Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Bewustzijnsgebieden en bewustzijnstoestanden


De bovenste drie lagen zijn de drie hogere bewustzijnsgebieden, die in beide scholen alleen aan de ingewijden worden onthuld en verklaard. De onderste lagen geven de vier lagere gebieden weer – het laagste is ons gebied, of het zichtbare heelal.

Deze zeven gebieden corresponderen met de zeven bewustzijnstoestanden in de mens. Het is zijn taak om zijn eigen drie hogere toestanden af te stemmen op de drie hogere gebieden in de Kosmos. Maar voordat hij dit kan proberen, moet hij de drie ‘zetels’ ervan tot leven en activiteit opwekken.    – De Geheime Leer, 1:228-9

De meeste mensen zijn geneigd de zeven gebieden of werelden in een heelal te zien als lagen die boven elkaar liggen, zoals een stapel boeken op tafel, of zoals de treden van een trap. Dat is natuurlijk een verkeerde opvatting, die is ontstaan doordat men heeft geprobeerd deze kosmische gebieden in een diagram weer te geven, dus het ene gebied boven het andere. Maar dit is slechts een hulpmiddel om ons te doen beseffen dat hoe hoger het gebied is, des te etherischer het is, en tenslotte des te spiritueler; en dat hoe lager een gebied is, des te grover het is, en tenslotte des te stoffelijker.

In feite doordringen de kosmische gebieden elkaar, vooral naar binnen, maar ook naar buiten toe; en dat moet duidelijk zijn als we ons de leer herinneren over het aurische ei, bijvoorbeeld van een mens. Neem als voorbeeld de ‘lagen’ van zo’n aurisch ei die nauwkeurig overeenkomen met de gebieden in de kosmos. We beseffen direct dat deze lagen niet boven elkaar liggen en boven het hoofd van een mens uitstijgen tot ze de oneindigheid bereiken, maar dat ze groepen levensatomen zijn die tezamen het aurische ei vormen en slechts in graad van spiritualiteit of stoffelijkheid verschillen. De analogie is inderdaad heel strikt; want wat het aurische ei in de mens is, met zijn vele lagen van atomen die in verschillende graden van intensiteit trillen, dat zijn in de kosmos de gezamenlijke kosmische gebieden die elkaar doordringen – en die alle van elkaar verschillen door enorme variaties in trillingssnelheid, waardoor het ene gebied stoffelijk en een ander etherisch wordt, en zo verder tot het hoogste gebied.

Uit het feit dat de levensatomen als eenheden individuen zijn, die alle hun eigen hoogste of atmische, en hun eigen laagste of stoffelijke (of misschien etherische) voertuig bezitten, kunnen we opmaken dat een laag of gebied door deze levensatomen zelf wordt gevormd; zodat zelfs de laagste van zo’n verzameling levensatomen collectief eveneens haar atmische of innerlijkste essentie bezit. Daarom zijn de bovenste lagen van een kosmisch gebied spiritueel of goddelijk; zelfs het bovenste subgebied van het laagste kosmische gebied, en dat betekent niet dat het alleen spiritueel-goddelijk is wanneer het wordt vergeleken met al zijn eigen lagere subgebieden. Met andere woorden, de bovenste lagen van elk kosmisch gebied zijn spiritueel per se; en naarmate de daaropvolgende lagen zich naar beneden toe ontvouwen, verdichten en vergroven ze zich naar verhouding sneller, hoe lager het kosmische gebied is.

Ondanks alles wat is gezegd, zien sommigen de zeven kosmische gebieden, of de zeven beginselen van de mens, of ook de verschillende lagen van het aurische ei, misschien toch als een opeenstapeling. In één opzicht steekt daar natuurlijk enige waarheid in, want het ene gebied heeft zich door emanatie in tijd en ruimte uit zijn hogere gebied ontwikkeld. In feite is de tijdsbegoocheling de oorzaak ervan dat wij denken dat een kosmisch gebied lager ligt dan het gebied wat het geboren deed worden.

Het hoogste subgebied van een kosmisch gebied is, in zijn essentie, even hoog als het hoogste subgebied van elk ander kosmisch gebied. Maar hoe lager het kosmische gebied is, des te sneller verdicht het zich naarmate de hiërarchie van dat gebied zich ‘naar omlaag’ ontvouwt. Daarom is de spirituele essentie van het laagste of zevende kosmische gebied even hoog als die van het eerste, tweede of enig ander kosmische gebied.

Dat is de reden dat we bijvoorbeeld over het hart van de zon, van bol D van de zonneketen, spreken als een deeltje moeder-substantie in de zesde of zelfs zevende toestand van die moeder-substantie, een onderwerp dat we later meer in detail zullen bespreken. Dit betekent dat alle verschillende gebieden, in plaats van boven elkaar te liggen, onderling verweven zijn en op elkaar inwerken, en daarom is er niet alleen een voortdurende stroom van levensatomen of monaden van boven naar beneden en weer terug, maar ook als het ware horizontaal, op elk gebied.

Het eerste of hoogste kosmische gebied is de eerste of hoogste laag van het aurische ei van de kosmos, of wat we de kosmische atman kunnen noemen, de paramatman. Het tweede of volgende kosmische gebied is in zijn hoogste aspect in essentie gelijk aan het tweede atmische subgebied van het eerste kosmische gebied of het grote atmische gebied. Het derde kosmische gebied is in zijn hoogste aspect in essentie gelijk aan het derde atmische subgebied van het eerste kosmische gebied; en zo verder langs de schaal. Het atmische subgebied van het zevende of laagste kosmische gebied is in essentie dus hetzelfde als het zevende of laagste subgebied van de hoogste of atmische hiërarchie van de kosmos. Het is als het ware een weerspiegeling van het laagste sub-atmische gebied van het eerste kosmische gebied. Daarom is ook elk klein levensatoom, zelfs op dit fysieke gebied, een zevenvoudige entiteit, omdat het in zijn hart de essentie bezit van het eerste kosmische gebied of de hoogste atman van de kosmos, plus de essenties van alle vijf tussenliggende kosmische gebieden.

In het hoogste atmische gebied van de kosmos liggen daarom alle andere lagere atmische graden van de gemanifesteerde kosmos besloten. Want het hoogste ontrolt zich in zevenen (of twaalven) en daaruit ontrollen zich alle andere atmische essenties van de lagere kosmische gebieden. We kunnen zeggen dat het atmische subgebied van het tweede kosmische gebied is afgeleid van de buddhi-atman van het eerste kosmische gebied; de atman van het derde kosmische gebied zou dan zijn afgeleid van de manas-atman van het eerste kosmische gebied; en zo verder omlaag in de gemanifesteerde kosmische hiërarchie.

Het is misschien interessant hier te vermelden dat de boeddhistische ingewijden in de oudheid de kosmische werelden en gebieden van elke structurele eenheid verdeelden in drie algemene groepen of dhatu’s: de arupadhatu, de rupadhatu en de kamadhatu.

Stel dat we de zeven kosmische gebieden van onze planeetketen waarop haar twaalf bollen zich bevinden, proberen in te delen volgens de drie dhatu’s. Dan kunnen we de laagste van de dhatu’s, de kamadhatu, zien als de zeven gemanifesteerde bollen, en de rupadhatu als overeenkomend met de vijf hogere bollen van de twaalf van onze keten. De arupadhatu of vormloze werelden zouden overeenkomen met de hoogste drie gebieden boven de zeven waarop deze twaalf bollen zich bevinden, en dan hebben we het volle aantal van de tien gebieden van het zonnestelsel. Deze indeling van de dhatu’s is echter nogal willekeurig, omdat op even goede gronden andere indelingen zouden kunnen worden gemaakt. Al zulke indelingen van het heelal moeten op eenzelfde manier worden beschouwd als diagrammen: ze zijn suggestief en zijn strikt in overeenstemming met de structuur van de natuur, maar ze zijn niet onaantastbaar. HPB geeft zelf een andere wijze van verdeling van de bollen door ze te vergelijken met de zeven bollen van de kabbala.*

*Vgl. De Geheime Leer, 1:228.

De kamadhatu of begeerte-wereld heeft betrekking op de gebieden en bollen die de werelden zijn van een min of meer verdichte materie; de rupadhatu of vorm-wereld heeft betrekking op die gebieden van het zonnestelsel of van de keten en haar bollen die etherischer zijn; de arupadhatu of de vormloze wereld omvat de gebieden die voor ons geen verdichte materie zijn, hetzij grof of etherisch, maar die zuiver spiritueel en daarom voor ons vormloos zijn. Al deze dhatu’s hebben evenzeer betrekking op de bewustzijnstoestanden van de wezens daarin als op de gebieden en bollen zelf.

Vanuit een ander standpunt gezien kunnen deze drie groepen van kosmische gebieden in het kort als volgt worden beschreven: de hoogste is het ‘beeldloze’ stelsel of de ‘beeldloze’ groep, de tussenliggende is het ‘beeld’-stelsel; en de derde en laagste groep is het ‘begeerte’-stelsel – met de laatste worden die gebieden of werelden bedoeld waar wezens leven met betrekkelijk stoffelijke of grofstoffelijke voertuigen en daaraan aangepaste zintuigen, voortgebracht door de nog niet uitgebluste begeerte of honger naar een bestaan in gebieden van stof.

Het kamadhatu-stelsel omvat dus ons eigen fysieke kosmische gebied met drie andere voor ons onzichtbare gebieden, opklimmend langs een etherische schaal, en alle tezamen vormen een groep van vier gebieden van de kosmos waarop we de zeven bollen van de planeetketen kunnen situeren. Dan komt daarboven het volgende stelsel van werelden of gebieden, dat uit de rupadhatu is opgebouwd, een stelsel dat ook uit zeven bestaat en geleidelijk in etherisch en spiritueel opzicht opklimt totdat het hoogste van deze middengroep overgaat in het laagste van de arupadhatu, dat op zijn beurt ook een groep of stelsel van zeven werelden of gebieden is.

Deze drie dhatu’s, die opklimmen naar steeds etherischer gebieden, vormen tezamen alle kosmische gebieden in elk universeel zonnestelsel; toch zijn er andere gebieden boven deze die nog spiritueler zijn en die reiken tot in het goddelijke, en in deze laatste gebieden van zijn vinden we die entiteiten die nirvana hebben bereikt. Op de kosmische schaal bereiken de hogere beginselen van een universeel zonnestelsel deze spiritueel-goddelijke gebieden van zijn aan het einde van het mahasaurya-manvantara en gaan dan hun paranirvana in.

De uitademingen van Brahma komen vanuit deze paranirvanische spiritueel-goddelijke gebieden van het melkwegstelsel, en deze uitademingen dalen langzaam af door alle tussenliggende gebieden tot onze fysieke wereld aan het begin van haar manvantara verschijnt, eerst als een kosmische komeet die zich tot een nevelvlek ontwikkelt, en tenslotte als een universeel zonnestelsel. Wanneer de mahasaurya-pralaya nadert, begint het omgekeerde proces van invouwing of inademing. De wezens en energieën en substanties, te beginnen met het laagste kosmische gebied, verdwijnen alle geleidelijk binnenwaarts, zoals bij een boekrol die zich oprolt, terwijl de algemene levenskracht van het universele zonnestelsel zich steeds hoger en meer binnenwaarts terugtrekt via alle gebieden van de trailokya* waarbij al die gebieden en alle wezens daarop en daarin worden geabsorbeerd, totdat tenslotte de beeldloze of paranirvanische rijken van de goddelijke beginselen van het melkwegstelsel worden bereikt.

*Een Sanskrietwoord dat drie werelden betekent, en vaak wordt gebruikt voor de drie dhatu’s. De overeenkomsten tussen de trailokya en de vergelijkbare delen van de constitutie van de mens worden aangetoond door de trikaya, of drie voertuigen, namelijk, naar beneden geteld, de dharmakaya, de sambhogakaya, en de nirmanakaya. De arupa- of dharmadhatu komt in het algemeen overeen met de dharmakaya in de mens; de rupadhatu met de sambhogakaya; en de kama-dhatu met de nirmanakaya (en het fysieke lichaam) van de mens. Al deze drie kaya’s of voertuigen zijn onlosmakelijke delen van de constitutie van een mens, en door inwijding kan men leren hoe men in elk van de drie zelfbewust kan leven, zowel tijdens het leven als na de dood. Men moet echter niet vergeten dat het hoogste aspect van de dharmakaya nirvanisch is, en daarom wordt vaak gezegd dat de nirvani in de dharmakaya leeft.

Wat voor één klasse van entiteiten nirvana of paranirvana is, is dat niet noodzakelijkerwijs voor een andere hogere klasse. Met andere woorden, de ring-verder-niet is niet één bepaald gebied of één bepaalde sfeer, maar wisselt met de verschillende klassen van entiteiten. HPB zegt over de zeven bollen van onze planeetketen, zoals die op de laagste vier kosmische gebieden* bestaan:

*De Geheime Leer, 1:228vn.

Dit zijn de vier lagere gebieden van kosmisch bewustzijn; de drie hogere gebieden zijn ontoegankelijk voor het menselijke verstand in zijn huidige ontwikkelingsstadium. De zeven toestanden van het menselijke bewustzijn vormen een heel ander onderwerp.

Wanneer HPB zegt dat het menselijk intellect niet hoger kan stijgen dan het vierde macrokosmische gebied – waarop zich de eerste en de zevende bol van de planeetketen bevinden – betekent dat niet dat we onze oorsprong op dat gebied hebben, maar slechts dat het hoogste deel van onze huidige constitutie als bewuste entiteit nu niet erbovenuit kan stijgen. Ieder van ons is het oneindige in de kern van de kern van zijn innerlijke god. Als menselijke entiteit kunnen we echter, zelfs met het verhevenste en hoogst ontwikkelde menselijke begripsvermogen, in ons denken en met ons bevattingsvermogen niet boven het vierde macrokosmische gebied uitstijgen. Wanneer we van het gewone menszijn zijn overgegaan naar het quasi-goddelijke, zullen we met ons zelfbewuste denken en ons spirituele inzicht zelfs tot boven dit vierde gebied kunnen reiken.

De goden kunnen naar het eerste of hoogste van de zeven macrokosmische gebieden opstijgen. Maar zelfs zij kunnen in hun tegenwoordige goddelijke staat niet voorbij de ring-verder-niet gaan, dat wil zeggen de uiterste grens van hun bewustzijn en begrip. De vleugels van hun geest kunnen hen niet hoger, niet verder, niet dieper brengen naar de essentie van het zijn. Deze uitdrukkingen, hoog, diep, ver, hebben alleen betrekking op ons fysieke heelal en worden gebruikt omdat we geen geschikte woorden hebben om uitdrukking te geven aan het spirituele feit dat er steeds verder wordt doorgedrongen in de verborgenheden van het hart van de natuur.

Als we over de ring-verder-niet lezen, moeten we bedenken dat deze ring betrekking heeft op de toestand of evolutie van een individuele entiteit. De ring-verder-niet van een god betekent die uiterste grens van bewustzijn en vitale activiteit die hij met zijn goddelijke vermogens kan bereiken; de ring-verder-niet van een boeddha is de uiterste mogelijkheid van de boeddha om bewust te zijn en te handelen in zijn eigen uiterste spiritueel-vitale sfeer. Op exact dezelfde manier is de ring-verder-niet van een mens die limiet of grens die hij in zijn bewustzijn of door zijn zelfbewust handelen in zijn huidige evolutionaire ontwikkeling niet kan overschrijden. De ring-verder-niet betekent dus niet zozeer een bepaald kosmisch gebied, maar veeleer de grens van het vermogen van een entiteit, die zij nog niet kan overschrijden. Voor de tegenwoordige dieren op aarde bijvoorbeeld is hun ring-verder-niet slechts een direct bewustzijn en een eerste begin van zelfbewustzijn; maar de mens is deze ring gepasseerd omdat hij zelfbewustzijn heeft bereikt.

Zoals HPB in De Geheime Leer (1:161) schrijft:

De scheikundige gaat tot aan het laya- of nulpunt van het stoffelijke gebied waarmee hij zich bezighoudt, en gaat dan niet verder. De natuurkundige of de astronoom rekent nog tot miljarden mijlen voorbij de nevelvlekken en gaat dan evenmin verder. De half-ingewijde occultist zal zich dit layapunt voorstellen als iets dat bestaat op een gebied dat, hoewel niet fysiek, toch denkbaar is voor het menselijke verstand. Maar de volledig ingewijde weet dat de ring ‘verder niet’ noch een plaats is, noch kan worden gemeten naar afstand, maar dat hij bestaat in de absoluutheid van het oneindige. In deze ‘oneindigheid’ van de volledig ingewijde is noch hoogte, noch breedte, noch dikte, maar alles is onpeilbare diepte, die vanuit het fysieke naar beneden reikt tot het ‘para-para-metafysische’. Met de woorden ‘naar beneden’ bedoelen we dan diepte in essentie – ‘nergens en overal’ – niet diepte van fysieke stof.

 


Bron van het occultisme, blz. 276-82

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag