De leer over svabhava
De drang achter de evolutie komt niet van buiten, maar ligt als kiem
of zaad in de evoluerende entiteit zelf besloten; zowel de drang als
het zaad komen uit één ding voort en dat is haar svabhava*,
de zelfheid of het essentieel karakteristieke van het Zelf.
*Een samengesteld Sanskrietwoord. Sva betekent
‘zelf’ en bhava ‘worden, ontstaan’,
en dat houdt een voortdurende groei of verandering in van de ene toestand
in de andere.
De leer over svabhava heeft twee fundamentele aspecten:
ten eerste het tevoorschijn komen of ontstaan door de ingeboren groeikracht
van een entiteit zelf, en ten tweede, als een daarvan afgeleid denkbeeld,
de innerlijke kwaliteit of aard van een entiteit, zodat alles wat ze
tijdens de processen van haar voortdurende expansieve groei is of doet,
in overeenstemming is met de krachten en substanties die uit haar eigen
hart stromen die alle de kenmerken van deze oorspronkelijke bron in
zich dragen.
In het geval van de mens wordt de aard van zijn
hele wezen gevormd door de svabhava die is samengesteld uit de individuele
svabhava’s van zijn verschillende monaden. Elk van deze monaden
heeft haar eigen soort of type individualiteit en is tijdens het hele
mahamanvantara ononderbroken werkzaam, zowel in actief als in passief
opzicht, en brengt haar eigen levensessenties van binnenuit naar buiten.
Omdat deze verschillende monaden voortdurend actief zijn, en dus voortdurend
veranderen, ondergaat niet alleen de svabhava van elke individuele monade
wijzigingen door evolutie, maar dragen deze wijzigingen noodzakelijkerwijs
ertoe bij dat overeenkomstige veranderingen worden teweeggebracht in
de samengestelde svabhava van de menselijke constitutie. Geen svabhava
is dus eeuwig dezelfde en is nooit, zelfs niet één vluchtig
ogenblik, volkomen statisch; hij ondergaat in de eindeloze tijd voortdurend
wijzigingen of evolutionaire veranderingen.
Zoals iedere svabhava zijn oorspronkelijke bron
heeft in de kern van zijn voortdurend evoluerende monade, zo heeft iedere
individuele monade haar eigen svabhavische spirituele magnetisme, haar
individualiteit. Dat geldt ook voor elk levensatoom in het hele gebied
van het heelal. Bovendien is iedere groep individuen opgenomen in een
eigen spiritueel-magnetische svabhava; dat is ook het geval met het
fysieke lichaam van de mens, of met zijn hele constitutie, met een volk
of ras, of zelfs met een groep sterren zoals de sterrenbeelden van de
dierenriem. Verscheidenheid is de wet van het heelal, want die ontspringt
aan de inwonende entiteit in de kern van ieder levend wezen, een straal
van de blijvende monade in ieder van hen.
Een planeet, bijvoorbeeld, is niet alleen zelf een
entiteit met een svabhava of karakter dat verschilt van dat van andere
planeten, maar haar bewoners hebben tot op zekere hoogte ook deel aan
haar individualiteit, terwijl ze ook een eigen svabhava hebben. De fundamentele
wetten van de natuur, die universeel zijn, moeten vanzelfsprekend in
het hele universum werkzaam zijn; terwijl de afgeleide natuurwetten,
die grotendeels het product zijn van de inwonende spirituele entiteiten
van de kosmos die de monaden zijn, verschillen naar gelang van tijd
en plaats. Wij allen zijn opgebouwd uit dezelfde kosmische substanties
die overal bestaan. Onze individualiteiten zijn onze respectieve svabhava’s,
tonen, getallen – noem ze zoals u wilt.
Iedere monade is dus een bewustzijnscentrum met
een bepaalde eigen svabhava, die altijd werkzaam is; en deze activiteit,
die spiritueel-goddelijk is, komt op de lagere gebieden tot uitdrukking
door stralen. Iedere monade straalt dus een voortdurende stroom van
energieën uit van uiteenlopende svabhavische aard, goddelijk, spiritueel,
verstandelijk, psychisch, enz. Deze stralen dringen door in de stof
die lager staat en zich rondom hen bevindt, en op deze wijze produceren
ze de verschillende verschijnselen in de wezens waarin ze werken. Als
deze wezens of voertuigen hoogontwikkeld en gereed zijn, zodat ze de
vermogens van de monadische energie die in hen werkt direct kunnen manifesteren,
doen ze dat, en het resultaat is groots. Als de voertuigen echter zo
laag op de evolutieladder staan dat ze maar weinig van de monadische
eigenschappen kunnen weergeven, dan is dit weinige het enige wat er
verschijnt.
Van de talrijke stralen die de monade voortdurend
uitzendt, is er altijd één die de hoogste is. Ieder mens
is hiervan een voorbeeld. Rondom zijn kern, die deze hogere straal van
zijn monade is, worden de verschillende voertuigen of beginselen opgebouwd:
de spirituele, de mentale, de astrale, de fysieke. Elk van deze lichamen
bestaat uit levensatomen, onnoemelijke aantallen, die toch alle hun
eigen individuele aard hebben, hun svabhava. Elk van deze levensatomen
is zelf een groeiend wezen en is een straal van de ouder-monade van
de mens.
Omdat de monadische essentie of hoogste hiërarch
van een ruimtelijke eenheid, of dit nu een planeetketen of een zonne-
of melkwegstelsel is, stralen uitzendt, wordt ieder mens ‘onder’
een van deze stralen ‘geboren’. Deze zo eenvoudig gestelde
uitspraak is juist; maar jammer genoeg is er sprake van veel giswerk
en is er zelfs heel wat onzin geschreven over deze stralen, en over
de vraag hoe ze de mensheid beïnvloeden en leiden, en onder welke
straal iemand ‘thuishoort’.
Natuurlijk is het waar dat ieder mens een kind is
van zijn eigen spirituele straal of ouder-ster, maar, zoals HPB zegt,*
deze ster moet niet worden verward met de louter astrologische zon of
ster die het geboortebeeld van een mens kenmerkt. De spirituele straal
waarop hier wordt gedoeld, is zijn hoogste en daarom eerste spirituele
oorsprong, of dit de zon van ons eigen zonnestelsel is, of een van de
tientallen miljarden sterren die ons flonkerende melkwegstelsel vormen.
*Vgl. De Geheime Leer, 1:632-3.
Dat betekent niet dat wij het enige kind van onze
ouder-ster zijn, want elke ster heeft ontelbare stralen of kinderen.
Het is iets om over na te denken, dat de bestemming van die ster en
onze bestemming nauw zijn verbonden door svabhavisch of fohatisch magnetisme
– en dat duurt net zo lang als ons huidige melkwegstelsel blijft
bestaan en, voorzover ik weet, zelfs daarna.
Het feit dat mensen op elkaar lijken betekent niet
dat ze uit dezelfde monadische essentie van een individu voortkomen,
maar dat ze stralen zijn van identieke planetaire herkomst – met
andere woorden, dat ze verwante stralen zijn van een verhevener monadische
essentie, een planetaire monade. Mensen lijken op elkaar. Ze verschillen
minder van elkaar dan van wezens die in een toestand verkeren zoals
die van de mensheid op de planeet Venus of op Mars of op een andere
planeet. Maar er zijn er onder ons die nog meer op elkaar lijken dan
alleen door overeenkomende trekken; en zij behoren tot de stralen van
dezelfde planetaire monade. Een ‘Mars’-mens lijkt niet evenveel
op een ‘Jupiter’-mens als op een ander mens van het ‘Mars’-type,
enz.
Ik zou graag uitgebreider over deze kwestie van
de stralen willen schrijven, al was het maar om te wijzen op de verkeerde
conclusies van veel schrijvers over het astrale en psychische gebied,
die daarover zoveel onzin hebben geschreven; maar het zou een boekdeel
vergen om alle onjuistheden te belichten.
Evenals het heelal bestaat de mens uit verscheidene
beginselen of elementen of tattva’s, die alle weer worden onderverdeeld
in subbeginselen, elk met zijn eigen bepaalde svabhava. Als elk beginsel
alle svabhavische energieën van de andere bevat, waarom zeggen
we dan dat het ene hoger of spiritueler is dan het andere? Waarom is
het sthulasarira, het fysieke lichaam, niet even verheven als de atman?
In essentie is elk beginsel, kosmisch of menselijk,
even spiritueel als elk ander; wat het ene superieur maakt ten opzichte
van het andere, is niet de essentiële substantie waaruit deze elementen
of beginselen bestaan, maar de svabhava die elk manifesteert als zijn
dominerende kenmerk. Het meest kenmerkende van atman is de spirituele
individualiteit; van kama, bewuste vurige kracht of energie; van manas,
geïndividualiseerde intelligentie of denkvermogen, enz.; toch zijn
in elk beginsel alle andere zes beginselen latent aanwezig.
Als dus een mens van wie de svabhavische aard kama
is, in het atman-deel daarvan leeft, leeft hij op een veel hoger niveau
dan een mens wiens essentiële svabhava atman is, maar die niettemin
in de lagere delen daarvan leeft. Ook iemand die in buddhi of het hogere
manas van het kama-beginsel leeft, is in feite een edeler mens dan iemand
die in het manas-element van zijn constitutie leeft, maar dan in het
kama-deel van zijn manas.
Het beginsel waarin we leven bepaalt onze plaats
op de levensladder. Als we in de atman leven, het essentiële zelf,
het goddelijke deel van een kleur, van een kracht, van een element,
zijn we in een hogere bewustzijnstoestand en leven we veel edeler dan
een mens die misschien in het buddhi-manas leeft, maar op een zeer laag
gebied daarvan. We moeten ernaar streven op het hoogste gebied te leven,
waar alles kleurloze pracht is. Zodra we in kleur afdalen, in onderscheiden
beginselen of tattva’s, dalen we af in manifestatie en differentiatie,
wat een overeenkomstige maya voortbrengt en daarom onwetendheid. Er
is een goddelijke kama, er is een lager kama; er is een goddelijke buddhi,
er is een menselijke buddhi die zijn weerspiegeling is. Elk gebied is
onderverdeeld en gemodelleerd volgens zijn hogere gebied. Wat een mens
is, wordt niet bepaald door het milieu waarin hij ‘wordt geboren,
of de straal waartoe hij misschien behoort, maar door dat waarop zijn
bewustzijn is gericht. Is het omhooggericht, opstijgend naar de atman,
in het kleurloze gebied, dan leeft hij in het goddelijke. In het absolute
is geen enkele kleur, geen enkel beginsel of tattva spiritueler dan
een andere, omdat alle uit het hart van het goddelijke zijn geboren.
Als we afdalen naar de werelden van differentiatie, van het bestaan,
dan moeten we onderscheid maken.
Men zou zich kunnen afvragen: waar bevind ik mij
in ’s hemelsnaam in deze wildernis van svabhava’s en individualiteiten
en subbeginselen, enz.? Als ik ervan uitga dat ik zevenvoudig ben, dat
ik zeven atmans of godheden in mij heb, die samenwerken om mij te maken
tot wat ik ben, zoals chemische elementen samenwerken om een entiteit
te vormen; welk deel van deze samengestelde svabhava is dan dat wat
ik ken als mijzelf, dat kleine onbelangrijke deel van mij dat zo strijdlustig
is?
We moeten niet vergeten dat de mens zijn hele zevenvoudige
wezen is, van het goddelijke omlaag via alle tussenliggende stadia tot
het lichaam. Waarop hij zijn bewustzijn op een gegeven moment concentreert,
in welke laag van zijn aurische ei, of in welk svabhavisch centrum ook,
dat is het deel dat we voor dat moment het ik kunnen noemen. Voor het
dier ligt dat in zijn dierlijke bewustzijn; voor ons gewoonlijk in ons
kama-manas; voor de wijzen ligt dat nog hoger, waarschijnlijk in het
buddhi-manas; voor de boeddha’s en christussen nog hoger, en voor
de goden op een nog verhevener gebied.
We zien hier dat deze leer van grote betekenis is.
Een mens kan leven in elk deel van het hele gebied van zijn wezen als
hij dat wil. Hij kan, althans enige tijd, zijn bewustzijn concentreren
op elke svabhavische energie die hij wenst en daardoor geïnspireerd
en geholpen worden door de energieën van het heelal, of hij kan
zijn gedachten en gevoelens concentreren op de lagere energieën;
en als hij er vele levens lang in volhardt het kwade en verdorvene lief
te hebben, zal hij tenslotte in de afgrond wegzinken.
De menigten monaden bestaan alle uit lerende, evoluerende
entiteiten die in de loop van de wentelende eeuwen in de uitgestrekte
kosmische gebieden hun weg omhoog- en omlaaggaan. Elke monade, die in
haar oorspronkelijke, evolutionaire ontwikkeling is voortgekomen uit
een kosmisch tattva, moet vele eeuwen lang de fundamentele afdruk van
dit kosmische tattva met zich meedragen als haar svabhavische grondslag;
maar als ze door evolutionaire wijziging of groei vanuit het ene kosmische
gebied of het ene kosmische tattva opstijgt naar een ander, komt dat
omdat haar svabhava gaat lijken op de inherente svabhava van het nieuwe
kosmische gebied of tattva dat ze binnengaat. Omdat iedere svabhava
bovendien is samengesteld, kunnen we op zoek naar de ‘eerste’
svabhava, bij wijze van spreken omhoog en binnenwaarts gaan, naar de
kern ervan, om deze oorspronkelijke svabhavische achtergrond te vinden;
en tijdens die poging beseffen we dat er altijd iets is dat nog hoger
is, nog verhevener en grootser, en dat dit iets, dat kennelijk altijd
onbereikbaar is, een onverklaarbare x-grootheid is die uit de kern van
de monadische essentie zelf stroomt.
We kunnen dan ook zeggen dat elke entiteit de svabhava
heeft van haar goddelijke monade, die ze rechtstreeks ontleent aan haar
onverbrekelijk één-zijn met het melkwegstelsel; dat zich
ook in ieder van ons de svabhavische kern bevindt van de spirituele
monade, die dezelfde spirituele essentie heeft als ons zonnestelsel;
dat we ook nog een andere svabhavische kern in ons hebben, de menselijke
monade of het reïncarnerende ego, die ons kenmerkt als individuele
mensen en de spirituele essentie heeft van onze planeetketen. Als we
dit in het juiste verband plaatsen, zien we dat de meest fundamentele
svabhava in onze samengestelde svabhava, de galactische svabhavische
kern van ons is, die in haar karakteristieke individualiteit het langst
blijft bestaan en het langzaamst verandert; en zelfs daar nog achter
ligt de onbegrijpelijke achtergrond van de oneindigheid. Op precies
dezelfde manier blijft de svabhavische essentie van onze spirituele
monade, waarvan het thuis het zonnestelsel is, als een karakteristieke
individualiteit langer bestaan dan het svabhavische element van ons
reïncarnerende ego dat tot de planeetketen behoort. Al deze svabhava’s,
van het galactische omlaag tot de vrij tijdelijke svabhava van de astrale
monade van een enkel leven van de mens op aarde, evolueren niettemin
en zijn daarom bezig te veranderen, op weg naar innerlijke en ruimere
gebieden van kosmisch leven.
De mens is dus een ingewikkeld web van svabhava’s
en ieder van ons heeft zijn eigen speciale svabhavische samenstelling.
Ik zou hieraan nog kunnen toevoegen dat als iemand zou proberen na te
gaan wat zijn eigen essentiële svabhava is of die van iemand anders
– als hij dat vermogen zou hebben – dit buitengewoon gevaarlijk
zou zijn. Want als hij labiel of moreel zwak was, en toch genoeg kennis
zou bezitten om nauwkeurig de svabhava of grondtoon van het karakter
van een ander te kennen, dan zou het heel gemakkelijk zijn die ander
aan zijn wil en denken te onderwerpen en hem op die wijze te verlagen
tot het peil van een gewillige of onwillige automaat of marionet.
Bovendien worden de monadische svabhava’s
in onze constitutie ook gewijzigd door de verschillende kosmische tattva’s
waarin en waaruit ze achtereenvolgens worden geboren gedurende het verloop
van een manvantara, hetzij een zonne- of een planetair manvantara, zodat
het mogelijk is dat de svabhava van een van de monaden van een mens
akasisch is, terwijl een van zijn andere monaden van het taijasa (vurige)
of van het vayava (lucht-) type kan zijn; en andere kunnen weer andere
tattvische kenmerken vertonen. Het is onze toekomstige bestemming om
zelfbewust bewust te worden op alle gebieden van onze constitutie, in
al de svabhavische tattva’s in ons, omdat we een microkosmos zijn
van de omringende macrokosmos. Als we die toestand van volledig ontwaken
bereiken, zijn we volledig zelfbewuste goden en in feite stille wachters
of kosmische hiërarchen – op een hoger of lager gebied van
het ons omringende heelal – overeenkomstig onze bestemming.
Dit is inderdaad een wonderlijke leer, want ze toont
ons op welke manier onze hele constitutie is verweven met het weefsel
van het heelal. Een mens lijkt op een klankbord – om een andere
beeldspraak te gebruiken – bespannen met zeven snaren zoals de
lier van Apollo, waarover de winden van de eeuwigheid strijken, en de
gecombineerde tonen van deze snaren brengen in hem een kosmische symfonie
voort. En ieder van ons is als een levende mystieke lier die in harmonie
meetrilt met de muziek der sferen.
Bron
van het Occultisme, blz. 220-6
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag