De menselijke levensgolf in de loka-tala’s
Deze [loka’s en tala’s] zijn werelden
– voor hun respectieve bewoners even massief en werkelijk
als de onze voor ons is. Niettemin heeft elk zijn eigen aard,
wetten, zintuigen – die niet onze aard, wetten of zintuigen
zijn. Ze bestaan voor ons niet in tijd en ruimte –
zoals wij voor hen niet in tijd en ruimte bestaan; zoals de 3-dimensionale
wereld het bestaan doet vermoeden van de 4-dimensionale, zo doet de
laatstgenoemde het bestaan vermoeden van onze lagere wereld.
– The Letters of H.P. Blavatsky
to A.P. Sinnett, blz. 249
In verband met de rondtrekkende entiteiten die in
en op de zeven gemanifesteerde kosmische gebieden evolueren en dus in
de verschillende loka’s en tala’s functioneren, is het van
belang te bedenken dat de kosmische gebieden, en daarmee de loka’s
en tala’s, vanuit twee verschillende standpunten kunnen worden
bezien: (a) in evolutionaire zin als een voortschrijdende en
voortdurende ontvouwing van krachten en vermogens; en (b) als stadia
van ontvouwing van de kosmische structuur gezien vanuit het oogpunt
van dichtheden en de overeenkomstige graden van ijlheid.
Evolutie voltrekt zich langs wat we een doorgaande
lijn kunnen noemen van het spirituele via alle tussenliggende gebieden
tot we aan het einde van de evolutieboog komen, zoals blijkt uit het
schema van de bollen van een planeetketen; en wanneer dan het laagste
punt van de boog wordt bereikt, begint de opstijging naar de geest,
maar niettemin gaat het evolutieproces altijd vooruit. De evoluerende
levensgolven vorderen gestaag rond de planeetketen en door de verschillende
bollen, eerst op de neergaande boog en dan, na het keerpunt, stijgen
ze langs de opgaande boog tot opnieuw de geest wordt bereikt –
waarbij de levensgolven voortdurend vanuit zichzelf alle mogelijke krachten,
vermogens, kenmerken en eigenschappen ontvouwen die de evolutiereis
met zich meebrengt.
Wat de loka’s en tala’s betreft, begint
de evolutie voor de klassen van monaden in satyaloka-atala en gaat door
totdat bhurloka-patala of de volledige ontwikkeling van de evolutionaire
vermogens van de monaden is bereikt. Toch heeft in de reeks van gebieden
en loka’s en tala’s het vierde kosmische gebied en de daarbij
behorende loka en tala de grootste dichtheid. Te beginnen met het vijfde
gebied en het overeenkomstige loka-tala-paar, en daarna voortgaand op
de klimmende schaal, wordt de dichtheid naar verhouding minder en de
ijle toestand meer uitgesproken, zodat wanneer de evoluerende monaden
in bhurloka-patala het einde van de zevenvoudige evolutiereis bereiken,
zij dat doen als geëvolueerde spirituele monaden, waarvan de vermogens
en eigenschappen tot bloei zijn gekomen, maar dan wel in de gebieden
van bhurloka-patala, die zeer etherisch en relatief vergeestelijkt zijn.*
*Het is misschien niet zo gemakkelijk deze ingewikkelde
en paradoxale uitspraken te begrijpen over het feit dat evolutie,
hoewel ze vanaf het begin tot haar manvantarische einde als het ware
in een rechte lijn voortschrijdt, en dus in en door de hiërarchische
reeks van loka’s en tala’s werkt, niettemin, gezien als
een proces, haar meest grove uitdrukking vindt op het punt halverwege
zo’n voortschrijdend proces – in de vierde fase
van hetzij loka’s en tala’s of bollen.
Ik heb bij verschillende gelegenheden erop gewezen
dat de vierde in een reeks, zoals het vierde beginsel in de mens,
de grofste is. Analoog redenerend is de grofste bol van de zeven gemanifesteerde
bollen de vierde, onze bol D; ook het vierde wortelras, het Atlantische,
was het meest grofstoffelijke van ons huidige ras-manvantara op deze
bol in deze vierde ronde. Met andere woorden, de wortelrassen één,
twee en drie gingen langs een gestaag neergaande boog, en de levensgolf
bereikte haar dieptepunt van grove, dierlijke stoffelijkheid in het
vierde wortelras. Sindsdien zijn we aan de opgaande boog begonnen,
en wij van het huidige vijfde wortelras ervaren daar een gestaag,
maar langzaam, ijler en zelfs spiritueler worden van onszelf en van
de ons omringende natuur.
Zoals hierboven is gezegd, beweegt de evolutie, gezien
als een proces, zich gestaag voorwaarts en ontvouwt ze uit de evoluerende
monaden voortdurend wat daarin latent aanwezig is, zodat de top van
evolutionaire volmaking in de zevende fase wordt bereikt, die we om
deze evolutionaire reden de hoogste noemen. Wanneer we deze evolutiegang
echter vanuit het standpunt van het ‘afdalen in de stof’
beschouwen, d.w.z. vanuit het standpunt van veranderende dichtheden,
dan zien we dat zich in het vierde stadium de grofste en
dichtste evolutie-episode afspeelt. Als we deze regel toepassen op
de reis van de monaden door de loka’s en tala’s, zien
we dat we de top van evolutionaire bloei van eigenschappen en vermogens
bereiken in de hoogste subgebieden van bhurloka-patala, die in feite
halfspiritueel zijn – in elk geval heel etherisch; voor we echter
dit zevende stadium bereiken, moeten we door het ruwste en meest grof‘dierlijke’
van de loka’s en tala’s gaan, het maharloka-rasatala.
Ter illustratie: wanneer onze menselijke levensgolf
het zevende wortelras in deze ronde op deze aarde heeft bereikt, is
ze in etherischer omstandigheden (omdat ze zich in de hogere delen van
bhurloka-patala bevindt) dan toen onze levensgolf zich bevond in het
vierde wortelras, dat overeenkomt met de maharloka-rasatala van onze
bol en van onze evolutie als ras. Wanneer onze menselijke levensgolf
de zevende ronde op de hoogste of zevende bol bereikt –
in het zevenvoudige stelsel – zijn we aan het einde van de evolutie
die in het huidige ketenmanvantara mogelijk is en bevinden we ons in
de ijle satyaloka-atala-gebieden. Dan zullen de individuen van onze
levensgolf die de reis dus met succes hebben volbracht, gereed zijn
om hun nirvana in te gaan als betrekkelijk geevolueerde dhyani-chohans
– in feite een ras van lagere boeddha’s.
Kortom, we moeten in gedachten houden dat de evolutie
als het ware voortschrijdt in een doorgaande en directe lijn, van het
hoogste naar het laagste, dan omkeert, en teruggaat naar de hoogste
sferen; maar dat de grootste dichtheid en grofheid van wereldstelsels,
of loka’s en tala’s, worden gevonden in het gemanifesteerde
vierde stadium – weer volgens het zevenvoudige stelsel.
Zou de monade terugkeren tot dezelfde toestand waarin
ze haar omzwervingen begon, dan zou dit eenvoudig een terugkeer betekenen
naar de niet-zelfbewuste staat van de monade of jiva. Maar dat is niet
het geval; we gaan gestaag vooruit en bereiken tenslotte het hoogste
punt als zelfbewuste, geïndividualiseerde entiteiten. Met andere
woorden, om een werkterrein en bewustzijnsgebied te hebben dat geschikt
is voor en past bij de hoogontwikkelde en geëvolueerde jiva’s,
waarin ze kunnen functioneren, zorgt de natuur voor deze gemanifesteerde
gebieden; en de terugkeer tot het goddelijke, die uiteindelijk plaatsvindt
aan het einde van een manvantara, van welke omvang ook, betekent niet
een terugkeer naar vroegere omstandigheden, maar naar de hoogste gebieden
als geëvolueerde, zelfbewuste wezens. Het is bijvoorbeeld niet
zo dat we langs de keten omlaaggaan tot het vierde subgebied van bhurloka-patala
en dan omhooggaan door dezelfde gebieden tot we de vroegere gebieden
of omstandigheden bereiken, want dat zou eenvoudig hetzelfde zijn als
in de Engelse zegswijze: ‘De koning van Frankrijk en zijn veertigduizend
mannen trokken hun zwaard en staken het weer in de schede.’ Maar
we gaan gestaag vooruit door al de zeven gebieden of subgebieden van
elk kosmisch gebied; en het gevolg hiervan is dat we, nadat het einde
van de neergaande boog is bereikt en het opstijgen naar spiritualiteit
begint, niet teruggaan maar vooruit – vooruit door de gebieden
die nog niet zijn betreden, maar in de hogere en spirituelere delen
van die gebieden.
Om het nog eens te herhalen: het vierde gebied en
het vierde loka-tala-paar zijn de grofste in de reeks, en de daaraan
voorafgaande en de daaropvolgende zijn etherischer in beide richtingen.
Anders gezegd, gebieden of loka-tala-stelsels worden dichter en dichter
tot het vierde van elk is bereikt en dan klimmen ze weer op naar etherischer
gebieden en loka-tala-stelsels, hoewel de evolutie gestaag voortgaat
in een ‘rechte lijn’ tijdens het proces van het ontvouwen
van vermogens, krachten en eigenschappen.
Hier ligt een belangrijk punt. Nemen we de twaalf
bollen, dan zien we dat bhurloka plus patala een weerspiegeling is van
satyaloka en atala, een schaduw van de geest die ‘omlaag’
wordt geworpen in de golven van het zevende kosmische gebied. Ook worden
de tala’s meer tala-achtig als we ze langs de schaal omlaag volgen
– meer en meer tala-istisch, bij wijze van spreken. Op soortgelijke
wijze is elke loka op de opgaande boog meer vergeestelijkt dan die onmiddellijk
daaronder, tot we de hoogste bereiken, de ‘loka van de Werkelijkheid’.
In satyaloka-atala verenigen het hoogste tala en
de hoogste loka zich tot of voegen zich weer bij de monadische essentie
van de planeetketen. De differentiatie die zo opvallend is op de lagere
gebieden houdt hier op en daardoor vloeien die twee samen of worden
ze één. Daartegenover zien we dat zich op de laagste of
bol D van de keten het verst geëvolueerde tala bevindt, patala
genoemd, dat het alter ego wordt van de verst ontwikkelde loka, bhurloka,
en zich daarmee verenigt. Deze gedachte is bijzonder interessant, omdat
we zien dat op het allerhoogste gebied de hoogste loka en het hoogste
tala samensmelten tot een feitelijk identiek-zijn, en dat op het laagste
of zevende kosmische gebied de laagste loka en het laagste tala eveneens
samenvloeien tot een bijna niet te scheiden eenheid – maar op
een manier die tegengesteld is aan het niet-gedifferentieerd-zijn dat
we op het hoogste gebied aantreffen, want in het laagste loka-tala en
in de laagste bol vindt de grootste ontwikkeling plaats van inherente
substantie en kracht, kwaliteit en eigenschap, kenmerk en potentialiteit.
Maar de bollen van een keten – ofwel de loka’s
en tala’s die elke bol vormen – blijven tijdens het keten-manvantara
niet op hetzelfde kosmische gebied waartoe en waarop ze respectievelijk
behoren of zich bevinden. Want deze bollen dalen zelf in de loop van
de eeuwen door de kosmische gebieden af totdat het evolutionaire dieptepunt
van de boog is bereikt, en dan stijgen ze weer op tot elke bol de spirituele
gebieden weer bereikt als voorbereiding op een nieuw keten-manvantara.
Elke loka en tala vertegenwoordigt als een paar
de bipolariteit van elke wereld; en juist door deze wisselwerking kunnen
de evoluerende monaden tevoorschijn brengen wat latent in hen aanwezig
is. Feitelijk zijn de loka’s en tala’s, zoals we hebben
gezien, zelf opgebouwd uit monaden van verschillende graden van evolutie;
en deze minder ontwikkelde monaden die de grondstructuur van de werelden
of loka’s en tala’s vormen, verschaffen de levende voertuigen
of lichamen, hetzij kosmisch of subkosmisch, waarin de meer gevorderde
monaden leven, evolueren en het doel van hun karmische bestemming verwezenlijken.
Daarom kan zelfs een mens, als hij het vermogen
daartoe in zich ontwikkelt, in harmonisch contact komen met de spirituele
machten die ons heelal besturen; en hij doet dat door zijn centrum van
zelfbewustzijn te plaatsen in het loka-tala dat overeenkomt met het
innerlijke gebied van zijn waarop hij zich op dat moment wil bevinden.
De loka’s en tala’s moeten inderdaad
worden gezien als werelden of sferen van bewustzijn van verschillende
graden van ijlheid en spiritualiteit. We moeten geen ogenblik denken
dat een mens alleen in bhurloka-patala leeft omdat zijn fysieke lichaam
zich nu eenmaal in dat loka-tala bevindt. Laat ik een voorbeeld geven
dat misschien kan aantonen hoe twee individuen die op hetzelfde kosmische
gebied leven, en dus in hetzelfde loka-tala-stelsel van dat gebied,
niettemin elk een innerlijk leven hebben in een loka-tala-wereld die
verschilt van die van de ander. Laten we zeggen dat A en B vrienden
zijn. Ze zitten misschien in de studeerkamer van A, lopen op straat
of zitten ergens buiten in het gras. De ene man is musicus, de andere
wetenschapper. Beiden bevinden zich op bol D van onze keten en op het
zevende kosmische gebied en dus in bhurloka-patala. Maar omdat beiden
tot ons huidige vijfde wortelras behoren, ondergaan ze ook de invloed
van svarloka-talatala; bovendien zijn ze, omdat we ons als levensgolf
in de vierde ronde bevinden, ook onderworpen aan de invloed van maharloka-rasatala.
Juist deze gemeenschappelijke factoren, of deze gemeenschappelijke eigenschappen
van het bewustzijn, stellen hen in staat elkaar te begrijpen, om vrienden
te zijn ondanks de grote innerlijke verschillen van geaardheid –
van svabhava.
Maar terwijl deze mannen samen zijn, is het denken
en het innerlijke bewustzijn van A bijvoorbeeld in een van de hogere
loka-tala-stelsels, misschien zelfs wel tijdelijk in janarloka-sutala;
toch kan op hetzelfde moment het denken en het innerlijke bewustzijn
van de ander in zijn eigen maharloka-rasatala zijn. Hier ligt nu precies
de geheime sleutel die de adept vaak gebruikt als hij in contact wil
komen met de innerlijke rijken. Hij verheft zijn bewustzijn uit bhurloka-patala
en plaatst het in het loka-tala waarin hij wil functioneren.
Bron
van het Occultisme, blz. 288-93
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag