Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Over de gnostische aeonen


In de twee of drie eeuwen die volgden op de ondergang van het esoterische stelsel in Europa en de daartoe behorende mysteriescholen – een ondergang waarvan de eerste tekenen omstreeks het begin van het christelijke tijdperk zichtbaar werden – ontstond een vrij groot aantal mystieke en quasi-occulte filosofische scholen, waarvan sommige een niet gering deel van het toen tanende licht van de esoterische wijsheid bevatten, en andere slechts zwakke stralen.

Tot deze scholen die tijdelijk opgang maakten, behoorden de verschillende groepen gnostici, waarvan de meeste door christelijke geschiedschrijvers gewoonlijk en ten onrechte ‘ketterse christelijke sekten’ worden genoemd, hoewel ze in feite niet zozeer christelijk waren dan wel verflauwende stralen van de oorspronkelijke centra van esoterisch onderricht in het Middellandse-Zeegebied. Het is echter juist dat enkele van deze gnostische groepen, om een of andere reden en hoofdzakelijk uit eigenbelang, bepaalde wegen van toenadering met de verschillende christelijke sekten handhaafden, waarschijnlijk om op die manier min of meer in vrede te kunnen leven en hun geheime studies onder betrekkelijk veilige omstandigheden te kunnen voortzetten.

De hele waarheid over deze gnostische sekten is nog nooit geschreven. De gnostische school van Simon was een van de betrouwbaarste omdat ze enkele basisleringen van de esoterische filosofie onderwees. Andere gnostische groepen die delen van de archaïsche wijsheid bewaarden, waren die welke werden gesticht door Menander, Valentinus, Basilides, enz. Omdat Simon onderricht gaf in een tijdperk dat, hoewel begerig en hongerig naar alle soorten occulte en quasi-occulte kennis, toch buitengewoon kritisch en theologisch onvriendelijk was, moest hij zijn onderricht kennelijk zo verwoorden dat hij geen aanstoot gaf aan de heersende christelijke macht. Daarom liet hij voor een groot deel de heilige en eeuwenoude formuleringen van de leringen achterwege, en gebruikte hij zegswijzen en voorbeelden die vaak volkomen exoterisch waren, en in bepaalde gevallen door hemzelf waren bedacht om voor de vijanden van zijn school te verbergen wat hij werkelijk met zijn leringen bedoelde – al was de innerlijke betekenis daarvan geheel duidelijk voor zijn getrainde volgelingen.

De volgende vrij lange fragmenten uit ES Instructions 2 van HPB geven het gnostische stelsel van aeonen weer, zoals dat door Simon werd onderwezen:

Simon verkondigde, evenals alle andere gnostici, dat onze wereld was geschapen door de lagere engelen, die hij aeonen noemde. Hij vermeldt slechts drie van hun graden, omdat het, zoals in De Geheime Leer wordt uiteengezet, nutteloos was en nog is, om iets over de vier hogere te zeggen, en daarom begint hij op het gebied van de bollen A en G. Zijn stelsel staat zo dicht bij de occulte waarheid dat we dat stelsel alsmede zijn eigen beweringen en die van Menander over ‘magie’ kunnen onderzoeken om te ontdekken wat ze met dat woord bedoelden. Voor Simon was vuur het hoogste punt van de hele gemanifesteerde schepping. Het betekent voor hem en ook voor ons het universele beginsel, de oneindige kracht, voortgekomen uit de verborgen potentialiteit. Dit vuur was de oeroorzaak van de gemanifesteerde wereld van het zijn, en was tweevoudig, omdat het een gemanifesteerde en een verborgen of geheime kant had. ‘De geheime kant van het vuur is verborgen achter zijn zichtbare (of objectieve) kant’,* schrijft hij, en dat komt erop neer dat het zichtbare altijd aanwezig is in het onzichtbare en het onzichtbare in het zichtbare. Dit was slechts een nieuwe vorm van Plato’s denkbeeld van het begrijpelijke (to noeton) en het waarneembare (to aistheton) en van de leer van Aristoteles over het potentiële vermogen (dunamis) en de daad (energeia). Voor Simon was alles waaraan men kan denken, alles waardoor men zich kan laten leiden, volmaakte intelligentie. Vuur bevatte alles. En daarom zijn alle delen van dat vuur, omdat ze met intelligentie en rede zijn begiftigd, vatbaar voor ontwikkeling door uitbreiding en emanatie Dit is onze leer van de gemanifesteerde logos, en deze delen in hun oorspronkelijke emanatie zijn onze dhyani-chohans, de ‘Zonen van Vlam en Vuur’ of de hogere aeonen. Dit ‘vuur’ is het symbool van de actieve en levende kant van de goddelijke natuur. Erachter lag de ‘oneindige potentialiteit binnen potentialiteit’, wat door Simon werd genoemd ‘dat wat standhield, standhoudt en zal standhouden’, of blijvende stabiliteit en verpersoonlijkte onveranderlijkheid.

*Philosophumena, bk. vi, hfst. 1, §9.

Vanuit het vermogen tot denken ging de goddelijke ideatie dus over tot handelen. Vandaar de reeks oorspronkelijke emanaties die door denken de handeling voortbrengt, waarbij de objectieve kant van het vuur de Moeder, de verborgen kant ervan de Vader is. Simon noemde deze emanaties syzygies (een verenigd paar of stel), want ze emaneerden twee aan twee, de ene als een actieve, de andere als een passieve aeon. Op die manier emaneerden drie paren (of zes in totaal, terwijl vuur de zevende is), waaraan Simon de volgende namen gaf: ‘Denkvermogen en gedachte, stem en naam, rede en overweging’, waarbij de eerste van elk paar mannelijk en de laatste vrouwelijk was. Uit dit oorspronkelijke zestal emaneerden de zes aeonen van de Middenwereld. . . .

In het stelsel van Simon Magus zien we dus dat de eerste zes aeonen, samengevat door de zevende, het ouder-vermogen, tot handelen overgingen en op hun beurt zes secondaire aeonen emaneerden die elk in hun respectieve ouder waren samengevat. In de Philosophumena lezen we dat Simon de aeonen vergeleek met de ‘boom des levens’. In zijn Openbaring* zei Simon: ‘Er staat geschreven dat er twee vertakkingen van de universele aeonen zijn, die begin noch einde hebben, en die beide uit dezelfde wortel zijn voortgekomen, de onzichtbare en onbegrijpelijke potentialiteit, sige (stilte). Een van deze [reeks van aeonen] verschijnt van bovenaf. Dit is de grote macht, het universele denkvermogen [of goddelijke ideatie, het mahat van de hindoes]; deze regelt alle dingen en is mannelijk. De andere komt van onderaf, want ze is de grote [gemanifesteerde] gedachte, de vrouwelijke aeon, die alle dingen voortbrengt. Deze [twee soorten aeonen] die met elkaar overeenstemment† zijn verenigd en manifesteren de middelste afstand [de tussenliggende sfeer of het tussengebied], de onbegrijpelijke lucht die begin noch einde heeft.’‡ Deze vrouwelijke ‘lucht’ is onze ether, of het kabbalistische astrale licht. Ze is daarom de tweede wereld van Simon, geboren uit vuur, het beginsel van alle dingen. We noemen het het ene leven, de intelligente goddelijke vlam, alomtegenwoordig en oneindig. . . .

*‘De grote openbaring’ (He megale apophasis), waarvan Simon zelf de schrijver zou zijn. – HPB
†Letterlijk, die in rijen of paren tegenover elkaar staan. – HPB
Philosophumena, bk. vi, hfst. 1, §18.

De derde wereld van Simon met haar derde reeks van zes aeonen en de zevende, de ouder, wordt op dezelfde manier geëmaneerd. Ditzelfde beeld ziet men in elk gnostisch stelsel – geleidelijke neerwaartse ontwikkeling in de stof die berust op overeenkomst; en dit is een wet die teruggaat op het oorspronkelijke occultisme of de magie. Zowel bij de gnostici als bij ons is deze zevende macht, die alles in zich bevat, de geest die over de duistere wateren van de ongedifferentieerde ruimte zweeft: in India Narayana of Vishnu; in het christendom de Heilige Geest. Maar terwijl het denkbeeld bij de christenen door beperkingen wordt verkleind en begrensd, waarbij geloof en genade noodzakelijke voorwaarden zijn, doordringt het volgens de oosterse filosofie alle atomen, bewuste of onbewuste. . . .

Hieruit volgt dat elk wezen dat kan nadenken – op aarde mens genoemd – dezelfde essentie heeft als de hogere aeonen, de oorspronkelijke zeven, en in aanleg alle eigenschappen daarvan bezit. Het is aan hem om ‘met het beeld van het hoogste voor ogen’ daadwerkelijk – door navolging – het vermogen te ontwikkelen, waarmee de hoogste van zijn voorouders, of vaderen, is begiftigd.
    – H.P. Blavatsky, Collected Writings, 12:552-6

Wanneer HPB naar het stelsel van aeonen van Simon verwijst, en zegt dat het ‘op het gebied van de bollen A en G’ begint, moet de lezer bedenken dat er niet slechts zeven, maar in feite twaalf verschillende evolutiestadia van groei zijn in de levensgeschiedenis van een belichaming van een planeetketen, vanaf haar begin tot haar einde. Ze gaat betrekkelijk stilzwijgend voorbij aan de eerste vijf voorbereidende stadia en begint in feite met de keten in haar zesde stadium dat ze het ‘eerste’ noemt. Het volgende diagram maakt de zaak misschien iets duidelijker:

Oerstadia* 1. Aetherisch
2. Etherisch
Elementaire evolutie 1. Eerste elementalenrijk
2. Tweede elementalenrijk
3. Derde elementalenrijk
De zeven gemanifesteerde bollen 1. Bol A vuurachtig
2. Bol B luchtachtig
3. Bol C waterachtig
4. Bol D vast of aards
5. Bol E etherisch
6. Bol F etherisch-spiritueel
7. Bol G quasi-spiritueel
*Bepaalde lagere dhyani-chohans vermengen hun fluïdum of levensessentie met de elementalen van de vier hogere elementalenrijken en ook met de levensatomen van de overeenkomstige gebieden, en verschaffen zo het bouwkundige plan en de leidende krachten en energieën op basis waarvan de lagere drie elementalenrijken op hun beurt beginnen te bouwen. Vgl. De Geheime Leer, 2:262vn.

Hieruit ziet men dat aan de evolutie van de elementalenrijken, die de eerste zijn om te helpen bij het bouwen van een bol op een gebied, de aetherische en etherische stadia voorafgaan, die in feite het vroegste stadium van een komeet vertegenwoordigen in zijn twee hoofdfasen van ontwikkeling. Zodra deze twee oerstadia van voorbereiding en quasi-verstoffelijking voorbij zijn, beginnen de drie hoofdklassen van elementalen – die zich hebben voorbereid en zich hebben gescheiden en naar hun drie respectieve klassen zijn aangetrokken – hun werk van het leggen van de grondslag voor een toekomstige bol.

Wanneer de drie klassen van elementalen de basis hebben gelegd voor de toekomstige bol, waarbij elke klasse volgt wanneer de eraan voorafgaande haar werk heeft beëindigd, begint de echte bol zijn bestaan in wat hier de eerste ronde wordt genoemd; want tegen de tijd dat de drie elementalenrijken hun taak hebben voltooid, hebben de verschillende families van monaden zich min of meer ingedeeld in hun respectieve groepen, en zijn dus gereed om als levensgolven aan hun ronden te beginnen.

Vanaf deze tijd beginnen de zeven ronden en worden de opeenvolgende stadia rond alle bollen van de keten doorlopen; want men moet bedenken dat, hoewel de boven gegeven beschrijving voornamelijk over bol D handelt, alle andere bollen zich op overeenkomstige wijze pari passu ontwikkelden of tot manifestatie kwamen. Een ronde begint op de hoogste van de twaalf bollen en zet zich regelmatig voort van bol tot bol rond de keten. Dit is slechts een andere manier om te zeggen dat iedere bol vanuit zichzelf het surplus aan leven of levens ontvouwt.

Allereerst komt een layacentrum in een aetherisch stadium tot leven; het begint zijn omzwervingen door de ruimte en trekt geleidelijk aetherische en etherische stof tot zich en gaat op die manier langzaam zijn tweede fase in, de etherische; en wanneer deze fase voorbij is, is het layacentrum, dat zich nu als een etherische komeet manifesteert, bijna een lid geworden van het zonnestelsel waarheen haar karmische bestemming haar onvermijdelijk terugvoert, om zich te belichamen als een toekomstige planeetketen. Als de komeet eenmaal haar plaats in de baan om de zon heeft ingenomen als een zeer etherische bol in de eerste, of eerste en tweede toestand van de stof van het fysieke kosmische gebied, beginnen de drie elementalenrijken achtereenvolgens hun karakteristieke activiteiten* en bouwen dan geleidelijk een lichtend en gloeiend of ‘wolkachtig’ lichaam van zeer geringe fysieke dichtheid en van een soort die onze astronomen waarschijnlijk etherisch vuurachtig zouden noemen. (Het woord vuurachtig wordt gebruikt om de gloeiende of lichtende aard van vuur in zijn eerste stadia te suggereren, en niet het fysieke vuur dat warmte produceert zoals wij dat op aarde kennen; elektrische substantie geeft de gedachte misschien iets beter weer.) Wanneer deze fase is geëindigd, begint de ‘eerste ronde’ en met deze ronde begint HPB haar schitterende uiteenzetting.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:234vn:
‘De zeven fundamentele transformaties van de bollen of hemelsferen, of beter van hun samenstellende stofdeeltjes, worden als volgt omschreven: (1) homogeen; (2) luchtvormig en stralend (gasvormig); (3) stremselachtig (nevelig); (4) atomair, etherisch (het begin van beweging en dus van differentiatie); (5) in de kiem aanwezig, vurig (gedifferentieerd, maar samengesteld uit alleen de kiemen van de elementen in hun vroegste toestand; zij bestaan in zeven toestanden, als ze volledig op onze aarde zijn ontwikkeld); (6) viervoudig, dampvormig (de toekomstige aarde); (7) koud en afhankelijk (van de zon voor leven en licht).’

Het proces van verharding of verstoffelijking van de bollen gaat gestaag voort tot het punt halverwege de vierde ronde, waarna de bol weer etherischer wordt, wat op de opgaande of lichtende boog gepaard gaat met de vergeestelijking van de verschillende families van monaden die deze ronden volgen of volbrengen tot op het huidige punt.

 


Bron van het occultisme, blz. 214-9

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag