte
inschiet en een komeet wordt. Pas nadat hij zijn snelheid en dus ook
zijn vurige staart heeft verloren, gaat de ‘vurige draak’
een rustig en evenwichtig leven leiden als een achtenswaardige burger
van de sterrenfamilie. . . .
Wat weet de wetenschap over
kometen, hun ontstaan, groei, en uiteindelijke gedrag? Niets –
absoluut niets! En wat is er voor onmogelijks aan dat een layacentrum
– een klomp homogeen en sluimerend kosmisch protoplasma, dat
plotseling wordt bezield of aangevuurd – uit zijn rustplaats
in de Ruimte tevoorschijn schiet en ronddraait door de onpeilbare
diepten, om zijn homogene organisme te versterken door accumulatie
en toevoeging van gedifferentieerde elementen? En waarom zou zo’n
komeet niet tot een rustig bestaan komen, leven en een bewoonde bol
worden!
– De Geheime Leer, 1:232-3
Op verschillende plaatsen in haar geschriften heeft
HPB erop gewezen dat het evolutionaire begin van een zich manifesterend
hemellichaam, van welke aard ook, een komeet is. Dit betekent dat er
verschillende soorten kometen bestaan die òf een solaire bol
òf een bol van een planeetketen worden; en er zijn andere kometen
die wat ijlheid of stoffelijkheid betreft nog grotere verschillen vertonen.
Maar iedere komeet moet alle mogelijke fasen van de innerlijke werelden
doorlopen voordat ze dit fysieke gebied bereikt, waar ze eerst als een
nietige lichtvlek verschijnt die geleidelijk in helderheid toeneemt
door de staart die eruit tevoorschijn komt als ze de zon nadert in haar
periodieke of niet-periodieke baan daaromheen. In werkelijkheid zijn
kometen onzichtbaar voordat ze het hoogste subgebied van dit fysieke
gebied betreden, en in alle gevallen ziet men ze eerst als een bijna
etherisch lichtpluimpje.
De planeetketens waren oorspronkelijk ‘kleine
zonnen’* – en het verschil tussen deze en de zon is dat
de zon in de evolutionaire ontwikkeling van zijn spirituele aard en
vermogens ver vooruit is op de planeetketens. Een belangrijk punt is
hier dat het manvantara van een planeetketen korter duurt dan het manvantara
van een zonneketen.
*De naam die in de oude hindoegeschriften aan de planeten
wordt gegeven is aditya’s, zonen van Aditi; en hoewel over Aditi
gewoonlijk wordt gezegd dat zij het leven heeft geschonken aan acht
‘zonzonen’, waarop wordt gedoeld in het commentaar van HPB
in De Geheime Leer (1:130-1), wordt bij andere gelegenheden
het aantal aditya’s opgegeven als twaalf.
Een voorbeeld: wanneer de planeetketen van de aarde
het einde van haar manvantara heeft bereikt, sterft ze, en de innerlijke
beginselen van al haar bollen gaan hun paranirvana binnen. Wanneer de
wederbelichaming van deze planeetketen karmisch moet plaatsvinden, vindt
dezelfde afdaling van de hogere beginselen door de innerlijke werelden
plaats als bij de geboorte van een zonnestelsel. De nieuwe planeetketen
wordt aangetrokken tot haar eigen zonnestelsel, bereikt dat als een
komeet en zwerft periodiek in en uit haar ouderlijke zonnestelsel en
zelfs in en uit de diepten van het melkwegstelsel. Uit verschillende
richtingen wordt op deze komeet, de planeetketen in wording, aantrekkingskracht
uitgeoefend, maar ze zoekt haar weg voortdurend naar die groep van sterrenhopen
die de dierenriem wordt genoemd, aangetrokken door de spiritueel-magnetische
fohatische polariteit. Tenslotte blijft ze binnen ons zonnestelsel,
aangetrokken door onze zon, waaromheen ze wentelt in een baan die later
elliptisch of misschien cirkelvormig wordt. Na dus in de galactische
diepten een omzwervende komeet te zijn geweest, vindt ze opnieuw haar
plaats in het leven en wordt een planeet in de eerste stadia van haar
vroegste ronden.
De vraag kan rijzen hoe groot de macht van de zon
is over de zogenaamde periodieke kometen, omdat de astronomie heeft
aangetoond dat vele daarvan ver de ruimte in reizen, misschien wel dertigmaal
de afstand van Neptunus tot de zon, en men erkent ook dat de oorzaak
van de periodiciteit van bepaalde kometen de aantrekkingskracht van
de zon is.
De aura of het aurische ei van een entiteit strekt
zich ver voorbij haar fysieke voertuig uit. Dus het aurische ei van
een hemellichaam kent voor zijn verschillende lagen verschillende grenzen;
hoe hoger en hoe spiritueler de laag is, des te verder hij zich van
het centrum uitstrekt, en hoe dichter of stoffelijker hij is des te
kleiner is zijn bereik. De psychische, spirituele en goddelijke lagen
van het aurische ei van de zon hebben een immense reikwijdte en dringen
ver in het melkwegstelsel door, waarbij de goddelijke in feite de grenzen
van het melkwegstelsel bereiken.
Alle hemellichamen zijn in essentie levende wezens,
uitdrukkingen van een monade; we kunnen dan inzien waarom een komeet
die door karmische banden tot de familie van de zon behoort, binnen
de aantrekkingskracht van de hogere lagen van het aurische ei van de
zon wordt gehouden, hoever zo’n komeet misschien ook door en in
de galactische ruimten zwerft. Met andere woorden, de zon houdt zijn
eigen kometen, en dat zijn de periodieke, onder controle. Terwijl dus
het rijk van de zon op de lagere gebieden omvat wat gewoonlijk het zonnestelsel
wordt genoemd, kan de macht en dus de aantrekkingskracht van de meer
spirituele lagen van het aurische ei van de zon door fohatische affiniteit
zelfs reiken tot de kometen die tussen de sterren van de melkweg zwerven.
Een volledig gemanifesteerde planeetketen bestaat
uit zeven rupa-bollen, of bollen met een vorm, in verschillende graden
van ijlheid, en uit vijf quasi-etherische of arupa-bollen – twaalf
in totaal. Eenvoudigheidshalve trekt HPB een sluier over de vijf hoogste
bollen en schetst een schitterend beeld van de uit zeven bollen bestaande
planeetketen.
Elk van deze bollen begint op zijn eigen gebied,
zichtbaar of onzichtbaar, zijn manvantarische loopbaan als een komeet;
zodat we zowel fysieke kometen hebben als kometen op elk van de zes
andere kosmische gebieden boven ons zichtbare kosmische gebied. Vervolgens
vormt elke komeet zich om een layacentrum – op welk kosmisch gebied
zij zich ook manifesteert – met als doel door verdichting rond
zichzelf een bol op te bouwen.
Een vrij groot aantal kometen die tot de familie
van de zon behoren, vertoont een zeer interessante aantrekkingskracht
tot de enorme planeet Jupiter; ze worden door de astronomen de ‘kometenfamilie
van Jupiter’ genoemd. Men kan zich afvragen wat de relatie is
tussen Jupiter en zijn kometenfamilie. Er zijn twee belangrijke redenen
voor deze aantrekking: de enorme psychomagnetische of vitale aantrekking
van de planeet zelf, en de nog sterkere en mystiekere invloeden van
de raja-zon ‘achter’ Jupiter.* We kunnen zeggen dat de raja-zon
de generaal is en Jupiter de voornaamste adjudant. Verder is deze groep
kometen karmisch verbonden met zowel ons universele als ons eigen zonnestelsel.
*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 181.
Laten we nu in het kort de bouw van een planeetketen
schetsen, waarbij we onze beschouwing beperken tot de komeet waarvan
het de bestemming is de laagste of bol D van onze aardketen te vormen.
Geen enkele komeet die voor het eerst het hoogste
subgebied van een kosmisch gebied binnentrekt – zoals ons eigen
laagste of fysieke kosmische gebied – bestaat uit de grove stof
van dat gebied, maar in werkelijkheid uit etherische stof die ‘doorbreekt’
vanuit het aangrenzende hogere gebied. Astronomen nemen aan dat een
komeet alleen uit gewone gasvormige fysieke materie bestaat, die om
zich heen een min of meer groot lichaam van kosmisch stof en asteroïde-deeltjes
heeft verzameld. Hoewel dit proces in steeds toenemende mate plaatsvindt,
en in het bijzonder vanaf de tijd dat ze zich tenslotte in haar baan
heeft gevestigd, is een komeet in haar eerste begin in essentie opgebouwd
uit stof die niet tot ons fysieke kosmische gebied behoort.
Alle hemellichamen hebben een spirituele oorsprong.
Het zijn pelgrims – ‘horizontaal’ gaande door een
of ander gebied en ‘verticaal’ van het hoogste tot het laagste
gebied. Hier zien we Plato’s filosofische kruis van de geest die
in de stof werkt en deze beïnvloedt. Een komeet is dus oorspronkelijk
een solaire of planetaire monade. Ze daalt omlaag door de gebieden van
de ruimte en verzamelt haar voertuigen die ze na haar vorige belichaming
had afgeworpen. Wanneer ze dit gebied bereikt, wordt ze voor ons geleidelijk
waarneembaar, en dat is het begin van haar volledige zevenvoudige bestaan
– precies zoals de reïncarnatie van een mens als een volledig
zevenvoudig wezen in de moederschoot begint.
Als zo’n komeet erin slaagt om niet gevangen
en opgeslokt te worden door een van de zonnen die ze op haar interstellaire
reis naar ons zonnestelsel passeert, komt ze binnen de sfeer van de
psychovitale magnetische greep van de titanische krachten die in en
uit onze zon stromen. En omdat ze tegelijk door onze zon wordt aangetrokken
en afgestoten, raakt ze gevangen in dit evenwicht van krachten –
en deze bipolaire aard van de zwaartekracht schenkt de komeet veiligheid
in haar rondwentelingen om de zon. Daarna wordt de komeet een individueel
lid van onze zonnefamilie, in dit geval bol D van onze planeetketen.
De andere elf bollen van de keten waartoe deze komeet behoort, maken
op dezelfde wijze een aanvang met de beginfasen van hun bestemming.
Het zijn de respectieve levenskrachten van elke
bol van de maanketen* of van de keten van een ander planetair samenstel,
die de respectieve layacentra, de centra van slapende energieën
voortbrengen of worden. Een layacentrum is niet iets stoffelijks. Er
is geen layacentrum wanneer er geen wezen is, hetzij kosmisch of menselijk.
Een layacentrum is niet iets dat in de ruimte bestaat, waar levenskrachten
(laten we zeggen van de maanketen) naartoe stromen. Er is een keten-layacentrum,
dat in zichzelf de bol-layacentra bevat. Daarom zou er geen bol-layacentrum
kunnen zijn voordat alle levensessenties en levensenergieën van
bol A van de maanketen die bol als een dood lichaam hebben achtergelaten.
Het totaal van deze levensessenties die bol A van de maanketen verlieten,
werd een layacentrum.
*Vgl. De Geheime Leer, 1:199-203.
Zo’n layacentrum, bestaande uit de spiritueel-psychomagnetische
vitale essenties van een bol van de planeetketen, moet een plaats hebben.
Moeten we zeggen dat het zich binnen of buiten ons zonnestelsel bevindt?
Het laatste. In de diepten van de kosmische ruimte bevinden deze layacentra
zich in een toestand van sluimer, als slapende levenskiemen. Maar de
tijd komt dat ze weer actief worden en de opkomende drang voelen tot
een nieuwe manifestatie – zoals de menselijke entiteit in devachan
de zwakke opleving voelt van de begeerte om zich weer naar de aarde
te begeven als de tijd nadert om opnieuw te incarneren. Wanneer dit
gebeurt in een bol-layacentrum, begint dat te bewegen en baant het zich
met toenemende snelheid een weg vanuit de kosmische diepten, zwerft
op een wat grillige manier rond, wordt nu door de ene dan door de andere
zon aangetrokken waarmee het bepaalde karmische banden heeft, ontwijkt
hem, vliegt er voorbij op de vleugels van zijn bestemming, wordt door
een andere zon aangetrokken, en ondergaat daar misschien hetzelfde lot.
Tenslotte nadert het, aangetrokken door sterkere banden van verwantschap,
ons zonnestelsel en wordt door onze zon binnen de grenzen van zijn eigen
rijk getrokken en vastgehouden – een karmische terugkeer naar
huis.
Door de aantrekkingskracht van de hogere lagen van
het aurische ei van de zon worden de periodiek terugkerende kometen
die tot de zonnefamilie behoren, maar die door de galactische ruimten
tussen de sterren zwerven, in toom gehouden. Omdat niet alle kometen
regelmatig terugkeren, worden vele daarvan om karmische redenen slechts
tijdelijk naar onze zon aangetrokken, wervelen om hem heen tijdens hun
gang door ons zonnestelsel, en verlaten hem dan om hun zwerftochten
voort te zetten naar juist die punten in de ruimte die hun respectieve
doelen zijn, waarbij elke komeet die niet-periodiek terugkeert door
haar eigen zon wordt aangetrokken.
Dat de zon met zijn begeleidende planeten zelf in
beweging is, beïnvloedt op geen enkele manier de aantrekking die
wordt uitgeoefend op de periodiek terugkerende kometen die tot zijn
familie behoren, omdat die psychomagnetische aantrekkingskracht in en
door de hogere lagen van het aurische ei van de zon werkt. Dit geeft
ons een beeld van onze zon die zich door de ruimte beweegt, ieder moment
zijn eigen periodiek terugkerende kometenfamilie beïnvloedt, en
op deze wijze voortdurend wijzigingen aanbrengt in de individuele bewegingen
van die kometen.
Sommige van onze periodiek terugkerende kometen
die tussen de zonnen van de galactische ruimten zwerven, worden op hun
enorm lange pelgrimstocht karmisch tijdelijk tot een of andere zon aangetrokken,
maar keren tenslotte altijd terug naar onze zon – tenzij ze het
lot ondergaan door een andere zon te worden gevangen en door de verschrikkelijke
krachten daarvan te worden vernietigd. Deze kometentragedie komt nogal
eens voor, waarna zo’n komeet die op een mislukking uitliep, zeer
snel, in kosmische tijd gezien, opnieuw een poging tot manifestatie
onderneemt.
Iedere planeet is, als we het hogere deel van haar
constitutie als een planeetgeest beschouwen, zowel kind als broer van
de zon – broer is misschien het betere woord. Maar wanneer een
entiteit, die aldus als een levensatoom uit het hart van de zon is geboren,
haar evolutionaire pelgrimstocht in tijd en ruimte begint, onderscheidt
ze zich als entiteit evenzeer van de zon als de zon zelf verschilt en
zich onderscheidt van andere zonnen. Elk van de planeten belichaamt
zich na het beëindigen van haar pralaya opnieuw als een nevelvlek.
Als ze uit de diepten van de stellaire ruimte tevoorschijn komt, wordt
ze langzaam aangetrokken tot de zon die haar leider was in haar vorige
ketenbelichaming. Zo’n entiteit die een zonnestelsel bereikt,
is dan een komeet geworden die om haar eigen zon wentelt. Er bestaat
nu een evenwicht in de verhouding tussen de zon en de komeet; en deze
komeet wordt met het verstrijken van de eeuwen steeds dichter en vaster,
en komt tenslotte in een regelmatige baan om de zon waarheen ze werd
aangetrokken.
Na verloop van tijd krijgt een nieuwe planeetketen
haar vaste plaats in het zonnestelsel en vindt haar baan op bijna dezelfde
plek die ze tevoren innam als de vroegere planeetketen. Als haar vroegere
bollen, nu manen, nog niet zijn uiteengevallen in hun respectieve levensatomen,
wordt de nieuwe keten aangetrokken door en voelt ze de overeenkomstige
aantrekkingskracht van deze dode bollen, die nu haar manen worden op
de verschillende gebieden, en samen vervolgen ze daarna hun baan om
de zon, tot de maan tenslotte in kosmisch stof uiteenvalt. Sommige planeetketens
die in evolutie verder zijn gevorderd dan onze aarde, en spiritueler
van aard zijn, hebben een gelukkiger lot, want hun manen zijn allang
uiteengevallen. Met andere woorden, ze worden niet,
zoals wij, geplaagd door een kamarupische maan of wachter op de drempel.8
Er zijn geen essentiële verschillen tussen
de occulte processen bij de geboorte van een planeet en die van een
mens. In beide gevallen is er een ouder, de ei-drager, en een ouder
die het zaad strooit. In beide gevallen vindt er een verstoffelijking
plaats, een afdaling uit de meer etherische naar de grovere rijken van
het stoffelijke bestaan. Wanneer het laagste punt van de neergaande
boog is bereikt, begint er een overeenkomstige opgang die de entiteit,
hetzij een wereld of een mens, terugvoert naar de spirituele rijken.
In het geval van de mens gebeurt dit bij de dood, en in zeldzame gevallen
bij inwijding.
Bron
van het Occultisme, blz. 146-52
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag