Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De leer over svabhava


De drang achter de evolutie komt niet van buiten, maar ligt als kiem of zaad in de evoluerende entiteit zelf besloten; zowel de drang als het zaad komen uit één ding voort en dat is haar svabhava*, de zelfheid of het essentieel karakteristieke van het Zelf.

*Een samengesteld Sanskrietwoord. Sva betekent ‘zelf’ en bhava ‘worden, ontstaan’, en dat houdt een voortdurende groei of verandering in van de ene toestand in de andere.

De leer over svabhava heeft twee fundamentele aspecten: ten eerste het tevoorschijn komen of ontstaan door de ingeboren groeikracht van een entiteit zelf, en ten tweede, als een daarvan afgeleid denkbeeld, de innerlijke kwaliteit of aard van een entiteit, zodat alles wat ze tijdens de processen van haar voortdurende expansieve groei is of doet, in overeenstemming is met de krachten en substanties die uit haar eigen hart stromen die alle de kenmerken van deze oorspronkelijke bron in zich dragen.

In het geval van de mens wordt de aard van zijn hele wezen gevormd door de svabhava die is samengesteld uit de individuele svabhava’s van zijn verschillende monaden. Elk van deze monaden heeft haar eigen soort of type individualiteit en is tijdens het hele mahamanvantara ononderbroken werkzaam, zowel in actief als in passief opzicht, en brengt haar eigen levensessenties van binnenuit naar buiten. Omdat deze verschillende monaden voortdurend actief zijn, en dus voortdurend veranderen, ondergaat niet alleen de svabhava van elke individuele monade wijzigingen door evolutie, maar dragen deze wijzigingen noodzakelijkerwijs ertoe bij dat overeenkomstige veranderingen worden teweeggebracht in de samengestelde svabhava van de menselijke constitutie. Geen svabhava is dus eeuwig dezelfde en is nooit, zelfs niet één vluchtig ogenblik, volkomen statisch; hij ondergaat in de eindeloze tijd voortdurend wijzigingen of evolutionaire veranderingen.

Zoals iedere svabhava zijn oorspronkelijke bron heeft in de kern van zijn voortdurend evoluerende monade, zo heeft iedere individuele monade haar eigen svabhavische spirituele magnetisme, haar individualiteit. Dat geldt ook voor elk levensatoom in het hele gebied van het heelal. Bovendien is iedere groep individuen opgenomen in een eigen spiritueel-magnetische svabhava; dat is ook het geval met het fysieke lichaam van de mens, of met zijn hele constitutie, met een volk of ras, of zelfs met een groep sterren zoals de sterrenbeelden van de dierenriem. Verscheidenheid is de wet van het heelal, want die ontspringt aan de inwonende entiteit in de kern van ieder levend wezen, een straal van de blijvende monade in ieder van hen.

Een planeet, bijvoorbeeld, is niet alleen zelf een entiteit met een svabhava of karakter dat verschilt van dat van andere planeten, maar haar bewoners hebben tot op zekere hoogte ook deel aan haar individualiteit, terwijl ze ook een eigen svabhava hebben. De fundamentele wetten van de natuur, die universeel zijn, moeten vanzelfsprekend in het hele universum werkzaam zijn; terwijl de afgeleide natuurwetten, die grotendeels het product zijn van de inwonende spirituele entiteiten van de kosmos die de monaden zijn, verschillen naar gelang van tijd en plaats. Wij allen zijn opgebouwd uit dezelfde kosmische substanties die overal bestaan. Onze individualiteiten zijn onze respectieve svabhava’s, tonen, getallen – noem ze zoals u wilt.

Iedere monade is dus een bewustzijnscentrum met een bepaalde eigen svabhava, die altijd werkzaam is; en deze activiteit, die spiritueel-goddelijk is, komt op de lagere gebieden tot uitdrukking door stralen. Iedere monade straalt dus een voortdurende stroom van energieën uit van uiteenlopende svabhavische aard, goddelijk, spiritueel, verstandelijk, psychisch, enz. Deze stralen dringen door in de stof die lager staat en zich rondom hen bevindt, en op deze wijze produceren ze de verschillende verschijnselen in de wezens waarin ze werken. Als deze wezens of voertuigen hoogontwikkeld en gereed zijn, zodat ze de vermogens van de monadische energie die in hen werkt direct kunnen manifesteren, doen ze dat, en het resultaat is groots. Als de voertuigen echter zo laag op de evolutieladder staan dat ze maar weinig van de monadische eigenschappen kunnen weergeven, dan is dit weinige het enige wat er verschijnt.

Van de talrijke stralen die de monade voortdurend uitzendt, is er altijd één die de hoogste is. Ieder mens is hiervan een voorbeeld. Rondom zijn kern, die deze hogere straal van zijn monade is, worden de verschillende voertuigen of beginselen opgebouwd: de spirituele, de mentale, de astrale, de fysieke. Elk van deze lichamen bestaat uit levensatomen, onnoemelijke aantallen, die toch alle hun eigen individuele aard hebben, hun svabhava. Elk van deze levensatomen is zelf een groeiend wezen en is een straal van de ouder-monade van de mens.

Omdat de monadische essentie of hoogste hiërarch van een ruimtelijke eenheid, of dit nu een planeetketen of een zonne- of melkwegstelsel is, stralen uitzendt, wordt ieder mens ‘onder’ een van deze stralen ‘geboren’. Deze zo eenvoudig gestelde uitspraak is juist; maar jammer genoeg is er sprake van veel giswerk en is er zelfs heel wat onzin geschreven over deze stralen, en over de vraag hoe ze de mensheid beïnvloeden en leiden, en onder welke straal iemand ‘thuishoort’.

Natuurlijk is het waar dat ieder mens een kind is van zijn eigen spirituele straal of ouder-ster, maar, zoals HPB zegt,* deze ster moet niet worden verward met de louter astrologische zon of ster die het geboortebeeld van een mens kenmerkt. De spirituele straal waarop hier wordt gedoeld, is zijn hoogste en daarom eerste spirituele oorsprong, of dit de zon van ons eigen zonnestelsel is, of een van de tientallen miljarden sterren die ons flonkerende melkwegstelsel vormen.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:632-3.

Dat betekent niet dat wij het enige kind van onze ouder-ster zijn, want elke ster heeft ontelbare stralen of kinderen. Het is iets om over na te denken, dat de bestemming van die ster en onze bestemming nauw zijn verbonden door svabhavisch of fohatisch magnetisme – en dat duurt net zo lang als ons huidige melkwegstelsel blijft bestaan en, voorzover ik weet, zelfs daarna.

Het feit dat mensen op elkaar lijken betekent niet dat ze uit dezelfde monadische essentie van een individu voortkomen, maar dat ze stralen zijn van identieke planetaire herkomst – met andere woorden, dat ze verwante stralen zijn van een verhevener monadische essentie, een planetaire monade. Mensen lijken op elkaar. Ze verschillen minder van elkaar dan van wezens die in een toestand verkeren zoals die van de mensheid op de planeet Venus of op Mars of op een andere planeet. Maar er zijn er onder ons die nog meer op elkaar lijken dan alleen door overeenkomende trekken; en zij behoren tot de stralen van dezelfde planetaire monade. Een ‘Mars’-mens lijkt niet evenveel op een ‘Jupiter’-mens als op een ander mens van het ‘Mars’-type, enz.

Ik zou graag uitgebreider over deze kwestie van de stralen willen schrijven, al was het maar om te wijzen op de verkeerde conclusies van veel schrijvers over het astrale en psychische gebied, die daarover zoveel onzin hebben geschreven; maar het zou een boekdeel vergen om alle onjuistheden te belichten.

Evenals het heelal bestaat de mens uit verscheidene beginselen of elementen of tattva’s, die alle weer worden onderverdeeld in subbeginselen, elk met zijn eigen bepaalde svabhava. Als elk beginsel alle svabhavische energieën van de andere bevat, waarom zeggen we dan dat het ene hoger of spiritueler is dan het andere? Waarom is het sthulasarira, het fysieke lichaam, niet even verheven als de atman?

In essentie is elk beginsel, kosmisch of menselijk, even spiritueel als elk ander; wat het ene superieur maakt ten opzichte van het andere, is niet de essentiële substantie waaruit deze elementen of beginselen bestaan, maar de svabhava die elk manifesteert als zijn dominerende kenmerk. Het meest kenmerkende van atman is de spirituele individualiteit; van kama, bewuste vurige kracht of energie; van manas, geïndividualiseerde intelligentie of denkvermogen, enz.; toch zijn in elk beginsel alle andere zes beginselen latent aanwezig.

Als dus een mens van wie de svabhavische aard kama is, in het atman-deel daarvan leeft, leeft hij op een veel hoger niveau dan een mens wiens essentiële svabhava atman is, maar die niettemin in de lagere delen daarvan leeft. Ook iemand die in buddhi of het hogere manas van het kama-beginsel leeft, is in feite een edeler mens dan iemand die in het manas-element van zijn constitutie leeft, maar dan in het kama-deel van zijn manas.

Het beginsel waarin we leven bepaalt onze plaats op de levensladder. Als we in de atman leven, het essentiële zelf, het goddelijke deel van een kleur, van een kracht, van een element, zijn we in een hogere bewustzijnstoestand en leven we veel edeler dan een mens die misschien in het buddhi-manas leeft, maar op een zeer laag gebied daarvan. We moeten ernaar streven op het hoogste gebied te leven, waar alles kleurloze pracht is. Zodra we in kleur afdalen, in onderscheiden beginselen of tattva’s, dalen we af in manifestatie en differentiatie, wat een overeenkomstige maya voortbrengt en daarom onwetendheid. Er is een goddelijke kama, er is een lager kama; er is een goddelijke buddhi, er is een menselijke buddhi die zijn weerspiegeling is. Elk gebied is onderverdeeld en gemodelleerd volgens zijn hogere gebied. Wat een mens is, wordt niet bepaald door het milieu waarin hij ‘wordt geboren, of de straal waartoe hij misschien behoort, maar door dat waarop zijn bewustzijn is gericht. Is het omhooggericht, opstijgend naar de atman, in het kleurloze gebied, dan leeft hij in het goddelijke. In het absolute is geen enkele kleur, geen enkel beginsel of tattva spiritueler dan een andere, omdat alle uit het hart van het goddelijke zijn geboren. Als we afdalen naar de werelden van differentiatie, van het bestaan, dan moeten we onderscheid maken.

Men zou zich kunnen afvragen: waar bevind ik mij in ’s hemelsnaam in deze wildernis van svabhava’s en individualiteiten en subbeginselen, enz.? Als ik ervan uitga dat ik zevenvoudig ben, dat ik zeven atmans of godheden in mij heb, die samenwerken om mij te maken tot wat ik ben, zoals chemische elementen samenwerken om een entiteit te vormen; welk deel van deze samengestelde svabhava is dan dat wat ik ken als mijzelf, dat kleine onbelangrijke deel van mij dat zo strijdlustig is?

We moeten niet vergeten dat de mens zijn hele zevenvoudige wezen is, van het goddelijke omlaag via alle tussenliggende stadia tot het lichaam. Waarop hij zijn bewustzijn op een gegeven moment concentreert, in welke laag van zijn aurische ei, of in welk svabhavisch centrum ook, dat is het deel dat we voor dat moment het ik kunnen noemen. Voor het dier ligt dat in zijn dierlijke bewustzijn; voor ons gewoonlijk in ons kama-manas; voor de wijzen ligt dat nog hoger, waarschijnlijk in het buddhi-manas; voor de boeddha’s en christussen nog hoger, en voor de goden op een nog verhevener gebied.

We zien hier dat deze leer van grote betekenis is. Een mens kan leven in elk deel van het hele gebied van zijn wezen als hij dat wil. Hij kan, althans enige tijd, zijn bewustzijn concentreren op elke svabhavische energie die hij wenst en daardoor geïnspireerd en geholpen worden door de energieën van het heelal, of hij kan zijn gedachten en gevoelens concentreren op de lagere energieën; en als hij er vele levens lang in volhardt het kwade en verdorvene lief te hebben, zal hij tenslotte in de afgrond wegzinken.

De menigten monaden bestaan alle uit lerende, evoluerende entiteiten die in de loop van de wentelende eeuwen in de uitgestrekte kosmische gebieden hun weg omhoog- en omlaaggaan. Elke monade, die in haar oorspronkelijke, evolutionaire ontwikkeling is voortgekomen uit een kosmisch tattva, moet vele eeuwen lang de fundamentele afdruk van dit kosmische tattva met zich meedragen als haar svabhavische grondslag; maar als ze door evolutionaire wijziging of groei vanuit het ene kosmische gebied of het ene kosmische tattva opstijgt naar een ander, komt dat omdat haar svabhava gaat lijken op de inherente svabhava van het nieuwe kosmische gebied of tattva dat ze binnengaat. Omdat iedere svabhava bovendien is samengesteld, kunnen we op zoek naar de ‘eerste’ svabhava, bij wijze van spreken omhoog en binnenwaarts gaan, naar de kern ervan, om deze oorspronkelijke svabhavische achtergrond te vinden; en tijdens die poging beseffen we dat er altijd iets is dat nog hoger is, nog verhevener en grootser, en dat dit iets, dat kennelijk altijd onbereikbaar is, een onverklaarbare x-grootheid is die uit de kern van de monadische essentie zelf stroomt.

We kunnen dan ook zeggen dat elke entiteit de svabhava heeft van haar goddelijke monade, die ze rechtstreeks ontleent aan haar onverbrekelijk één-zijn met het melkwegstelsel; dat zich ook in ieder van ons de svabhavische kern bevindt van de spirituele monade, die dezelfde spirituele essentie heeft als ons zonnestelsel; dat we ook nog een andere svabhavische kern in ons hebben, de menselijke monade of het reïncarnerende ego, die ons kenmerkt als individuele mensen en de spirituele essentie heeft van onze planeetketen. Als we dit in het juiste verband plaatsen, zien we dat de meest fundamentele svabhava in onze samengestelde svabhava, de galactische svabhavische kern van ons is, die in haar karakteristieke individualiteit het langst blijft bestaan en het langzaamst verandert; en zelfs daar nog achter ligt de onbegrijpelijke achtergrond van de oneindigheid. Op precies dezelfde manier blijft de svabhavische essentie van onze spirituele monade, waarvan het thuis het zonnestelsel is, als een karakteristieke individualiteit langer bestaan dan het svabhavische element van ons reïncarnerende ego dat tot de planeetketen behoort. Al deze svabhava’s, van het galactische omlaag tot de vrij tijdelijke svabhava van de astrale monade van een enkel leven van de mens op aarde, evolueren niettemin en zijn daarom bezig te veranderen, op weg naar innerlijke en ruimere gebieden van kosmisch leven.

De mens is dus een ingewikkeld web van svabhava’s en ieder van ons heeft zijn eigen speciale svabhavische samenstelling. Ik zou hieraan nog kunnen toevoegen dat als iemand zou proberen na te gaan wat zijn eigen essentiële svabhava is of die van iemand anders – als hij dat vermogen zou hebben – dit buitengewoon gevaarlijk zou zijn. Want als hij labiel of moreel zwak was, en toch genoeg kennis zou bezitten om nauwkeurig de svabhava of grondtoon van het karakter van een ander te kennen, dan zou het heel gemakkelijk zijn die ander aan zijn wil en denken te onderwerpen en hem op die wijze te verlagen tot het peil van een gewillige of onwillige automaat of marionet.

Bovendien worden de monadische svabhava’s in onze constitutie ook gewijzigd door de verschillende kosmische tattva’s waarin en waaruit ze achtereenvolgens worden geboren gedurende het verloop van een manvantara, hetzij een zonne- of een planetair manvantara, zodat het mogelijk is dat de svabhava van een van de monaden van een mens akasisch is, terwijl een van zijn andere monaden van het taijasa (vurige) of van het vayava (lucht-) type kan zijn; en andere kunnen weer andere tattvische kenmerken vertonen. Het is onze toekomstige bestemming om zelfbewust bewust te worden op alle gebieden van onze constitutie, in al de svabhavische tattva’s in ons, omdat we een microkosmos zijn van de omringende macrokosmos. Als we die toestand van volledig ontwaken bereiken, zijn we volledig zelfbewuste goden en in feite stille wachters of kosmische hiërarchen – op een hoger of lager gebied van het ons omringende heelal – overeenkomstig onze bestemming.

Dit is inderdaad een wonderlijke leer, want ze toont ons op welke manier onze hele constitutie is verweven met het weefsel van het heelal. Een mens lijkt op een klankbord – om een andere beeldspraak te gebruiken – bespannen met zeven snaren zoals de lier van Apollo, waarover de winden van de eeuwigheid strijken, en de gecombineerde tonen van deze snaren brengen in hem een kosmische symfonie voort. En ieder van ons is als een levende mystieke lier die in harmonie meetrilt met de muziek der sferen.

 


Bron van het occultisme, blz. 220-6

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag