Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De twaalf heilige planeten


De ‘zeven zonen van het licht’, die zijn genoemd naar hun planeten en (door het gewone volk) vaak daarmee worden geïdentificeerd, namelijk Saturnus, Jupiter, Mercurius, Mars, Venus en – voor de hedendaagse criticus, die niet dieper graaft dan de oppervlakte van oude religies – vermoedelijk ook de zon en de maan, zijn dus volgens de occulte leringen onze hemelse ouders, of synthetisch gezien onze ‘vader’. Daarom is het polytheïsme, zoals al werd opgemerkt, wat de feiten en de natuur betreft inderdaad filosofischer en nauwkeuriger dan het antropomorfistische monotheïsme. Saturnus, Jupiter, Mercurius en Venus, de vier exoterische planeten, en de drie andere, die ongenoemd moeten blijven, waren de hemellichamen die in directe astrale en psychische verbinding staan met de Aarde, haar gidsen en wachters – zowel moreel als fysiek. De zichtbare bollen voorzien onze mensheid van haar uiterlijke en innerlijke kenmerken, en hun ‘bestuurders’ of rectoren voorzien ons van onze monaden en spirituele vermogens. Ter vermijding van nieuwe misvattingen verklaren we dat noch Uranus noch Neptunus behoorden tot de drie verborgen bollen (of sterren-engelen); niet alleen omdat ze onder deze namen aan de wijzen uit de oudheid niet bekend waren, maar omdat ze, evenals alle andere planeten, hoeveel er ook mogen zijn, de goden en beschermgeesten zijn van andere zevenvoudige ketens van bollen binnen onze stelsels.    – De Geheime Leer, 1:635

Het archaïsche occultisme wist dat ons volledige zonne-Ei van Brahma veel meer planeten bevat – d.w.z. planeetketens – dan die waarmee de astronomen bekend zijn; en meer zonnen dan onze eigen schitterende dagster. Daarom heb ik in mijn vroegere geschriften ons zonneheelal, in zijn meest volledige occulte betekenis, het universele zonnestelsel genoemd, en gebruikte ik het woord zonnestelsel voor onze eigen zon en de planeetketens die tot zijn rijk behoren.

Er zijn letterlijk tientallen planeetketens in het universele zonnestelsel, en andere in ons eigen zonnestelsel die we niet kennen, waarvan sommige in beide gevallen veel hoger zijn dan onze aardketen en andere veel lager. Ook zijn er veel planeten die tot onze raja-zon behoren, sommige bewoond, sommige, zoals de aarde, bewoond door mensen, andere niet door mensen bewoond, en toch zien we ze niet omdat ze op kosmische gebieden bestaan die òf hoger òf lager zijn dan het onze. Er zijn planeetketens waarvan we zelfs de laagste bol niet zien, omdat die zich boven ons kosmische gebied bevindt; zoals er ook planeetketens zijn zo ver beneden ons dat zelfs de hoogste bol van deze ketens onder ons kosmische gebied ligt. Als een planeetketen bijvoorbeeld haar vierde bol heeft op het zesde kosmische gebied, naar omlaag geteld, dan kunnen we die vierde bol niet zien, omdat we ons op het zevende kosmische gebied bevinden – een ander gebied van kosmische substantie.

Toch zijn al deze vele planeetketens evenzeer delen van het universele zonnestelsel als onze aarde, of als Venus, Mars, Jupiter, enz. Elke keten, hoe onzichtbaar die voor ons misschien ook is, is een onlosmakelijk deel van het levende, kosmische organisme van ketens die hun respectieve rol spelen op de verschillende tonelen van het kosmische leven; en ze zijn allemaal de woonplaats van levende wezens – sommige ervan staan in evolutionaire ontwikkeling veel hoger dan wij, andere staan veel lager.

Dit grote aantal planeetketens is verdeeld in zevenvoudige (of twaalfvoudige) groepen, die alle bestaan uit zeven (of twaalf) planeetketens. Elke groep ketens vormt daarom een kosmische familie, waarvan de leden karmisch zijn verenigd en nauw zijn verbonden door een min of meer gelijke toekomstige bestemming, wanneer het universele zonnestelsel het einde van zijn manvantarische bestaan zal hebben bereikt.

In ons zonnestelsel waren de zeven planeetketens waarmee onze aarde zeer nauw is verbonden bij de Ouden bekend als de zeven heilige planeten.16 Ze hebben geholpen bij de bouw van de aarde en hebben vervolgens haar evolutionaire loop beïnvloed sinds de tijd dat ze een bol etherisch licht in de ruimte was; en ze zullen, astrologisch gesproken, voortgaan over haar te waken tot haar laatste reis is voltooid en ze zich – met al haar levenskrachten en vermogens – opnieuw projecteert in de nieuwe layacentra. Zo heeft elk van deze zeven planeten, als individu, een krachtige invloed uitgeoefend op één bol – die met haar correspondeert – van de zeven bollen die de gemanifesteerde planeetketen van onze aarde vormen.

Deze zeven planeten en onze aardketen zijn onderling veel sterker verbonden dan met de ontelbare menigten andere hemellichamen (of ketens), of die nu bestaan in het universele zonnestelsel of op de nog grotere schaal van de kosmos. Deze heilige planeten – of beter gezegd hun spirituele rectoren of bestuurders – zijn wat bepaalde Griekse filosofen de kosmokratores, wereldbouwers of wereldheersers noemden; en gezamenlijk bouwden ze onder toezicht van de spirituele krachten van de zonnelogoi oorspronkelijk onze planeetketen. Elke leidende, spirituele planeetgeest of rector is de mystieke ouder van een van de bollen van onze aardketen: niet geheel en al zijn fysieke of zelfs zijn spirituele ouder, maar karmisch zijn mystieke ouder – anders gezegd, zijn leider, gids of opzichter.

In feite zijn er niet slechts zeven maar twaalf heilige planeten, hoewel er, door de buitengewoon moeilijke leringen verbonden met de hoogste vijf, in de literatuur en de symbolen van de oudheid gewoonlijk slechts zeven werden genoemd. Op bepaalde plaatsen wordt echter gewezen op twaalf spirituele planeetgeesten of rectoren, die bekendstonden als de twaalf Raadsgoden en in de Etrusko-Romeinse taal Consentes Dii – ‘goedkeurende of meewerkende goden’ – werden genoemd.* Zo komt het dat elk van de twaalf bollen van onze aardketen een van deze twaalf planeetrectoren als toezicht houdende ‘ouder’ heeft. Dit toont duidelijk genoeg aan dat de Ouden, tenminste de ingewijden onder hen, meer planeten kenden in ons zonnestelsel dan de zeven of vijf waarover gewoonlijk wordt gesproken.

*Ze stonden ook bekend als de ‘verheven godheden’. Quintus Ennius, de vader van de Romeinse dichtkunst, somde hun namen in deze versregels op:
‘Iuno, Vesta, Ceres, Diana, Minerva, Venus, Mars,
Mercurius, Iovi’, Neptunus, Volcanus, Apollo.’

De zeven heilige planeten zijn die welke we kennen als Saturnus, Jupiter, Mars, de zon (die als plaatsvervanger dient voor een verborgen planeet heel dichtbij de zon en die we misschien Vulcanus kunnen noemen), Venus, Mercurius en de maan (ook gerekend als plaatsvervanger voor een verborgen planeetketen).* Sommige astrologen beginnen het bestaan te vermoeden van zo’n planeet bij de maan, en één of twee van hen hebben er zelfs de naam Lilith voor bedacht – ontleend aan de rabbijnse legende waar de naam doelt op de quasi-dierlijke en eerste ‘vrouw’ van Adam.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:635vn:
‘Deze planeten worden alleen voor doeleinden van kritische astrologie aanvaard. De astrotheogonische verdeling week hiervan af. De zon, een centrale ster en geen planeet, staat in een meer occulte en geheimzinnige relatie met zijn zeven planeten van onze bol dan algemeen bekend is. De zon werd daarom gezien als de grote vader van al de zeven ‘vaders’, en dit verklaart de verschillen die men vindt tussen de zeven en de acht grote goden van Chaldea en van andere landen. De aarde en de maan, haar satelliet – en om een andere reden ook de sterren – waren niets anders dan plaatsvervangers voor esoterische doeleinden. Toch schijnen de Ouden, zelfs als de zon en de maan niet worden meegeteld, van zeven planeten te hebben geweten. Hoeveel meer kennen wij er tot dusver, als we de aarde en de maan buiten beschouwing laten? Zeven en niet meer: zeven primaire of hoofdplaneten, de overige zijn eerder planetoïden dan planeten.’

Hoewel de maan nauw met de bestemming van de mens en met de aarde is verbonden, en ze ook bepaalde andere zeer occulte functies vervult, is ze niet een van de heilige planeten die door de Ouden werden genoemd en in het archaïsche occultisme worden erkend, eenvoudig omdat ze – afgezien van het feit dat deze maanketen dood is – de twaalfvoudige wachter op de drempel van de aardketen is. Maar op de betekenis van de functie die de maanketen met betrekking tot onze eigen keten heeft, kan niet genoeg de nadruk worden gelegd.

We hebben dus de zeven planeetketens, waarvan er twee onzichtbaar zijn, respectievelijk Vulcanus en de verborgen planeet genoemd in verband met de maan; en er worden in De Mahatma Brieven (blz. 191) vier andere onzichtbare planeetketens genoemd die met de letters ‘A, B, en Y, Z’ worden aangeduid. Deze vier en de genoemde zeven vormen er samen elf, waaraan we de zonneketen kunnen toevoegen zodat we het volledige twaalftal krijgen. Deze planeetketens in het bijzonder erkennen onze zon als hun heerser, en vormen daarom de voornaamste leden van zijn rijk. Door de voortdurende en veelsoortige uitwisseling tussen de elf of twaalf hemellichamen van ons zonnestelsel wordt de wederopbouw van de planeetketens tot stand gebracht, wanneer die, als individu, hun belichaming beëindigen, hun rust in pralaya doormaken en zich weer als nieuwe ketens belichamen, elk het voortbrengsel van zijn vroegere zelf. De kosmische wegen waarlangs die uitwisseling plaatsvindt, zijn de circulaties in de kosmos.

Deze circulaties vinden niet op goed geluk plaats, maar gaan van sfeer naar sfeer, van wereld naar wereld, van gebied naar gebied, door en via individuele bewustzijnen – of dit nu goden, monaden, zielen of atomen zijn – die in en door de diverse elementen werken en ze in feite samenstellen. Meer in het bijzonder in ons eigen zonnestelsel gebeurt dit via de zon en zijn familie van planeten, vooral door en via hun respectieve werelden, de loka’s en tala’s.

De zeven planeten zijn dus heilig voor ons, omdat ze de zeven primaire spirituele en andere krachten van de zonnekosmos overbrengen van de zon naar de bollen van onze keten. De zeven beginselen en de zeven elementen van onze eigen constitutie of van de verschillende bollen van onze keten, komen oorspronkelijk voort uit deze zevenvoudige binnenkomende en uitgaande levensstroom. De zeven planeten die wij heilig noemen, zijn de planeten die als het ware de upadhi’s (dragers) voor ons zijn van de zeven zonnekrachten. Ze zijn in deze ene betekenis van het woord alle ‘hoger’ dan de aarde, hoewel de aardketen op zijn beurt dezelfde functies vervult ten opzichte van deze andere planeetketens. Ze voorzien de aarde van spirituele, verstandelijke, psychische, astrale, vitale en zelfs fysieke krachten, en houden zo op een bepaalde manier toezicht op onze bestemming; ze zijn alle zeer nauw verbonden met de mensheid en met de ontwikkeling van alle entiteiten van welke graad of klasse ook.

HPB drukte het als volgt uit:*

*The Theosophist, februari 1881, blz. 104; CW 3:45.

De volgende stap voor de huidige astronomen zal zijn dat ze ontdekken dat het niet eenvoudig een verandering in atmosferische temperatuur is, samen met de conjuncties van de planeten, die het menselijk lot beïnvloeden, maar een veel belangrijker en occulte kracht, de magnetische sympathie tussen de verschillende planeten. De astrologie is men misschien gaan minachten door de invloed van de zich ontwikkelende moderne wetenschap, maar ongetwijfeld komt de tijd dat ze weer de aandacht zal krijgen die ze verdient en haar oude waardigheid als een verheven wetenschap zal herwinnen.

De scheppende energieën van deze heilige planeten werken samen met en worden versterkt door alle krachten en energieën die door het hele universum van sterren naar ons worden overgebracht. Dat betekent natuurlijk niet dat de aardse planeetketen geen eigen individualiteit bezit, want die heeft ze wel. Maar die individualiteit kan zich in de planeet alleen door middel van een layacentrum belichamen, wanneer ze bij de opbouw en het samenstellen de hulp ontvangt van de diverse invloeden die door de heilige planeten naar haar worden overgebracht, en ook van de oceaan van energieën en krachten waarin ze is gedompeld en welke oceaan de uitstraling of gezamenlijke emanatie van de sterrenmenigte is.

Hetzelfde geldt voor het menselijk lichaam: door de emanaties van andere mensen ontvangt het een zekere hoeveelheid materiaal dat het in zich opneemt; het neemt dit gedeeltelijk op door endosmose en gedeeltelijk door voedsel. Niettemin is het voornamelijk opgebouwd of samengesteld uit de substantie-energie die uitgaat van het reïncarnerende ego. De planeetketens of bollen gaan op een soortgelijke manier te werk. Hun voornaamste substantie of atomen, het grootste deel van hun samenstelling komt vanuit henzelf, via het layacentrum. Maar ze trekken andere energieën en atomen aan die uit hun familie van heilige planeten stromen die, wat karmische bestemming betreft, nauwkeurig op hen zijn afgestemd. Het zijn juist deze planeten van de vele tientallen planeten (de meeste ervan onzichtbaar) binnen het universele zonnestelsel die onze zonnefamilie vormen. Deze zonnefamilie vormt een grotere keten van planeten waarlangs en waardoor en waarin de levensgolf zich beweegt op haar buitenronden. (De binnenronden vinden plaats in elke afzonderlijke keten, die bestaat uit haar ene fysieke bol en de elf andere bollen).

We doelen hier niet slechts op de fysieke lichamen van de zeven heilige planeten – ongetwijfeld heeft iedere fysieke bol zijn eigen zogenaamde astronomische krachten, zoals zwaartekracht en magnetisme – maar meer in het bijzonder op de innerlijke krachten en invloeden die uitgaan van de bezielende godheden van deze planeetketens. Neem bijvoorbeeld onze aarde: hoewel de bol natuurlijk zelf leven in zich heeft – de vitale samenbindende en ook afstotende kracht die hem bijeenhoudt en zijn diverse verschijnselen van scheikundige en andere activiteit teweegbrengt – zijn het niettemin de pranische energieën van zijn planeetgeest die hem bezielen. Het leven van elke individuele bol is de uiteindelijke levende manifestatie van zijn planeetgeest, die de bol vult met de allesdoordringende levensstroom die van de planeetgeest uitgaat en die ook energieën van spirituele, psychische en ook verstandelijke aard omvat.

In haar gedegen artikel getiteld ‘Star-angel worship’, zegt HPB:*

*Lucifer, juli 1888, blz. 364; CW 10:31.

Iedere planeet is volgens de esoterische leer samengesteld uit zeven beginselen, net als de mens. Dat wil zeggen dat de zichtbare planeet het fysieke lichaam is van het siderische wezen, waarvan de atman of geest, de engel is, of rishi, of dhyani-chohan, of deva, of hoe we hem ook noemen. Dit geloof is, zoals de occultisten zullen begrijpen . . . volledig occult. Het is zeer zeker een stelling van de Geheime Leer – maar dan zonder het element van verafgoding.

Een van de voornaamste redenen dat de zeven, of beter gezegd twaalf, planeten heilig worden genoemd is omdat ze als individuen de verblijfplaatsen zijn van de twaalf essentiële spirituele krachten die als lagere logoi uitgaan van de hoogste logos van onze zon. Zoals in eerdere hoofdstukken werd uiteengezet, zijn er twaalf hoofdstralen of krachten die onze zonneketen, hun voertuig, vormen en bezielen; en zij zijn de twaalf lagere logoi van ons zonnestelsel. Elk van deze logoi is dus de rector, de spirituele genius, de aartsengel als u wilt, van een van de twaalf heilige planeten en gebruikt die planeet als zijn voornaamste ‘zenuwcentrum’.

Het volgende diagram illustreert de overeenkomsten die bestaan tussen de ketens van de heilige planeten en de tekens van de dierenriem aan de ene kant, en de twaalf bollen van onze eigen planeetketen op hun respectieve kosmische gebieden aan de andere kant. De lezer zal zelf zien dat de zeven heilige planeten – of beter gezegd vijf ervan – op de bovenste drie kosmische gebieden zijn aangegeven en ook ‘weerspiegeld’ op de onderste drie. Deze manier van herhalen van deze vijf planeten is min of meer een sluier. Toch is ze gebaseerd op het occulte feit dat, hoewel er twaalf individuele kosmische of zodiakale soorten magnetisme in en door ons zonnestelsel werken, het beter is ze te zien als zes fundamentele magnetismen, die alle hun positieve en negatieve pool hebben, zodat elk werkelijk tweevoudig is en de zes zich manifesteren als de twaalf ‘gemanifesteerde’ magnetismen. Omdat bovendien elk van de heilige planeten het huis of voornaamste zenuwcentrum is van een van deze fundamentele magnetismen, ook lagere logoi genoemd, kunnen deze heilige planeten in een diagram tweemaal worden weergegeven, d.w.z. de vijf positieve en hun negatieve weerspiegeling, die zo een tiental vormen, vijf boven en vijf beneden het vierde gemanifesteerde kosmische gebied. Hier raken we een van de redenen waarom de Ouden de zon en de maan als plaatsvervangers voor twee verborgen planeten beschouwden.

Zoals de heilige planeten wereldbouwers zijn met betrekking tot onze planeetketen aarde, zo is onze planeetketen op identieke wijze een kosmokrator die in het bijzonder helpt bij de bouw en leiding van één van de andere planeetketens, maar in het algemeen ook helpt bij de bouw en leiding van alle andere planeetketens van ons zonnestelsel.

Onze hele zonnekosmos toont overal actie en interactie; alles daarin is onderling verbonden en werkt op elkaar in. Laten we een voorbeeld geven: de planeet Mars is gevormd door haar speciale groep van zeven of twaalf planeetketens, waarbij zijzelf de achtste is van haar achttal; en onze aardketen is één daarvan. Er zijn andere vergelijkbare groepen van heilige planeten die uit zichtbare en onzichtbare planeten bestaan en die tot ons universele zonnestelsel behoren; en van deze groepen van ketens maakt noch onze aarde, noch een van haar familie van heilige planeten als eenheid deel uit, hoewel ze in algemene zin natuurlijk behoren bij alle groepen van twaalf die het universele zonnestelsel samenstellen. Onze zon is slechts een van verschillende andere zonnen in ons universele Ei van Brahma, en deze andere zonnen zijn – elk met zijn eigen familie van planeetketens – voor ons onzichtbaar, omdat ze zich op andere gebieden van het universele zonnestelsel bevinden.

Wat Uranus en Neptunus betreft het volgende: Uranus maakt deel uit van het universele zonnestelsel, maar behoort niet tot ons zonnestelsel, hoewel ze als een echte planeet nauw is verbonden met onze zon zowel wat oorsprong als bestemming betreft. De enige manier waarop Uranus kan worden gezien als een lid van ons zonnestelsel is van zuiver astronomische aard, omdat Uranus onder invloed staat van ons stelsel voorzover het de omwentelingen van haar fysieke bol rond de zon betreft.

Neptunus daarentegen is in dit zonnemanvantara op grond van haar oorsprong noch lid van ons zonnestelsel, noch van het universele zonnestelsel. Zoals ik in mijn Beginselen van de Esoterische Filosofie heb uitgelegd, is ze wat men een ingevangene noemt, en die gebeurtenis heeft in een bepaald opzicht de totale aard van het universele zonnestelsel veranderd; ze zal bij ons blijven tot het karmische moment aanbreekt om ons te verlaten.* Ze is ingevangen in dezelfde zin waarin sommige planeten manen hebben ingevangen. We zouden kunnen zeggen dat in een lang vervlogen tijd een komeet die het echte planeetstadium van evolutie naderde, op haar eigen bestaansgebied de aantrekkingssfeer van het universele zonnestelsel dicht genoeg passeerde om te worden ingevangen, en dat ze zich als gevolg van de wisselwerking van verschillende krachten in een baan om de zon vestigde, en dat vele eonen later onze astronomen haar ontdekten en Neptunus noemden! Neptunus kunnen we terecht als zo’n ingevangen komeet zien. Pluto is eveneens ingevangen.

*Vgl. De Geheime Leer, 1:133vn:
De ware oosterse occultist zal beweren dat, hoewel er in ons stelsel veel tot dusver onontdekte planeten zijn, Neptunus niet tot ons stelsel behoort, ondanks zijn schijnbare betrekking tot onze zon en de invloed daarvan op Neptunus. Men zegt dat deze betrekking mayavisch, denkbeeldig, is.

Zoals eerder besproken, vormen kometen slechts het eerste stadium in de evolutiegeschiedenis van alle planeten en ook van alle zonnen; want er zijn planetaire, zonne- en kosmische kometen, d.w.z. kometen die planeten om een zon worden, en kometen die zonnen worden.

Omdat Neptunus een ingevangene is, heeft ze geen rechtstreekse relatie met de twaalf huizen van onze dierenriem zoals de echte planeten van ons zonnestelsel. Niettemin beïnvloedt Neptunus het stelsel als geheel en wel zeer sterk, en ze zal daarmee voortgaan zolang ze een van de hemellichamen blijft die rond de zon wentelen. Niet alleen verandert ze de totale polariteit van het stelsel, maar alleen al daardoor beïnvloedt ze ook alles binnen de zonnekosmos, en oefent daarom – astrologisch gesproken – invloed uit op alle mensen, op alle wezens en dingen op aarde. Toch is het een invloed ‘van buitenaf’, hoewel natuurlijk strikt karmisch. Neptunus is een zevenvoudige (of twaalfvoudige) levende entiteit en door haar aderen vloeit hetzelfde kosmische levensbloed dat door onze aderen vloeit. Het is net zo’n planeetketen als alle andere hemellichamen, maar we zien slechts de ene bol van haar keten die zich op hetzelfde gebied van waarneming bevindt als wij.

Zo zien we dat alle planeetketens in het hele zonnestelsel, het onze of het universele, samenwerken en elkaar helpen, en dat die ketens die tot het rijk van een bepaalde zon behoren elkaar wederzijds opbouwen – daarbij werken ze alle aan hun gemeenschappelijke bestemming. Ons zonnestelsel is inderdaad vol leven: het is een levend organisme, een organische entiteit.

 


Bron van het occultisme, blz. 352-61

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag