Bewustzijnsgebieden en bewustzijnstoestanden
De bovenste drie lagen zijn de drie hogere bewustzijnsgebieden,
die in beide scholen alleen aan de ingewijden worden onthuld en verklaard.
De onderste lagen geven de vier lagere gebieden weer – het laagste
is ons gebied, of het zichtbare heelal.
Deze zeven gebieden corresponderen met de
zeven bewustzijnstoestanden in de mens. Het is zijn taak
om zijn eigen drie hogere toestanden af te stemmen op de drie hogere
gebieden in de Kosmos. Maar voordat hij dit kan proberen, moet hij
de drie ‘zetels’ ervan tot leven en activiteit opwekken.
– De Geheime Leer, 1:228-9
De meeste mensen zijn geneigd de zeven gebieden
of werelden in een heelal te zien als lagen die boven elkaar liggen,
zoals een stapel boeken op tafel, of zoals de treden van een trap. Dat
is natuurlijk een verkeerde opvatting, die is ontstaan doordat men heeft
geprobeerd deze kosmische gebieden in een diagram weer te geven, dus
het ene gebied boven het andere. Maar dit is slechts een hulpmiddel
om ons te doen beseffen dat hoe hoger het gebied is, des te etherischer
het is, en tenslotte des te spiritueler; en dat hoe lager een gebied
is, des te grover het is, en tenslotte des te stoffelijker.
In feite doordringen de kosmische gebieden elkaar,
vooral naar binnen, maar ook naar buiten toe; en dat moet duidelijk
zijn als we ons de leer herinneren over het aurische ei, bijvoorbeeld
van een mens. Neem als voorbeeld de ‘lagen’ van zo’n
aurisch ei die nauwkeurig overeenkomen met de gebieden in de kosmos.
We beseffen direct dat deze lagen niet boven elkaar liggen en boven
het hoofd van een mens uitstijgen tot ze de oneindigheid bereiken, maar
dat ze groepen levensatomen zijn die tezamen het aurische ei vormen
en slechts in graad van spiritualiteit of stoffelijkheid verschillen.
De analogie is inderdaad heel strikt; want wat het aurische ei in de
mens is, met zijn vele lagen van atomen die in verschillende graden
van intensiteit trillen, dat zijn in de kosmos de gezamenlijke kosmische
gebieden die elkaar doordringen – en die alle van elkaar verschillen
door enorme variaties in trillingssnelheid, waardoor het ene gebied
stoffelijk en een ander etherisch wordt, en zo verder tot het hoogste
gebied.
Uit het feit dat de levensatomen als eenheden individuen
zijn, die alle hun eigen hoogste of atmische, en hun eigen laagste of
stoffelijke (of misschien etherische) voertuig bezitten, kunnen we opmaken
dat een laag of gebied door deze levensatomen zelf wordt gevormd; zodat
zelfs de laagste van zo’n verzameling levensatomen collectief
eveneens haar atmische of innerlijkste essentie bezit. Daarom zijn de
bovenste lagen van een kosmisch gebied spiritueel of goddelijk; zelfs
het bovenste subgebied van het laagste kosmische gebied, en dat betekent
niet dat het alleen spiritueel-goddelijk is wanneer het wordt vergeleken
met al zijn eigen lagere subgebieden. Met andere woorden, de bovenste
lagen van elk kosmisch gebied zijn spiritueel per se; en naarmate
de daaropvolgende lagen zich naar beneden toe ontvouwen, verdichten
en vergroven ze zich naar verhouding sneller, hoe lager het kosmische
gebied is.
Ondanks alles wat is gezegd, zien sommigen de zeven
kosmische gebieden, of de zeven beginselen van de mens, of ook de verschillende
lagen van het aurische ei, misschien toch als een opeenstapeling. In
één opzicht steekt daar natuurlijk enige waarheid in,
want het ene gebied heeft zich door emanatie in tijd en ruimte uit zijn
hogere gebied ontwikkeld. In feite is de tijdsbegoocheling de oorzaak
ervan dat wij denken dat een kosmisch gebied lager ligt dan het gebied
wat het geboren deed worden.
Het hoogste subgebied van een kosmisch gebied is,
in zijn essentie, even hoog als het hoogste subgebied van elk
ander kosmisch gebied. Maar hoe lager het kosmische gebied is, des te
sneller verdicht het zich naarmate de hiërarchie van dat gebied
zich ‘naar omlaag’ ontvouwt. Daarom is de spirituele essentie
van het laagste of zevende kosmische gebied even hoog als die van het
eerste, tweede of enig ander kosmische gebied.
Dat is de reden dat we bijvoorbeeld over het hart
van de zon, van bol D van de zonneketen, spreken als een deeltje moeder-substantie
in de zesde of zelfs zevende toestand van die moeder-substantie, een
onderwerp dat we later meer in detail zullen bespreken. Dit betekent
dat alle verschillende gebieden, in plaats van boven elkaar te liggen,
onderling verweven zijn en op elkaar inwerken, en daarom is er niet
alleen een voortdurende stroom van levensatomen of monaden van boven
naar beneden en weer terug, maar ook als het ware horizontaal, op elk
gebied.
Het eerste of hoogste kosmische gebied is de eerste
of hoogste laag van het aurische ei van de kosmos, of wat we de kosmische
atman kunnen noemen, de paramatman. Het tweede of volgende kosmische
gebied is in zijn hoogste aspect in essentie gelijk aan het tweede atmische
subgebied van het eerste kosmische gebied of het grote atmische gebied.
Het derde kosmische gebied is in zijn hoogste aspect in essentie gelijk
aan het derde atmische subgebied van het eerste kosmische gebied; en
zo verder langs de schaal. Het atmische subgebied van het zevende of
laagste kosmische gebied is in essentie dus hetzelfde als het zevende
of laagste subgebied van de hoogste of atmische hiërarchie van
de kosmos. Het is als het ware een weerspiegeling van het laagste sub-atmische
gebied van het eerste kosmische gebied. Daarom is ook elk klein levensatoom,
zelfs op dit fysieke gebied, een zevenvoudige entiteit, omdat het in
zijn hart de essentie bezit van het eerste kosmische gebied of de hoogste
atman van de kosmos, plus de essenties van alle vijf tussenliggende
kosmische gebieden.
In het hoogste atmische gebied van de kosmos liggen
daarom alle andere lagere atmische graden van de gemanifesteerde kosmos
besloten. Want het hoogste ontrolt zich in zevenen (of twaalven) en
daaruit ontrollen zich alle andere atmische essenties van de lagere
kosmische gebieden. We kunnen zeggen dat het atmische subgebied van
het tweede kosmische gebied is afgeleid van de buddhi-atman van het
eerste kosmische gebied; de atman van het derde kosmische gebied zou
dan zijn afgeleid van de manas-atman van het eerste kosmische gebied;
en zo verder omlaag in de gemanifesteerde kosmische hiërarchie.
Het is misschien interessant hier te vermelden dat
de boeddhistische ingewijden in de oudheid de kosmische werelden en
gebieden van elke structurele eenheid verdeelden in drie algemene groepen
of dhatu’s: de arupadhatu, de rupadhatu en de kamadhatu.
Stel dat we de zeven kosmische gebieden van onze
planeetketen waarop haar twaalf bollen zich bevinden, proberen in te
delen volgens de drie dhatu’s. Dan kunnen we de laagste van de
dhatu’s, de kamadhatu, zien als de zeven gemanifesteerde bollen,
en de rupadhatu als overeenkomend met de vijf hogere bollen van de twaalf
van onze keten. De arupadhatu of vormloze werelden zouden overeenkomen
met de hoogste drie gebieden boven de zeven waarop deze twaalf bollen
zich bevinden, en dan hebben we het volle aantal van de tien gebieden
van het zonnestelsel. Deze indeling van de dhatu’s is echter nogal
willekeurig, omdat op even goede gronden andere indelingen zouden kunnen
worden gemaakt. Al zulke indelingen van het heelal moeten op eenzelfde
manier worden beschouwd als diagrammen: ze zijn suggestief en zijn strikt
in overeenstemming met de structuur van de natuur, maar ze zijn niet
onaantastbaar. HPB geeft zelf een andere wijze van verdeling van de
bollen door ze te vergelijken met de zeven bollen van de kabbala.*
*Vgl. De Geheime Leer, 1:228.
De kamadhatu of begeerte-wereld heeft betrekking
op de gebieden en bollen die de werelden zijn van een min of meer verdichte
materie; de rupadhatu of vorm-wereld heeft betrekking op die gebieden
van het zonnestelsel of van de keten en haar bollen die etherischer
zijn; de arupadhatu of de vormloze wereld omvat de gebieden die voor
ons geen verdichte materie zijn, hetzij grof of etherisch, maar die
zuiver spiritueel en daarom voor ons vormloos zijn. Al deze dhatu’s
hebben evenzeer betrekking op de bewustzijnstoestanden van de wezens
daarin als op de gebieden en bollen zelf.
Vanuit een ander standpunt gezien kunnen deze drie
groepen van kosmische gebieden in het kort als volgt worden beschreven:
de hoogste is het ‘beeldloze’ stelsel of de ‘beeldloze’
groep, de tussenliggende is het ‘beeld’-stelsel; en de derde
en laagste groep is het ‘begeerte’-stelsel – met de
laatste worden die gebieden of werelden bedoeld waar wezens leven met
betrekkelijk stoffelijke of grofstoffelijke voertuigen en daaraan aangepaste
zintuigen, voortgebracht door de nog niet uitgebluste begeerte of honger
naar een bestaan in gebieden van stof.
Het kamadhatu-stelsel omvat dus ons eigen fysieke
kosmische gebied met drie andere voor ons onzichtbare gebieden, opklimmend
langs een etherische schaal, en alle tezamen vormen een groep van vier
gebieden van de kosmos waarop we de zeven bollen van de planeetketen
kunnen situeren. Dan komt daarboven het volgende stelsel van werelden
of gebieden, dat uit de rupadhatu is opgebouwd, een stelsel dat ook
uit zeven bestaat en geleidelijk in etherisch en spiritueel opzicht
opklimt totdat het hoogste van deze middengroep overgaat in het laagste
van de arupadhatu, dat op zijn beurt ook een groep of stelsel van zeven
werelden of gebieden is.
Deze drie dhatu’s, die opklimmen naar steeds
etherischer gebieden, vormen tezamen alle kosmische gebieden in elk
universeel zonnestelsel; toch zijn er andere gebieden boven deze die
nog spiritueler zijn en die reiken tot in het goddelijke, en in deze
laatste gebieden van zijn vinden we die entiteiten die nirvana hebben
bereikt. Op de kosmische schaal bereiken de hogere beginselen van een
universeel zonnestelsel deze spiritueel-goddelijke gebieden van zijn
aan het einde van het mahasaurya-manvantara en gaan dan hun paranirvana
in.
De uitademingen van Brahma komen vanuit deze paranirvanische
spiritueel-goddelijke gebieden van het melkwegstelsel, en deze uitademingen
dalen langzaam af door alle tussenliggende gebieden tot onze fysieke
wereld aan het begin van haar manvantara verschijnt, eerst als een kosmische
komeet die zich tot een nevelvlek ontwikkelt, en tenslotte als een universeel
zonnestelsel. Wanneer de mahasaurya-pralaya nadert, begint het omgekeerde
proces van invouwing of inademing. De wezens en energieën en substanties,
te beginnen met het laagste kosmische gebied, verdwijnen alle geleidelijk
binnenwaarts, zoals bij een boekrol die zich oprolt, terwijl de algemene
levenskracht van het universele zonnestelsel zich steeds hoger en meer
binnenwaarts terugtrekt via alle gebieden van de trailokya* waarbij
al die gebieden en alle wezens daarop en daarin worden geabsorbeerd,
totdat tenslotte de beeldloze of paranirvanische rijken van de goddelijke
beginselen van het melkwegstelsel worden bereikt.
*Een Sanskrietwoord dat drie werelden betekent, en vaak
wordt gebruikt voor de drie dhatu’s. De overeenkomsten tussen
de trailokya en de vergelijkbare delen van de constitutie van de mens
worden aangetoond door de trikaya, of drie voertuigen, namelijk, naar
beneden geteld, de dharmakaya, de sambhogakaya, en de nirmanakaya. De
arupa- of dharmadhatu komt in het algemeen overeen met de dharmakaya
in de mens; de rupadhatu met de sambhogakaya; en de kama-dhatu met de
nirmanakaya (en het fysieke lichaam) van de mens. Al deze drie kaya’s
of voertuigen zijn onlosmakelijke delen van de constitutie van een mens,
en door inwijding kan men leren hoe men in elk van de drie zelfbewust
kan leven, zowel tijdens het leven als na de dood. Men moet echter niet
vergeten dat het hoogste aspect van de dharmakaya nirvanisch is, en
daarom wordt vaak gezegd dat de nirvani in de dharmakaya leeft.
Wat voor één klasse van entiteiten
nirvana of paranirvana is, is dat niet noodzakelijkerwijs voor een andere
hogere klasse. Met andere woorden, de ring-verder-niet is niet één
bepaald gebied of één bepaalde sfeer, maar wisselt met
de verschillende klassen van entiteiten. HPB zegt over de zeven bollen
van onze planeetketen, zoals die op de laagste vier kosmische gebieden*
bestaan:
*De Geheime Leer, 1:228vn.
Dit zijn de vier lagere gebieden van kosmisch bewustzijn;
de drie hogere gebieden zijn ontoegankelijk voor het menselijke verstand
in zijn huidige ontwikkelingsstadium. De zeven toestanden van het
menselijke bewustzijn vormen een heel ander onderwerp.
Wanneer HPB zegt dat het menselijk intellect niet
hoger kan stijgen dan het vierde macrokosmische gebied – waarop
zich de eerste en de zevende bol van de planeetketen bevinden –
betekent dat niet dat we onze oorsprong op dat gebied hebben, maar slechts
dat het hoogste deel van onze huidige constitutie als bewuste entiteit
nu niet erbovenuit kan stijgen. Ieder van ons is het oneindige in de
kern van de kern van zijn innerlijke god. Als menselijke entiteit kunnen
we echter, zelfs met het verhevenste en hoogst ontwikkelde menselijke
begripsvermogen, in ons denken en met ons bevattingsvermogen niet boven
het vierde macrokosmische gebied uitstijgen. Wanneer we van het gewone
menszijn zijn overgegaan naar het quasi-goddelijke, zullen we met ons
zelfbewuste denken en ons spirituele inzicht zelfs tot boven dit vierde
gebied kunnen reiken.
De goden kunnen naar het eerste of hoogste van de
zeven macrokosmische gebieden opstijgen. Maar zelfs zij kunnen in hun
tegenwoordige goddelijke staat niet voorbij de ring-verder-niet gaan,
dat wil zeggen de uiterste grens van hun bewustzijn en begrip.
De vleugels van hun geest kunnen hen niet hoger, niet verder, niet dieper
brengen naar de essentie van het zijn. Deze uitdrukkingen, hoog, diep,
ver, hebben alleen betrekking op ons fysieke heelal en worden gebruikt
omdat we geen geschikte woorden hebben om uitdrukking te geven aan het
spirituele feit dat er steeds verder wordt doorgedrongen in de verborgenheden
van het hart van de natuur.
Als we over de ring-verder-niet lezen, moeten we
bedenken dat deze ring betrekking heeft op de toestand of evolutie van
een individuele entiteit. De ring-verder-niet van een god betekent die
uiterste grens van bewustzijn en vitale activiteit die hij met zijn
goddelijke vermogens kan bereiken; de ring-verder-niet van een boeddha
is de uiterste mogelijkheid van de boeddha om bewust te zijn en te handelen
in zijn eigen uiterste spiritueel-vitale sfeer. Op exact dezelfde manier
is de ring-verder-niet van een mens die limiet of grens die hij in zijn
bewustzijn of door zijn zelfbewust handelen in zijn huidige evolutionaire
ontwikkeling niet kan overschrijden. De ring-verder-niet betekent dus
niet zozeer een bepaald kosmisch gebied, maar veeleer de grens van het
vermogen van een entiteit, die zij nog niet kan overschrijden.
Voor de tegenwoordige dieren op aarde bijvoorbeeld is hun ring-verder-niet
slechts een direct bewustzijn en een eerste begin van zelfbewustzijn;
maar de mens is deze ring gepasseerd omdat hij zelfbewustzijn heeft
bereikt.
Zoals HPB in De Geheime Leer (1:161) schrijft:
De scheikundige gaat tot aan het laya- of
nulpunt van het stoffelijke gebied waarmee hij zich bezighoudt, en
gaat dan niet verder. De natuurkundige of de astronoom rekent nog
tot miljarden mijlen voorbij de nevelvlekken en gaat dan evenmin verder.
De half-ingewijde occultist zal zich dit layapunt voorstellen als
iets dat bestaat op een gebied dat, hoewel niet fysiek, toch denkbaar
is voor het menselijke verstand. Maar de volledig ingewijde weet
dat de ring ‘verder niet’ noch een plaats is, noch kan
worden gemeten naar afstand, maar dat hij bestaat in de absoluutheid
van het oneindige. In deze ‘oneindigheid’ van de volledig
ingewijde is noch hoogte, noch breedte, noch dikte, maar alles is
onpeilbare diepte, die vanuit het fysieke naar beneden reikt tot het
‘para-para-metafysische’. Met de woorden ‘naar beneden’
bedoelen we dan diepte in essentie – ‘nergens en overal’
– niet diepte van fysieke stof.
Bron
van het Occultisme, blz. 276-82
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag