Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Het ontrollen van de kosmische elementen


Nu we spreken over elementen: de Ouden wordt geregeld verweten dat ze ‘veronderstelden dat hun elementen enkelvoudig waren en niet te ontleden’. Dit is opnieuw een niet te rechtvaardigen bewering. In ieder geval kunnen hun ingewijde filosofen moeilijk hiervan worden beschuldigd, want zij zijn het die vanaf het begin allegorieën en religieuze mythen hebben bedacht. Als ze onbekend waren geweest met de heterogeniteit van hun elementen, dan zouden ze vuur, lucht, water, aarde en aether niet hebben verpersoonlijkt; hun kosmische goden en godinnen zouden nooit zijn gezegend met een dergelijk nageslacht, met zoveel zonen en dochters, elementen geboren uit en binnen ieder afzonderlijk Element.    – De Geheime Leer, 1:170-1

Bij het begin van een universeel manvantara, wanneer differentiatie en manifestatie een aanvang nemen, opent het grootse kosmische drama met het verlangen naar zelfexpressie, dat ontstaat in de sluimerende hiërarchische oerbron. Dit is hetzelfde soort verlangen dat het ontwaken van het menselijke ego in devachan veroorzaakt, zodat het zijn ‘afdaling’ kan beginnen naar een nieuwe incarnatie op aarde. Op deze manier ontrolt of ontwikkelt het heelal vanuit zichzelf zijn verschillende essenties – vaak aangeduid als beginselen of elementen – en dat begint altijd met de hoogste en zet zich daarna voort op regelmatige of hiërarchische wijze. Elke essentie ontvouwt, na zelf te zijn ontwikkeld uit haar voorganger, van binnenuit de essentie die op haar volgt bij de bouw van de structuur of het weefsel van het heelal. Zo brengen de goddelijke essenties vanuit zichzelf hun nakomelingen, de spirituele essenties voort, en deze brengen op hun beurt de essenties voort die in de wereldorde op hen volgen; zodat wanneer dit proces voor dat manvantara is voltooid, er een heelal bestaat met al zijn gebieden die zich uitstrekken van het goddelijk-spirituele tot het astraal-fysieke.

De manier van ontvouwen is zó dat elke essentie of elk element-beginsel niet alleen in zichzelf zijn eigen svabhava bevat, maar ook het voertuig is van de verschillende svabhava’s van alle essenties die eraan voorafgingen en ook van die welke erop volgen; zodat, wanneer de zevende (of twaalfde) essentie is bereikt, het heelal zich heeft ontplooid als een verzameling van weefsels van leven. Dit proces wordt differentiatie of manifestatie genoemd.

In de verschillende religieuze of filosofische stelsels zijn verschillende namen aan deze essenties of element-beginselen gegeven. Hoewel elke poging om de namen van het ene stelsel naast die van andere te plaatsen nuttig kan zijn, omdat daaruit de overeenkomst van opvattingen blijkt, kan het ook heel misleidend zijn als men ten onrechte meent dat de vergeleken namen in elk opzicht precies dezelfde betekenis hebben.

Deze beginselen of kosmische elementen werden door Plato, en na hem door Aristoteles en andere Griekse schrijvers, stoicheia genoemd, een woord dat betekent ‘dingen die in een volgorde bij elkaar horen’, en het werd gebruikt in de zin van het ontvouwen of ontrollen van de kosmische essenties, de lagere uit de hogere, en iedere essentie uit haar eigen voorganger in tijd en ruimte. Zoals HPB zegt in De Geheime Leer (1:505-6):

De στοιχεῖα (elementen) van Plato en Aristoteles waren dus de onlichamelijke beginselen die waren verbonden met de vier grote afdelingen van onze kosmische wereld, . . . Zelfs zo nauw, dat de hiërarchieën van die vermogens of krachten werden gerangschikt volgens een progressieve schaal van zeven trappen van het weegbare tot het onweegbare. Ze zijn zevenvoudig – niet als kunstmatig hulpmiddel om ze gemakkelijker te begrijpen – maar in hun werkelijke kosmische rangorde, van hun scheikundige (of natuurkundige) tot hun zuiver spirituele samenstelling.

Proclus, een neoplatonische schrijver en mysticus, beschrijft dit proces van ontvouwing door emanatie op de volgende suggestieve wijze:

Opdat de hele progressieve ontwikkeling van de elementen en ook hun gradaties ons echter duidelijk zal worden, is het een vereiste dat we de bespiegelingen erover bovenaan beginnen. Deze vier elementen, vuur en lucht, water en aarde, bestaan dus oorspronkelijk, en overeenkomstig de oorzaak eenduidig, in de demiurg van gehelen. . . . Uit deze demiurgische oorzaken ontwikkelen deze vier elementen zich geleidelijk tot het heelal, hoewel niet onmiddellijk tot de ondermaanse wereld. Want hoe kunnen de meest onstoffelijke naturen zonder tussenschakel leven geven aan de meest stoffelijke, en onbeweeglijke naturen aan die welke in elk opzicht in beweging zijn? Want de ontwikkeling van de dingen verloopt nergens zonder tussenschakel, maar vindt goed geordend en trapsgewijs plaats.*

*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus of Plato, Boek III, blz. 422-3.

Een andere Griekse filosoof, Empedocles, gebruikte voor deze zelfde kosmische essenties het woord rhizomata, dat wortels betekent, een term die ook door HPB werd gebruikt.

De verschillende scholen van de hindoefilosofie, zoals de Sankhya en de Vedanta, hadden hun eigen speciale termen voor deze kosmische essenties, evenals het boeddhisme, in het bijzonder het mahayana. Hoewel ze alle hetzelfde kosmische beeld van zich ontrollende essenties voor ogen hadden, beschouwde elk ze op zijn eigen manier.

De Sankhya-term voor deze kosmische essenties is tattva’s,* die men ziet als tweevoudig van aard en die een innerlijk of meer etherisch, en een uiterlijk of meer ontwikkeld aspect bezitten. Hun meer etherische aspect wordt tanmatra genoemd, terwijl hun gemanifesteerde aspect mahabhuta wordt genoemd, zodat tattva overeenkomt met wat in de theosofische terminologie een element-beginsel wordt genoemd; tanmatra wordt gelijkgesteld met het beginsel en mahabhuta met het element. De boeddhisten spreken echter gewoonlijk over dhatu’s in plaats van tattva’s.

*Vgl. Beginselen van de Esoterische Filosofie, waar ik in een tabel de kosmische essenties heb vergeleken met de brahmaanse tattva’s en de mystieke Griekse equivalenten, enz. Zo’n tabel is echter min of meer willekeurig, omdat men andere zou kunnen opstellen vanuit verschillende gezichtspunten die even nauwkeurig zijn.

In de Sankhya-filosofie worden nog twee termen gebruikt: prakriti’s en vikriti’s. In één opzicht betekenen de prakriti’s bijna hetzelfde als de tattva’s. Bij nader onderzoek zien we echter dat het woord tattva’s waarschijnlijk voor de abstracte kosmische essenties zelf moet worden gereserveerd, terwijl het woord prakriti’s moet worden gebruikt voor de verschillende kosmische substanties en hun werkingen, die we het best kunnen uitdrukken als het ‘voortbrengende vermogen’ binnen de tattva’s. Prakriti, in de betekenis van zich ontvouwende substantie of etherische stof die aanwezig is in ieder tattva, brengt dus vanuit zichzelf de stromen van levens of kosmische elementalen voort. De vikriti’s zijn een nog verdere fase in de kosmische evolutie en vertegenwoordigen de voortgebrachte manifestaties of differentiaties van de prakriti’s – de vele myriaden soorten van manifestatie die elke prakriti wordt.

Er is dus een tattva als een abstracte kosmische essentie, en in dat tattva ontstaat zijn substantie-voortbrengende vermogen dat zijn eigen svabhavische, etherische substanties en krachten tevoorschijn brengt, en dat is zijn prakriti. Deze prakriti ontvouwt zich op haar beurt tot ontelbare differentiaties die, in combinatie met alle andere tattva’s, prakriti’s en vikriti’s, het ingewikkelde weefsel van het twaalfvoudige heelal voortbrengen.

De Sanskrietterm mahabhuta’s komt overeen met wat de oude Grieken de vijf kosmische elementen noemden, gewoonlijk opgesomd als aether, vuur, lucht, water en aarde – maar dat zijn niet de gewone elementen die ons vertrouwd zijn. Deze namen werden aangenomen op grond van bepaalde eigenschappen (vikriti’s) die inherent zijn aan de fysieke of quasi-fysieke elementen, in een poging de overeenkomstige eigenschappen van de kosmische elementen te omschrijven: aarde duidt op vastheid en uitbreiding, water op beweeglijkheid, vuur suggereert levenswarmte, zenuwenergie en ook het stimuleren van het denkproces, enz.

Een interessant punt met betrekking tot de term mahabhuta, die letterlijk vertaald ‘grote wat-is-geweest’ betekent (bhuta komt van de werkwoordswortel bhu, worden), is dat deze mahabhuta’s, als ze zich in het begin van een kosmisch manvantara ontvouwen, nauwkeurige reproducties zijn van wat deze zelfde kosmische elementen waren toen het voorafgaande manvantara eindigde. Het nieuwe heelal kan, voorzover het de kosmische essenties betreft, worden vergeleken met een horloge dat, als het is afgelopen en weer wordt opgewonden, opnieuw gaat lopen precies vanaf het moment dat de wijzers aangaven toen het uurwerk stopte.

Wanneer een heelal zich heeft ontrold door zijn samenstellende kosmische essenties te ontvouwen, wordt het een Ei van Brahma genoemd, en de hiërarch van zo’n heelal is de Brahma daarvan, die in zijn kosmische Ei leeft, zoals de atman van de menselijke constitutie het brahman daarvan is, dat in het menselijke aurische ei leeft en zijn bestaan heeft op alle gebieden van de menselijke constitutie.12

Het is natuurlijk waar dat zelfs de kosmische essenties, die bestaan uit onmetelijk grote menigten monaden, zich verder ontwikkelen, omdat al hun samenstellende monaden evolueren. Als één grote groep gelijksoortige monaden overgaat naar hogere dingen, worden hun plaatsen ingenomen door andere gelijksoortige monaden die in hun spoor volgen; de kosmische essenties van het heelal zijn er dus altijd in hun twaalf graden, en zullen nieuwe kosmische levensdrama’s ontvouwen – die monaden die de ene kosmische hiërarchie hebben doorlopen, gaan verder en omhoog naar de volgende hiërarchie, en dat proces gaat eindeloos verder.

 


Bron van het occultisme, blz. 251-5

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag