Spirituele verlichting tegenover psychische illusies
Spirituele en astrale krachten werken voortdurend en zijn sinds de allervroegste
tijdperken van de aarde actief. Maar er komen bepaalde tijden in de
geschiedenis van de mens waarin de deur tussen deze fysieke wereld en
de innerlijke gebieden gedeeltelijk openstaat, zodat de mens ontvankelijker
wordt voor deze subtiele invloeden. We zijn bezig een tijdperk van materialistisch
leven en denken te verlaten en een meer spiritueel tijdperk binnen te
treden. Tegelijkertijd is de wereld vol tekenen die wijzen op een uitbarsting
van psychische invloeden en die zijn altijd misleidend, altijd gevaarlijk,
omdat de astrale sferen tot een lager gebied van het stoffelijke bestaan
behoren, dat vol kwalijke emanaties is, zowel menselijke als andere.
In zo’n periode zijn we nu, een periode waarin
niet zozeer de spirituele en astrale energieën worden gestimuleerd,
maar waarin we ons op het overgangspunt van twee grote cyclussen bevinden,
het einde van de ene en het begin van de andere; en in overeenstemming
met deze overgangsperiode van cyclussen verandert de spirituele instelling
van de mens snel en wordt hij psychisch gevoeliger. Daarin schuilt een
groot gevaar, maar het biedt ook een grotere kans om sneller vorderingen
te maken, indien het bewustzijn van de mens zich naar hogere dingen
keert, want deze versnelde verandering is vooral sterk als het om spirituele
krachten gaat.
Dit verschijnsel is niet uniek; het heeft zich ook
in het verleden voorgedaan. Tijdens de neergang van de Atlantiërs
werd een zeer krachtige poging in het werk gesteld – een poging
die zijn hoogtepunt bereikte in het stichten van de mysteriescholen,
die zich vele eeuwen daarna manifesteerden in de verschillende mystieke,
religieuze en filosofische centra van de oude wereld. Als we de heilige
literatuur van de wereld onderzoeken, zien we dat de oudste het meeste
bevat aan archaïsche esoterische leringen. De reden daarvan is
dat ongeveer sinds de tijd van het verzinken van het laatste eiland
van het Atlantische stelsel van continenten – dat volgens Plato
zo’n 9000 jaar voor zijn tijd zou hebben plaatsgevonden –
er sprake is van een gestage toename van stoffelijkheid in de wereld,
en een daaruit voortvloeiende overeenkomstige afname van spirituele
impulsen. Maar aan deze cyclus is, zoals gezegd, kortgeleden een einde
gekomen. De cyclus die we ingaan is een zeer ongewone, omdat hij niet
behoort tot het zogenaamde messiaanse tijdperk dat 2160 jaar duurt,
maar een periode omvat van zo’n tien- tot twaalfduizend jaar.
Grote gebeurtenissen worden voorbereid, want de
hele beschaafde wereld nadert een kritiek punt in haar geschiedenis.
Er is letterlijk een veldslag gaande tussen de krachten van het licht
en de krachten van de duisternis, en het is een zeer wankel evenwicht,
waaruit de schaal van het lot naar de ene of de andere kant van de scheidslijn
tussen spirituele veiligheid en spirituele teruggang zal doorslaan.
In een brief die H.P. Blavatsky kort voor haar dood
schreef, gaf ze de volgende waarschuwing:
Psychische vermogens met al hun verlokkingen en gevaren
ontwikkelen zich nu onvermijdelijk onder u en u moet oppassen dat
de psychische ontwikkeling de manasische en spirituele niet overtreft.
Als psychische vermogens volledig onder controle worden gehouden –
worden beheerst en geleid – door het manasische beginsel, dan
zijn ze waardevolle hulpmiddelen voor onze ontwikkeling. Maar als
deze vermogens vrij spel krijgen, leiding nemen in plaats van geleid
te worden, gebruiken in plaats van gebruikt te worden, brengen ze
de onderzoeker tot heel gevaarlijke waanvoorstellingen en de zekerheid
van morele ondergang. Volg deze ontwikkeling die in uw ras en evolutieperiode
onvermijdelijk is daarom nauwlettend, zodat ze tenslotte ten goede
en niet ten kwade zal uitwerken.*
*Uit een brief gedateerd Londen, 15 april 1891, aan de
Vijfde jaarlijkse Conventie van de Theosophical Society, Amerikaanse
afdeling, gehouden in Boston, Mass., op 26-27 april. (Zie: H. P
Blavatsky aan de Amerikaanse Conventies, blz. 49.)
Zoals helaas steeds het geval is in een tijd die
het contact met het spirituele heeft verloren, leeft er nu onder de
mensen een verlangen naar vermogens, naar de ontwikkeling van vermoede
maar nauwelijks geaccepteerde hogere krachten; en in hun blindheid zoeken
ze buiten zichzelf. Hun hart hongert naar antwoorden op de levensraadsels
en daarom nemen ze alles aan wat leermeesters die hun eigen lof zingen,
vertellen over het verwerven en aanwenden van psychische vermogens,
en bij die ‘leringen’ wordt het persoonlijke voordeel altijd
als lokaas gebruikt. Het is moeilijk over deze dingen te spreken zonder
velen te kwetsen, die in goed vertrouwen en onbekend met de waarheid
volgen wat hen een glimp toeschijnt van een groter leven dan ze hebben;
en dit verklaart de vele zogenaamd psychische en quasi-mystieke bewegingen*
die er nu zijn en die in veel gevallen de mensen verwijderen van het
licht dat van hun eigen innerlijke god uitstraalt, in plaats van ze
nader tot dat licht te brengen. We moeten in deze dingen altijd op onze
hoede zijn. De golven van het astrale licht zijn bijzonder onbetrouwbaar,
en duizenden en duizenden volgen psychische dwaallichten in plaats van
het rustig brandende licht van de godheid in ons.
*Op een wel ‘zeer’ gering aantal uitzonderingen
na hongeren al deze groeperingen min of meer naar de lagere siddhi’s,
waarover HPB, die de Paliterm iddhi gebruikt, in De Stem van de
Stilte spreekt. In India worden ze vertegenwoordigd door de verschillende
scholen voor yogabeoefening.
Siddhi, van de Sanskriet werkwoordswortel
sidh, voltooid worden, een doel bereiken, betekent ‘volmaakte
verwerving’. Er zijn twee categorieën van siddhi’s:
die welke betrekking hebben op de lagere psychische en mentale energieën,
en de siddhi’s die betrekking hebben op de verstandelijke, spirituele
en goddelijke krachten; de spiritueel ingewijde beschikt over beide
en gebruikt ze alleen voor het welzijn van de mensheid en nooit voor
zichzelf. De persoonsnaam van Gautama de Boeddha, Siddhartha, betekent
‘hij die zijn doel heeft bereikt’.
Het is eenvoudig een feit dat het westen wordt misleid
door leringen over het paranormale die in zichzelf niets blijvends bezitten.
En zij die deze praktijken volgen zijn in negenennegentig van de honderd
gevallen mensen met een spiritueel en psychisch ongetrainde karakterstructuur,
die dus gemakkelijk door de maya van de paranormale verschijnselen worden
gegrepen. Dit betekent niet dat zulke krachten en vermogens slecht zijn
of niet een natuurlijk deel vormen van de menselijke constitutie; en
evenmin dat ze nutteloos zijn. Er wordt bedoeld dat ze zeer gevaarlijk
zijn voor iemand zonder spiritueel inzicht en zonder de kracht van het
intellect en de spirituele wil om de psychische natuur waarin deze vermogens
thuishoren, te leiden en te beheersen.
Gevaarlijk zijn ook de hathayoga-oefeningen van
psychoastrale aard, die gewoonlijk gepaard gaan met het aannemen van
bepaalde lichaamshoudingen, enz., en waaraan sommige mensen zich overgeven
in een poging vermogens van een lagere orde te verwerven. Deze oefeningen
kunnen niet alleen het verstand aantasten en het zelfs ontwrichten en
zo krankzinnigheid veroorzaken, maar kunnen ook de normale pranische
circulaties in het lichaam verstoren. Godsdienstfanaten worden vaak
krankzinnig, en in bepaalde gevallen van sensitiviteit worden ze wat
men extatici noemt, die door onwetenden voor toonbeelden van een heilig
leven worden aangezien, alleen omdat hun huid kan bloeden en hun handen
en voeten wonden kunnen vertonen die zouden zijn veroorzaakt door de
nagels van het kruis. Hetzelfde kan worden gezegd van fakirs en de lagere
soort yogi’s uit het oosten. Het gevolg kan zijn dat zowel de
geest als de gezondheid en ook het leven zelf in gevaar worden gebracht.
In al die praktijken is geen greintje spiritualiteit.
Hij die het pad betreedt in de hoop bepaalde vermogens
te verwerven die hij als iets van het allerhoogste belang beschouwt,
is gedoemd te mislukken. Hij begeeft zich werkelijk op een zeer gevaarlijke
en twijfelachtige weg, die in het ergste geval kan leiden tot toverij
en zwarte magie en die hem op zijn best de sodomsappel van teleurstelling
bezorgt. Zulke vermogens – spirituele, verstandelijke of psychische
– zullen zich na verloop van tijd en op volkomen natuurlijke wijze
ontwikkelen naarmate we vooruitgaan, op voorwaarde dat we vastbesloten
zijn het doel te bereiken en bovenal dat ons hart voortdurend verlicht
en vervuld is van meedogende liefde, een liefde die zelfs nu een duidelijk
kenmerk is van de spirituele ziel in ons.
De leringen van de esoterische traditie bieden een
enorm hoopvol perspectief en bevatten spirituele schoonheid. Daarin
ligt het pad waarlangs we kunnen evolueren, maar het hangt van de mens
zelf af of hij al dan niet zal opklimmen langs de straal die in hem
leeft en werkt. Al is het waar dat een volledig begrip van de diepere
gebieden van de filosofie een sterk verstandelijk vermogen en spiritueel
inzicht vereist, toch zijn het vaak eenvoudige mensen die een groot
licht zien. Het licht kan overal doordringen. We hoeven alleen de gesloten
deuren van onze persoonlijkheid te openen en het licht komt vanzelf
binnen en dan zullen we instinctief de meest verborgen geheimen van
de natuur begrijpen.
Jezus, de avatara, die in het westen zo slecht wordt
begrepen, leerde dezelfde waarheden. Zoek eerst de schatten van de geest,
van het koninkrijk der hemelen, en alle andere dingen zullen u worden
gegeven – alle psychische krachten en vermogens zullen op natuurlijke
en veilige wijze hun plaats krijgen, verlicht en geleid door de innerlijke,
spirituele zon.
Wat zijn deze schatten van de geest? Niets anders
dan die spirituele en verstandelijke vermogens en krachten die ons in
ons denken en handelen goddelijk maken: wilskracht, inzicht, intuïtie,
onmiddellijke sympathie voor al wat leeft. Er is geen enkele reden waarom
wij mensen niet zouden beginnen ons erfdeel te benutten. Alle krachten
en vermogens en eigenschappen bevinden zich in ons, ook nu al, maar
ze zijn grotendeels latent, omdat we nog niet hebben geleerd ze tevoorschijn
te brengen. In feite zijn wij het zelf in onze gewone lagere gedachten
en gevoelens die ‘slapen’, terwijl onze hogere natuur in
het geheel niet slaapt maar intens actief is.
Wanneer bijvoorbeeld in een mens de spirituele wil
is gewekt en actief is, stijgt hij boven zichzelf uit zodat hij over
absolute zelfbeheersing beschikt en zelfs de bewoners van de astrale
wereld op geen enkele manier macht over hem kunnen uitoefenen. De wil
in actie is een stroom van energie, en dat betekent een stroom van substantie,
precies zoals elektriciteit zowel kracht als stof is. Achter de wil
ligt de begeerte. Als de begeerte zuiver is, is de wil zuiver. Als de
begeerte slecht is, is de wil slecht. Achter begeerte ligt bewustzijn.
Daarom vindt de wil zijn oorsprong in het bewustzijn via begeerte. We
begeren en onmiddellijk doet de wil intelligentie ontwaken die de wil
leidt, en we handelen – of zien af van handelen, wat soms edeler
is.
Er bestaat goddelijke begeerte* die in de mens aspiratie
wordt genoemd en ook haar stoffelijke tegenhanger. Hoeveel mensen van
ons zijn er niet die hun wil laten leiden door egoïstische en zelfzuchtige
impulsen uit het lagere aspect van onze begeerte-natuur, het kama-beginsel!
Omdat de menselijke wil in buddhi-manas is geworteld, zouden de intuïtie
en het hogere manasische beginsel onze menselijke wil moeten brengen
tot die edeler daden die binnen ons bereik liggen: daden van broederschap
en onpersoonlijke dienstbaarheid; en dat is precies de aard en het kenmerk
van het spirituele ego, het buddhi-manasische beginsel in de mens.
*Het gezegde in de oude Veda: ‘Begeerte (kama)
ontstond eerst in het’ en toen
ontstond de wereld, betekent dat Brahman, slapende in zijn eonenlange
pralaya, eerst een innerlijke prikkel voelde, de zaden van de goddelijke
begeerte om te worden. Bewustzijn stond achter de begeerte; de begeerte
ontstond daarin en bracht de wil tot aanzijn en de wil werkte op de
slapende atomen en bracht de werelden voort.
De intuïtie openbaart zich als ogenblikkelijk
inzicht, ogenblikkelijke kennis. Maar er is een groot verschil tussen
wijsheid en kennis. Wijsheid zou de kennis kunnen worden genoemd van
het hogere ego, de spirituele ziel, en kennis de wijsheid van de persoonlijkheid.
In beide gevallen gaat het om het opslaan in de schatkamer van ervaring
van wat is geleerd en afgeleerd – een schatkamer die geen kamer
is, klein of groot, maar wijzelf. Elke ervaring is een wijziging van
het begrijpende zelf; en de bewaarplaats van het geheugen is vol met
het getuigenis van eeuwen, precies zoals de persoonlijkheid de indruk
en het stempel draagt van het karmische getuigenis van alle persoonlijkheden
die aan haar voorafgingen en die haar vormden.
Wijsheid, kennis en innerlijke kracht zijn vermogens
van de geest en vertegenwoordigen de vruchten van evolutionaire ontplooiing
van de inherente kracht van de geest-ziel. Intuïtie per se is spirituele
wijsheid en verzamelde kennis, die in vroegere levens in de schatkamer
van de geest-ziel zijn opgeslagen. Aan de andere kant kan instinct de
passieve zijde worden genoemd van intuïtie, die de energie-, de
wil-zijde is, het waakzame en actieve aspect. Het instinct uit zich
in de hele natuur: de atomen bewegen en zingen uit instinct, zoals ook
de mens die zijn bewustzijn en wil gebruikt, dit kan doen; maar de zang
en de roerselen van de intuïtie zijn onvergelijkelijk verhevener
dan de zang en de roerselen van het instinct. Beide zijn functies van
het bewustzijn, de ene is vegetatief, automatisch; de andere energetisch
en wakker.
De geest is allesdoordringend en leeft en beweegt
overal, want hij is universeel. Spirituele helderziendheid, waarvan
de psychische helderziendheid slechts een dansende schaduw is, stelt
ons in staat achter alle sluiers van illusie te zien en waar te nemen
wat zich op een verre ster in de gebieden van de ruimte voordoet. Het
is het vermogen om ogenblikkelijk te zien wat waar is, om het hart van
de mens te kennen en zijn geest te verstaan. Het is
het vermogen om met het innerlijke oog waar te nemen, niet zozeer het
zien van vormen dan wel het verkrijgen van kennis, en omdat dit verwerven
van kennis gebeurt op een wijze die veel lijkt op het zien met het fysieke
oog, wordt het rechtstreeks inzicht genoemd.1
Hetzelfde geldt voor spirituele helderhorendheid,
wat niet het vermogen is om met het fysieke oor te horen (of te zien,
want soms worden geluiden gezien en kleuren gehoord, omdat er een onderling
verband bestaat tussen het ene en het andere zintuig), maar om te luisteren
met het oor van de geest. De geluiden die worden gehoord met het oor
van de geest worden in de stilte gehoord als alle zintuigen in rust
zijn. Die spirituele helderhorendheid stelt iemand in staat de bewegingen
van de atomen te horen als ze hun eigen lied zingen; het groeien van
het gras te horen, het zich openen van de roos – dit alles te
horen als een symfonie.
Socrates had de gewoonte tegen de mensen om hem
heen te zeggen dat zijn daimon, zijn innerlijke vermaner, hem nooit
zei wat hij moest doen, maar altijd wat hij niet moest doen.* Deze daimon
was de ‘stem’ van het hogere ego, die bij de groten onder
de mensen vaak zeer krachtig is; en die door sommige hypersensitieve
mensen als een ‘stem’ kan worden gehoord. Het is niet werkelijk
een stem (hoewel het dat effect soms heeft op de fysieke hersenen),
maar eerder een drang van binnenuit, die zich ook kan manifesteren als
een lichtflits en als innerlijke visie.
*Er is een interessante reden waarom deze wenken zelden
van positieve aard zijn en bijna onveranderlijk aansporingen zijn om
stil te staan en na te denken, of om dit of dat niet te doen.
Als iemand in een toestand van besluiteloosheid verkeert, vormt zijn
denkvermogen zich beelden die door daarmee overeenkomstige trillingen
naar het innerlijke bewustzijn worden overgebracht; en omdat het innerlijke
bewustzijn dit contact met het verstand heeft, komt er, als de in beeld
gebrachte daad verkeerd is, als antwoord: Nee.
We kunnen onszelf en anderen niet begrijpen tenzij
we een begrijpend hart hebben ontwikkeld. De sleutel is sympathie en
de methode is om ons te richten op het goddelijke wezen binnenin ons.
Als we elk moment van ons leven proberen daaraan meer gelijk te worden,
zal het licht komen en zullen we de waarheid kennen als we haar zien.
We zullen meedogend en sterk worden – eigenschappen die de ware
tekenen van de zelfverlichte mens zijn. De eerste les is dus het licht
van onze innerlijke god te zoeken en alleen dat te vertrouwen. Als we
dat licht volgen en we verwarmd worden door zijn verheven en levengevende
stralen, zullen we hetzelfde god-licht in anderen zien.
Als we naar de bron gaan, vinden we het helderste
water, waarom zouden we dan drinken van het troebele water dat zich
kilometers ver van de bron bevindt? Als een mens zichzelf wil leren
kennen en de verbazingwekkende krachten en vermogens die hem eigen zijn,
laat hij zichzelf dan herkennen in het heelal om hem heen en dat heelal
bestuderen als iets dat hijzelf is. Dit is misschien aforistisch, maar
het vormt een ware sleutel tot wijsheid, en bevat de essentie niet alleen
van alle inwijding, maar van alle toekomstige groei.
Bron
van het Occultisme, blz. 9-15
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag