Patronen bij het vormgeven van werelden
Er zijn miljoenen en miljoenen werelden en firmamenten
voor ons zichtbaar; er zijn nog grotere aantallen die niet meer door
middel van telescopen zichtbaar zijn, en veel van deze laatste soort
behoren niet tot onze objectieve bestaanssfeer. Hoewel ze
even onzichtbaar zijn als wanneer ze zich miljoenen mijlen buiten
ons zonnestelsel zouden bevinden, zijn ze toch met ons, bij ons, binnen
onze eigen wereld en voor hun eigen bewoners even objectief en materieel
als onze wereld voor ons is. Maar nogmaals, de relatie van deze werelden
met de onze is niet zoals tussen een reeks eivormige dozen die in
elkaar passen, zoals het speelgoed dat men Chinese poppen noemt; elk
van deze werelden wordt geheel beheerst door haar eigen speciale wetten
en omstandigheden en heeft geen rechtstreeks verband met onze sfeer.
Zoals we al zeiden, en voorzover we weten of voelen, bewegen de bewoners
van deze werelden zich misschien rondom ons en dwars
door ons heen alsof ze door een lege ruimte gingen, terwijl hun
woonplaatsen en landen de onze doordringen, hoewel ze ons gezichtsvermogen
niet verstoren, omdat we nog geen zintuigen hebben om hen te onderscheiden.
Toch kunnen de adepten en zelfs sommige zieners en sensitieven door
hun spirituele inzicht altijd meer of minder duidelijk de aanwezigheid
en nabijheid van wezens waarnemen die behoren tot andere levenssferen.
Degenen die behoren tot de (spiritueel) hogere werelden, treden alleen
in verbinding met die aardse stervelingen die door individuele inspanning
tot hen opstijgen, tot het hogere gebied dat zij bewonen. . . .
. . . Niettemin bestaan
er inderdaad zulke onzichtbare werelden. Ze zijn even dicht bevolkt
als onze eigen wereld, en ze zijn in enorme aantallen door de schijnbare
Ruimte verspreid; sommige zijn veel stoffelijker dan onze eigen wereld,
andere worden geleidelijk etherischer, totdat ze vormloos en als een
‘adem’ zijn.
– De Geheime Leer, 1: 670-1
Het gehele fysieke universum,
in al zijn uitgestrektheid en met al zijn ontelbare myriaden krachten
en substanties, is slechts het uiterlijke kleed van de onbegrensde ruimten
van de onzichtbare sferen en gebieden die hiërarchisch en geleidelijk
opklimmen tot in het grenzeloze.
Deze gedachte is niet alleen
een sleutel tot een juist begrip van de zichtbare en onzichtbare structuur
van een kosmische eenheid, maar heeft tegelijk een verheven ethische
betekenis. Ze toont aan dat de mens en het heelal niet twee en verschillend
zijn, maar in essentie één. Hierin ligt de fundamentele
verklaring van karma: alles wat de mens is en doet is nauw verbonden
met de bestemming van het heelal, spiritueel, etherisch, fysiek. Wat
het heelal is, is de mens in essentie ook; en daarom worden al zijn
gedachten, emoties en de daaruit voortvloeiende daden door de karmische
optekenaars, de lipika’s, nauwgezet, zelfs tot in de kleinste
details, vastgelegd.
Veel onderzoekers vinden
het moeilijk de juiste aard te begrijpen van de kosmische element-beginselen
en de loka’s en tala’s, en hun betrekking tot de twaalf
hoofdklassen van monaden. Het eerste dat men in gedachten moet houden
is dat de onzichtbare werelden eenvoudig al die delen van het zonnestelsel
zijn, en op kleinere schaal van een planeetketen, die onzichtbaar zijn
omdat ze bestaan uit substanties en krachten die òf etherischer
òf dichter zijn dan die waaruit het fysieke gebied bestaat. Ons
fysieke gebied is slechts een van de twaalf kosmische gebieden, die
alle hun eigen karakteristieke element-beginsel of svabhavische aether
hebben. Met andere woorden, elk van deze kosmische element-beginselen
ontvouwt geleidelijk een wereldstructuur vanuit zijn eigen substanties
en krachten, en deze wereldstructuur, gezien als een eenheid en een
geheel, is een kosmisch gebied. Een kosmisch gebied, dat zijn eigen
kosmische element-beginsel vertegenwoordigt dat zich heeft ontvouwd
en gemanifesteerd, heeft zijn spirituele, tussenliggende, en fysiek-astrale
delen; en elk van deze delen, gezien als een individuele kleinere wereldstructuur
binnen de grotere wereldstructuur van het kosmische gebied zelf, is
een loka en een tala, die als een paar bij elkaar horen.
Kortom: Bij het begin van
zijn manifestatie ontvouwt een heelal zich van het hoogste tot het laagste,
via alle tussenliggende graden, in twaalf elementen of beginselen; daarna
ontvouwt elk element-beginsel de verschillende subgebieden van een kosmisch
gebied; en deze verschillende subgebieden zijn de kosmische loka’s
en tala’s. Deze loka’s en tala’s kunnen daarom evengoed
de lagere graden of lagere werelden worden genoemd die op een kosmisch
gebied bestaan.
Laten we een ogenblik terugkeren
tot de kosmische element-beginselen voor deze zich, als individuele
eenheden van de kosmische structuur, ontvouwen tot gebieden en tot de
verschillende loka’s en tala’s. De oorzaak dat ze zich in
een veelheid van differentiaties manifesteren, ligt in het feit dat
elk kosmisch element of beginsel zelf bestaat uit eenheden van bewustzijn,
en dat zijn monaden in hun moederschoot – in, en geboren uit,
het kosmische element waaruit ze voortkwamen en waartoe ze dus behoren.
Deze monaden (die enigszins
vaag met de term kosmische levensatomen kunnen worden aangeduid) worden
kosmische elementalen genoemd, omdat ze de eerste nakomelingen zijn
die rechtstreeks uit de respectieve kosmische elementen worden geboren.
Omdat er twaalf kosmische elementen bestaan, zijn er twaalf fundamentele
klassen van monaden, van het goddelijke tot het fysieke. Natuurlijk
is iedere monade of ieder bewustzijnscentrum een levende, groeiende,
lerende entiteit; zodat uit welk kosmisch element ze oorspronkelijk
ook voortkomt, het haar uiteindelijke bestemming is door evolutie en
door het opdoen van ervaringen uit te groeien tot een god. Terwijl ze
haar loopbaan begint als een niet-zelfbewuste godsvonk, een jiva –
een kosmisch elementaal geboren uit het kosmische element – is
het haar bestemming om alle tussenliggende evolutiestadia te doorlopen
om tenslotte een volledig ontwikkelde god, een jivanmukta, te worden.
De kosmische element-beginselen
zijn zelf grote groepen kosmische elementalen of oorspronkelijke monaden
die op alle twaalf gebieden van het heelal bestaan, zichtbare en onzichtbare;
en met hun onmetelijke substanties en krachten die met elkaar zijn verweven
en op elkaar inwerken, vormen ze het schitterende stelsel van de wereldstructuur
dat het solaire Brahmanda, of het Ei van Brahma, is. De kosmische gebieden
of, wat op hetzelfde neerkomt, de loka’s en tala’s die deze
gebieden vormen, zijn in feite opgebouwd uit de ontelbare menigten van
de twaalf klassen van evoluerende monaden. Elke grotere eenheid omvat
een menigte kleinere; of, omgekeerd, iedere kleinere eenheid leeft binnen
een grotere eenheid, die op haar beurt slechts een samenstellend deel
is van een nog grotere eenheid; enzovoort tot de grenzen van het zonnestelsel
zijn bereikt. En het zonnestelsel zelf is weer een kleiner deel van
een nog verhevener entiteit, die ons melkwegstelsel is.
Deze twaalf grote klassen
van evoluerende monaden bestaan niet alleen op de twaalf kosmische gebieden
en in en door alle loka’s en tala’s daarvan, maar als gevolg
van vroegere evolutionaire karmische ontwikkeling vormen ze
ook de wereldstructuur en brengen zo de verschillende hiërarchieën
van levende wezens voort, van de hoogste tot de laagste. Sommige van
deze monaden zijn goden in onze eigen wereldstructuur of ons eigen zonnestelsel,
en sommige zijn halfgoden; weer andere zijn monaden in een minder vergevorderde
staat van ontwikkeling, waarvan onze menselijke hiërarchie een
voorbeeld is. We kunnen afdalen in de verschillende hiërarchieën
lager dan de menselijke tot we de drie hoofdklassen van elementalen
bereiken – lager heeft niet met plaats te maken, maar doelt op
jongere monaden.
Een goede analogie met
de wereldstructuur kan men vinden in de constitutie van een mens. Hij
is een zevenvoudige entiteit bestaande uit substanties en krachten –
die we in de wereldstructuur gebieden noemen – die zich uitstrekken
van het goddelijke tot het fysieke, en in alle tussenliggende graden;
en elke graad bestaat uit een zeer groot aantal levensatomen met de
belangrijkste monade aan het hoofd. Alle delen van de menselijke constitutie
werken niettemin samen en zijn onderling verweven, zowel in hun essentie
als in hun activiteiten, om een zevenvoudig mens voort te brengen. Op
exact dezelfde manier is een zonnestelsel opgebouwd, of een planeetketen
of een bol daarvan, of ook een atoom van de ontelbare aantallen atomen
die een bol vormen. Het zonnestelsel is, evenals een mens, een entiteit
met zijn eigen individualiteit, die zijn hiërarch is; en deze hiërarch
leeft in en door alle krachten en substanties, alle gebieden en loka’s
en tala’s, van het zonnestelsel door middel waarvan hij zich tot
uitdrukking brengt en die zijn constitutie vormen.
Bron
van het Occultisme, blz. 247-50
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag