Over de gnostische aeonen
In de twee of drie eeuwen die volgden op de ondergang van het esoterische
stelsel in Europa en de daartoe behorende mysteriescholen – een
ondergang waarvan de eerste tekenen omstreeks het begin van het christelijke
tijdperk zichtbaar werden – ontstond een vrij groot aantal mystieke
en quasi-occulte filosofische scholen, waarvan sommige een niet gering
deel van het toen tanende licht van de esoterische wijsheid bevatten,
en andere slechts zwakke stralen.
Tot deze scholen die tijdelijk opgang maakten, behoorden
de verschillende groepen gnostici, waarvan de meeste door christelijke
geschiedschrijvers gewoonlijk en ten onrechte ‘ketterse christelijke
sekten’ worden genoemd, hoewel ze in feite niet zozeer christelijk
waren dan wel verflauwende stralen van de oorspronkelijke centra van
esoterisch onderricht in het Middellandse-Zeegebied. Het is echter juist
dat enkele van deze gnostische groepen, om een of andere reden en hoofdzakelijk
uit eigenbelang, bepaalde wegen van toenadering met de verschillende
christelijke sekten handhaafden, waarschijnlijk om op die manier min
of meer in vrede te kunnen leven en hun geheime studies onder betrekkelijk
veilige omstandigheden te kunnen voortzetten.
De hele waarheid over deze gnostische sekten is
nog nooit geschreven. De gnostische school van Simon was een van de
betrouwbaarste omdat ze enkele basisleringen van de esoterische filosofie
onderwees. Andere gnostische groepen die delen van de archaïsche
wijsheid bewaarden, waren die welke werden gesticht door Menander, Valentinus,
Basilides, enz. Omdat Simon onderricht gaf in een tijdperk dat, hoewel
begerig en hongerig naar alle soorten occulte en quasi-occulte kennis,
toch buitengewoon kritisch en theologisch onvriendelijk was, moest hij
zijn onderricht kennelijk zo verwoorden dat hij geen aanstoot gaf aan
de heersende christelijke macht. Daarom liet hij voor een groot deel
de heilige en eeuwenoude formuleringen van de leringen achterwege, en
gebruikte hij zegswijzen en voorbeelden die vaak volkomen exoterisch
waren, en in bepaalde gevallen door hemzelf waren bedacht om voor de
vijanden van zijn school te verbergen wat hij werkelijk met zijn leringen
bedoelde – al was de innerlijke betekenis daarvan geheel duidelijk
voor zijn getrainde volgelingen.
De volgende vrij lange fragmenten uit ES Instructions
2 van HPB geven het gnostische stelsel van aeonen weer, zoals dat door
Simon werd onderwezen:
Simon verkondigde, evenals alle andere gnostici,
dat onze wereld was geschapen door de lagere engelen, die
hij aeonen noemde. Hij vermeldt slechts drie van hun graden,
omdat het, zoals in De Geheime Leer wordt uiteengezet, nutteloos
was en nog is, om iets over de vier hogere te zeggen, en daarom begint
hij op het gebied van de bollen A en G. Zijn stelsel staat zo dicht
bij de occulte waarheid dat we dat stelsel alsmede zijn eigen beweringen
en die van Menander over ‘magie’ kunnen onderzoeken om
te ontdekken wat ze met dat woord bedoelden. Voor Simon was vuur
het hoogste punt van de hele gemanifesteerde schepping. Het betekent
voor hem en ook voor ons het universele beginsel, de oneindige kracht,
voortgekomen uit de verborgen potentialiteit. Dit vuur was de oeroorzaak
van de gemanifesteerde wereld van het zijn, en was tweevoudig, omdat
het een gemanifesteerde en een verborgen of geheime kant had. ‘De
geheime kant van het vuur is verborgen achter zijn zichtbare (of objectieve)
kant’,* schrijft hij, en dat komt erop neer dat het zichtbare
altijd aanwezig is in het onzichtbare en het onzichtbare in het zichtbare.
Dit was slechts een nieuwe vorm van Plato’s denkbeeld van het
begrijpelijke (to noeton) en het waarneembare (to aistheton)
en van de leer van Aristoteles over het potentiële vermogen (dunamis)
en de daad (energeia). Voor Simon was alles waaraan men kan
denken, alles waardoor men zich kan laten leiden, volmaakte intelligentie.
Vuur bevatte alles. En daarom zijn alle delen van dat vuur,
omdat ze met intelligentie en rede zijn begiftigd, vatbaar voor ontwikkeling
door uitbreiding en emanatie Dit is onze leer van de gemanifesteerde
logos, en deze delen in hun oorspronkelijke emanatie zijn onze dhyani-chohans,
de ‘Zonen van Vlam en Vuur’ of de hogere aeonen. Dit ‘vuur’
is het symbool van de actieve en levende kant van de goddelijke natuur.
Erachter lag de ‘oneindige potentialiteit binnen potentialiteit’,
wat door Simon werd genoemd ‘dat wat standhield, standhoudt
en zal standhouden’, of blijvende stabiliteit en verpersoonlijkte
onveranderlijkheid.
*Philosophumena, bk. vi, hfst. 1, §9.
Vanuit het vermogen tot denken ging de goddelijke
ideatie dus over tot handelen. Vandaar de reeks oorspronkelijke emanaties
die door denken de handeling voortbrengt, waarbij de objectieve kant
van het vuur de Moeder, de verborgen kant ervan de Vader is. Simon
noemde deze emanaties syzygies (een verenigd paar of stel), want ze
emaneerden twee aan twee, de ene als een actieve, de andere als een
passieve aeon. Op die manier emaneerden drie paren (of zes in totaal,
terwijl vuur de zevende is), waaraan Simon de volgende namen gaf:
‘Denkvermogen en gedachte, stem en naam, rede en overweging’,
waarbij de eerste van elk paar mannelijk en de laatste vrouwelijk
was. Uit dit oorspronkelijke zestal emaneerden de zes aeonen van de
Middenwereld. . . .
In het stelsel van Simon Magus zien we dus dat de
eerste zes aeonen, samengevat door de zevende, het ouder-vermogen,
tot handelen overgingen en op hun beurt zes secondaire aeonen emaneerden
die elk in hun respectieve ouder waren samengevat. In de Philosophumena
lezen we dat Simon de aeonen vergeleek met de ‘boom des levens’.
In zijn Openbaring* zei Simon: ‘Er staat geschreven
dat er twee vertakkingen van de universele aeonen zijn, die begin
noch einde hebben, en die beide uit dezelfde wortel zijn voortgekomen,
de onzichtbare en onbegrijpelijke potentialiteit, sige (stilte). Een
van deze [reeks van aeonen] verschijnt van bovenaf. Dit is de grote
macht, het universele denkvermogen [of goddelijke ideatie, het mahat
van de hindoes]; deze regelt alle dingen en is mannelijk. De andere
komt van onderaf, want ze is de grote [gemanifesteerde] gedachte,
de vrouwelijke aeon, die alle dingen voortbrengt. Deze [twee soorten
aeonen] die met elkaar overeenstemment† zijn verenigd en manifesteren
de middelste afstand [de tussenliggende sfeer of het tussengebied],
de onbegrijpelijke lucht die begin noch einde heeft.’‡
Deze vrouwelijke ‘lucht’ is onze ether, of het kabbalistische
astrale licht. Ze is daarom de tweede wereld van Simon, geboren
uit vuur, het beginsel van alle dingen.
We noemen het het ene leven, de intelligente
goddelijke vlam, alomtegenwoordig en oneindig. . . .
*‘De grote openbaring’ (He megale apophasis),
waarvan Simon zelf de schrijver zou zijn. – HPB
†Letterlijk, die in rijen of paren tegenover elkaar staan. –
HPB
‡Philosophumena, bk. vi, hfst. 1, §18.
De derde wereld van Simon met haar derde reeks van
zes aeonen en de zevende, de ouder, wordt op dezelfde manier geëmaneerd.
Ditzelfde beeld ziet men in elk gnostisch stelsel – geleidelijke
neerwaartse ontwikkeling in de stof die berust op overeenkomst; en
dit is een wet die teruggaat op het oorspronkelijke occultisme of
de magie. Zowel bij de gnostici als bij ons is deze zevende macht,
die alles in zich bevat, de geest die over de duistere wateren van
de ongedifferentieerde ruimte zweeft: in India Narayana of Vishnu;
in het christendom de Heilige Geest. Maar terwijl het denkbeeld bij
de christenen door beperkingen wordt verkleind en begrensd, waarbij
geloof en genade noodzakelijke voorwaarden zijn, doordringt het volgens
de oosterse filosofie alle atomen, bewuste of onbewuste. . . .
Hieruit volgt dat elk wezen dat kan nadenken –
op aarde mens genoemd – dezelfde essentie heeft als
de hogere aeonen, de oorspronkelijke zeven, en in aanleg alle eigenschappen
daarvan bezit. Het is aan hem om ‘met het beeld van het hoogste
voor ogen’ daadwerkelijk – door navolging – het
vermogen te ontwikkelen, waarmee de hoogste van zijn voorouders, of
vaderen, is begiftigd.
– H.P. Blavatsky, Collected Writings,
12:552-6
Wanneer HPB naar het stelsel van aeonen van Simon
verwijst, en zegt dat het ‘op het gebied van de bollen A en G’
begint, moet de lezer bedenken dat er niet slechts zeven, maar in feite
twaalf verschillende evolutiestadia van groei zijn in de levensgeschiedenis
van een belichaming van een planeetketen, vanaf haar begin tot haar
einde. Ze gaat betrekkelijk stilzwijgend voorbij aan de eerste vijf
voorbereidende stadia en begint in feite met de keten in haar zesde
stadium dat ze het ‘eerste’ noemt. Het volgende diagram
maakt de zaak misschien iets duidelijker:
| Oerstadia* |
1. Aetherisch |
| 2. Etherisch |
| Elementaire evolutie |
1. Eerste elementalenrijk |
| 2. Tweede elementalenrijk |
| 3. Derde elementalenrijk |
| De zeven gemanifesteerde bollen |
1. Bol A vuurachtig |
| 2. Bol B luchtachtig |
| 3. Bol C waterachtig |
| 4. Bol D vast of aards |
| 5. Bol E etherisch |
| 6. Bol F etherisch-spiritueel |
| 7. Bol G quasi-spiritueel |
| *Bepaalde lagere dhyani-chohans vermengen
hun fluïdum of levensessentie met de elementalen van de vier
hogere elementalenrijken en ook met de levensatomen van de overeenkomstige
gebieden, en verschaffen zo het bouwkundige plan en de leidende
krachten en energieën op basis waarvan de lagere drie elementalenrijken
op hun beurt beginnen te bouwen. Vgl. De Geheime Leer,
2:262vn. |
Hieruit ziet men dat aan de evolutie van de elementalenrijken,
die de eerste zijn om te helpen bij het bouwen van een bol op een gebied,
de aetherische en etherische stadia voorafgaan, die in feite het vroegste
stadium van een komeet vertegenwoordigen in zijn twee hoofdfasen van
ontwikkeling. Zodra deze twee oerstadia van voorbereiding en quasi-verstoffelijking
voorbij zijn, beginnen de drie hoofdklassen van elementalen –
die zich hebben voorbereid en zich hebben gescheiden en naar hun drie
respectieve klassen zijn aangetrokken – hun werk van het leggen
van de grondslag voor een toekomstige bol.
Wanneer de drie klassen van elementalen de basis
hebben gelegd voor de toekomstige bol, waarbij elke klasse volgt wanneer
de eraan voorafgaande haar werk heeft beëindigd, begint de echte
bol zijn bestaan in wat hier de eerste ronde wordt genoemd; want tegen
de tijd dat de drie elementalenrijken hun taak hebben voltooid, hebben
de verschillende families van monaden zich min of meer ingedeeld in
hun respectieve groepen, en zijn dus gereed om als levensgolven aan
hun ronden te beginnen.
Vanaf deze tijd beginnen de zeven ronden en worden
de opeenvolgende stadia rond alle bollen van de keten doorlopen; want
men moet bedenken dat, hoewel de boven gegeven beschrijving voornamelijk
over bol D handelt, alle andere bollen zich op overeenkomstige wijze
pari passu ontwikkelden of tot manifestatie kwamen. Een ronde
begint op de hoogste van de twaalf bollen en zet zich regelmatig voort
van bol tot bol rond de keten. Dit is slechts een andere manier om te
zeggen dat iedere bol vanuit zichzelf het surplus aan leven of levens
ontvouwt.
Allereerst komt een layacentrum in een aetherisch
stadium tot leven; het begint zijn omzwervingen door de ruimte en trekt
geleidelijk aetherische en etherische stof tot zich en gaat op die manier
langzaam zijn tweede fase in, de etherische; en wanneer deze fase voorbij
is, is het layacentrum, dat zich nu als een etherische komeet manifesteert,
bijna een lid geworden van het zonnestelsel waarheen haar karmische
bestemming haar onvermijdelijk terugvoert, om zich te belichamen als
een toekomstige planeetketen. Als de komeet eenmaal haar plaats in de
baan om de zon heeft ingenomen als een zeer etherische bol in de eerste,
of eerste en tweede toestand van de stof van het fysieke kosmische gebied,
beginnen de drie elementalenrijken achtereenvolgens hun karakteristieke
activiteiten* en bouwen dan geleidelijk een lichtend en gloeiend of
‘wolkachtig’ lichaam van zeer geringe fysieke dichtheid
en van een soort die onze astronomen waarschijnlijk etherisch vuurachtig
zouden noemen. (Het woord vuurachtig wordt gebruikt om de gloeiende
of lichtende aard van vuur in zijn eerste stadia te suggereren, en niet
het fysieke vuur dat warmte produceert zoals wij dat op aarde kennen;
elektrische substantie geeft de gedachte misschien iets beter weer.)
Wanneer deze fase is geëindigd, begint de ‘eerste ronde’
en met deze ronde begint HPB haar schitterende uiteenzetting.
*Vgl. De Geheime Leer, 1:234vn:
‘De zeven fundamentele transformaties van de bollen of hemelsferen,
of beter van hun samenstellende stofdeeltjes, worden als volgt omschreven:
(1) homogeen; (2) luchtvormig en stralend
(gasvormig); (3) stremselachtig (nevelig); (4) atomair,
etherisch (het begin van beweging en dus van differentiatie); (5)
in de kiem aanwezig, vurig (gedifferentieerd, maar
samengesteld uit alleen de kiemen van de elementen in hun vroegste toestand;
zij bestaan in zeven toestanden, als ze volledig op onze aarde zijn
ontwikkeld); (6) viervoudig, dampvormig (de toekomstige aarde);
(7) koud en afhankelijk (van de zon voor leven en
licht).’
Het proces van verharding of verstoffelijking van
de bollen gaat gestaag voort tot het punt halverwege de vierde ronde,
waarna de bol weer etherischer wordt, wat op de opgaande of lichtende
boog gepaard gaat met de vergeestelijking van de verschillende families
van monaden die deze ronden volgen of volbrengen tot op het huidige
punt.
Bron van het occultisme, blz. 214-9
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag