Het ontrollen van de kosmische elementen
Nu we spreken over elementen: de Ouden wordt
geregeld verweten dat ze ‘veronderstelden dat hun elementen
enkelvoudig waren en niet te ontleden’. Dit is opnieuw een niet
te rechtvaardigen bewering. In ieder geval kunnen hun ingewijde filosofen
moeilijk hiervan worden beschuldigd, want zij zijn het die vanaf het
begin allegorieën en religieuze mythen hebben bedacht. Als ze
onbekend waren geweest met de heterogeniteit van hun elementen, dan
zouden ze vuur, lucht, water, aarde en aether niet hebben verpersoonlijkt;
hun kosmische goden en godinnen zouden nooit zijn gezegend met een
dergelijk nageslacht, met zoveel zonen en dochters, elementen geboren
uit en binnen ieder afzonderlijk Element. –
De Geheime Leer, 1:170-1
Bij het begin van een universeel
manvantara, wanneer differentiatie en manifestatie een aanvang nemen,
opent het grootse kosmische drama met het verlangen naar zelfexpressie,
dat ontstaat in de sluimerende hiërarchische oerbron. Dit is hetzelfde
soort verlangen dat het ontwaken van het menselijke ego in devachan
veroorzaakt, zodat het zijn ‘afdaling’ kan beginnen naar
een nieuwe incarnatie op aarde. Op deze manier ontrolt of ontwikkelt
het heelal vanuit zichzelf zijn verschillende essenties – vaak
aangeduid als beginselen of elementen – en dat begint altijd met
de hoogste en zet zich daarna voort op regelmatige of hiërarchische
wijze. Elke essentie ontvouwt, na zelf te zijn ontwikkeld uit haar voorganger,
van binnenuit de essentie die op haar volgt bij de bouw van de structuur
of het weefsel van het heelal. Zo brengen de goddelijke essenties vanuit
zichzelf hun nakomelingen, de spirituele essenties voort, en deze brengen
op hun beurt de essenties voort die in de wereldorde op hen volgen;
zodat wanneer dit proces voor dat manvantara is voltooid, er een heelal
bestaat met al zijn gebieden die zich uitstrekken van het goddelijk-spirituele
tot het astraal-fysieke.
De manier van ontvouwen
is zó dat elke essentie of elk element-beginsel niet alleen in
zichzelf zijn eigen svabhava bevat, maar ook het voertuig is van de
verschillende svabhava’s van alle essenties die eraan voorafgingen
en ook van die welke erop volgen; zodat, wanneer de zevende (of twaalfde)
essentie is bereikt, het heelal zich heeft ontplooid als een verzameling
van weefsels van leven. Dit proces wordt differentiatie of manifestatie
genoemd.
In de verschillende religieuze
of filosofische stelsels zijn verschillende namen aan deze essenties
of element-beginselen gegeven. Hoewel elke poging om de namen van het
ene stelsel naast die van andere te plaatsen nuttig kan zijn, omdat
daaruit de overeenkomst van opvattingen blijkt, kan het ook heel misleidend
zijn als men ten onrechte meent dat de vergeleken namen in elk opzicht
precies dezelfde betekenis hebben.
Deze beginselen of kosmische
elementen werden door Plato, en na hem door Aristoteles en andere Griekse
schrijvers, stoicheia genoemd, een woord dat betekent ‘dingen
die in een volgorde bij elkaar horen’, en het werd gebruikt in
de zin van het ontvouwen of ontrollen van de kosmische essenties, de
lagere uit de hogere, en iedere essentie uit haar eigen voorganger in
tijd en ruimte. Zoals HPB zegt in De Geheime Leer (1:505-6):
De στοιχεῖα
(elementen) van Plato en Aristoteles waren dus de onlichamelijke
beginselen die waren verbonden met de vier grote afdelingen van
onze kosmische wereld, . . . Zelfs zo nauw, dat de hiërarchieën
van die vermogens of krachten werden gerangschikt volgens een progressieve
schaal van zeven trappen van het weegbare tot het onweegbare. Ze zijn
zevenvoudig – niet als kunstmatig hulpmiddel om ze gemakkelijker
te begrijpen – maar in hun werkelijke kosmische rangorde,
van hun scheikundige (of natuurkundige) tot hun zuiver spirituele
samenstelling.
Proclus, een neoplatonische
schrijver en mysticus, beschrijft dit proces van ontvouwing door emanatie
op de volgende suggestieve wijze:
Opdat de hele progressieve ontwikkeling van de elementen
en ook hun gradaties ons echter duidelijk zal worden, is het een vereiste
dat we de bespiegelingen erover bovenaan beginnen. Deze vier elementen,
vuur en lucht, water en aarde, bestaan dus oorspronkelijk, en overeenkomstig
de oorzaak eenduidig, in de demiurg van gehelen. . . . Uit deze demiurgische
oorzaken ontwikkelen deze vier elementen zich geleidelijk tot het
heelal, hoewel niet onmiddellijk tot de ondermaanse wereld. Want hoe
kunnen de meest onstoffelijke naturen zonder tussenschakel leven geven
aan de meest stoffelijke, en onbeweeglijke naturen aan die welke in
elk opzicht in beweging zijn? Want de ontwikkeling van de dingen verloopt
nergens zonder tussenschakel, maar vindt goed geordend en trapsgewijs
plaats.*
*Naar Engelse vert. Thomas Taylor, On the Timaeus
of Plato, Boek III, blz. 422-3.
Een andere Griekse filosoof,
Empedocles, gebruikte voor deze zelfde kosmische essenties het woord
rhizomata, dat wortels betekent, een term die ook door HPB
werd gebruikt.
De verschillende scholen
van de hindoefilosofie, zoals de Sankhya en de Vedanta, hadden hun eigen
speciale termen voor deze kosmische essenties, evenals het boeddhisme,
in het bijzonder het mahayana. Hoewel ze alle hetzelfde kosmische beeld
van zich ontrollende essenties voor ogen hadden, beschouwde elk ze op
zijn eigen manier.
De Sankhya-term voor deze
kosmische essenties is tattva’s,* die men ziet als tweevoudig
van aard en die een innerlijk of meer etherisch, en een uiterlijk of
meer ontwikkeld aspect bezitten. Hun meer etherische aspect wordt tanmatra
genoemd, terwijl hun gemanifesteerde aspect mahabhuta wordt genoemd,
zodat tattva overeenkomt met wat in de theosofische terminologie een
element-beginsel wordt genoemd; tanmatra wordt gelijkgesteld met het
beginsel en mahabhuta met het element. De boeddhisten spreken echter
gewoonlijk over dhatu’s in plaats van tattva’s.
| *Vgl. Beginselen van de Esoterische Filosofie,
waar ik in een tabel de kosmische essenties heb vergeleken met de
brahmaanse tattva’s en de mystieke Griekse equivalenten, enz.
Zo’n tabel is echter min of meer willekeurig, omdat men andere
zou kunnen opstellen vanuit verschillende gezichtspunten die even
nauwkeurig zijn. |
 |
In de Sankhya-filosofie
worden nog twee termen gebruikt: prakriti’s en vikriti’s.
In één opzicht betekenen de prakriti’s bijna hetzelfde
als de tattva’s. Bij nader onderzoek zien we echter dat het woord
tattva’s waarschijnlijk voor de abstracte kosmische essenties
zelf moet worden gereserveerd, terwijl het woord prakriti’s moet
worden gebruikt voor de verschillende kosmische substanties en hun werkingen,
die we het best kunnen uitdrukken als het ‘voortbrengende vermogen’
binnen de tattva’s. Prakriti, in de betekenis van zich ontvouwende
substantie of etherische stof die aanwezig is in ieder tattva, brengt
dus vanuit zichzelf de stromen van levens of kosmische elementalen voort.
De vikriti’s zijn een nog verdere fase in de kosmische evolutie
en vertegenwoordigen de voortgebrachte manifestaties of differentiaties
van de prakriti’s – de vele myriaden soorten van manifestatie
die elke prakriti wordt.
Er is dus een tattva als
een abstracte kosmische essentie, en in dat tattva ontstaat zijn substantie-voortbrengende
vermogen dat zijn eigen svabhavische, etherische substanties en krachten
tevoorschijn brengt, en dat is zijn prakriti. Deze prakriti
ontvouwt zich op haar beurt tot ontelbare differentiaties die, in combinatie
met alle andere tattva’s, prakriti’s en vikriti’s,
het ingewikkelde weefsel van het twaalfvoudige heelal voortbrengen.
De Sanskrietterm mahabhuta’s
komt overeen met wat de oude Grieken de vijf kosmische elementen noemden,
gewoonlijk opgesomd als aether, vuur, lucht, water en aarde –
maar dat zijn niet de gewone elementen die ons vertrouwd zijn. Deze
namen werden aangenomen op grond van bepaalde eigenschappen (vikriti’s)
die inherent zijn aan de fysieke of quasi-fysieke elementen, in een
poging de overeenkomstige eigenschappen van de kosmische elementen
te omschrijven: aarde duidt op vastheid en uitbreiding, water op beweeglijkheid,
vuur suggereert levenswarmte, zenuwenergie en ook het stimuleren van
het denkproces, enz.
Een interessant punt met
betrekking tot de term mahabhuta, die letterlijk vertaald ‘grote
wat-is-geweest’ betekent (bhuta komt van de werkwoordswortel
bhu, worden), is dat deze mahabhuta’s, als ze zich in
het begin van een kosmisch manvantara ontvouwen, nauwkeurige reproducties
zijn van wat deze zelfde kosmische elementen waren toen het voorafgaande
manvantara eindigde. Het nieuwe heelal kan, voorzover het de kosmische
essenties betreft, worden vergeleken met een horloge dat, als het is
afgelopen en weer wordt opgewonden, opnieuw gaat lopen precies vanaf
het moment dat de wijzers aangaven toen het uurwerk stopte.
Wanneer
een heelal zich heeft ontrold door zijn samenstellende kosmische essenties
te ontvouwen, wordt het een Ei van Brahma genoemd, en de hiërarch
van zo’n heelal is de Brahma daarvan, die in zijn kosmische Ei
leeft, zoals de atman van de menselijke constitutie het brahman daarvan
is, dat in het menselijke aurische ei leeft en zijn bestaan heeft op
alle gebieden van de menselijke constitutie.12
Het is natuurlijk waar
dat zelfs de kosmische essenties, die bestaan uit onmetelijk grote menigten
monaden, zich verder ontwikkelen, omdat al hun samenstellende monaden
evolueren. Als één grote groep gelijksoortige monaden
overgaat naar hogere dingen, worden hun plaatsen ingenomen door andere
gelijksoortige monaden die in hun spoor volgen; de kosmische essenties
van het heelal zijn er dus altijd in hun twaalf graden, en zullen nieuwe
kosmische levensdrama’s ontvouwen – die monaden die de ene
kosmische hiërarchie hebben doorlopen, gaan verder en omhoog naar
de volgende hiërarchie, en dat proces gaat eindeloos verder.
Bron
van het Occultisme, blz. 251-5
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag