Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De oorzakelijke aard van cyclussen


Cyclussen is een van de belangrijkste leringen uit het hele kosmische spectrum van de esoterische filosofie, omdat herhaalde of ritmische werking in de natuur fundamenteel is. Ieder wezen en ding dat bestaat, is in feite een uitdrukking van een ritmische trilling: we zijn niet alleen de kinderen van cyclussen groter dan wijzelf, maar we belichamen in werkelijkheid cyclussen in ons eigen wezen, omdat we in al onze levensprocessen cyclisch zijn. Dezelfde regel geldt met gelijke kracht voor elke entiteit in de grenzeloze oneindigheid, of dit nu een melkwegstelsel of een atoom is.

We nemen cyclussen waar door het terugkeren van bewegende wezens en dingen in onze wereld, en denken ten onrechte dat deze herhalingen worden veroorzaakt door een ongrijpbare grootheid, tijd genaamd, terwijl ze in werkelijkheid worden veroorzaakt door de cyclische bewegingen van de lichamen of van het bewustzijn van entiteiten. Het wentelen van de planeten om de zon is een voorbeeld; het wordt niet veroorzaakt door de tijd. Het zijn de bewegende entiteiten zelf die in ons de tijd-illusie teweegbrengen, als gevolg van ons onvolmaakte begrip van hun werkingen in de duur. Zoals een van de Stanza’s van Dzyan zegt: ‘De tijd was niet, want hij lag in slaap in de oneindige schoot van de duur’ – omdat er toen geen bewegende dingen meer bestonden.

Een mens is een cyclus; een atoom is een cyclus – in deze technische zin. We zeggen dat de zon ’s morgens opkomt en ’s avonds ondergaat, en we noemen het een cyclus, een dag. De tijd-illusie, veroorzaakt door het bewegende voorwerp – in dit geval onze aarde – geeft ons het idee dat een dag wordt voortgebracht door een absolute grootheid, tijd genaamd, of een onlosmakelijk deel is van zo’n afzonderlijke entiteit.

Cyclussen zelf worden niet als kleinere tijdseenheden door de tijd veroorzaakt. Waar geen ruimte is, is geen tijd; waar geen tijd is, is geen ruimte. Ruimte is een substantiële entiteit in het occultisme en een van haar mayavische kenmerken is wat wij tijd noemen. Omdat de Ruimte eeuwigdurend is, is dit de oorzaak van de tijd-maya. Dat betekent niet dat tijd niet bestaat, maar los van de dingen is er geen absolute entiteit die Tijd wordt genoemd, en ook niet waar geen wezens zijn om hem waar te nemen.

Alle verschillende en uiteenlopende verschijnselen uit de oneindig kleine werelden van de scheikunde; alle bewegingen in de hele natuur, zelfs de astronomische en meteorologische verschijnselen, zoals stormen, perioden van droogte, elektromagnetische uitbarstingen, zoals het noorder- en zuiderlicht; periodieke epidemieën van ziekten – deze zijn alle ritmisch, want ze zijn cyclisch. Het kloppen van het bloed in het menselijk lichaam en de hartslag zijn evenzeer uitingen van cyclussen als de perioden van de zonnevlekken, of de precessie van de equinoxen, of de wervelingen van de rivieren van levens langs de circulaties in het heelal. De nooit eindigende opeenvolging van manvantara’s en pralaya’s, hetzij kleinere of grotere, de ronden en verduisteringen, enz. – ze zijn alle cyclisch.

Wat brengt de verschillende cyclische processen, volgens welke de bewegingen van de werelden verlopen, op gang in het universele zijn? De oorzaken van deze verweven cyclussen liggen in het feit dat de svabhava van het kosmische leven zelf pulserend, ritmisch, is.* Maar als we zonder meer zeggen dat het kosmische leven eeuwig pulseert, is dat niet volledig als we niet daaraan toevoegen dat die ritmisch vibrerende activiteit de belichaming en uitdrukking is van de beweging van kosmische intelligentie.

*Zie de tweede grondstelling in De Geheime Leer (1:46-7).

Gezien als een structuur kan het kosmische leven zelf worden beschouwd als een onbegrijpelijk groots geheel dat bestaat uit kleinere wezens en dingen; en elk van deze samenstellende entiteiten of dingen is in essentie een druppel van het kosmische leven en de kosmische intelligentie, en is dus de belichaming van zijn eigen relatieve deel van alle kosmische krachten en vermogens. We hebben dus de vibrerende en ritmische bewegingen van het kosmische leven; en daarnaast bestaan alle andere met elkaar vervlochten cyclussen van de ontelbare menigten entiteiten daarvan, en elk van deze is op zichzelf cyclisch van aard. Er zijn cyclussen binnen cyclussen: cyclussen binnen andere nog grotere; of omgekeerd, cyclussen met een toenemende trillingsfrequentie die zich uitstrekken tot het uiterst kleine.

Hieruit zien we dat iedere cyclus de levensbeweging is van de hartenklop en dus van de spirituele hartslag van een kosmisch, subkosmisch of infrakosmisch wezen of entiteit. De draaiing van een melkwegstelsel is een uiting van het ritmisch kloppende leven van de galactische hiërarch op alle gebieden van zijn, dat zich, astronomisch gesproken, op het fysieke gebied manifesteert als het cyclisch wentelen van het galactische lichaam. Datzelfde geldt voor de wereld van het oneindig kleine, zoals de wervelingen van de elektronen in het atoom.

Cyclussen, op welke schaal en van welke grootte of op welk hiërarchisch gebied ook, zijn uitdrukkingen van het kloppende leven en denken van de hiërarchische menigten – van het web van met elkaar verweven werelden – die niet alleen het heelal vullen, maar het in werkelijkheid zijn. Kortom, cyclussen zijn de inherente levensritmen.

 


Bron van het occultisme, blz. 174-6

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag