Geluid, kleur en getal
In de Kosmos zijn de gradaties en de onderlinge
verbanden tussen kleuren en geluiden, en daarom met getallen, oneindig.
Zelfs in de natuurkunde heeft men hiervan een vermoeden, want men
heeft ontdekt dat er langzamere trillingen bestaan dan die van het
rood, de langzaamste die we kunnen waarnemen, en veel snellere trillingen
dan die van het violet, de snelste die onze zintuigen kunnen gewaarworden.
Maar op aarde, in onze fysieke wereld, is het bereik van waarneembare
trillingen beperkt. Onze fysieke zintuigen kunnen geen kennis nemen
van trillingen boven en beneden het beperkte spectrum van de zeven
prismatische kleuren, want zulke trillingen kunnen bij ons niet de
gewaarwording van kleur of geluid teweegbrengen. Het zal altijd het
trapsgewijs gerangschikte zevental blijven en meer niet, tenzij we
leren om ons viertal te verlammen en met onze spirituele zintuigen,
die in de bovenste driehoek zetelen, zowel de hogere als de lagere
trillingen waar te nemen. – HPB, ES Instructions
2; CW 12:562-3
Het is een van de basisleringen van de esoterische
filosofie dat elk geluid zijn inherente svabhavische kleur heeft; en,
omgekeerd, dat iedere kleur zijn inherente svabhavische geluid heeft;
en dat er geen geluid en geen kleur kan zijn zonder getal – geluid
en kleur zijn immers uitdrukkingen van trillingssnelheden – want
elke trillingsfrequentie omvat een bepaald aantal eenheden van trilling,
wat gelijkstaat met te zeggen dat het een getal is.
Als we deze gedachte volgen en over geluid spreken,
hebben we het tegelijk over kleur en getal; of als we over kleur spreken,
bedoelen we tevens geluid en het trillingsgetal dat het voortbrengt;
en als we het over getal hebben, zouden we, als we de ogen hadden om
het te zien en de oren om het te horen, zowel de kleur zien als het
geluid horen die overeenkomen met dat getal of die trillingsfrequentie.
Hierop zinspeelde Pythagoras toen hij sprak over de majestueuze harmonie
van de sferen.
Zoals elk atoom van ieder ding in de natuur, bezield
of onbezield, zijn eigen grondtoon zingt, zijn eigen geluid voortbrengt
en zijn eigen kleur en getal heeft, zo is ieder mens, iedere bloem,
boom, en ieder hemellichaam een spel en samenspel van geluiden, zowel
harde als zwakke, die zich tot een grandioze symfonie, en een prachtig
geheel van stralende en fonkelende kleuren vermengen. Het aurische ei
van een mens, bijvoorbeeld, is door de voortdurende werkingen van de
pranische aura’s niet alleen een verzameling schitterende kleuren,
maar ook een levend instrument dat geluidsharmonieën voortbrengt
wanneer de emoties, gedachten en gevoelens op een hoog niveau liggen,
en afschuwelijke wanklanken wanneer ze worden gekenmerkt door haat en
andere lage hartstochten.
Al vele tientallen jaren worden astronomen geboeid
door de wisselende kleurschakeringen die de grote sterrenmenigte te
zien geeft; sommige sterren zijn blauwachtig, andere geel, weer andere
roodachtig. De wetenschappelijke opvatting is dat de kleuren van de
sterren verschillende tijdperken in hun evolutionaire ontwikkeling vertegenwoordigen.
Hoe het ook zij, als we dit onderwerp uit een andere hoek benaderen,
zou het onjuist zijn om te zeggen dat alle blauwe sterren spiritueler
zijn dan alle rode sterren, alleen omdat rood als de kleur van kama
wordt gezien en blauw of indigoblauw als de kleur van het hogere manas.
Want er is zowel een spiritueel rood als een stoffelijk rood, en zowel
een spiritueel blauw als een stoffelijk blauw. Er zijn sterke occulte
redenen om te stellen dat voor bepaalde sterren een roodachtige kleur
een spiritueler toestand betekent dan het heldere lichtblauw van bepaalde
andere. Hoe hoger de trillingsintensiteit van licht of straling is,
des te lager of stoffelijker de plaats is van dat licht op de schaal;
en omdat de kleur blauw in ons eigen octaaf van zichtbare straling wordt
voortgebracht door een veel hogere frequentie dan rood, is het duidelijk
dat blauw op een stoffelijker toestand kan duiden dan de minder intense
trilling van rood.
HPB heeft verklaard dat ‘de ware kleur van
de zon blauw is’,* omdat zijn vitale aura blauw is. Het is de
werkelijke zon, in dezelfde zin als de vitale aura van een mens de ‘werkelijke
mens is; niettemin is de werkelijke mens, de essentiële
kern, de spirituele bron van wat slechts zijn vitale aura is. Het zou
niet juist zijn te zeggen dat de vitale aura van de zon de innerlijke
zon is; het is slechts een van de schillen of lagen van zijn aurische
ei en in geen geval een van de meest innerlijke. De blauwe kracht waarover
werd gesproken is de vitale aura van de zon, in zekere mate vermengd
met mentale en spirituele energie, die voortdurend en in alle richtingen
vanuit de zon stroomt. De zon straalt deze blauwe energie voortdurend
in een onvoorstelbare hoeveelheid uit.
*ES Instructions 2; CW 12:548vn.
Andere zonnen hebben andere kleuren, die de uitdrukkingen
zijn van hun samengestelde svabhava’s. Als we de geluiden konden
horen die de verschillende hemellichamen voortbrengen als hun natuurlijke
uitdrukkingsmiddel, dan zouden we beseffen dat iedere zon, iedere ster,
iedere planetoïde, zijn eigen kenmerkende grondtoon heeft. Wetenschappers
kunnen bepaalde sterren al ‘horen’, dat wil zeggen dat ze
het licht dat van een bepaalde lichtbron komt kunnen omzetten in geluid.*
Heel merkwaardig was, dat toen de stralen van de maan de foto-elektrische
cel die bij deze experimenten wordt gebruikt, verlichtten, ze klagende
geluiden voortbrachten, als van het luiden van grote klokken; maar toen
het licht van de heldere ster Arcturus erop scheen, bracht dat schitterende,
heldere klanken voort. Als we het systeem van de overeenkomsten tussen
kleuren, geluiden en getallen kenden, zouden we de eigenschappen van
een zon of een ster kunnen beoordelen: donkerblauw bijvoorbeeld, zou
wijzen op een verstandelijke zon; geel op een buddhi-zon.
*Vgl. De Mahatma Brieven, blz. 184.
De poging om door de kleur vast te stellen tot welke
bijzondere straal of klasse een bepaalde zon behoort, wordt bemoeilijkt
door het feit dat kleuren, evenals andere dingen die tot ons komen van
de hemellichamen, heel sterk worden beïnvloed door onze atmosfeer.
De atmosfeer van lucht die onze aarde omringt heeft een opmerkelijk
veranderende en in zekere mate ook oplossende invloed. Onze atmosfeer
is zowel een omzetter als een overbrenger. In feite vervormt en verandert
ze het licht – en dus het geluid – dat tot ons komt van
de planetaire en solaire lichamen. Spectroscopische waarneming is lang
niet zo betrouwbaar als tot nu toe werd aangenomen.
Alle verschillende kleuren van het zonnespectrum
hebben hun oorsprong in de zon en zijn op onze aarde vertegenwoordigd
in de vorm van licht, in de vorm van krachten – krachten in de
zon, waarvan elke kleur de uitstroming is van een bepaalde svabhava
of individuele energie, of een solaire logos. De zon is het voertuig
van een godheid; alles wat eruit voortstroomt is geworteld in het goddelijke.
Er zijn zeven (of twaalf) solaire krachten of element-beginselen en
daarom ook zeven (of twaalf) svabhava’s die samen de grootse svabhava
van de zon vormen. Uit deze solaire individualiteiten, machten, krachten
en lagere logoi vloeien stromen van substantie-energie, verenigd in
het licht dat wij als daglicht ontvangen, wit licht. Als men deze zonnestraal
door een prisma laat vallen, valt hij uiteen in zijn samenstellende
kleuren. Deze zeven stralen van het spectrum zijn zeven aurische stromen
van vitaliteit uit het zonnehart en deze svabhavische energieën
vormen samen het licht zoals wij het waarnemen. Geen van deze kleuren
is in essentie superieur aan de andere. Maar op het gebied van het stoffelijke
bestaan, en gezien het werk dat elk van de uitstromingen van de zon
op dit gebied van de stof doet, moeten we onderscheid maken en zeggen
dat atman kleurloos is, buddhi geel, kama rood, enz. Toch zijn ze alle
goddelijk van oorsprong.
Elk minuscuul deel van de oneindigheid bevat elk
essentiële element, elke kracht en elke svabhava die de oneindigheid
in zich bevat. Evenzo ontleent iedere onderverdeling of ieder subgebied
zijn eigen, zich herhalende zevenvoud aan het omringende heelal. De
microkosmos herhaalt eenvoudig de macrokosmos. In dit verband citeren
we een wat langer fragment uit de ES Instructions van HPB over
de beroemde Tibetaanse invocatie, Om mani padme hum:
Leer de getallen kennen die overeenkomen met het
grondbeginsel van ieder element en zijn subelementen, bestudeer hun
wisselwerking en gedrag aan de occulte kant van de zich manifesterende
natuur, en dan zal de wet van de overeenkomsten aan u de grootste
geheimen van het macrokosmische leven onthullen.
Maar om tot het macrokosmische te komen, moet u beginnen
bij het microkosmische: d.w.z. u moet de mens,
de microkosmos, bestuderen . . . als we hem ook maar een ogenblik
scheiden van het universele geheel, of hem afzonderlijk bekijken,
vanuit één enkel gezichtspunt, los van de ‘Hemelse
Mens’ – het door Adam Kadmon of zijn equivalenten in iedere
filosofie gesymboliseerde heelal – dan zullen we ons begeven
in de zwarte magie of onze poging jammerlijk zien mislukken.
Zo is de mystieke formule ‘Om mani padme
hum, als men haar op de juiste manier begrijpt, niet samengesteld
uit de bijna nietszeggende woorden, ‘O het juweel in de lotus’,
maar ze bevat een verwijzing naar deze onverbrekelijke band tussen
de mens en het heelal, die op zeven verschillende manieren wordt weergegeven
en zeven verschillende toepassingen mogelijk maakt op evenzoveel gebieden
van denken en handelen.
Uit welk gezichtspunt we deze ook beschouwen, de
betekenis is: ‘Ik ben die ik ben’; ‘ik ben in u
en u bent in mij’. Door deze band en in deze nauwe vereniging
wordt de goede en zuivere mens een god.
. . . in Tibet is deze zin de krachtigste zeslettergrepige
magische spreuk en deze zou door Padmapani, de Tibetaanse Chenresi,
aan de volkeren van Centraal-Azië zijn overgebracht.
Maar wie is Padmapani eigenlijk? Ieder van ons moet
hem zelf gaan herkennen, zodra hij gereed is. Ieder van ons heeft
vanbinnen het ‘juweel in de lotus’, of we het nu Padmapani,
Krishna, Boeddha of Christus noemen, of welke naam we ook maar aan
ons goddelijke zelf geven. Het exoterische verhaal gaat als volgt:
De hoogste boeddha, of Amitabha, liet, zo zegt men,
op het ogenblik van de schepping van de mens een rozerode lichtstraal
van zijn rechteroog uitgaan. De straal zond een geluid uit en werd
bodhisattva Padmapani. Toen liet de god uit zijn linkeroog een blauwe
lichtstraal schieten die in de twee maagden Dolma incarneerde en het
vermogen verwierf om het bewustzijn van levende wezens te verlichten.
Amitabha noemde toen de samenstelling die onmiddellijk haar intrek
nam in de mens, ‘Om mani padme hum’ (‘ik
ben het juweel in de lotus en daarin zal ik blijven’). Vervolgens
deed Padmapani, ‘hij die in de lotus is’, de gelofte nooit
te zullen ophouden met werken vóór hij de mensheid had
doen inzien dat hij in haar aanwezig was, en haar op die manier van
de ellende van wedergeboorte had gered. Hij zwoer dat werk te zullen
volbrengen vóór het einde van de kalpa, en voegde eraan
toe dat hij, als hij daarin niet zou slagen, wenste dat zijn hoofd
in ontelbare stukken zou splijten. Aan de kalpa kwam een einde, maar
de mensheid voelde hem niet in haar koude, boze hart. Toen spleet
Padmapani’s hoofd en viel in duizend stukken uiteen. Door mededogen
bewogen, vormde de godheid uit de stukken tien nieuwe hoofden,
drie witte en zeven van verschillende kleuren. En sinds die dag is
de mens een volmaakt getal, oftewel tien,
geworden. . . .
Uit
Amitabha – geen kleur of de witte luister
– worden de zeven gedifferentieerde kleuren van het prisma geboren.
Ze brengen elk een overeenkomstige klank voort en vormen zo de zeven
tonen van de toonladder. Van de wiskundevakken speelt vooral de meetkunde
een rol in de bouwkunst en ook – op universele schaal –
in de kosmogonie; omdat de tien jods van het pythagorische viertal,
of de tetraktis, als symbool worden gebruikt voor de macrokosmos,
moet de microkosmos of de mens, het evenbeeld ervan, ook in tien punten
worden verdeeld. – ES Instructions
1; CW 12:517-9
Er is genoeg gezegd om aan te tonen dat de woorden
Om mani padme hum, terwijl ze voor de oriëntalisten
en de niet-ingewijde menigte eenvoudig ‘O, het juweel in de
lotus’ betekenen, esoterisch gezien de betekenis hebben: ‘O,
mijn god binnenin mij’. ‘Ja; er is in ieder mens een god,
want de mens was een god en zal opnieuw een god worden. Deze spreuk
duidt op de onverbrekelijke band tussen de mens en het heelal. Want
de lotus is het universele symbool van de Kosmos als het absolute
geheel, en het juweel is de spirituele mens, of God.
– ES Instructions 2; CW
12:561
HPB heeft een prachtige beschrijving gegeven van
het verheven feit dat onze innerlijke god niet alleen onze hoogste schakel
is met het spiritueel-goddelijke heelal, maar ook de bron waaruit alles
wat het menselijke bestaan veredelt en zuivert, ons binnenstroomt. Hoe
meer we één worden met dit ‘juweel’, de godheid
in de kern van ons wezen, des te sneller we in steeds toenemende mate
de grootsheid die in ons is tot ontwikkeling brengen.11
Bron
van het Occultisme, blz. 227-32
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag