Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De geboorte van een bol


‘Zoals vanaf het begin werd geleerd, is onze bol op het laagste punt van de neergaande boog, waar de stof die we waarnemen zich in haar grofste vorm vertoont. . . . Het is dan ook logisch dat de bollen die onze aarde overschaduwen, op andere en hogere gebieden moeten liggen. Kortom, als bollen hangen ze samen met onze aarde, maar ze hebben niet dezelfde substantie als onze aarde en behoren daarom tot een geheel andere bewustzijnstoestand. Onze planeet is (evenals alle andere die we zien) aangepast aan de bijzondere toestand van haar mensheid, die toestand die ons in staat stelt met het blote oog de hemellichamen te zien die in essentie één zijn met ons aardse gebied en onze aardse substantie, evenals de bewoners van Jupiter, Mars en andere planeten onze kleine wereld kunnen waarnemen: omdat onze bewustzijnsgebieden, die hoewel in graad verschillend naar soort toch gelijk zijn, zich in dezelfde laag van gedifferentieerde stof bevinden. . . . Indien hij (de opponent) ook maar het vage silhouet van een van die ‘planeten’ op de hogere gebieden zou willen waarnemen, moet hij eerst zelfs de ijle wolken van de astrale stof afschudden, die tussen hem en het volgende gebied hangen.’

     – Uit een brief aangehaald in De Geheime Leer, 1:195-6

Omdat elk kosmisch gebied in zeven, tien of twaalf subgebieden kan worden verdeeld, bestaat er een nauwe overeenkomst tussen de gebieden en de element-beginselen van de kosmos; de verschillende kosmische gebieden zijn in feite werelden, gevormd uit en in de overeenkomstige element-beginselen. Elk element-beginsel, dat zeven- of twaalfvoudig is, bevat in zichzelf alle andere element-beginselen; daarom kunnen aan de hand van elk daarvan de aard en kenmerken van alle andere enigermate worden vastgesteld. Het evolutieplan houdt in dat de verschillende element-beginselen geleidelijk en achtereenvolgens uit elkaar emaneren, terwijl de totale levensimpuls op zijn cyclische weg omlaaggaat van het ene kosmische gebied naar het volgende. Dit wordt noodzakelijkerwijs op kleinere schaal herhaald op elk van de zeven kosmische gebieden: op elk daarvan verschijnt geleidelijk en achtereenvolgens wat men het overeenstemmende sub-element-beginsel zou kunnen noemen, terwijl de gecombineerde levensimpuls van het ene subgebied overgaat naar het aangrenzende lagere subgebied.

Hieruit volgt dat elk van de zeven ronden van een planeetketen, elk van de zeven (of twaalf) bollen van die keten, en elk van de zeven wortelrassen op elke bol ervan, een overheersend punt van overeenkomst heeft met een van de zeven element-beginselen van de kosmos.

Laten we bol D van onze planeetketen als voorbeeld nemen van het ontstaan van een hiërarchische eenheid door en in de zeven kosmische gebieden. Deze bol bevindt zich op het laagste of zevende van de gemanifesteerde kosmische gebieden van ons zonnestelsel, het prithivi-gebied; maar dit gebied heeft zelf zeven of zelfs twaalf graden van ijlheid: zijn subgebieden, die op dezelfde manier in sub-subgebieden zijn te verdelen. Als voorbeeld hoe groot de verschillen zijn tussen het ene subgebied en het volgende kan dienen dat de stof of prakriti van ons fysieke gebied varieert van wat wij ether noemen, die volledig onzichtbaar is, tot substanties waarvan de wetenschappers ons verzekeren dat ze dichter zijn dan lood.

Onze bol D op dit laagste kosmische gebied, die wat de graden van zijn substantie betreft zelf zevenvoudig is, bestaat (verschijnt op verschillende manieren) op dat hele gebied. Ik bedoel niet dat onze fysieke bol het geheel vult, maar dat elk deel van bol D zich op zijn overeenkomstige sub-subgebied van het kosmische gebied bevindt, en dat elke bol-fase overeenkomt met zijn eigen fase van dat gebied. Wat voor bol D geldt, geldt natuurlijk voor alle andere bollen van de planeetketen, elk op zijn eigen kosmische gebied.

Hoe komt deze reeks overeenkomsten tot stand? Het antwoord ligt in het juiste begrip van de manier waarop de grondslagen van een planeetketen worden gelegd, bol na bol, in en tijdens de eerste ronde. Ook dit kan worden geïllustreerd aan de hand van bol D, omdat het desbetreffende proces identiek is voor alle bollen van de keten.

In de eerste ronde bevindt onze bol D zich, in zijn zeer etherische aspect, op het eerste, het hoogste van de zeven subgebieden of fasen van het kosmische gebied prithivi. Hij ontwikkelt zich daar in de hoogste of quasi-spirituele fase van het kosmische element-beginsel prithivi. In de tweede ronde zal bol D zich hebben ontwikkeld tot het punt waarop hij zich in de volgende en lagere fase van het kosmische element-beginsel prithivi bevindt; anders gezegd, hij zal in die mate zijn verstoffelijkt dat hij zich op het tweede subgebied bevindt, omlaag geteld. Men moet dit niet verkeerd begrijpen en denken dat het betekent dat bol D zich dan volledig op het tweede subgebied van prithivi bevindt en het eerste subgebied geheel heeft verlaten. Het ligt veel dichter bij de waarheid als we zeggen dat bol D zich (in de tweede ronde) in en op het tweede subgebied van het prithivi-gebied bevindt, maar in zich de eigenschappen en kenmerken van het eerste subgebied daarvan bevat. Hij heeft nu vanuit zichzelf de substanties en energieën ontwikkeld die hem geschikt maken om op het tweede subgebied van het prithivi-gebied te verschijnen.

In de derde ronde zal bol D zijn gedaald tot het derde subgebied van het kosmische gebied prithivi. Hij zal zich hebben ontwikkeld tot het punt waarop hij zich in de eerstvolgende lagere fase van het kosmische element-beginsel prithivi bevindt en dat tot uitdrukking brengt; dan manifesteert hij zich op het laagste van deze drie subgebieden, terwijl hij de eigenschappen en kenmerken van de twee hogere subgebieden in zich belichaamt. In de vierde ronde, waarin we ons nu bevinden, heeft bol D het vierde subgebied van prithivi bereikt, de grofste toestand van stof van onze bol in zijn huidige belichaming. Dan eindigt de cyclische gang omlaag voor onze bol en begint hij aan zijn opwaartse reis.

Ik voel me geroepen hier een waarschuwend woord te laten horen bij dit ingewikkelde onderwerp van subgebieden en sub-subgebieden van een kosmisch gebied. In het voorafgaande heb ik slechts een schets gegeven van de afdaling van onze bol D tijdens zijn eerste vier ronden, zonder te proberen het nauwkeurig te beschrijven. Had ik echter heel nauwkeurig willen zijn, dan zou ik sub-subgebied moeten zeggen in plaats van subgebied. Elke belichaming van een bol, wat betekent een periode van zeven elkaar opvolgende ronden, vindt in feite plaats op één subgebied van een kosmisch gebied zoals het kosmische gebied prithivi. Omdat bovendien elk subgebied zelf zevenvoudig is, is een ronde dus in werkelijkheid de aanraking met en een zich bevinden in en op een van de subgebieden van een subgebied van het kosmische gebied. Met andere woorden, in en op elk kosmisch gebied, zoals het kosmische gebied prithivi, vinden er zeven belichamingen plaats van een bol en daarom zullen er respectievelijk zeven manen zijn.

Hoe staat het met de subgebieden 5, 6, 7? De diagrammen in De Geheime Leer (1:183, 201) van de bollen van een keten op de verschillende kosmische gebieden zijn uitstekend als een aanduiding; ze tonen de afdaling in de stof en het weer opstijgen naar spirituele rijken; maar het zijn slechts grafische voorstellingen die ideeën overbrengen en gedachten oproepen. Als we deze diagrammen als echte afbeeldingen zouden opvatten, dan zouden we moeten zeggen dat de subgebieden 5, 6 en 7 identiek zijn aan respectievelijk de subgebieden 3, 2, 1, en dat is geheel onjuist. Er is al gezegd dat elk kosmische gebied zevenvoudig is, of tien- of twaalfvoudig, afhankelijk van de manier van beschouwen, en daarom is elk subgebied ervan, behalve dat het zelf zeven-, tien- of twaalfvoudig is, totaal verschillend van alle gebieden die eraan voorafgaan of erop volgen.

Wanneer een bol het vierde subgebied heeft bereikt – en in elke reeks van gebieden of beginselen is het vierde altijd het grofste van die reeks – dan begint de bol zijn weg omhoog en begint zich te dematerialiseren, al gebeurt dat heel langzaam. Deze opgang vindt plaats door de subgebieden 5, 6 en 7, maar in hun etherischer of hogere sub-subgebieden, zodat wanneer een bol tenslotte subgebied 7 bereikt, hij dat doet in het meest etherische deel van dat subgebied, dat al quasi-spiritueel is.*

*Vgl. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 56-62 en 94-101. – Red.

Ik besef heel goed hoe moeilijk deze gedachte is en wordt bijna wanhopig om geschikte woorden te vinden waarmee ik de geleidelijke evolutie van een bol ‘omlaag’ en ‘omhoog’ kan beschrijven. Niettemin is er één fundamenteel feit dat we altijd in gedachten kunnen houden, en wel dat ieder kosmisch gebied, en naar analogie ieder subgebied daarvan, zijn quasi-spirituele, zijn tussenliggende en zijn meest stoffelijke of verdichte subgebieden en sub-subgebieden heeft.

De volgende tabel van onderlinge verbanden tussen element-beginselen, bollen, ronden, enz., kan enkele van deze technische punten helpen verduidelijken:

Kosmische element-beginselen Bollen van een keten Ronden van een keten Gebieden van een 12-voudige keten Subgebieden van een gebied
Adi-tattva Hoogste bol
van de 12
1ste ronde De gebieden
van een
twaalfvoudige
keten zijn
praktisch
identiek met
de kosmische
element-
beginselen.
Hier toont de analogie dat elk van de sub-gebieden van een kosmisch gebied het algemene stelsel van de gebieden van een twaalfvoudige keten herhaalt.
Anupapadaka-tattva Volgende bol
op neergaande
boog
2de ronde
Akasa-tattva Derde bol op neergaande boog 3de ronde
Taijasa-tattva Bol A 4de ronde
Vayu-tattva Bol B 5de ronde
Apas-tattva Bol C 6de ronde
Prithivi-tattva Bol D 7de ronde

Wanneer we op de bollen E, F en G van de opgaande boog zijn, zullen we de overeenkomstige bollen van de neergaande boog ‘zien’, namelijk de bollen C, B en A; maar het is zonder meer duidelijk dat we ze alleen zien als de bol of bollen waarop we ons dan bevinden op de opgaande boog precies gaan door het sub-subgebied waarop de bollen van de neergaande boog zich dan bevinden.

Er is nog een punt met betrekking tot elk vierde subgebied in een reeks: de monaden die omlaaggaan met de overgrote meerderheid van een klasse van monaden op de neergaande boog en om karmische redenen de reis op de opgaande boog niet kunnen volbrengen, nemen het ‘pad naar omlaag’ op het grofste punt – het punt halverwege het vierde subgebied – en van deze onfortuinlijke monaden zegt men dat ze ‘mislukten’ zijn. Ze vallen uit en worden achtergelaten; ze moeten wachten op toekomstige manvantara’s voor ze weer een poging kunnen wagen en hopelijk het kritieke punt van hun evolutie zullen passeren, dat altijd het punt halverwege een vierde ronde is.*

*Vgl. De Geheime Leer, 1:215-8, en De Mahatma Brieven, blz. 94-6.

Wat voor bol D geldt met betrekking tot ronden en bollen, geldt voor elk van de bollen van een planeetketen, elk op zijn eigen kosmische gebied. Als de gezamenlijke levensgolven hun eerste ronde volbrengen, gaan ze door het hoogste subgebied (of sub-subgebied) van elk van de vier lagere kosmische gebieden van het zonnestelsel waartoe de planeetketen behoort. Op elk van deze vier lagere kosmische gebieden leggen de levensgolven, als geheel, de grondslag voor een bol, voor elk van de dan in de maak zijnde twaalf bollen van de hele keten.

Om het anders te zeggen: in de eerste ronde vormen de gezamenlijke levensgolven bol A op het hoogste of eerste subgebied van het vierde kosmische gebied – we volgen hier het diagram van HPB. In de eerste ronde leggen de gezamenlijke levensgolven ook de grondslag voor bol B op het hoogste of eerste subgebied van het vijfde kosmische gebied. In dezelfde ronde leggen de gezamenlijke levensgolven de grondslag voor bol C op het hoogste of eerste subgebied van het zesde kosmische gebied; en tenslotte leggen ze de grondslag voor bol D, onze eigen planeet Terra, op het hoogste subgebied van dit zevende kosmische gebied of prithivi.

Op de opgaande boog worden ook de grondslagen van de bollen E, F en G door de gezamenlijke levensgolven gelegd. Wanneer de levensgolven dan de hoogste bol van onze keten hebben bereikt, is de eerste ronde voltooid. Na het nirvana aan het einde van de eerste ronde begint de tweede ronde. Vanaf dit punt zijn de levensgolven in veel grotere mate geïndividualiseerd en doen daarom hun rondgang als individuele golven, en elk van deze golven is in feite een familie van monaden. Een levensgolf op bol A, aan het begin van de tweede ronde, bevindt zich op het tweede sub-subgebied van het vierde kosmische gebied; dan gaat ze op het karmische moment over naar bol B en bevindt zich dan op het tweede sub-subgebied van het vijfde kosmische gebied; vervolgens gaat ze over naar bol C en naar het tweede sub-subgebied van het zesde kosmische gebied; en dan naar bol D en naar het tweede sub-subgebied van het zevende kosmische gebied of prithivi. Zo gaat het ook op de opgaande boog; elke levensgolf bevindt zich op het passende sub-subgebied van de respectieve kosmische gebieden waarop de bollen E, F en G van de keten zich bevinden.

Hetzelfde algemene schema van ontvouwing door emanatie wordt in alle volgende ronden gevolgd. Bol D manifesteert zich nu op het vierde sub-subgebied van het vierde subgebied van dit kosmische gebied prithivi, omdat we nu in de vierde ronde zijn. Hieruit volgt tevens dat de levensgolven gedurende de zeven ronden in totaal door 49 sub-subgebieden gaan, en dat de wezens waaruit deze levensgolven bestaan daardoor de kans hebben zich evolutionair te ontwikkelen op deze verschillende subgebieden en de bestemming te verwezenlijken waarvoor ze tot actieve manifestatie zijn gekomen.

 


Bron van het occultisme, blz. 270-5

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag