Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Patronen bij het vormgeven van werelden


Er zijn miljoenen en miljoenen werelden en firmamenten voor ons zichtbaar; er zijn nog grotere aantallen die niet meer door middel van telescopen zichtbaar zijn, en veel van deze laatste soort behoren niet tot onze objectieve bestaanssfeer. Hoewel ze even onzichtbaar zijn als wanneer ze zich miljoenen mijlen buiten ons zonnestelsel zouden bevinden, zijn ze toch met ons, bij ons, binnen onze eigen wereld en voor hun eigen bewoners even objectief en materieel als onze wereld voor ons is. Maar nogmaals, de relatie van deze werelden met de onze is niet zoals tussen een reeks eivormige dozen die in elkaar passen, zoals het speelgoed dat men Chinese poppen noemt; elk van deze werelden wordt geheel beheerst door haar eigen speciale wetten en omstandigheden en heeft geen rechtstreeks verband met onze sfeer. Zoals we al zeiden, en voorzover we weten of voelen, bewegen de bewoners van deze werelden zich misschien rondom ons en dwars door ons heen alsof ze door een lege ruimte gingen, terwijl hun woonplaatsen en landen de onze doordringen, hoewel ze ons gezichtsvermogen niet verstoren, omdat we nog geen zintuigen hebben om hen te onderscheiden. Toch kunnen de adepten en zelfs sommige zieners en sensitieven door hun spirituele inzicht altijd meer of minder duidelijk de aanwezigheid en nabijheid van wezens waarnemen die behoren tot andere levenssferen. Degenen die behoren tot de (spiritueel) hogere werelden, treden alleen in verbinding met die aardse stervelingen die door individuele inspanning tot hen opstijgen, tot het hogere gebied dat zij bewonen. . . .

. . . Niettemin bestaan er inderdaad zulke onzichtbare werelden. Ze zijn even dicht bevolkt als onze eigen wereld, en ze zijn in enorme aantallen door de schijnbare Ruimte verspreid; sommige zijn veel stoffelijker dan onze eigen wereld, andere worden geleidelijk etherischer, totdat ze vormloos en als een ‘adem’ zijn.
     – De Geheime Leer, 1: 670-1

Het gehele fysieke universum, in al zijn uitgestrektheid en met al zijn ontelbare myriaden krachten en substanties, is slechts het uiterlijke kleed van de onbegrensde ruimten van de onzichtbare sferen en gebieden die hiërarchisch en geleidelijk opklimmen tot in het grenzeloze.

Deze gedachte is niet alleen een sleutel tot een juist begrip van de zichtbare en onzichtbare structuur van een kosmische eenheid, maar heeft tegelijk een verheven ethische betekenis. Ze toont aan dat de mens en het heelal niet twee en verschillend zijn, maar in essentie één. Hierin ligt de fundamentele verklaring van karma: alles wat de mens is en doet is nauw verbonden met de bestemming van het heelal, spiritueel, etherisch, fysiek. Wat het heelal is, is de mens in essentie ook; en daarom worden al zijn gedachten, emoties en de daaruit voortvloeiende daden door de karmische optekenaars, de lipika’s, nauwgezet, zelfs tot in de kleinste details, vastgelegd.

Veel onderzoekers vinden het moeilijk de juiste aard te begrijpen van de kosmische element-beginselen en de loka’s en tala’s, en hun betrekking tot de twaalf hoofdklassen van monaden. Het eerste dat men in gedachten moet houden is dat de onzichtbare werelden eenvoudig al die delen van het zonnestelsel zijn, en op kleinere schaal van een planeetketen, die onzichtbaar zijn omdat ze bestaan uit substanties en krachten die òf etherischer òf dichter zijn dan die waaruit het fysieke gebied bestaat. Ons fysieke gebied is slechts een van de twaalf kosmische gebieden, die alle hun eigen karakteristieke element-beginsel of svabhavische aether hebben. Met andere woorden, elk van deze kosmische element-beginselen ontvouwt geleidelijk een wereldstructuur vanuit zijn eigen substanties en krachten, en deze wereldstructuur, gezien als een eenheid en een geheel, is een kosmisch gebied. Een kosmisch gebied, dat zijn eigen kosmische element-beginsel vertegenwoordigt dat zich heeft ontvouwd en gemanifesteerd, heeft zijn spirituele, tussenliggende, en fysiek-astrale delen; en elk van deze delen, gezien als een individuele kleinere wereldstructuur binnen de grotere wereldstructuur van het kosmische gebied zelf, is een loka en een tala, die als een paar bij elkaar horen.

Kortom: Bij het begin van zijn manifestatie ontvouwt een heelal zich van het hoogste tot het laagste, via alle tussenliggende graden, in twaalf elementen of beginselen; daarna ontvouwt elk element-beginsel de verschillende subgebieden van een kosmisch gebied; en deze verschillende subgebieden zijn de kosmische loka’s en tala’s. Deze loka’s en tala’s kunnen daarom evengoed de lagere graden of lagere werelden worden genoemd die op een kosmisch gebied bestaan.

Laten we een ogenblik terugkeren tot de kosmische element-beginselen voor deze zich, als individuele eenheden van de kosmische structuur, ontvouwen tot gebieden en tot de verschillende loka’s en tala’s. De oorzaak dat ze zich in een veelheid van differentiaties manifesteren, ligt in het feit dat elk kosmisch element of beginsel zelf bestaat uit eenheden van bewustzijn, en dat zijn monaden in hun moederschoot – in, en geboren uit, het kosmische element waaruit ze voortkwamen en waartoe ze dus behoren.

Deze monaden (die enigszins vaag met de term kosmische levensatomen kunnen worden aangeduid) worden kosmische elementalen genoemd, omdat ze de eerste nakomelingen zijn die rechtstreeks uit de respectieve kosmische elementen worden geboren. Omdat er twaalf kosmische elementen bestaan, zijn er twaalf fundamentele klassen van monaden, van het goddelijke tot het fysieke. Natuurlijk is iedere monade of ieder bewustzijnscentrum een levende, groeiende, lerende entiteit; zodat uit welk kosmisch element ze oorspronkelijk ook voortkomt, het haar uiteindelijke bestemming is door evolutie en door het opdoen van ervaringen uit te groeien tot een god. Terwijl ze haar loopbaan begint als een niet-zelfbewuste godsvonk, een jiva – een kosmisch elementaal geboren uit het kosmische element – is het haar bestemming om alle tussenliggende evolutiestadia te doorlopen om tenslotte een volledig ontwikkelde god, een jivanmukta, te worden.

De kosmische element-beginselen zijn zelf grote groepen kosmische elementalen of oorspronkelijke monaden die op alle twaalf gebieden van het heelal bestaan, zichtbare en onzichtbare; en met hun onmetelijke substanties en krachten die met elkaar zijn verweven en op elkaar inwerken, vormen ze het schitterende stelsel van de wereldstructuur dat het solaire Brahmanda, of het Ei van Brahma, is. De kosmische gebieden of, wat op hetzelfde neerkomt, de loka’s en tala’s die deze gebieden vormen, zijn in feite opgebouwd uit de ontelbare menigten van de twaalf klassen van evoluerende monaden. Elke grotere eenheid omvat een menigte kleinere; of, omgekeerd, iedere kleinere eenheid leeft binnen een grotere eenheid, die op haar beurt slechts een samenstellend deel is van een nog grotere eenheid; enzovoort tot de grenzen van het zonnestelsel zijn bereikt. En het zonnestelsel zelf is weer een kleiner deel van een nog verhevener entiteit, die ons melkwegstelsel is.

Deze twaalf grote klassen van evoluerende monaden bestaan niet alleen op de twaalf kosmische gebieden en in en door alle loka’s en tala’s daarvan, maar als gevolg van vroegere evolutionaire karmische ontwikkeling vormen ze ook de wereldstructuur en brengen zo de verschillende hiërarchieën van levende wezens voort, van de hoogste tot de laagste. Sommige van deze monaden zijn goden in onze eigen wereldstructuur of ons eigen zonnestelsel, en sommige zijn halfgoden; weer andere zijn monaden in een minder vergevorderde staat van ontwikkeling, waarvan onze menselijke hiërarchie een voorbeeld is. We kunnen afdalen in de verschillende hiërarchieën lager dan de menselijke tot we de drie hoofdklassen van elementalen bereiken – lager heeft niet met plaats te maken, maar doelt op jongere monaden.

Een goede analogie met de wereldstructuur kan men vinden in de constitutie van een mens. Hij is een zevenvoudige entiteit bestaande uit substanties en krachten – die we in de wereldstructuur gebieden noemen – die zich uitstrekken van het goddelijke tot het fysieke, en in alle tussenliggende graden; en elke graad bestaat uit een zeer groot aantal levensatomen met de belangrijkste monade aan het hoofd. Alle delen van de menselijke constitutie werken niettemin samen en zijn onderling verweven, zowel in hun essentie als in hun activiteiten, om een zevenvoudig mens voort te brengen. Op exact dezelfde manier is een zonnestelsel opgebouwd, of een planeetketen of een bol daarvan, of ook een atoom van de ontelbare aantallen atomen die een bol vormen. Het zonnestelsel is, evenals een mens, een entiteit met zijn eigen individualiteit, die zijn hiërarch is; en deze hiërarch leeft in en door alle krachten en substanties, alle gebieden en loka’s en tala’s, van het zonnestelsel door middel waarvan hij zich tot uitdrukking brengt en die zijn constitutie vormen.

 


Bron van het occultisme, blz. 247-50

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag