Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Wederbelichaming van een planeetketen


De geboorte van de hemellichamen in de Ruimte wordt vergeleken met een menigte ‘pelgrims’ bij het feest van de ‘vuren’. Op de drempel van de tempel verschijnen zeven asceten met zeven brandende wierookstokjes. Daaraan ontsteekt de eerste rij pelgrims hun wierookstokjes. Daarna begint elke asceet zijn stokje om zijn hoofd rond te zwaaien en voorziet de anderen van vuur. Zo gaat het ook met de hemellichamen. Een layacentrum wordt door de vuren van een andere ‘pelgrim’ aangestoken en tot leven gewekt, waarna het nieuwe ‘centrum’ de ruimte inschiet en een komeet wordt. Pas nadat hij zijn snelheid en dus ook zijn vurige staart heeft verloren, gaat de ‘vurige draak’ een rustig en evenwichtig leven leiden als een achtenswaardige burger van de sterrenfamilie. . . .

Wat weet de wetenschap over kometen, hun ontstaan, groei, en uiteindelijke gedrag? Niets – absoluut niets! En wat is er voor onmogelijks aan dat een layacentrum – een klomp homogeen en sluimerend kosmisch protoplasma, dat plotseling wordt bezield of aangevuurd – uit zijn rustplaats in de Ruimte tevoorschijn schiet en ronddraait door de onpeilbare diepten, om zijn homogene organisme te versterken door accumulatie en toevoeging van gedifferentieerde elementen? En waarom zou zo’n komeet niet tot een rustig bestaan komen, leven en een bewoonde bol worden!
     – De Geheime Leer, 1:232-3

Op verschillende plaatsen in haar geschriften heeft HPB erop gewezen dat het evolutionaire begin van een zich manifesterend hemellichaam, van welke aard ook, een komeet is. Dit betekent dat er verschillende soorten kometen bestaan die òf een solaire bol òf een bol van een planeetketen worden; en er zijn andere kometen die wat ijlheid of stoffelijkheid betreft nog grotere verschillen vertonen. Maar iedere komeet moet alle mogelijke fasen van de innerlijke werelden doorlopen voordat ze dit fysieke gebied bereikt, waar ze eerst als een nietige lichtvlek verschijnt die geleidelijk in helderheid toeneemt door de staart die eruit tevoorschijn komt als ze de zon nadert in haar periodieke of niet-periodieke baan daaromheen. In werkelijkheid zijn kometen onzichtbaar voordat ze het hoogste subgebied van dit fysieke gebied betreden, en in alle gevallen ziet men ze eerst als een bijna etherisch lichtpluimpje.

De planeetketens waren oorspronkelijk ‘kleine zonnen’* – en het verschil tussen deze en de zon is dat de zon in de evolutionaire ontwikkeling van zijn spirituele aard en vermogens ver vooruit is op de planeetketens. Een belangrijk punt is hier dat het manvantara van een planeetketen korter duurt dan het manvantara van een zonneketen.

*De naam die in de oude hindoegeschriften aan de planeten wordt gegeven is aditya’s, zonen van Aditi; en hoewel over Aditi gewoonlijk wordt gezegd dat zij het leven heeft geschonken aan acht ‘zonzonen’, waarop wordt gedoeld in het commentaar van HPB in De Geheime Leer (1:130-1), wordt bij andere gelegenheden het aantal aditya’s opgegeven als twaalf.

Een voorbeeld: wanneer de planeetketen van de aarde het einde van haar manvantara heeft bereikt, sterft ze, en de innerlijke beginselen van al haar bollen gaan hun paranirvana binnen. Wanneer de wederbelichaming van deze planeetketen karmisch moet plaatsvinden, vindt dezelfde afdaling van de hogere beginselen door de innerlijke werelden plaats als bij de geboorte van een zonnestelsel. De nieuwe planeetketen wordt aangetrokken tot haar eigen zonnestelsel, bereikt dat als een komeet en zwerft periodiek in en uit haar ouderlijke zonnestelsel en zelfs in en uit de diepten van het melkwegstelsel. Uit verschillende richtingen wordt op deze komeet, de planeetketen in wording, aantrekkingskracht uitgeoefend, maar ze zoekt haar weg voortdurend naar die groep van sterrenhopen die de dierenriem wordt genoemd, aangetrokken door de spiritueel-magnetische fohatische polariteit. Tenslotte blijft ze binnen ons zonnestelsel, aangetrokken door onze zon, waaromheen ze wentelt in een baan die later elliptisch of misschien cirkelvormig wordt. Na dus in de galactische diepten een omzwervende komeet te zijn geweest, vindt ze opnieuw haar plaats in het leven en wordt een planeet in de eerste stadia van haar vroegste ronden.

De vraag kan rijzen hoe groot de macht van de zon is over de zogenaamde periodieke kometen, omdat de astronomie heeft aangetoond dat vele daarvan ver de ruimte in reizen, misschien wel dertigmaal de afstand van Neptunus tot de zon, en men erkent ook dat de oorzaak van de periodiciteit van bepaalde kometen de aantrekkingskracht van de zon is.

De aura of het aurische ei van een entiteit strekt zich ver voorbij haar fysieke voertuig uit. Dus het aurische ei van een hemellichaam kent voor zijn verschillende lagen verschillende grenzen; hoe hoger en hoe spiritueler de laag is, des te verder hij zich van het centrum uitstrekt, en hoe dichter of stoffelijker hij is des te kleiner is zijn bereik. De psychische, spirituele en goddelijke lagen van het aurische ei van de zon hebben een immense reikwijdte en dringen ver in het melkwegstelsel door, waarbij de goddelijke in feite de grenzen van het melkwegstelsel bereiken.

Alle hemellichamen zijn in essentie levende wezens, uitdrukkingen van een monade; we kunnen dan inzien waarom een komeet die door karmische banden tot de familie van de zon behoort, binnen de aantrekkingskracht van de hogere lagen van het aurische ei van de zon wordt gehouden, hoever zo’n komeet misschien ook door en in de galactische ruimten zwerft. Met andere woorden, de zon houdt zijn eigen kometen, en dat zijn de periodieke, onder controle. Terwijl dus het rijk van de zon op de lagere gebieden omvat wat gewoonlijk het zonnestelsel wordt genoemd, kan de macht en dus de aantrekkingskracht van de meer spirituele lagen van het aurische ei van de zon door fohatische affiniteit zelfs reiken tot de kometen die tussen de sterren van de melkweg zwerven.

Een volledig gemanifesteerde planeetketen bestaat uit zeven rupa-bollen, of bollen met een vorm, in verschillende graden van ijlheid, en uit vijf quasi-etherische of arupa-bollen – twaalf in totaal. Eenvoudigheidshalve trekt HPB een sluier over de vijf hoogste bollen en schetst een schitterend beeld van de uit zeven bollen bestaande planeetketen.

Elk van deze bollen begint op zijn eigen gebied, zichtbaar of onzichtbaar, zijn manvantarische loopbaan als een komeet; zodat we zowel fysieke kometen hebben als kometen op elk van de zes andere kosmische gebieden boven ons zichtbare kosmische gebied. Vervolgens vormt elke komeet zich om een layacentrum – op welk kosmisch gebied zij zich ook manifesteert – met als doel door verdichting rond zichzelf een bol op te bouwen.

Een vrij groot aantal kometen die tot de familie van de zon behoren, vertoont een zeer interessante aantrekkingskracht tot de enorme planeet Jupiter; ze worden door de astronomen de ‘kometenfamilie van Jupiter’ genoemd. Men kan zich afvragen wat de relatie is tussen Jupiter en zijn kometenfamilie. Er zijn twee belangrijke redenen voor deze aantrekking: de enorme psychomagnetische of vitale aantrekking van de planeet zelf, en de nog sterkere en mystiekere invloeden van de raja-zon ‘achter’ Jupiter.* We kunnen zeggen dat de raja-zon de generaal is en Jupiter de voornaamste adjudant. Verder is deze groep kometen karmisch verbonden met zowel ons universele als ons eigen zonnestelsel.

*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 181.

Laten we nu in het kort de bouw van een planeetketen schetsen, waarbij we onze beschouwing beperken tot de komeet waarvan het de bestemming is de laagste of bol D van onze aardketen te vormen.

Geen enkele komeet die voor het eerst het hoogste subgebied van een kosmisch gebied binnentrekt – zoals ons eigen laagste of fysieke kosmische gebied – bestaat uit de grove stof van dat gebied, maar in werkelijkheid uit etherische stof die ‘doorbreekt’ vanuit het aangrenzende hogere gebied. Astronomen nemen aan dat een komeet alleen uit gewone gasvormige fysieke materie bestaat, die om zich heen een min of meer groot lichaam van kosmisch stof en asteroïde-deeltjes heeft verzameld. Hoewel dit proces in steeds toenemende mate plaatsvindt, en in het bijzonder vanaf de tijd dat ze zich tenslotte in haar baan heeft gevestigd, is een komeet in haar eerste begin in essentie opgebouwd uit stof die niet tot ons fysieke kosmische gebied behoort.

Alle hemellichamen hebben een spirituele oorsprong. Het zijn pelgrims – ‘horizontaal’ gaande door een of ander gebied en ‘verticaal’ van het hoogste tot het laagste gebied. Hier zien we Plato’s filosofische kruis van de geest die in de stof werkt en deze beïnvloedt. Een komeet is dus oorspronkelijk een solaire of planetaire monade. Ze daalt omlaag door de gebieden van de ruimte en verzamelt haar voertuigen die ze na haar vorige belichaming had afgeworpen. Wanneer ze dit gebied bereikt, wordt ze voor ons geleidelijk waarneembaar, en dat is het begin van haar volledige zevenvoudige bestaan – precies zoals de reïncarnatie van een mens als een volledig zevenvoudig wezen in de moederschoot begint.

Als zo’n komeet erin slaagt om niet gevangen en opgeslokt te worden door een van de zonnen die ze op haar interstellaire reis naar ons zonnestelsel passeert, komt ze binnen de sfeer van de psychovitale magnetische greep van de titanische krachten die in en uit onze zon stromen. En omdat ze tegelijk door onze zon wordt aangetrokken en afgestoten, raakt ze gevangen in dit evenwicht van krachten – en deze bipolaire aard van de zwaartekracht schenkt de komeet veiligheid in haar rondwentelingen om de zon. Daarna wordt de komeet een individueel lid van onze zonnefamilie, in dit geval bol D van onze planeetketen. De andere elf bollen van de keten waartoe deze komeet behoort, maken op dezelfde wijze een aanvang met de beginfasen van hun bestemming.

Het zijn de respectieve levenskrachten van elke bol van de maanketen* of van de keten van een ander planetair samenstel, die de respectieve layacentra, de centra van slapende energieën voortbrengen of worden. Een layacentrum is niet iets stoffelijks. Er is geen layacentrum wanneer er geen wezen is, hetzij kosmisch of menselijk. Een layacentrum is niet iets dat in de ruimte bestaat, waar levenskrachten (laten we zeggen van de maanketen) naartoe stromen. Er is een keten-layacentrum, dat in zichzelf de bol-layacentra bevat. Daarom zou er geen bol-layacentrum kunnen zijn voordat alle levensessenties en levensenergieën van bol A van de maanketen die bol als een dood lichaam hebben achtergelaten. Het totaal van deze levensessenties die bol A van de maanketen verlieten, werd een layacentrum.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:199-203.

Zo’n layacentrum, bestaande uit de spiritueel-psychomagnetische vitale essenties van een bol van de planeetketen, moet een plaats hebben. Moeten we zeggen dat het zich binnen of buiten ons zonnestelsel bevindt? Het laatste. In de diepten van de kosmische ruimte bevinden deze layacentra zich in een toestand van sluimer, als slapende levenskiemen. Maar de tijd komt dat ze weer actief worden en de opkomende drang voelen tot een nieuwe manifestatie – zoals de menselijke entiteit in devachan de zwakke opleving voelt van de begeerte om zich weer naar de aarde te begeven als de tijd nadert om opnieuw te incarneren. Wanneer dit gebeurt in een bol-layacentrum, begint dat te bewegen en baant het zich met toenemende snelheid een weg vanuit de kosmische diepten, zwerft op een wat grillige manier rond, wordt nu door de ene dan door de andere zon aangetrokken waarmee het bepaalde karmische banden heeft, ontwijkt hem, vliegt er voorbij op de vleugels van zijn bestemming, wordt door een andere zon aangetrokken, en ondergaat daar misschien hetzelfde lot. Tenslotte nadert het, aangetrokken door sterkere banden van verwantschap, ons zonnestelsel en wordt door onze zon binnen de grenzen van zijn eigen rijk getrokken en vastgehouden – een karmische terugkeer naar huis.

Door de aantrekkingskracht van de hogere lagen van het aurische ei van de zon worden de periodiek terugkerende kometen die tot de zonnefamilie behoren, maar die door de galactische ruimten tussen de sterren zwerven, in toom gehouden. Omdat niet alle kometen regelmatig terugkeren, worden vele daarvan om karmische redenen slechts tijdelijk naar onze zon aangetrokken, wervelen om hem heen tijdens hun gang door ons zonnestelsel, en verlaten hem dan om hun zwerftochten voort te zetten naar juist die punten in de ruimte die hun respectieve doelen zijn, waarbij elke komeet die niet-periodiek terugkeert door haar eigen zon wordt aangetrokken.

Dat de zon met zijn begeleidende planeten zelf in beweging is, beïnvloedt op geen enkele manier de aantrekking die wordt uitgeoefend op de periodiek terugkerende kometen die tot zijn familie behoren, omdat die psychomagnetische aantrekkingskracht in en door de hogere lagen van het aurische ei van de zon werkt. Dit geeft ons een beeld van onze zon die zich door de ruimte beweegt, ieder moment zijn eigen periodiek terugkerende kometenfamilie beïnvloedt, en op deze wijze voortdurend wijzigingen aanbrengt in de individuele bewegingen van die kometen.

Sommige van onze periodiek terugkerende kometen die tussen de zonnen van de galactische ruimten zwerven, worden op hun enorm lange pelgrimstocht karmisch tijdelijk tot een of andere zon aangetrokken, maar keren tenslotte altijd terug naar onze zon – tenzij ze het lot ondergaan door een andere zon te worden gevangen en door de verschrikkelijke krachten daarvan te worden vernietigd. Deze kometentragedie komt nogal eens voor, waarna zo’n komeet die op een mislukking uitliep, zeer snel, in kosmische tijd gezien, opnieuw een poging tot manifestatie onderneemt.

Iedere planeet is, als we het hogere deel van haar constitutie als een planeetgeest beschouwen, zowel kind als broer van de zon – broer is misschien het betere woord. Maar wanneer een entiteit, die aldus als een levensatoom uit het hart van de zon is geboren, haar evolutionaire pelgrimstocht in tijd en ruimte begint, onderscheidt ze zich als entiteit evenzeer van de zon als de zon zelf verschilt en zich onderscheidt van andere zonnen. Elk van de planeten belichaamt zich na het beëindigen van haar pralaya opnieuw als een nevelvlek. Als ze uit de diepten van de stellaire ruimte tevoorschijn komt, wordt ze langzaam aangetrokken tot de zon die haar leider was in haar vorige ketenbelichaming. Zo’n entiteit die een zonnestelsel bereikt, is dan een komeet geworden die om haar eigen zon wentelt. Er bestaat nu een evenwicht in de verhouding tussen de zon en de komeet; en deze komeet wordt met het verstrijken van de eeuwen steeds dichter en vaster, en komt tenslotte in een regelmatige baan om de zon waarheen ze werd aangetrokken.

Na verloop van tijd krijgt een nieuwe planeetketen haar vaste plaats in het zonnestelsel en vindt haar baan op bijna dezelfde plek die ze tevoren innam als de vroegere planeetketen. Als haar vroegere bollen, nu manen, nog niet zijn uiteengevallen in hun respectieve levensatomen, wordt de nieuwe keten aangetrokken door en voelt ze de overeenkomstige aantrekkingskracht van deze dode bollen, die nu haar manen worden op de verschillende gebieden, en samen vervolgen ze daarna hun baan om de zon, tot de maan tenslotte in kosmisch stof uiteenvalt. Sommige planeetketens die in evolutie verder zijn gevorderd dan onze aarde, en spiritueler van aard zijn, hebben een gelukkiger lot, want hun manen zijn allang uiteengevallen. Met andere woorden, ze worden niet, zoals wij, geplaagd door een kamarupische maan of wachter op de drempel.8

Er zijn geen essentiële verschillen tussen de occulte processen bij de geboorte van een planeet en die van een mens. In beide gevallen is er een ouder, de ei-drager, en een ouder die het zaad strooit. In beide gevallen vindt er een verstoffelijking plaats, een afdaling uit de meer etherische naar de grovere rijken van het stoffelijke bestaan. Wanneer het laagste punt van de neergaande boog is bereikt, begint er een overeenkomstige opgang die de entiteit, hetzij een wereld of een mens, terugvoert naar de spirituele rijken. In het geval van de mens gebeurt dit bij de dood, en in zeldzame gevallen bij inwijding.

 


Bron van het occultisme, blz. 146-52

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag