Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De menselijke levensgolf in de loka-tala’s


Deze [loka’s en tala’s] zijn werelden – voor hun respectieve bewoners even massief en werkelijk als de onze voor ons is. Niettemin heeft elk zijn eigen aard, wetten, zintuigen – die niet onze aard, wetten of zintuigen zijn. Ze bestaan voor ons niet in tijd en ruimte – zoals wij voor hen niet in tijd en ruimte bestaan; zoals de 3-dimensionale wereld het bestaan doet vermoeden van de 4-dimensionale, zo doet de laatstgenoemde het bestaan vermoeden van onze lagere wereld.
      – The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, blz. 249

In verband met de rondtrekkende entiteiten die in en op de zeven gemanifesteerde kosmische gebieden evolueren en dus in de verschillende loka’s en tala’s functioneren, is het van belang te bedenken dat de kosmische gebieden, en daarmee de loka’s en tala’s, vanuit twee verschillende standpunten kunnen worden bezien: (a) in evolutionaire zin als een voortschrijdende en voortdurende ontvouwing van krachten en vermogens; en (b) als stadia van ontvouwing van de kosmische structuur gezien vanuit het oogpunt van dichtheden en de overeenkomstige graden van ijlheid.

Evolutie voltrekt zich langs wat we een doorgaande lijn kunnen noemen van het spirituele via alle tussenliggende gebieden tot we aan het einde van de evolutieboog komen, zoals blijkt uit het schema van de bollen van een planeetketen; en wanneer dan het laagste punt van de boog wordt bereikt, begint de opstijging naar de geest, maar niettemin gaat het evolutieproces altijd vooruit. De evoluerende levensgolven vorderen gestaag rond de planeetketen en door de verschillende bollen, eerst op de neergaande boog en dan, na het keerpunt, stijgen ze langs de opgaande boog tot opnieuw de geest wordt bereikt – waarbij de levensgolven voortdurend vanuit zichzelf alle mogelijke krachten, vermogens, kenmerken en eigenschappen ontvouwen die de evolutiereis met zich meebrengt.

Wat de loka’s en tala’s betreft, begint de evolutie voor de klassen van monaden in satyaloka-atala en gaat door totdat bhurloka-patala of de volledige ontwikkeling van de evolutionaire vermogens van de monaden is bereikt. Toch heeft in de reeks van gebieden en loka’s en tala’s het vierde kosmische gebied en de daarbij behorende loka en tala de grootste dichtheid. Te beginnen met het vijfde gebied en het overeenkomstige loka-tala-paar, en daarna voortgaand op de klimmende schaal, wordt de dichtheid naar verhouding minder en de ijle toestand meer uitgesproken, zodat wanneer de evoluerende monaden in bhurloka-patala het einde van de zevenvoudige evolutiereis bereiken, zij dat doen als geëvolueerde spirituele monaden, waarvan de vermogens en eigenschappen tot bloei zijn gekomen, maar dan wel in de gebieden van bhurloka-patala, die zeer etherisch en relatief vergeestelijkt zijn.*

*Het is misschien niet zo gemakkelijk deze ingewikkelde en paradoxale uitspraken te begrijpen over het feit dat evolutie, hoewel ze vanaf het begin tot haar manvantarische einde als het ware in een rechte lijn voortschrijdt, en dus in en door de hiërarchische reeks van loka’s en tala’s werkt, niettemin, gezien als een proces, haar meest grove uitdrukking vindt op het punt halverwege zo’n voortschrijdend proces – in de vierde fase van hetzij loka’s en tala’s of bollen.

Ik heb bij verschillende gelegenheden erop gewezen dat de vierde in een reeks, zoals het vierde beginsel in de mens, de grofste is. Analoog redenerend is de grofste bol van de zeven gemanifesteerde bollen de vierde, onze bol D; ook het vierde wortelras, het Atlantische, was het meest grofstoffelijke van ons huidige ras-manvantara op deze bol in deze vierde ronde. Met andere woorden, de wortelrassen één, twee en drie gingen langs een gestaag neergaande boog, en de levensgolf bereikte haar dieptepunt van grove, dierlijke stoffelijkheid in het vierde wortelras. Sindsdien zijn we aan de opgaande boog begonnen, en wij van het huidige vijfde wortelras ervaren daar een gestaag, maar langzaam, ijler en zelfs spiritueler worden van onszelf en van de ons omringende natuur.

Zoals hierboven is gezegd, beweegt de evolutie, gezien als een proces, zich gestaag voorwaarts en ontvouwt ze uit de evoluerende monaden voortdurend wat daarin latent aanwezig is, zodat de top van evolutionaire volmaking in de zevende fase wordt bereikt, die we om deze evolutionaire reden de hoogste noemen. Wanneer we deze evolutiegang echter vanuit het standpunt van het ‘afdalen in de stof’ beschouwen, d.w.z. vanuit het standpunt van veranderende dichtheden, dan zien we dat zich in het vierde stadium de grofste en dichtste evolutie-episode afspeelt. Als we deze regel toepassen op de reis van de monaden door de loka’s en tala’s, zien we dat we de top van evolutionaire bloei van eigenschappen en vermogens bereiken in de hoogste subgebieden van bhurloka-patala, die in feite halfspiritueel zijn – in elk geval heel etherisch; voor we echter dit zevende stadium bereiken, moeten we door het ruwste en meest grof‘dierlijke’ van de loka’s en tala’s gaan, het maharloka-rasatala.

Ter illustratie: wanneer onze menselijke levensgolf het zevende wortelras in deze ronde op deze aarde heeft bereikt, is ze in etherischer omstandigheden (omdat ze zich in de hogere delen van bhurloka-patala bevindt) dan toen onze levensgolf zich bevond in het vierde wortelras, dat overeenkomt met de maharloka-rasatala van onze bol en van onze evolutie als ras. Wanneer onze menselijke levensgolf de zevende ronde op de hoogste of zevende bol bereikt – in het zevenvoudige stelsel – zijn we aan het einde van de evolutie die in het huidige ketenmanvantara mogelijk is en bevinden we ons in de ijle satyaloka-atala-gebieden. Dan zullen de individuen van onze levensgolf die de reis dus met succes hebben volbracht, gereed zijn om hun nirvana in te gaan als betrekkelijk geevolueerde dhyani-chohans – in feite een ras van lagere boeddha’s.

Kortom, we moeten in gedachten houden dat de evolutie als het ware voortschrijdt in een doorgaande en directe lijn, van het hoogste naar het laagste, dan omkeert, en teruggaat naar de hoogste sferen; maar dat de grootste dichtheid en grofheid van wereldstelsels, of loka’s en tala’s, worden gevonden in het gemanifesteerde vierde stadium – weer volgens het zevenvoudige stelsel.

Zou de monade terugkeren tot dezelfde toestand waarin ze haar omzwervingen begon, dan zou dit eenvoudig een terugkeer betekenen naar de niet-zelfbewuste staat van de monade of jiva. Maar dat is niet het geval; we gaan gestaag vooruit en bereiken tenslotte het hoogste punt als zelfbewuste, geïndividualiseerde entiteiten. Met andere woorden, om een werkterrein en bewustzijnsgebied te hebben dat geschikt is voor en past bij de hoogontwikkelde en geëvolueerde jiva’s, waarin ze kunnen functioneren, zorgt de natuur voor deze gemanifesteerde gebieden; en de terugkeer tot het goddelijke, die uiteindelijk plaatsvindt aan het einde van een manvantara, van welke omvang ook, betekent niet een terugkeer naar vroegere omstandigheden, maar naar de hoogste gebieden als geëvolueerde, zelfbewuste wezens. Het is bijvoorbeeld niet zo dat we langs de keten omlaaggaan tot het vierde subgebied van bhurloka-patala en dan omhooggaan door dezelfde gebieden tot we de vroegere gebieden of omstandigheden bereiken, want dat zou eenvoudig hetzelfde zijn als in de Engelse zegswijze: ‘De koning van Frankrijk en zijn veertigduizend mannen trokken hun zwaard en staken het weer in de schede.’ Maar we gaan gestaag vooruit door al de zeven gebieden of subgebieden van elk kosmisch gebied; en het gevolg hiervan is dat we, nadat het einde van de neergaande boog is bereikt en het opstijgen naar spiritualiteit begint, niet teruggaan maar vooruit – vooruit door de gebieden die nog niet zijn betreden, maar in de hogere en spirituelere delen van die gebieden.

Om het nog eens te herhalen: het vierde gebied en het vierde loka-tala-paar zijn de grofste in de reeks, en de daaraan voorafgaande en de daaropvolgende zijn etherischer in beide richtingen. Anders gezegd, gebieden of loka-tala-stelsels worden dichter en dichter tot het vierde van elk is bereikt en dan klimmen ze weer op naar etherischer gebieden en loka-tala-stelsels, hoewel de evolutie gestaag voortgaat in een ‘rechte lijn’ tijdens het proces van het ontvouwen van vermogens, krachten en eigenschappen.

Hier ligt een belangrijk punt. Nemen we de twaalf bollen, dan zien we dat bhurloka plus patala een weerspiegeling is van satyaloka en atala, een schaduw van de geest die ‘omlaag’ wordt geworpen in de golven van het zevende kosmische gebied. Ook worden de tala’s meer tala-achtig als we ze langs de schaal omlaag volgen – meer en meer tala-istisch, bij wijze van spreken. Op soortgelijke wijze is elke loka op de opgaande boog meer vergeestelijkt dan die onmiddellijk daaronder, tot we de hoogste bereiken, de ‘loka van de Werkelijkheid’.

In satyaloka-atala verenigen het hoogste tala en de hoogste loka zich tot of voegen zich weer bij de monadische essentie van de planeetketen. De differentiatie die zo opvallend is op de lagere gebieden houdt hier op en daardoor vloeien die twee samen of worden ze één. Daartegenover zien we dat zich op de laagste of bol D van de keten het verst geëvolueerde tala bevindt, patala genoemd, dat het alter ego wordt van de verst ontwikkelde loka, bhurloka, en zich daarmee verenigt. Deze gedachte is bijzonder interessant, omdat we zien dat op het allerhoogste gebied de hoogste loka en het hoogste tala samensmelten tot een feitelijk identiek-zijn, en dat op het laagste of zevende kosmische gebied de laagste loka en het laagste tala eveneens samenvloeien tot een bijna niet te scheiden eenheid – maar op een manier die tegengesteld is aan het niet-gedifferentieerd-zijn dat we op het hoogste gebied aantreffen, want in het laagste loka-tala en in de laagste bol vindt de grootste ontwikkeling plaats van inherente substantie en kracht, kwaliteit en eigenschap, kenmerk en potentialiteit.

Maar de bollen van een keten – ofwel de loka’s en tala’s die elke bol vormen – blijven tijdens het keten-manvantara niet op hetzelfde kosmische gebied waartoe en waarop ze respectievelijk behoren of zich bevinden. Want deze bollen dalen zelf in de loop van de eeuwen door de kosmische gebieden af totdat het evolutionaire dieptepunt van de boog is bereikt, en dan stijgen ze weer op tot elke bol de spirituele gebieden weer bereikt als voorbereiding op een nieuw keten-manvantara.

Elke loka en tala vertegenwoordigt als een paar de bipolariteit van elke wereld; en juist door deze wisselwerking kunnen de evoluerende monaden tevoorschijn brengen wat latent in hen aanwezig is. Feitelijk zijn de loka’s en tala’s, zoals we hebben gezien, zelf opgebouwd uit monaden van verschillende graden van evolutie; en deze minder ontwikkelde monaden die de grondstructuur van de werelden of loka’s en tala’s vormen, verschaffen de levende voertuigen of lichamen, hetzij kosmisch of subkosmisch, waarin de meer gevorderde monaden leven, evolueren en het doel van hun karmische bestemming verwezenlijken.

Daarom kan zelfs een mens, als hij het vermogen daartoe in zich ontwikkelt, in harmonisch contact komen met de spirituele machten die ons heelal besturen; en hij doet dat door zijn centrum van zelfbewustzijn te plaatsen in het loka-tala dat overeenkomt met het innerlijke gebied van zijn waarop hij zich op dat moment wil bevinden.

De loka’s en tala’s moeten inderdaad worden gezien als werelden of sferen van bewustzijn van verschillende graden van ijlheid en spiritualiteit. We moeten geen ogenblik denken dat een mens alleen in bhurloka-patala leeft omdat zijn fysieke lichaam zich nu eenmaal in dat loka-tala bevindt. Laat ik een voorbeeld geven dat misschien kan aantonen hoe twee individuen die op hetzelfde kosmische gebied leven, en dus in hetzelfde loka-tala-stelsel van dat gebied, niettemin elk een innerlijk leven hebben in een loka-tala-wereld die verschilt van die van de ander. Laten we zeggen dat A en B vrienden zijn. Ze zitten misschien in de studeerkamer van A, lopen op straat of zitten ergens buiten in het gras. De ene man is musicus, de andere wetenschapper. Beiden bevinden zich op bol D van onze keten en op het zevende kosmische gebied en dus in bhurloka-patala. Maar omdat beiden tot ons huidige vijfde wortelras behoren, ondergaan ze ook de invloed van svarloka-talatala; bovendien zijn ze, omdat we ons als levensgolf in de vierde ronde bevinden, ook onderworpen aan de invloed van maharloka-rasatala. Juist deze gemeenschappelijke factoren, of deze gemeenschappelijke eigenschappen van het bewustzijn, stellen hen in staat elkaar te begrijpen, om vrienden te zijn ondanks de grote innerlijke verschillen van geaardheid – van svabhava.

Maar terwijl deze mannen samen zijn, is het denken en het innerlijke bewustzijn van A bijvoorbeeld in een van de hogere loka-tala-stelsels, misschien zelfs wel tijdelijk in janarloka-sutala; toch kan op hetzelfde moment het denken en het innerlijke bewustzijn van de ander in zijn eigen maharloka-rasatala zijn. Hier ligt nu precies de geheime sleutel die de adept vaak gebruikt als hij in contact wil komen met de innerlijke rijken. Hij verheft zijn bewustzijn uit bhurloka-patala en plaatst het in het loka-tala waarin hij wil functioneren.

 


Bron van het occultisme, blz. 288-93

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag