Zonnevlekken en de circulaties in het zonnestelsel
De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel)
en zijn hersenen zijn verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar
worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het
grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere
slagader en ader. . . . De planeten vormen zijn ledematen en geven
zijn ritme aan. (Toelichting.) – De Geheime
Leer, 1:596
Wat zijn de zonnevlekken? Men kan ook vragen, wat
zijn de poriën in de menselijke huid? De zonnevlekken zijn de uitmondingen
van kanalen waardoor stromen van levens de zon verlaten en weer binnentreden.
Het zijn de openingen (als we de betekenis van dit woord niet te veel
geweld aandoen) waardoor de zon zijn voorraad zonnevitaliteit naar de
verste hoeken van zijn stelsel uitzendt; deze vitaliteit geeft leven
aan alle dingen binnen de zonne-aura, en strekt zich zelfs tot de verste
grenzen van het zonnestelsel uit. Het is ook via de zonnevlekken dat
het zonne‘bloed’, de zonne-energie, -elektriciteit of het
zonne-psychomagnetisme terugkeert om te worden gezuiverd in het hart
dat het ongeveer twaalf jaar daarvoor uitzond.
De duur van de zonnevlekkenperiode wordt gewoonlijk
gesteld op 11,2 van onze jaren; maar men heeft waargenomen dat dit niet
altijd precies klopt. Strikt genomen duurt de cyclus van de zonnevlekken
tien jaar, maar de stroom van vitaliteit die deze cyclus regelt, heeft
nog een jaar nodig om door de zon heen te gaan en nogmaals een jaar
voor zijn terugkeer door de zon, wat in totaal neerkomt op twaalf jaar.
Iedere cyclus is een vibratie, een nieuwe polsslag van de zon. De zon
is een hart, een kloppend hart; in een ander opzicht is hij een hersenverstand.
Het is verleidelijk de woorden hart en hersenverstand letterlijk te
gebruiken, en dat is niet ver van de werkelijkheid. Maar de fysieke
bol is niet het werkelijke hoofd en hart, behalve als het om het fysieke
heelal gaat. Het werkelijke hoofd en het werkelijke hart, die verenigd
als één werken, is het goddelijke achter en boven en binnen
het fysieke voertuig van onze schitterende dagster.
De uitspraak dat de zon zowel het hart als de hersenen
van het zonnestelsel is, klinkt misschien wat raadselachtig, omdat ze
in het menselijk lichaam twee verschillende organen zijn. De biologie
kent echter entiteiten die niet zulke afzonderlijke organen hebben,
maar in één orgaan combineren wat in ons lichaam in tweeën
is gescheiden. De levende cel is een voorbeeld daarvan en vanuit een
bepaald standpunt is onze zichtbare zonneschijf een kosmische levende
cel. Ook in onszelf is de stroom van substanties en energieën die
vanuit onze spirituele monade via het astrale lichaam naar het fysieke
lichaam vloeit in feite een bewustzijnsstroom, die door zijn werking
onze betrekkelijk hoge graad van ontwikkeling op de evolutieladder tot
stand brengt; en deze stroom is in tweeën verdeeld, de ene is de
manasische de andere de buddhi-pranische die zijn zetel heeft in het
menselijk hart. Dezelfde bewustzijnsstroom die van de spirituele monade
uitgaat, omvat nog andere eigenschappen of functies, die daarmee corresponderende
organen in ons lichaam nodig hebben om zich tot uitdrukking te brengen;
en dat is de reden dat we een maag hebben en een zenuwstelsel en een
bloedvatenstelsel, enz.
Onze zon omvat en openbaart daarom het zonne-manas,
zijn hersenen, en ook de zonne-buddhi-prana, zijn hart; en zoals in
het fysieke lichaam van de mens het hart en de hersenen samenwerken,
hoewel via twee afzonderlijke organen, zo werken ook in de zon hart
en hersenen samen, maar hier zijn deze twee functies van de zonnemonade
verenigd.
In ver in de toekomst liggende eonen zullen we het
fysieke lichaam verliezen dat we nu bezitten; we zullen dan eivormige
of bolvormige lichamen van stralend licht bezitten, waarin zich zowel
het hart als het denkvermogen van de entiteit bevinden, gescheiden,
maar waarbij beide in hun werking toch tot één zijn verenigd.
We zullen dan hoogintelligente entiteiten zijn, in veel hogere mate
dan nu – veel verstandelijker en veel spiritueler.
HPB verklaarde het aldus:*
*The Theosophist, september 1883, blz. 300;
CW 5:157-8.
Als aan de ‘adepten’ wordt gevraagd:
‘Wat is dan volgens u de aard van onze zon en wat is er achter
die kosmische sluier?’ – antwoorden ze: daarachter
wentelt en klopt het hart en het hoofd van ons stelsel; uiterlijk
spreidt zich zijn kleed uit, waarvan de aard niet stoffelijk is, hetzij
vast, vloeibaar of gasvormig, zoals dat waarmee u vertrouwd bent,
maar vitale elektriciteit, gecondenseerd en zichtbaar gemaakt.
. . . Zou het ‘kleed’, het verblindende gewaad dat nu
de hele bol van de zon omhult, worden verwijderd, . . . dan zou ongetwijfeld
ons hele universum tot as vergaan. Jupiter Fulminator die
zich aan zijn geliefde vertoont zou haar ogenblikkelijk verassen.
Maar dat kan nooit gebeuren. De beschermende schil is van een dikte
en op een zodanige afstand van het universele hart
dat uw wiskundigen die nauwelijks kunnen berekenen.
Als het hart en de hersenen van zijn hele stelsel
zendt de zon een twaalfvoudig leven naar ieder atoom van zijn eigen
zonneheelal, waarvan wij een onafscheidelijk deel zijn. De zon is voor
alles een schenker van leven. Kosmogonisch is hij onze oudere broeder,
en beslist niet onze fysieke ouder zoals wetenschappelijke theorieën
wel beweren; toch is hij ook in vitaal opzicht onze vader-moeder, omdat
de kracht gevende levensstromen uit stelsels en werelden boven de onze
via de zon tot ons komen. En onze planeet Terra ontvangt evenals alle
andere planeten haar eigen deel van deze leven schenkende stromen, precies
zoals bij ieder individueel atoom en iedere entiteit op microkosmische
schaal gebeurt, terwijl zij ze tegelijk individueel ontvangen vanuit
het binnenste van het binnenste van hun eigen wezen. De zon is een schatkamer
van vitaal-elektrische energieën, en als het grote kloppende hart
van het stelsel schenkt hij leven en bezieling aan de eindeloze menigten
wezens die onder zijn heerschappij vallen.
In een van de meest verhelderende passages van haar
pen schrijft HPB in De Geheime Leer (1:597):
Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van
de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel,
waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijk
lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen
als het menselijk hart. Maar in plaats van de omloop in een paar seconden
te volbrengen, heeft het zonnebloed daarvoor tien zonnejaren nodig
en een heel jaar om door zijn boezems en kamers
te stromen, voordat het door de longen spoelt en dan doorgaat
naar de grote aderen en slagaderen van het stelsel.
Dit zal de wetenschap niet ontkennen, want de astronomie
kent de vaste cyclus van elf jaar, wanneer het aantal zonnevlekken
toeneemt, en dit is het gevolg van het samentrekken van het
zonnehart. Het heelal (in dit geval
onze wereld) ademt, evenals de mens en ieder levend wezen, iedere
plant en zelfs de mineralen op aarde doen, en zoals onze aardbol zelf
iedere vierentwintig uur ademt. . . . Er is een overeenkomst met het
regelmatige en gezonde kloppen van het hart, terwijl het levensfluïdum
door zijn holle spieren stroomt. Zou men het menselijk hart lichtgevend,
en het levende en kloppende orgaan zichtbaar kunnen maken, zodat men
het op een scherm kan projecteren, zoals de sterrenkundigen bij hun
lezingen gebruiken – bijvoorbeeld over de maan – dan zou
iedereen het verschijnsel van de zonnevlekken iedere seconde herhaald
zien, tengevolge van zijn samentrekking en het stromen van het bloed.
De periodiciteit van de zonnevlekken stemt niet
alleen overeen met de gemiddelde omlooptijden van de planeten die het
dichtst bij de aarde staan, maar met die van alle planeten van ons zonnestelsel
– zowel de zichtbare als de talloze planeten die onzichtbaar zijn.
Omdat onze zon het kloppende hart en de gevoelige hersenen van onze
zonnewereld is, is er een nauw verband en een strikt synchrone samenhang
tussen iedere beweging van zijn hart en iedere andere beweging, groot
of klein, die onder de leden van de zonnefamilie plaatsvindt.
Ieder hemellichaam, of het een zon, nevelvlek, komeet
of planeet is, is de manifestatie van een god. Al deze goddelijke wezens
– kosmisch, solair of planetair – zijn organen of delen
die tot het leven van de spirituele zon, de verheven godheid van ons
zonnestelsel behoren. Als termen zoals goden, kosmische of planetaire
geesten, enz., worden gebruikt, wordt niet gedacht aan het fysieke lichaam
van een hemelbol, of we die zien of niet, maar aan zijn inwonende leven,
zijn inwonende, spirituele, verstandelijke en vitale essentie. Vanuit
één gezichtspunt kan het zonnestelsel inderdaad als een
vitaal-mechanische organische entiteit worden beschouwd, die in haar
fysieke en astrale aspecten als een mechanisme functioneert, maar een
mechanisme dat niettemin wordt bezield door spirituele wezens die wat
evolutionaire ontwikkeling betreft onderling sterk verschillen.
De reuzenplaneet Jupiter heeft, vooral wat zijn
tijdsperioden betreft, een speciale relatie met de cyclus van de maxima
en minima van de zonnevlekken. Een Jupiterjaar is ongeveer twaalf (11,86)
van onze jaren. Er bestaan veel interessante feiten die het verband
aantonen tussen de cyclussen van de zonnevlekken en de omlooptijden
van de planeten, want hun respectieve ‘jaren’ zijn even
nauwkeurig op elkaar afgestemd, zowel oorzakelijk als in hun gevolgen,
als de in elkaar grijpende raderen van een ingewikkeld fysiek mechanisme.
Wanneer we bedenken dat onze zon zowel het hart als de hersenen van
ons zonnestelsel is, en dat hij niet alleen de gever maar ook de ontvanger
van de vitaliteit van dat stelsel is – en van zijn veel hogere
krachten en vermogens die we spiritueel, verstandelijk en psychisch
noemen – kunnen we ons misschien een denkbeeld vormen van de relaties
tussen de zonnevlekkenperioden en de respectieve planetaire ‘jaren’.
Ongetwijfeld zullen toekomstige mathematici of astronomen
deze nauwe cyclische relatie tussen de planetaire ‘jaren’
en de zonnevlekkenperioden ontdekken; mogelijk zal de regel van het
kleinste gemene veelvoud voor wiskundig ingestelde denkers een aanwijzing
zijn om te ontdekken hoe de planeten en de zon samenwerken aan een gemeenschappelijke
uiteindelijke bestemming overeenkomstig het evolutieplan.
Door deze zonnevlekken trekken gestaag – en
in bepaalde perioden krachtig versneld – niet alleen in- en uitgaande
stromen van levens, maar ook de daarmee samenhangende menigten psychomagnetisch-vitale
krachten. Deze rivieren van levens staan in nauw verband met de planetaire
perioden, waarin de respectieve posities die door de planeten op verschillende
tijden worden ingenomen (door de astrologen aspecten genoemd), kritieke
punten markeren in het in elkaar grijpende hemelmechanisme van het zonnestelsel.
De term hemelmechanisme doelt hier niet alleen maar op een mechaniek,
maar heeft rechtstreeks betrekking op de circulaties en vermengingen
van de verschillende planetaire magnetismen, die zich verenigen met
het magnetisme van de zon zelf.
Zowel de grote als alle kleinere
cyclussen op aarde zijn het gevolg van kosmische oorzaken, welke oorzaken
bij de aanvang van hun werking worden aangegeven door de posities van
de verschillende planeten in hun baan en door hun aspecten ten opzichte
van de zon. In de oude boeken van de hindoes staat geschreven dat bij
het begin van kaliyuga bepaalde planeten, waaronder onze aarde, in een
van de tekens van de dierenriem samenstonden, een aspect vormden met
bepaalde andere planeten en zodoende een krachtige invloed uitoefenden
op de zon, die op zijn beurt eveneens op een dergelijke samenstand reageerde.13
Dit vond plaats aan het einde van het dvaparayuga en het begin van het
kaliyuga; en deze belangrijke gebeurtenis viel in de geschiedenis samen
met de dood van de avatara Krishna.
Als er wordt gezegd dat iedere planeet in het zonnestelsel
haar individuele invloed heeft op de periodiciteit van de zonnevlekken,
en omgekeerd dat de zonnevlekkencyclus in nauw verband staat met en
invloed uitoefent op de vitale werkingen van alle planeten, zichtbare
en onzichtbare, dan houdt dat niet in dat de zichtbare of de onzichtbare
planeten inferieure of superieure eigenschappen bezitten. Zichtbaar
betekent eenvoudig dat ons oog, omdat het zich op dit gebied heeft ontwikkeld,
bepaalde hemellichamen kan zien die tot dit gebied behoren: precies
zoals ons oog een bepaald gebied van elektromagnetische trillingen kan
waarnemen die we licht noemen. Er zijn andere gebieden van elektromagnetische
trillingen die we als warmte waarnemen; en weer andere die de röntgenstralen,
kosmische stralen, enz., zijn.
De zonnevlekken kunnen worden omschreven als vensters
waardoorheen we een vluchtige blik in het tempel-lichaam van een levende
god kunnen werpen, en zo een beetje in het donkere onzichtbare hart
van de zon kunnen kijken. We kunnen ze opvatten als kanalen, openingen
of ventielen, die dienen als ingang tot en uitgang van de zon voor rivieren
van levens in vele graden van ontwikkeling. Iedere monade van de ontelbare
myriaden die het zonnestelsel vullen, moet op cyclische tijden telkens
weer in en door het zonnehart gaan en het weer verlaten; precies zoals
in het menselijk lichaam ieder atoom van iedere molecule van elke druppel
bloed in en door het hart moet gaan en het weer moet verlaten om zijn
bestemming door de circulaties in het lichaam te volgen.
Wat heeft de zon in het begin tot aanzijn gebracht?
Wat beheerst zijn loop? Wat is de oorzaak van zijn onafgebroken uitstorting
van energie? Om te beginnen volgt hier een veelzeggende passage uit
De Mahatma Brieven (blz. 182):
De zon geeft alles en neemt niets
uit zijn stelsel terug. De zon verzamelt niets ‘aan de polen’
– die altijd vrij zijn, zelfs van de beroemde ‘rode vlammen’,
op ieder moment en niet alleen tijdens de eclipsen. . . . Niets kan
de zon van buiten de grenzen van zijn eigen stelsel bereiken
in de vorm van zulke grove stof als ‘verdunde gassen’.
Elk deeltje stof in al haar zeven toestanden is nodig voor
het leven van de verschillende en talloze stelsels – werelden
in wording, zonnen die opnieuw tot leven komen, enz., en ze kunnen
niets missen, zelfs niet voor hun beste buren en verwanten. Ze zijn
moeders, geen stiefmoeders, en zouden geen kruimel van het voedsel
van hun kinderen wegnemen. . . . Want er is inderdaad slechts één
ding – stralende energie die onuitputtelijk is, en
geen toe- of afnemen kent, en die met haar zelfgenererende werk tot
aan het einde van het zonnemanvantara zal doorgaan.
Iedere zon is een levende entiteit en ontleent aan
zijn eigen innerlijk zijn stromen van energie, die hij zonder ophouden
gedurende miljarden en zelfs biljoenen jaren in de ruimte uitstort.
Atoomsplitsing kan tot op zekere hoogte vanuit een technisch standpunt
de modus maar niet de oorsprong van de zonne-energie verklaren,
die in haar totaliteit op haar weg naar buiten het hele zonnestelsel
voedt met leven, geest en psychische krachten. Want hoe groot zijn fysieke
invloed ook mag zijn, deze is toch gering vergeleken met de geweldige
rol die de zon op de onzichtbare gebieden speelt. De vitaliteit, het
verstandelijke vermogen, tezamen met de spirituele energie die de zon
onafgebroken uitstraalt, komen alle voort uit de god die zijn hart is.
Men moet niet denken dat deze god zich alleen in het binnenste van de
fysieke zon bevindt, maar veeleer in de onzichtbare gebieden en sferen.
Ook de werkelijke mens woont niet in zijn fysieke lichaam, want dat
is slechts de weerspiegeling van de werkelijke mens die in de onzichtbare
delen van zijn constitutie leeft en werkt en, in de strikte zin van
het woord, zich daar beweegt.
Energie of kracht en stof zijn in wezen één.
Wat voor ons kracht is, is substantie op een hoger gebied; wat stof
is op ons gebied is kracht of energie op een gebied lager dan het onze.
Conclusie: als we de energieën die uit de zon stromen en die zich
uitstrekken tot de uiterste grenzen van zijn rijk konden volgen, en
dit konden doen door ons op een hoger gebied te begeven, dan zouden
we de ‘lege ruimte’ van ons zonnestelsel als één
groot substantieel lichaam zien. En als we deze ogenschijnlijk substantiële
energie door een telescoop konden zien, vanaf een verafgelegen planeet
die om een verre ster wentelt, dan zouden we haar waarnemen als een
‘onoplosbare nevelvlek’. Het zou eenvoudig de stroom van
energie zijn, van leven, van vitaliteit, van substantie, die met regelmatige
cyclische tussenpozen uit het hart van de zon vloeit en daarin weer
terugkeert via de circulaties in de kosmos – de wegen die alle
entiteiten volgen op hun tocht van planeet naar planeet, en van planeet
naar de zon, en van de zon op hun terugreis naar de planeet: in feite
een circulatie van het levensbloed of de levensessentie van het zonnestelsel.
Bron van het occultisme, blz. 332-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag