De geboorte van een bol
‘Zoals vanaf het begin werd geleerd, is
onze bol op het laagste punt van de neergaande boog, waar de stof
die we waarnemen zich in haar grofste vorm vertoont. . . . Het is
dan ook logisch dat de bollen die onze aarde overschaduwen, op andere
en hogere gebieden moeten liggen. Kortom, als bollen hangen
ze samen met onze aarde, maar ze hebben
niet dezelfde substantie
als onze aarde en behoren daarom tot een geheel andere bewustzijnstoestand.
Onze planeet is (evenals alle andere die we zien) aangepast aan de
bijzondere toestand van haar mensheid, die toestand die ons in staat
stelt met het blote oog de hemellichamen te zien die in essentie één
zijn met ons aardse gebied en onze aardse substantie, evenals de bewoners
van Jupiter, Mars en andere planeten onze kleine wereld kunnen waarnemen:
omdat onze bewustzijnsgebieden, die hoewel in graad verschillend naar
soort toch gelijk zijn, zich in dezelfde laag van gedifferentieerde
stof bevinden. . . . Indien hij (de opponent) ook maar het vage silhouet
van een van die ‘planeten’ op de hogere gebieden zou willen
waarnemen, moet hij eerst zelfs de ijle wolken van de astrale stof
afschudden, die tussen hem en het volgende gebied hangen.’
– Uit een brief
aangehaald in De Geheime Leer, 1:195-6
Omdat elk kosmisch gebied in zeven, tien of twaalf
subgebieden kan worden verdeeld, bestaat er een nauwe overeenkomst tussen
de gebieden en de element-beginselen van de kosmos; de verschillende
kosmische gebieden zijn in feite werelden, gevormd uit en in
de overeenkomstige element-beginselen. Elk element-beginsel, dat zeven-
of twaalfvoudig is, bevat in zichzelf alle andere element-beginselen;
daarom kunnen aan de hand van elk daarvan de aard en kenmerken van alle
andere enigermate worden vastgesteld. Het evolutieplan houdt in dat
de verschillende element-beginselen geleidelijk en achtereenvolgens
uit elkaar emaneren, terwijl de totale levensimpuls op zijn cyclische
weg omlaaggaat van het ene kosmische gebied naar het volgende. Dit wordt
noodzakelijkerwijs op kleinere schaal herhaald op elk van de zeven kosmische
gebieden: op elk daarvan verschijnt geleidelijk en achtereenvolgens
wat men het overeenstemmende sub-element-beginsel zou kunnen noemen,
terwijl de gecombineerde levensimpuls van het ene subgebied overgaat
naar het aangrenzende lagere subgebied.
Hieruit volgt dat elk van de zeven ronden van een
planeetketen, elk van de zeven (of twaalf) bollen van die keten, en
elk van de zeven wortelrassen op elke bol ervan, een overheersend punt
van overeenkomst heeft met een van de zeven element-beginselen van de
kosmos.
Laten we bol D van onze planeetketen als voorbeeld
nemen van het ontstaan van een hiërarchische eenheid door en in
de zeven kosmische gebieden. Deze bol bevindt zich op het laagste of
zevende van de gemanifesteerde kosmische gebieden van ons zonnestelsel,
het prithivi-gebied; maar dit gebied heeft zelf zeven of zelfs twaalf
graden van ijlheid: zijn subgebieden, die op dezelfde manier in sub-subgebieden
zijn te verdelen. Als voorbeeld hoe groot de verschillen zijn tussen
het ene subgebied en het volgende kan dienen dat de stof of prakriti
van ons fysieke gebied varieert van wat wij ether noemen, die volledig
onzichtbaar is, tot substanties waarvan de wetenschappers ons verzekeren
dat ze dichter zijn dan lood.
Onze bol D op dit laagste kosmische gebied, die
wat de graden van zijn substantie betreft zelf zevenvoudig is, bestaat
(verschijnt op verschillende manieren) op dat hele gebied.
Ik bedoel niet dat onze fysieke bol het geheel vult, maar dat elk deel
van bol D zich op zijn overeenkomstige sub-subgebied van het kosmische
gebied bevindt, en dat elke bol-fase overeenkomt met zijn eigen fase
van dat gebied. Wat voor bol D geldt, geldt natuurlijk voor alle andere
bollen van de planeetketen, elk op zijn eigen kosmische gebied.
Hoe komt deze reeks overeenkomsten tot stand? Het
antwoord ligt in het juiste begrip van de manier waarop de grondslagen
van een planeetketen worden gelegd, bol na bol, in en tijdens de eerste
ronde. Ook dit kan worden geïllustreerd aan de hand van bol D,
omdat het desbetreffende proces identiek is voor alle bollen van de
keten.
In de eerste ronde bevindt onze bol D zich, in zijn
zeer etherische aspect, op het eerste, het hoogste van de zeven subgebieden
of fasen van het kosmische gebied prithivi. Hij ontwikkelt zich daar
in de hoogste of quasi-spirituele fase van het kosmische element-beginsel
prithivi. In de tweede ronde zal bol D zich hebben ontwikkeld tot het
punt waarop hij zich in de volgende en lagere fase van het kosmische
element-beginsel prithivi bevindt; anders gezegd, hij zal in die mate
zijn verstoffelijkt dat hij zich op het tweede subgebied bevindt, omlaag
geteld. Men moet dit niet verkeerd begrijpen en denken dat het betekent
dat bol D zich dan volledig op het tweede subgebied van prithivi bevindt
en het eerste subgebied geheel heeft verlaten. Het ligt veel dichter
bij de waarheid als we zeggen dat bol D zich (in de tweede ronde) in
en op het tweede subgebied van het prithivi-gebied bevindt, maar in
zich de eigenschappen en kenmerken van het eerste subgebied daarvan
bevat. Hij heeft nu vanuit zichzelf de substanties en energieën
ontwikkeld die hem geschikt maken om op het tweede subgebied van het
prithivi-gebied te verschijnen.
In de derde ronde zal bol D zijn gedaald tot het
derde subgebied van het kosmische gebied prithivi. Hij zal zich hebben
ontwikkeld tot het punt waarop hij zich in de eerstvolgende lagere fase
van het kosmische element-beginsel prithivi bevindt en dat tot uitdrukking
brengt; dan manifesteert hij zich op het laagste van deze drie subgebieden,
terwijl hij de eigenschappen en kenmerken van de twee hogere subgebieden
in zich belichaamt. In de vierde ronde, waarin we ons nu bevinden, heeft
bol D het vierde subgebied van prithivi bereikt, de grofste toestand
van stof van onze bol in zijn huidige belichaming. Dan eindigt de cyclische
gang omlaag voor onze bol en begint hij aan zijn opwaartse reis.
Ik voel me geroepen hier een waarschuwend woord
te laten horen bij dit ingewikkelde onderwerp van subgebieden en sub-subgebieden
van een kosmisch gebied. In het voorafgaande heb ik slechts een schets
gegeven van de afdaling van onze bol D tijdens zijn eerste vier ronden,
zonder te proberen het nauwkeurig te beschrijven. Had ik echter heel
nauwkeurig willen zijn, dan zou ik sub-subgebied moeten zeggen in plaats
van subgebied. Elke belichaming van een bol, wat betekent een periode
van zeven elkaar opvolgende ronden, vindt in feite plaats op één
subgebied van een kosmisch gebied zoals het kosmische gebied prithivi.
Omdat bovendien elk subgebied zelf zevenvoudig is, is een ronde dus
in werkelijkheid de aanraking met en een zich bevinden in en op een
van de subgebieden van een subgebied van het kosmische gebied. Met andere
woorden, in en op elk kosmisch gebied, zoals het kosmische gebied prithivi,
vinden er zeven belichamingen plaats van een bol en daarom zullen er
respectievelijk zeven manen zijn.
Hoe staat het met de subgebieden 5, 6, 7? De diagrammen
in De Geheime Leer (1:183,
201) van
de bollen van een keten op de verschillende kosmische gebieden zijn
uitstekend als een aanduiding; ze tonen de afdaling in de stof en het
weer opstijgen naar spirituele rijken; maar het zijn slechts grafische
voorstellingen die ideeën overbrengen en gedachten oproepen. Als
we deze diagrammen als echte afbeeldingen zouden opvatten, dan zouden
we moeten zeggen dat de subgebieden 5, 6 en 7 identiek zijn aan respectievelijk
de subgebieden 3, 2, 1, en dat is geheel onjuist. Er is al gezegd dat
elk kosmische gebied zevenvoudig is, of tien- of twaalfvoudig, afhankelijk
van de manier van beschouwen, en daarom is elk subgebied ervan, behalve
dat het zelf zeven-, tien- of twaalfvoudig is, totaal verschillend van
alle gebieden die eraan voorafgaan of erop volgen.
Wanneer een bol het vierde subgebied heeft bereikt
– en in elke reeks van gebieden of beginselen is het vierde altijd
het grofste van die reeks – dan begint de bol zijn weg omhoog
en begint zich te dematerialiseren, al gebeurt dat heel langzaam. Deze
opgang vindt plaats door de subgebieden 5, 6 en 7, maar in hun etherischer
of hogere sub-subgebieden, zodat wanneer een bol tenslotte subgebied
7 bereikt, hij dat doet in het meest etherische deel van dat subgebied,
dat al quasi-spiritueel is.*
*Vgl. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz.
56-62 en 94-101.
– Red.
Ik besef heel goed hoe moeilijk deze gedachte is
en wordt bijna wanhopig om geschikte woorden te vinden waarmee ik de
geleidelijke evolutie van een bol ‘omlaag’ en ‘omhoog’
kan beschrijven. Niettemin is er één fundamenteel feit
dat we altijd in gedachten kunnen houden, en wel dat ieder kosmisch
gebied, en naar analogie ieder subgebied daarvan, zijn quasi-spirituele,
zijn tussenliggende en zijn meest stoffelijke of verdichte subgebieden
en sub-subgebieden heeft.
De volgende tabel van onderlinge verbanden tussen
element-beginselen, bollen, ronden, enz., kan enkele van deze technische
punten helpen verduidelijken:
| Kosmische element-beginselen |
Bollen van een keten |
Ronden van een keten |
Gebieden van een 12-voudige keten |
Subgebieden van een gebied |
| Adi-tattva |
Hoogste bol
van de 12 |
1ste ronde |
De gebieden
van een
twaalfvoudige
keten zijn
praktisch
identiek met
de kosmische
element-
beginselen. |
Hier toont de analogie dat
elk van de sub-gebieden van een kosmisch gebied het algemene stelsel
van de gebieden van een twaalfvoudige keten herhaalt. |
| Anupapadaka-tattva |
Volgende bol
op neergaande
boog |
2de ronde |
| Akasa-tattva |
Derde bol op neergaande boog |
3de ronde |
| Taijasa-tattva |
Bol A |
4de ronde |
| Vayu-tattva |
Bol B |
5de ronde |
| Apas-tattva |
Bol C |
6de ronde |
| Prithivi-tattva |
Bol D |
7de ronde |
Wanneer we op de bollen E, F en G van de opgaande
boog zijn, zullen we de overeenkomstige bollen van de neergaande boog
‘zien’, namelijk de bollen C, B en A; maar het is zonder
meer duidelijk dat we ze alleen zien als de bol of bollen waarop
we ons dan bevinden op de opgaande boog precies gaan door het sub-subgebied
waarop de bollen van de neergaande boog zich dan bevinden.
Er is nog een punt met betrekking tot elk vierde
subgebied in een reeks: de monaden die omlaaggaan met de overgrote meerderheid
van een klasse van monaden op de neergaande boog en om karmische redenen
de reis op de opgaande boog niet kunnen volbrengen, nemen het ‘pad
naar omlaag’ op het grofste punt – het punt halverwege het
vierde subgebied – en van deze onfortuinlijke monaden zegt men
dat ze ‘mislukten’ zijn. Ze vallen uit en worden achtergelaten;
ze moeten wachten op toekomstige manvantara’s voor ze weer een
poging kunnen wagen en hopelijk het kritieke punt van hun evolutie zullen
passeren, dat altijd het punt halverwege een vierde ronde is.*
*Vgl. De Geheime Leer, 1:215-8, en De Mahatma
Brieven, blz. 94-6.
Wat voor bol D geldt met betrekking tot ronden en
bollen, geldt voor elk van de bollen van een planeetketen, elk op zijn
eigen kosmische gebied. Als de gezamenlijke levensgolven hun eerste
ronde volbrengen, gaan ze door het hoogste subgebied (of sub-subgebied)
van elk van de vier lagere kosmische gebieden van het zonnestelsel waartoe
de planeetketen behoort. Op elk van deze vier lagere kosmische gebieden
leggen de levensgolven, als geheel, de grondslag voor een bol, voor
elk van de dan in de maak zijnde twaalf bollen van de hele keten.
Om het anders te zeggen: in de eerste ronde vormen
de gezamenlijke levensgolven bol A op het hoogste of eerste subgebied
van het vierde kosmische gebied – we volgen hier het diagram van
HPB. In de eerste ronde leggen de gezamenlijke levensgolven ook de grondslag
voor bol B op het hoogste of eerste subgebied van het vijfde kosmische
gebied. In dezelfde ronde leggen de gezamenlijke levensgolven de grondslag
voor bol C op het hoogste of eerste subgebied van het zesde kosmische
gebied; en tenslotte leggen ze de grondslag voor bol D, onze eigen planeet
Terra, op het hoogste subgebied van dit zevende kosmische gebied of
prithivi.
Op de opgaande boog worden ook de grondslagen van
de bollen E, F en G door de gezamenlijke levensgolven gelegd. Wanneer
de levensgolven dan de hoogste bol van onze keten hebben bereikt, is
de eerste ronde voltooid. Na het nirvana aan het einde van de eerste
ronde begint de tweede ronde. Vanaf dit punt zijn de levensgolven in
veel grotere mate geïndividualiseerd en doen daarom hun rondgang
als individuele golven, en elk van deze golven is in feite een familie
van monaden. Een levensgolf op bol A, aan het begin van de tweede ronde,
bevindt zich op het tweede sub-subgebied van het vierde kosmische gebied;
dan gaat ze op het karmische moment over naar bol B en bevindt zich
dan op het tweede sub-subgebied van het vijfde kosmische gebied; vervolgens
gaat ze over naar bol C en naar het tweede sub-subgebied van het zesde
kosmische gebied; en dan naar bol D en naar het tweede sub-subgebied
van het zevende kosmische gebied of prithivi. Zo gaat het ook op de
opgaande boog; elke levensgolf bevindt zich op het passende sub-subgebied
van de respectieve kosmische gebieden waarop de bollen E, F en G van
de keten zich bevinden.
Hetzelfde algemene schema van ontvouwing door emanatie
wordt in alle volgende ronden gevolgd. Bol D manifesteert zich nu op
het vierde sub-subgebied van het vierde subgebied van dit kosmische
gebied prithivi, omdat we nu in de vierde ronde zijn. Hieruit volgt
tevens dat de levensgolven gedurende de zeven ronden in totaal door
49 sub-subgebieden gaan, en dat de wezens waaruit deze levensgolven
bestaan daardoor de kans hebben zich evolutionair te ontwikkelen op
deze verschillende subgebieden en de bestemming te verwezenlijken waarvoor
ze tot actieve manifestatie zijn gekomen.
Bron
van het Occultisme, blz. 270-5
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag