Architecten en bouwers
In iedere kosmogonie is er achter en boven de
scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een
architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is.
En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke
en uiterlijke gebieden, is er het onkenbare
en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties.
– De Geheime Leer, 2:46-7
Er wordt ons gezegd, dat elke vorm wordt opgebouwd
overeenkomstig het model dat er in de eeuwigheid voor is geschetst,
en dat wordt weerspiegeld in de goddelijke
geest. Er zijn hiërarchieën van ‘vormbouwers’
en reeksen van vormen en graden, van de hoogste tot de laagste.
– Een Toelichting op de Geheime Leer,
blz. 111
De natuur is één grote, levende, bezielde
organische entiteit, een werkelijk kosmisch wezen – zelfs wanneer
we het woord natuur beperken tot een bepaald gebied van het grenzeloze,
zoals onze aarde of ons zonnestelsel. In elke organische entiteit is
elk atoom verbonden met ieder ander atoom, en is niet alleen een individu
op zichzelf, maar ook een onlosmakelijk deel van dat gebied van de natuur
waarin het bestaat. Al die ‘atomen’, of het nu een zon of
een van de ontelbare menigten levensatomen betreft, komen dus voort
uit de moeder-substantie van de omringende natuur; en dat geldt voor
alle gebieden, van het superspirituele omlaag tot het fysieke. Alles
is onderling verbonden en staat in wisselwerking met elk ander ding
of wezen: net zoals het menselijk lichaam zijn verschillende verzamelingen
atomen en cellen bezit, bijeengebracht in organen die elk hun eigen
doel en functie hebben in het grotere organisme. Op dezelfde manier
zijn de nevelvlekken, zonnen en planeten, en de wezens die op de planeten
wonen, de verschillende organen van een grotere kosmische entiteit.
Maar verreweg het grootste deel van elk kosmisch organisme bestaat uit
de onzichtbare en hogere werelden en gebieden daarvan, en ons fysieke
gebied is slechts het meest grove lichaam dat van binnenuit wordt bezield
en geleid.
Elke eenheid in de natuur, zoals een zon of een
planeet, is daarom een belichaamde entiteit, die in haar hoogste delen
goddelijk is, die spiritueel is in het deel dat lager staat dan het
goddelijke, en een verstandelijke essentie of denkvermogen heeft; en
al deze manifesteren zich door middel van de lagere bekleedsels, waaronder
het fysieke lichaam. Iedere ster is dus de uitdrukking van een godheid,
want het heelal is belichaamd bewustzijn en bestaat uit enorm uitgestrekte
hiërarchieën in allerlei soorten, die elk hun eigen svabhava
bezitten.
Geest aan de ene pool, de hogere of negatieve, en
stof aan de andere, de lagere of positieve; en toch zijn beide fundamenteel
één. Stof is niets anders dan geest in verdichte toestand,
en daarom is ze geest die leeft, werkt en ‘slaapt’ in de
vorm van geest.
Voor ons menselijke begrip bestaat het gemanifesteerde
heelal, dat als een pendant van evolutie aan het vormloze en naamloze
hangt, uit twee elkaar doordringende en verweven ‘delen’
– de lichtzijde, de spirituele of goddelijke kant van de natuur;
en de nachtzijde, de stof- of voertuigkant. We zouden kunnen zeggen,
hoe ontoereikend dit ook is, dat de lichtzijde die delen van het gemanifesteerde
heelal omvat die worden bewoond door de hiërarchieën van mededogen
en wijsheid, welke delen ze in feite vormen en zijn.
De stofzijde heeft te maken met en bestaat in feite uit de vele hiërarchieën
van kosmische bouwers, de metselaars van de wereld, die door de mystieke
Grieken werden aangeduid als de kosmokratores, een woord dat zowel met
wereldbestuurders als wereldmakers kan worden vertaald.
Zoals we voor onze bouwprojecten zowel architecten
als bouwvakkers nodig hebben, zo kunnen we ook de universele natuur
verdelen in twee overeenkomstige algemene klassen van kosmische wezens.
Als we strikt logisch te werk willen gaan, zullen we de architecten
van het heelal natuurlijk ook als bouwers moeten beschouwen; en toch
bestaat er tussen hen hetzelfde belangrijke en natuurlijke verschil
als in de menselijke constitutie tussen enerzijds de ontwerpende leidende
menselijke intelligentie en anderzijds de menigten lagere monaden en
levensatomen door middel waarvan de leidinggevende en bouwkundige geest
van de mens werkt.
De bouwers van het heelal zijn zelf in zekere zin
ook architecten, want elk van hen is een evoluerende entiteit en zal
in de loop van de kosmische tijd een architect worden. Het is werkelijk
onmogelijk een scheidslijn tussen de twee algemene klassen te trekken,
en we kunnen dat alleen doen door de toekomstige evolutionaire bestemming
van de bouwers buiten beschouwing te laten en het heelal te bekijken
zoals het op een bepaald moment is. Wat nu kosmische architecten zijn,
waren in vroeger eeuwen kosmische bouwers; en evenzo zullen degenen
die nu kosmische bouwers zijn, in toekomstige eeuwen kosmische architecten
worden; en de plaatsen die daardoor vrijkomen aan de voertuigkant van
het heelal, zullen worden ingenomen door andere entiteiten, die nu lager
staan dan de bouwers – de ontelbare menigten monaden die evolutiestadia
doormaken in die delen van het kosmische bouwwerk die voor ons de laagste
zijn, de mineralen- en elementalenrijken.
Dit geeft een beeld van het heelal, dat we in de
woorden van de grote Griekse filosoof Heraclitus kunnen omschrijven
als een kosmische entiteit in voortdurende beweging: ‘alles stroomt’
voorwaarts en opwaarts naar hogere evolutiestadia, en de plaatsen van
hen die een stap zijn verdergekomen, worden onmiddellijk ingenomen door
lager staande entiteiten die in hun spoor volgen. Wanneer we dus over
goden in het heelal spreken, dan hebben we het niet over bepaalde wezens
die sinds het verste verleden goden zijn geweest en in de toekomst eeuwig
en altijd goden zullen blijven, maar dan bedoelen we die volledig zelfbewuste
en ideeën vormende wezens die de hiërarchieën van het
licht zijn. Er bestaat een bijna oneindig aantal goden van verschillende
graad op de evolutionaire levensladder, zodat de laagste klassen van
goden zich onmerkbaar vermengen met de hoogste klassen van bouwers aan
de stofkant van het heelal. Verder zien we dat de hoogste orden van
kosmische bouwers zelf goden lijken en dat inderdaad ook zijn voor de
lagere orden van bouwers.
Het belangrijkste punt hier is dat de architecten
het bewustzijn van het heelal vertegenwoordigen, en de bouwers de etherische
gebieden en de stof of substanties van het heelal. Beide klassen, de
kosmische bewustzijnen en de menigten entiteiten die de stofkant van
de natuur vormen, zijn kosmische monaden. Het enige essentiële
verschil tussen hen is dat die monaden die nu het niveau van architect
hebben bereikt, veel verder zijn geëvolueerd dan die andere monaden
die nu nog slechts entiteiten zijn die tot de substantiekant van het
bestaan behoren, variërend van de hoogste bouwers tot de levensatomen,
elementalen en zelfs de gewone atomen.
Het hele universum is dus opgebouwd en gevormd en
bestaat in feite uit menigten van ontelbare monaden, en elke monade
is een bewustzijnspunt. Laten we de twee triaden die HPB in De Geheime
Leer (1:373ev en 1:675ev) bespreekt eens naast elkaar zetten:
| chaos |
goden |
| theos |
monaden |
| kosmos |
atomen |
We zien dat elk lid van beide triaden overeenkomt
met en betrokken is bij zijn equivalent in de andere triade. Ter illustratie:
de goden vinden hun werkingssfeer in wat de Grieken chaos noemden, en
met goden werden dan niet zozeer wezens als wel goddelijke jivanmukta’s
bedoeld, bewustzijnen zo vrij en met een zo grote reikwijdte dat ze
in abstracte zin ruimtelijk zijn; de Ruimte, de bevatter, die die wezens
geboren doet worden die levende, bewuste belichamingen van hogere krachten
zijn. Het woord chaos werd gekozen omdat het doet denken aan bewuste
intelligentie onder hogere leiding. De monaden vinden op overeenkomstige
wijze hun woonplaats in die andere gebieden van de ruimte en van bewustzijn
die vallen onder het ene woord theos; terwijl de atomen hun terrein
vinden in de kosmos of de structuur van het gemanifesteerde heelal.
Laten we elke triade afzonderlijk bekijken: de goden
werken door de monaden, en de monaden die de goden in zich dragen, werken
door de atomen. Op overeenkomstige wijze kunnen we zeggen dat de esoterische
chaos in en door het goddelijke bouwwerk van het gemanifesteerde heelal
werkt dat theos wordt genoemd, en dat op zijn beurt, de afgronden van
de chaos in zich meedragend, het gemanifesteerde heelal of de kosmos
voortbrengt. Zo werkt aan de stofkant van de natuur, chaos (die mulaprakriti
of pradhana is) in en door de hiërarchieën van de bouwers
die gezamenlijk theos vormen. Deze twee werken samen om de uitgestrekte
kosmos voort te brengen, die vol is met evoluerend leven en in werkelijkheid
bestaat uit ontelbare monaden in hun huidige toestand van lage evolutionaire
ontwikkeling.
Als we nu proberen deze twee triaden in gedachten
te verenigen en dit verweven beeld op overeenkomstige wijze gebruiken
voor de menselijke constitutie, dan zien we dat het hoogste deel, de
goddelijke monade, onze innerlijke god is, die zich manifesteert in
en door zijn sluier van bewustzijn, de mystieke chaos of pradhana van
de menselijke constitutie. Op dezelfde wijze drukt onze innerlijke god
zich uit in en door de monadische vonken die van hem uitstralen, en
deze vonken of stralen zijn onze verschillende monaden die alle door
hun eigen spirituele bekleedsel werken en zo de samengestelde theos
van onze constitutie vormen. Zo werken ook onze levensatomen op al de
verschillende gebieden in en door hun respectieve sluiers, de lagere
en minder geëvolueerde atomen die de kosmos van de menselijke constitutie
vormen.
De innerlijke god werkt dus door de monaden, die
op hun beurt door de levensatomen werken, waardoor er als het ware een
verticale stroom van bewustzijn in de mens wordt gevormd; tegelijk werkt
elk van deze drie aspecten door zijn eigen bekleedsel en vormt de horizontale
evolutielijn van de menselijke constitutie. De verticale stroom van
bewustzijn kruist dus de horizontale en lagere stroom van bewustzijn
en brengt zo het mystieke kruis voort, waarover Plato in bedekte termen
spreekt. Dat is de symbolische betekenis van het kruis in de christelijke
theologie: de christos of het spirituele ego van de mens, ‘gekruisigd’
in de gebieden van de stof van de menselijke constitutie.
Op analoge wijze heeft elk heelal zijn innerlijke
god of hoogste hiërarch, die werkt door zijn ontelbare monadische
vonken die van hem uitstralen; deze werken op hun beurt door hun eigen
stralen of vonken, de levensatomen. Hier vinden we de verticale stroom
van bewustzijn op kosmische schaal. De horizontale evolutielijn vinden
we in de innerlijke god van ons heelal die door zijn pradhana of prakritische
essentie werkt; terwijl zijn stralen of monaden door de bouwers van
het heelal werken op al zijn verschillende gebieden; en deze kosmische
monaden werken weer door de elementalen of kosmische levensatomen die
hun secundaire of horizontale evolutielijn vinden in het ontzagwekkende
aantal lagere atomaire wezens die tezamen de kosmos voortbrengen.
De mens is een microkosmos van de macrokosmos, en
omdat hij een op zichzelf bestaand en onlosmakelijk deel is van het
heelal, bezitten we een onfeilbare sleutel waarmee we de meest diepzinnige
mysteries van ruimte en tijd kunnen ontsluieren. Deze regel kan natuurlijk
ook in omgekeerde richting worden toegepast: wanneer we eenmaal de aard
en de kenmerken en structuur van het heelal begrijpen, bezitten we daarmee
de kosmische sleutel waarmee we alle geheimen in de mens kunnen onthullen.
Onze innerlijke god is de architect voor de bouw
van de menselijke voertuigen door middel waarvan hij zich manifesteert.
Zoals ons intellect een idee ontwikkelt, een plan maakt, een beeld vormt
en dan de wil gebruikt om het te belichamen in bepaalde stoffelijke
scheppingen, bijvoorbeeld een gebouw, zo doordringen en stimuleren de
levens- en wilskracht en de spirituele en verstandelijke energieën
van de drie hogere klassen, de vier lagere klassen en zetten ze zo aan
het werk. Deze laatste beginnen hun werkzaamheden automatisch, instinctief,
volgens het algemene kosmische plan. Hoe komt het bijvoorbeeld dat de
mier en de bij elk hun eigen plan volgen en zo prachtig bouwen? Wat
zijn deze wonderlijke instincten in de lagere schepselen? Ze vinden
ongetwijfeld hun oorsprong in het innerlijk van het schepsel; maar wat
is die verbazingwekkende intelligentie die het instinct schijnt te leiden?
Het is het dominerende denken van de spirituele ontwerper, gesteld tegenover
de activiteit van de bouwer.
Laten we deze twee fundamentele hiërarchieën
van architecten en bouwers eens in verband brengen met de zeven klassen
van monaden (met weglating voorlopig van de hoogste vijf klassen) die
de mens vormen, hem opbouwen en hem tot een volledig mens maken. Deze
zeven bestaan uit twee soorten monaden: de lagere vier zijn de bouwers,
de metselaars, de werkers; de drie hogere klassen zijn de architecten
en plannenmakers, de ontwikkelaars van het idee dat de bouwers volgen.
Deze twee soorten monaden, zoals ze in de mens werken, vormen de twee
voornaamste delen van zijn constitutie: de drie hoogste van de zeven
geven hem zijn spirituele en verstandelijke beginselen; terwijl zijn
psychische, vitale, astrale en fysieke delen afkomstig zijn van de vier
lichamelijke klassen van pitri’s, de feitelijke voortbrengers
van deze lagere beginselen.
De drie hogere zijn de spirituele en verstandelijke
klassen, de goddelijke architecten, de ontwikkelaars van ideeën;
terwijl de vier lagere klassen, onder de algemene benaming van maanpitri’s
of vaderen, degenen zijn die in de meer stoffelijke rijken van het bestaan
werken en automatisch de levensplannen volgen die de spirituele klassen
in levensgolven op hen afdrukken.
Bij de geboorte van een planeetketen worden de verschillende
bollen daarvan gebouwd door deze wereldbouwers, die hun spirituele en
verstandelijke ontwikkeling in het vorige keten-manvantara hebben bereikt.
Vanuit een ander gezichtspunt bestaan deze wereldbouwers uit twee algemene
klassen: ten eerste de innerlijke goden, gezien als een groep van tien
klassen van monaden die werken aan de bouw van een planeetketen; ten
tweede de spirituele invloeden die van de andere planeten en de zon
naar deze planeetketen in aanbouw komen.
Ik herhaal: hoger dan de wereldbouwers staan wat
de Ouden de architecten noemden, zij die de komende dingen ontwerpen;
en die bij dit ontwerpen gedachten gebruiken, namelijk de spirituele
elementale energieën, de werkers. En deze gedachten zijn de hiërarchieën
van lagere godheden, zoals halfgoden, mensen, dieren, de plantenwereld,
de mineralenwereld, enz.
Bij het bouwen van een planeetketen, bijvoorbeeld,
vormen de dhyani-chohans vanuit zichzelf het werkterrein, als een product
van hun eigen wezen; vrijwel zoals een mens in zijn fysieke lichaam
woont, dat grotendeels het product of uitvloeisel is van de energieën
en substanties in hem. Het is het innerlijke astrale wezen van de menselijke
constitutie dat het fysieke lichaam vult, en dit astrale wezen vloeit
uiteindelijk voort uit het spirituele lichaam van de dhyani-chohan,
en bestaat uit stromen van levensatomen. De substanties en energieën
stromen van binnenuit en bouwen de werelden op.
Er zijn vele klassen van deze wereldbouwers. Er
zijn vele klassen van wereldarchitecten. En boven de architecten staan
weer andere, nog hoger ontwikkelde entiteiten, die nog vollediger uitdrukking
geven aan de onuitputtelijke energieën, krachten en vermogens van
de innerlijke god.
Ruimte is onbegrensd. Duur heeft begin noch einde.
Tijd is slechts een fantasie van de menselijke verbeelding, geprojecteerd
tegen de achtergrond van de eeuwige duur. En in de eindeloze tijd en
door heel de eindeloze Ruimte – innerlijk en uiterlijk –
trekt de enorme karavaan van werelden en goden, halfgoden, mensen, dieren,
enz., voorbij. Altijd is er beweging, met af en toe onderbrekingen,
wanneer delen van de karavaan zich terugtrekken voor een rustperiode,
en als die rustperiode voorbij is nemen ze hun plaats in de karavaan
weer in, maar dan achteraan.
Tot besluit: de spirituele kant van de natuur bestaat
uit de hiërarchieën van licht en mededogen, en deze hiërarchieën
zijn monaden die door evolutionaire ontwikkeling steeds vollediger uitdrukking
geven aan sluimerende krachten, vermogens en eigenschappen, zodat ze
de huidige zelfbewuste architecten of ware goden van het heelal zijn
geworden; terwijl de ontelbare menigten die de stofkant, de voertuigkant,
of de klasse van de bouwers vormen, monaden zijn die minder ontwaakt
zijn dan de algemene klasse van goden of architecten. Daarmee vergeleken
zouden de monaden die de stofkant van het heelal vormen, ‘slapen’
– hoewel dit woord natuurlijk bewustzijnstoestanden omvat van
de hoogste van de bouwers, die bijna architecten zijn, via alle tussenliggende
graden tot die van de levensatomen en atomen van het heelal die in een
toestand van betrekkelijk volledige spirituele sluimer verkeren.
Dit is een voorbeeld van de Gouden Keten van Hermes
die zich vanaf de meest verheven architect van het heelal, de kosmische
hiërarch, als een levende vlam omlaag beweegt door alle lagere
entiteiten, en zich uitstrekt tot het laagste niveau van een hiërarchisch
stelsel. Eén kosmisch plan, één kosmisch leven,
één kosmische leiding, één kosmische wet.
Bron
van het Occultisme, blz. 233-40
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag